Recht en crisis: voordrachten van François Ost en Paul Verhaeghe

In het laatste nummer van jaargang 2020 van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht stond de relatie tussen recht en crisis centraal. N.a.v. de publicatie van dit nummer werden de professoren François Ost en Paul Verhaeghe uitgenodigd om hun visie op de impact van de coronacrisis met de leden (en sympathisanten) van het TBH te delen. Wie er niet bij kon zijn, kan de voordrachten hier herbekijken (waarschuwing: geen Netflix-kwaliteit).

Heeft de berg een muis gebaard? Plessers komt thuis

Op deze blog is regelmatig verslag gedaan over de Plessers-saga (zie o.a. hier, hier en hier). Het voorlopige eindpunt van deze saga kan hier dan ook niet onvermeld blijven. Op 24 maart 2021 werd de Belgische Staat aansprakelijk gesteld voor de foutieve omzetting van Richtlijn 2001/23/EG. Een samenvatting van het arrest is hier te vinden. Het arrest zelf kan hier worden geconsulteerd.

In het arrest Plessers oordeelde het Europees Hof van Justitie als volgt:

Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, met name de artikelen 3 tot en met 5, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, die in geval van overdracht van een onderneming in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, welke procedure wordt gevoerd met het oog op het behoud van het geheel of een gedeelte van de vervreemder of van zijn activiteiten, bepaalt dat de verkrijger het recht heeft om te kiezen welke werknemers hij wil overnemen.

De vaststelling van een fout in hoofde van de Belgische Staat bij de omzetting van Richtlijn 2001/23/EG stond hiermee in de sterren geschreven (niettegenstaande de gefundeerde kritiek in de rechtsleer op de redenering van het Hof van Justitie, kritiek waar het Arbeidshof al bij al weinig mee heeft gedaan).

So far, so good voor mevrouw Plessers. In de aansprakelijkheidsredenering is de vaststelling van een fout echter slechts het beginpunt, niet het eindpunt. De volgende stappen zijn schade en causaal verband. Daar begint het schoentje te knellen.

Mevrouw Plessers zag de zaken als volgt:

In het voorliggende geval zou volgens mevrouw P het rechtmatig alternatief erin hebben bestaan dat de overnemer, de NV Prefaco, verplicht was alle werknemers over te nemen. Zij stelt dat de NV Prefaco zonder de schending van de richtlijn haar werkgever zou zijn geworden en de weigering van de NV Prefaco om haar verder te werk te stellen aanleiding zou hebben gegeven tot de uitbetaling van een opzeggingsvergoeding door deze laatste.

In deze redenering wordt zij niet gevolgd door het Arbeidshof. Uit het arrest van het Hof van Justitie leidt het Arbeidshof volgend rechtmatig alternatief af:

Mevrouw P zal derhalve moeten aantonen dat in de veronderstelling dat een richtlijnconforme regeling zou uitgewerkt geweest zijn zonder volledige overnameverplichting maar met voldoende waarborgen, de NV Prefaco haar toch had moeten overnemen omdat er geen economische, technische of organisatorische redenen voor handen zijn die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen en die geen intrinsiek verband houden met de overgang.

In deze bewijslast faalt mevrouw Plessers:

Het arbeidshof kan alleen maar vaststellen dat mevrouw P niet het minste bewijs levert van het feit dat zij, indien de Belgische procedure voldoende waarborgen zou hebben bevat om preventief na te gaan of de NV Prefaco het ontslag of de niet-overname steunde op technische, economische of organisatorische redenen, die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen en die geen intrinsiek verband houden met de overgang, wel overgenomen zou zijn geweest.

Niet alles is echter verloren voor mevrouw Plessers. In ondergeschikte orde vorderde zij schadevergoeding voor het verlies van een kans. Deze schade (door het Arbeidshof ge(her)kwalificeerd als het verlies van de kans om bij de overnemer tewerkgesteld te worden) wordt wel weerhouden door het Hof, maar gelet op de feiten van het dossier zeer onwaarschijnlijk en laag ingeschat. Een veroordeling ex aequo et bono van de Belgische Staat ten belope van EUR 1000 is het resultaat. De berg heeft een muis gebaard.

