Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat?

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen ( afl. 4.a : Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat)?

1. Rechtshandeling. Artikel 1.3. Volgens de eerste alinea van dit artikel is de rechtshandeling een wilsuiting, waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan.

De tweede alinea zet in met een opmerkelijke zin: “Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde” om daaruit zgn. af te leiden “bijgevolg moet elke rechtshandeling een geoorloofd voorwerp en geoorloofde oorzaak hebben”. De toelichting bij dit artikel is voornamelijk aan de tweede alinea gewijd, wat het belang van het onderscheid tussen rechtshandelingen en rechtsfeiten onderschat.

Volgens de opstellers van het voorgestelde Boek I zou met de eerste alinea van artikel 1.3 alles over de rechtshandeling zijn gezegd omdat zij, naar eigen zeggen, “de algemeen aanvaarde definitie van de rechtshandeling” zouden hebben hernomen[1]. Die bewering staven ze echter met geen enkele bron.

Zij benadrukken dat in de rechtshandeling twee elementen besloten liggen: een wilsuiting en de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan. [2]

2. Wilsuiting en de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan. De wilsuiting is een centraal element in de definitie die de opstellers vooruitschuiven. Op grond van de titel van artikel 1.4 ‘wilsuiting’ wordt bij de lezer de verwachting geschapen dat in artikel 1.4. duidelijk wordt gemaakt wat een wilsuiting precies is. Dit artikel geeft evenwel enkel aan dat de wilsuiting uitdrukkelijk of stilzwijgend  en mededelingsplichting kan zijn. Daarmee weet de lezer dus nog niet wat nodig is om van een wilsuiting en derhalve van een rechtshandeling te spreken.

Zoals het woord aangeeft, veronderstelt de rechtshandeling een handeling, een gedraging. Een rechtshandeling veronderstelt een gedraging waarmee, uitdrukkelijk of stilzwijgend, de wil wordt vertolkt om een welbepaald doel in de juridische sfeer te bereiken.

Mochten de wilsuiting en de loutere bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan, volstaan om van een rechtshandeling te gewagen, dan zouden tal van rechtsfeiten voortaan als rechtshandelingen zijn te behandelen. Het (algemeen en bijzonder) opzet dat bijv. een misdrijf vergezelt, impliceert de wil om dit misdrijf te plegen en de bedoeling om zich, tijdelijk of definitief, andermans zelfbeschikking of goederen toe te eigenen. De omstandigheid dat de wilsuiting van de auteur van dit misdrijf en de rechtsgevolgen die hij (m/v/x) beoogt te doen ontstaan, onrechtmatig zijn[3], neemt niet weg dat hij (m/v/x) handelt op grond van wilsuitingen en de bedoeling heeft rechtsgevolgen te doen ontstaan.

Aanhangers van zelfbeschikking en wilsautonomie krijgen dit moeilijk over de lippen, maar[4] de wilsuiting en de enkele bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan, zijn ontoereikend om van rechtshandelingen te spreken. De gedragingen, gestuurd door de wilsuiting en door de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan, zullen de beoogde rechtsgevolgen maar tot stand kunnen brengen wanneer zij beantwoorden aan wetten of jurisprudentiële rechtsregels, die de gewenste rechtsgevolgen aan de wilsuiting en de daardoor bepaalde (rechts)handeling verbinden. Gedragingen worden slechts als rechtshandeling gevalideerd wanneer en in de mate dat zij aan die rechtsregels beantwoorden. Het is enkel dan dat ze in rechte erkend worden en afdwingbaar zijn.

Wat van een gedraging een rechtshandeling maakt, is derhalve de omstandigheid dat een persoon zodanig handelt dat hij (m/v/x) zich in het toepassingsgebied plaatst van een wet of jurisprudentiële rechtsregel en dus – uitdrukkelijk of stilzwijgend – de wil uit om de rechtsgevolgen die specifiek aan die wet of jurisprudentiële rechtsregel zijn gekoppeld te verkrijgen dan wel te ondergaan.

Anders gesteld: de wilsuiting is één van de elementen die nodig is opdat er sprake kan zijn van een rechtshandeling. Maar op zich is de wilsuiting onvoldoende want er moet ook een handeling zijn waardoor de toepassingsvoorwaarden van de wet of de jurisprudentiële rechtsregel worden vervuld, en die de, door de wilsuiting beoogde rechtsgevolgen verwezenlijkt. Er zijn dus drie elementen vereist om van een rechtshandeling te spreken: 1) een handeling, 2) de wil of de bedoeling van de betrokkene om rechtsgevolgen te doen ontstaan, die de handeling heeft bepaald, en 3) een rechtsregel waarvan de toepassingsvoorwaarden , door die handeling, vervuld geraken en de beoogde rechtsgevolgen intreden. Het is op het vlak van het tweede punt dat de rechtshandeling zich onderscheidt van het rechtsfeit.

