Artikel 1:2 en artikel 1:3 WVV definiëren het uitkeringsverbod als het verbod voor VZW en stichting om “rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen” aan haar oprichters, leden, bestuurders of enig ander persoon, behalve voor uitkeringen die gebeuren in het in de statuten bepaald belangeloos doel. Het uitkeringsverbod onderscheidt VZW’s en stichtingen van vennootschappen. Terwijl het vermogen van een VZW of stichting niet mag worden uitgekeerd aan de personen die het voor het zeggen hebben in de organisatie (de zogenaamde insiders), mogen vennootschappen daarentegen wel uitkeringen doen aan hun aandeelhouders, mits naleving van de wettelijke voorschriften.
Het belang van het uitkeringsverbod is niet te onderschatten.