Belangrijker dan de concrete uitkomst van dit dossier, zijn de wetgevende implicaties ervan. Het arrest Plessers heeft (te) lange tijd als donderwolk boven de gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag gehangen. Het arrest van het Hof van Justitie en het arrest van het Arbeidshof bieden een duidelijk pad om deze donderwolk te verdrijven. Deze uitweg is de wettelijke bevestiging van het rechtmatig alternatief, namelijk een procedure die garanties “inhoudt ter bescherming van de werknemers tegen een ongerechtvaardigd ontslag, omdat op de verkrijger niet de verplichting rust om aan te tonen dat de ontslagen in het kader van de overgang te wijten zijn aan technische, economische of organisatorische redenen”.

Goede nieuws: een dergelijk voorstel is reeds voorhanden in het wetsvoorstel houdende diverse wijzigingen inzake insolventie van ondernemingen, ingediend door Koen Geens (in het bijzonder art. 6 van dit wetsvoorstel).

Belgium introduces pre-pack reorganisation

A post by guest bloggers Eric Blomme and Cécile Odeurs (Baker McKenzie)

The COVID-19 pandemic has put the rescue of struggling but viable businesses front of the agenda.  The initial response of the Belgian government and legislator was a moratorium on enforcement measures and bankruptcy petitions.  Such moratorium can however not be a structural solution in the long term, and expired on 31 January 2021.

The attention then shifted to the improvement of the existing legal framework.  Fortunately, Belgium already benefits from a pre-bankruptcy moratorium procedure designed to rescue struggling businesses (the “judicial reorganisation”).  Although this procedure is well designed, it does suffer one key drawback: its public nature.  In light of cultural and other factors, the opening of such public procedure often leads to a loss of confidence from suppliers and customers and triggers further loss of value.

In this context, on 11 March 2021, the Belgian Chamber of Representatives approved a law modifying the Belgian insolvency code (the “Pre-Pack Law“).  The Pre-Pack Law will shortly be published in the Belgian State Gazette and enter into effect.  The Pre-Pack Law will introduce, among other measures, a non-public pre-pack reorganisation.  The key features of this pre-pack reorganisation are as follows:

Continue reading “Belgium introduces pre-pack reorganisation”

The new prudential framework for investment firms – More fit for purpose?

A post by guest bloggers Ivan Peeters, Charles-Henri Bernard and Leopoldo Luyten de Alvear

1. Investment firms play a key role in modern financial markets and in advising professional and retail clients. In particular they assist in matching investors and funds to be invested with investment opportunities and funding needs. The current market situation combines a structural low interest rate environment on the one hand and an expected surge of projects that need funding or equity. Such surge will not in the least be driven by ESG (environmental sustainability targets in particular) and by the efforts to re-open the economies in Western Europe.

2. In December 2019, the EU Parliament approved the new prudential framework for investment firms in the Investment Firm Directive (“IFD”) [1] and Investment Firm Regulation (“IFR”)[2] to be implemented in the European Union (“EU”) by 26 June 2021. This represents a significant reform in the EU regulatory framework and will have a material impact on most investment firms. In the Belgian regulatory landscape, investment firms are either stockbroking firms (sociétés de bourse / beursvennootschappen) or portfolio management companies(société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement / vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies). Continue reading “The new prudential framework for investment firms – More fit for purpose?”

Green disclosure rules for the financial services sector become applicable in the EU

A post by guest blogger Arnaud Van Caenegem (KU Leuven)

Financial services providers can no longer communicate at will about sustainability now certain provisions of the Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR)[1] have become applicable as of 10 March 2021. The SFDR imposes harmonized disclosure obligations on financial services providers to ensure that the sustainability features of their financial products can be better compared by investors. Up until now, sustainability disclosures have often been limited to vague, unsubstantiated and sometimes misleading marketing rhetoric.[2] This blogpost will discuss the transparency obligations of the SFDR that become applicable on 10 March 2021. Continue reading “Green disclosure rules for the financial services sector become applicable in the EU”

Crypto-assets: regulators and regulations trying to catch up with innovation without stifling it?