Een rechtsfeit berust ook op handelingen, op wilsuitingen en op rechtsregels, maar de rechtsgevolgen van de toepasselijke rechtsregels zijn niet gewenst of gewild door de persoon die handelt en zich daardoor in de toepassingsvoorwaarden van één of meerdere rechtsregels plaatst.

In de eerste alinea van artikel 1.3 is de voorgestelde omschrijving van de rechtshandeling dus onvolledig omdat de centrale rol van de rechtsregel daarin ontbreekt en onnauwkeurig omdat ze, door het ontbreken daarvan, ook voor tal van rechtsfeiten opgaat.

3. De rechtsfeiten.  In het privaatrecht[5] doen er zich niet enkel rechtshandelingen, maar ook rechtsfeiten voor, waaraan door rechtsregels rechtsgevolgen worden verbonden. Het bereiken van een termijn, de verwezenlijking of het uitblijven van een voorwaarde, het rechtsmisbruik, het oogmerk om te schaden (zie de voorgestelde artikelen 1.6, 1.10 en 1.11) zijn voorbeelden van rechtsfeiten[6]. In het kader van een rechtshandeling kunnen zich ook rechtsfeiten voordoen.

In de toelichting wordt niet verantwoord waarom de rechtshandeling in de algemene bepalingen werd omschreven, maar er met geen woord over het rechtsfeit wordt gerept. Is het omdat zulks later in de algemene bepalingen zal worden opgenomen of omdat de wet en de daaruit af te leiden jurisprudentiële rechtsregel ook bij rechtsfeiten de hoofdrol spelen?

Rechtsfeiten verwijzen immers naar gebeurtenissen, toestanden, gedragingen …, die al dan niet op wilsuitingen en op de bedoeling berusten om welbepaalde rechtsgevolgen te doen ontstaan en waaraan, krachtens daarop toepasselijke rechtsregels, rechtsgevolgen worden gehecht, die niet door de betrokkenen worden beoogd of, integendeel, anders worden gewenst. De dominantie van de rechtsregel is, in het kader van rechtsfeiten, nog groter dan reeds bij rechtshandelingen het geval is.

4. “Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde” orakelt de tweede alinea van artikel 1.3, zonder in te gaan op de betekenis die aan de openbare orde toekomt.

Deze bewering houdt geen steek. Er kan wel van de openbare orde worden afgeweken, maar dat gebeurt op eigen risico. De overtreder stelt zich bloot aan (nader te bepalen) risico’s, die artikel 1.3 in het midden laat.

Waarom bevindt die eigenaardige zin zich overigens in artikel 1.3? De opstellers lichten dit als volgt toe: “Geldt als uitgangspunt het beginsel van de wilsautonomie[7] op grond waarvan de particulieren hun onderlinge verhoudingen naar eigen goeddunken kunnen regelen, dan bepaalt de openbare orde de grenzen hiervan. Van openbare orde mag niet worden afgeweken[8].

Door te schrijven “er kan niet worden afgeweken van de openbare orde” bedoelen de opstellers derhalve dat van de openbare orde niet mag worden afgeweken. Waarom wordt dat niet, klaar en duidelijk, in het voorstel van wettekst gezegd?

5.  “Er mag niet worden afgeweken van de openbare orde”. Weinigen zullen daaraan twijfelen: de regel geldt in de ons omringende landen en wordt impliciet hernomen zowel in de DCFR[9], als in de PECL[10].[11] Dat gezegd zijnde is die regel slechts voldoende toegankelijk en precies wanneer ook wordt bepaald wat het algemeen begrip “openbare orde” inhoudt en welke rechtsgevolgen aan de miskenning ervan zijn verbonden, daarbij het onderscheid tussen rechtshandelingen en rechtsfeiten in acht nemend.