A post by guest bloggers Ivan Peeters, Philip Van Steenwinkel and Frederik Stappers

1. Over the past few years crypto-assets have garnered significant attention from the media, financial analysts, governments, regulatory institutions and investors. However, this year interest in crypto-assets has skyrocketed. With big investments of corporates, investment funds and millions already being raised by Initial Coin Offerings, it shows that crypto-assets are maturing and here to stay. In this post we provide some considerations in relation to the legal and regulatory characterisation and regulatory treatment of token offerings and the most common crypto-assets. Continue reading “Crypto-assets: regulators and regulations trying to catch up with innovation without stifling it?”

VRG-alumnidag (KU Leuven): een ‘corporate finance’-graai in het aanbod

Vrijdag 12 maart 2021

Op vrijdag 12 maart 2021 organiseert VRG Alumni op de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven de 27ste alumnidag. De dag gaat online door aan aangepaste tarieven. Het volledige programma en een inschrijvingsformulier vindt u hier. Lezers van deze blog zullen in het veel ruimere aanbod misschien in het bijzonder geïnteresseerd zijn in:

Invoering van de jaarlijkse taks op effectenrekeningen, Fiscale stand van zaken “inbreng van arbeid”, Evoluties op het vlak van de successieplanning (kaasroute, duolegaat,…) door prof. Axel HAELTERMAN, Instituut voor Fiscaal Recht KU Leuven, advocaat

Actuele ontwikkelingen inzake koop door prof. Bernard TILLEMAN, Instituut voor Contractenrecht KU Leuven en drs. Frederik VAN DEN ABEELE, Instituut voor Contractenrecht KU Leuven

Schuldeiserbescherming bij vennootschappen: wettelijke specialiteit, vennootschapsbelang, actio pauliana, door prof. Joeri VANANROYE, Instituut voor Handels- en Insolventierecht KU Leuven, advocaat en dr. Gillis LINDEMANS , Instituut voor Handels- en Insolventierecht KU Leuven, advocaat

Alternatieven voor het proces van federale regeringsvorming door prof. Koen GEENS, Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel recht KU Leuven.

Aandelen in het nieuwe familiaal vermogensrecht door prof. Johan DU MONGH, rector Roger Dillemans Instituut voor Familiaal Vermogensrecht KU Leuven

De sanctieregeling in het Gerechtelijk Wetboek door prof. Benoît ALLEMEERSCH, Leuven Centre for Public Law Faculteit Rechtsgeleerdheid KU Leuven, advocaat

Onderwijs & Corona: in dialoog met de decaan door prof. Wouter DEVROE, decaan Faculteit Rechtsgeleerdheid KU Leuven.

Inschrijven kan hier.

Webinar ‘WVV vraagstukken’ over schuldeisersbescherming bij uitkeringen, vereffening en intragroepsverrichtingen

Een aantal recente fundamentele wijzigingen in het ondernemingsrecht beogen flexibilisering maar brengen tegelijk de bescherming van de schuldeiser mogelijk in het gedrang. De vraag stelt zich in welke mate de vennootschapsschuldeiser nog bescherming vindt onder het WVV, en welke instrumenten ter beschikking zijn van de schuldeiser.

In een webinar van KMO Campus op 18 maart 2021 onderzoeken professor Joeri Vananroye en dr. Gillis Lindemans, beide advocaat bij Quinz, de mogelijkheden en uitdagingen voor schuldeisers onder het WVV.

De docenten bespreken de algemene principes en passen dit toe op uitkeringen, de vereffening en verrichtingen binnen een vennootschapsgroep en met andere insiders.

Onder meer komen de volgense onderwerpen aan bod:

  • Vennootschapsbelang, wettelijke specialiteit en pauliana als instrument van schuldeisersbescherming
  • Toepassing: Openlijke en verkapte uitkeringen
  • Toepassing: Vereffening
  • Toepassing: Intragroepsverrichtingen en andere verrichtingen met insiders

Continue reading “Webinar ‘WVV vraagstukken’ over schuldeisersbescherming bij uitkeringen, vereffening en intragroepsverrichtingen”

Looking ahead for likely changes to the EU legislation on Alternative Investment Fund Management

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Investment funds play a key role in modern financial markets to give investors access to investments with the benefit of different layers of structural and regulatory protections. A large and efficient market for investment funds also serves to help sponsors of projects to get access to the large amounts of value that today’s investors seek to invest. This will in particular also apply for the exponentially growing need to invest in sustainable, forward looking projects.

2.  Against this background, the European legislation has created a financial regulation framework for (a) the authorisation and supervision of alternative investment fund managers (AIFMs), (b) the oversight of AIFMs’ activities and services, in their home country as well as in other EU jurisdictions, and (c) the marketing of alternative investment funds (AIFs) (i.e. the distribution of securities issued by AIFs). AIFs are investment funds that are not regulated at EU level by the long established UCITS Directive[1], meaning they are not regulated at “product level” (structure, securities …). Only their management is regulated. AIFs include hedge funds, private equity funds, real estate funds, investment trusts, infrastructure funds and a wide range of other types of investment funds.

3. The key piece of legislation is the Directive 2011/61/EU of the European Parliament and of the Council of 8 June 2011 on Alternative Investment Fund Managers (the AIFMD). It entered into application on 22 July 2013. Continue reading “Looking ahead for likely changes to the EU legislation on Alternative Investment Fund Management”

Launch of the European Insolvency and Restructuring Journal

Recently, the European Insolvency and Restructuring Journal has been launched. In the words of its founders the “European Insolvency and Restructuring Journal is a fully open access and double-blind peer reviewed journal focused on the development of insolvency and restructuring laws and practice in Europe.”

The journal will feature academic articles, practitioners articles and case notes, all fully accessible. The launch of the journal coincides with important developments in European and national insolvency law(s). One to bookmark. From one blog to another: best of luck and ad multos annos.

Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Under the Belgian regulation on residential mortgage credit (the “ML Regulation”)[1], any individual or legal entity willing to own and hold receivables arising from residential mortgage loans, either by originating such loans or by purchasing mortgage loan receivables, must be authorised as a mortgage lender (“kredietgever inzake hypothecair krediet” / “prêteurs en crédit hypothécaire”). This authorisation shall be requested to, and granted by, the Belgian Financial Services and Markets Authority (the “FSMA”).

2. However, certain derogations from the normal authorisation conditions are available for two special categories of entities:

a) entities that only manage and recover mortgage loans; and

b) certain special types of purchasers of mortgage credit receivables, in particular securitisation vehicles and mobilisation institutions more generally.

These derogations were introduced in the ML Regulation in 2017, when existing mortgage credit lenders and existing mobilisation institutions were required to seek an updated licence (the “2017 Update”).

3. But what about sales of delinquent or defaulted residential mortgage loans. How does this fit within the ML Regulation and, more broadly, within the Belgian regulatory framework? Continue reading “Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.”

Over examens (en veel meer)

Veel lezers van deze blog bereiden thans de examens voor. Andere lezers houden zich in stilte bezig om eerstgenoemde categorie niet te storen. Nog andere lezers bereiden zich voor op het afnemen van die examens.

Aan al deze lezers wordt, bij wijze van kerstessay (maar dan niet de flauwe variant die deze tijd van het jaar in allerlei kranten terug te vinden is), volgende bijdrage “aangeboden” (de aanhalingstekens zien op het feit dat de bijdrage sowieso door iedereen gratis consulteerbaar is): L. François, “Faut-il supprimer les examens universitaires, les perfectionner ou seulement les ritualiser?“, Revue Universitaire de Liège 1974, 1-35.

Bijna 50 jaar na datum heeft de analyse van professor François nauwelijks aan actualiteit en precisie ingeboet. Een analyse die het onderwerp examens moeiteloos overstijgt en in andere domeinen van de “juristerij” evenzeer toepassing vindt.

Wat er ook van zij: succes aan alle studenten én professoren.

Freezing out the minority shareholders of Altice Europe: how protective is Dutch law?

On 11 September 2020, Altice Europe announced that it had entered into an agreement with its 78% controlling shareholder, Patrick Drahi, on an all-cash offer of EUR 4.11 per share for all shares in Altice Europe. Mr Drahi has also announced his intention to freeze out any non-tendering shareholders, either through a statutory squeeze-out procedure or through a post-offer merger or asset sale.