Zoals vermeld, hult het voorstel van wettekst zich daarover in stilzwijgen. In de toelichting zijn de opstellers spraakzamer. Zij spreken voornamelijk over contracten (hoewel het artikel waarop de toelichting slaat de ruimere notie rechtshandeling betreft)[12] en over het, nieuw door het Hof van Cassatie uitgedachte regime[13] dat toepasselijk is op ongeoorloofde overeenkomsten[14]. Zij schrijven “een overeenkomst in strijd met de openbare orde is ongeoorloofd en is bijgevolg nietig”. Zij verwijzen naar de, volgens hen, “klassiek geworden definitie” van (de wet van) openbare orde die het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 december 1948[15] van De Page[16] overnam en naar de nietigheid als sanctie van de miskenning van de openbare orde wat uit een arrest van het Hof van Cassatie van 4 september 2020[17] zou blijken.

Als die definitie en sanctie zo “klassiek” en zeker zijn, rijst vanzelfsprekend de vraag waarom zij niet in de voorgestelde wettekst zijn opgenomen, vermits – zo wordt in de toelichting gemeld – het voorstel tot doel heeft de rechtspraak op te nemen in de wettekst om de kenbaarheid van de regels te verbeteren. Gelet op de belangrijke gevolgen die worden gekoppeld aan de miskenning van de openbare orde (de nietigheid volgens de opstellers), is het niet te verantwoorden dat er geen omschrijving van de openbare orde en van de sanctie bij miskenning in de wet wordt opgenomen[18].


In een reeks bijdragen onderzoeken Prof. L. Cornelis en Prof. R. Feltkamp de bepalingen van het voorgestelde Boek I Nieuw Burgerlijk Wetboek.


Prof. Em. L. Cornelis
Hoogleraar emeritus Verbintenissenrecht en advocaat
Prof. R. Feltkamp
Docent VUB Financieel- en economische recht
Selected topics law of obligations and contract law (Vakgroep PREC / BuCo)
advocaat

[1]          Memorie van toelichting,  Wetsvoorstel Boek I BW, Parl. St. Kamer 2020-2021, 55-1805/001-033, p. 10.

[2]          Memorie van toelichting,  Wetsvoorstel Boek I BW, Parl. St. Kamer 2020-2021, 55-1805/001-033, p.10.

[3]          Omdat zij met rechtsregels strijden.

[4]          Ongeacht het politieke regime (monarchie, aristocratie, theocratie, oligarchie, communisme …).

[5]          Zoals dat ook in het publiekrecht het geval is.

[6]          Het, in het verbintenissenrecht behandelde – contractuele en buitencontractuele – aansprakelijkheidsrecht is een ander welbekend voorbeeld.

[7]          Het gaat met andere woorden om een hypothese vanwege de opstellers, waarvan ze – per definitie – niet zeker zijn, vermits zekerheid hun hypothese overbodig zou maken. Hun twijfel is overigens meer dan gerechtvaardigd.

[8]          Daarna behandelt de toelichting de verhouding tussen de openbare orde en het contract (zie hierna).

[9]          Draft Common Frame of Reference. Zie art. 7:301 en de erbij behorende uitgebreide toelichtende nota waarin wordt aangegeven dat de Europese rechtsystemen doorgaans deze regel kennen hoewel de gehanteerde terminologie verschilt.

[10]        Principles of European Contract Law. Zie art. 15: 101.

[11]        Zie I. Claeys en T. Tanghe, Algemeen contractenrecht. Handboek voor nu en straks, Antwerpen, Intersentia, 2021, p. 205.

[12]        Een verschijningsvorm van rechtshandeling.

[13]        Sinds een decennium (zie hierna).

[14]        De ongeoorloofdheid is o.m. het gevolg van de miskenning van de algemene begrippen openbare orde en goede zeden.

[15]        Cass. 9 december 1948, Pas. 1948, I, 699.

[16]        H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, Brussel, Bruylant, 1962, 111, nr. 91 (de eerste editie dateert van het interbellum)

[17]        Cass. 4 september 2020, C.19.0613.N.

[18]        Zie ook I. Claeys en T. Tanghe, Algemeen contractenrecht. Handboek voor nu en straks, Antwerpen, Intersentia, 2021, p. 34-35: “Het behoort in een rechtsstaat tot de essentie van een regel dat er ofwel van kan worden afgeweken (default rule) of dat er niet van kan worden afgeweken (mandatory rule). Het Wetsvoorstel verbintenissen vergroot in dat opzicht niet de toegankelijkheid van het verbintenissenrecht voor de burger. Dat het wenselijk is te weten of een regel al dan niet suppletief is, staat buiten kijf in een rechtsstaat. Dat het niet haalbaar zou zijn om het suppletieve karakter aan te duiden, is evenmin aanvaardbaar voor een rechtsregel die naam waardig.”

2 thoughts on “Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat?”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s