In two letters (available here and here), Lucerne Capital Management, a hedge fund, voiced its opposition against the deal, stating that “the vast majority of Altice Europe’s minority shareholders believe that the public offer is nothing more than an illicit attempt by Mr Drahi to exploit the Covid-19 pandemic to yet again transfer massive value to himself, to the detriment of the minority shareholders”. Lucerne also initiated proceedings with the Amsterdam Enterprise Chamber, requesting the court to appoint three independent directors and to block the post-offer merger and asset sale. Three other investment funds, Sessa, Sheffield and Winterbrook filed similar proceedings. Their main criticism was aimed at the post-offer freeze-out techniques. Continue reading “Freezing out the minority shareholders of Altice Europe: how protective is Dutch law?”

Do corporate acts always count as some person’s actions?

A post by guest blogger Prof. Lisa Siraganian (Johns Hopkins University)

Scholars of corporate legal finance tend not to spend a lot of time worrying about how the corporation relates to novels, poems, literary movements. Or to political cartoons, like Udo Keppler’s fascinating 1910 magazine illustration of the shadowy corporation (more on that one below). But maybe they should. That’s what I argue in my new book, Modernism and the Meaning of Corporate Persons, out just now as part of the Law and Literature series from Oxford University Press, edited by Professors Robert Spoo and Simon Stern.  

Udo J. Keppler, “Get after the substance, not the shadow,” Puck 68, no. 1757 (November 2, 1910). Library of Congress Prints and Photographs division, Washington, D.C.

The story begins with the fateful US Supreme Court decision, Santa Clara v. Southern Pacific Railroad, which legitimatized the American legal fiction of corporate personhood in 1886. After that decision, the development of the idea that law could endow a nonhuman entity with certain rights expanded into American culture. And, not surprisingly, the notion that an eerie, insubstantial corporation could be considered similar to persons bothered many actual people throughout the first decades of the twentieth century.

In the book, I explore how and why the possibility that large collective organizations might mean to do what they do—and might mean like us, like persons—both excited and worried American creative writers, artists like Keppler, and theorists of the corporation. In roughly the first half of the twentieth century, these ideas stimulated new thoughts about what it means to act as a person or as a group. It also sparked new thoughts on what it means to intend to act at all. Of course, versions of that conversation continue today, most often as debates on blogs, scholarship, and in heated media discussions, whether on legal personhood, corporate social responsibility, veil-piercing, or corporate criminal liability. But the earlier deliberations on similar issues have remained, until now, an untapped resource to understand corporate action, worked out in entirely different forms. 

For example, consider the law reviews and treatises on contracts and agency law by US Supreme Court Justice Oliver Wendell Holmes, Jr. and law professor Ernst Freund. Or, alternatively, take the inventive modernist poems of Gertrude Stein and the novels of F. Scott Fitzgerald, author of The Great Gatsby and The Love of the Last Tycoon. Whichever you choose, you can find each writer trying to work out the following problem. Namely, if you can’t be sure how to represent or describe a corporate entity, or who exactly intended what a corporation said or acted, then how can you really know what that corporation meant when it “said” something or acted in a certain way? But knowing, or not knowing, mattered. It would determine what you might fairly expect from the various human persons when they work for a corporation. And it would impact how society should treat (or regulate) these corporate entities and what they did in the world. Continue reading “Do corporate acts always count as some person’s actions?”

De balans van twee jaar Boek XX WER voor not-for-profit organisaties

Sinds 1 mei 2018 kunnen vzw’s, ivzw’s en stichtingen het voorwerp worden van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie of faillissement. Boek XX van het Wetboek van economisch recht (WER) breidde het personeel toepassingsgebied van insolventieprocedures uit naar een formeel ondernemingsbegrip. En dat laatste bleef niet zonder gevolg: tussen 1 mei 2018 en 1 mei 2020 gingen 437 vzw’s, 4 internationale vzw’s en 7 private stichtingen failliet.

In een recente bijdrage voor het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht wordt twee jaar na de inwerkingtreding van Boek XX WER een empirische analyse gemaakt van de gevolgen van de nieuwe insolventieprocedures op rechtspersonen uit de not-for-profit sector.

Vijf vaststellingen

Het onderzoek leidt tot een aantal interessante vaststellingen:

Continue reading “De balans van twee jaar Boek XX WER voor not-for-profit organisaties”