1. In een arrest van 16 juli 2026[1] heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor niet-betaalde btw schulden van een vennootschap en, meer bepaald, over de vraag in welke mate die bestuurder nog kan opkomen tegen de definitief vastgestelde belasting in hoofde van de vennootschap. Het arrest is interessant omdat het een aantal principes herhaalt die ook op andere vlakken van bestuurdersaansprakelijkheid relevant – of niet relevant – kunnen zijn (zie verder randnummer 6). Bovendien is dit arrest een aanleiding tot reflectie over de doeltreffendheid van de bestaande regel (zie randnummer 8).
Uit het antwoord op een recente parlementaire vraag van Koen Van den Heuvel (cd&v) blijkt dat meer dan de helft van alle afgesloten faillissementen in België eindigt wegens ontoereikend actief. In 2025 liep dat aandeel zelfs op tot bijna 60% en betaalde de Belgische Staat ruim 4,6 miljoen euro aan forfaitaire curatorvergoedingen in lege boedels. De nieuwe cijfers maken de omvang van de problematiek voor het eerst concreet en vormen tegelijk een aanleiding om breder na te denken over de functie en financiering van het faillissement, het alternatief van de gerechtelijke ontbinding en de bijzondere positie van natuurlijke personen voor wie het faillissement ook de toegangspoort tot kwijtschelding vormt.
De problematiek van lege boedels in het insolventierecht is bekend. De klassieke faillissementsprocedure vertrekt van een vermogen dat door de curator wordt beheerd en vereffend, waarna de opbrengst onder de schuldeisers wordt verdeeld. Wanneer nauwelijks of geen actief aanwezig is, valt precies die klassieke vereffenings- en verdeellogica grotendeels weg.
Eén manier om de omvang van de legeboedelproblematiek te benaderen, is door faillissementen die worden afgesloten wegens ontoereikend actief als proxy te gebruiken. Wanneer de curator vaststelt dat het actief ontoereikend is om de vermoedelijke kosten van beheer en vereffening te dekken, kan hij de rechtbank verzoeken het faillissement wegens ontoereikend actief te sluiten (art. XX.135 WER).[1]
Over het aandeel van faillissementen dat wegens ontoereikend actief wordt afgesloten, was tot dusver weinig publieke informatie beschikbaar. Dat is opmerkelijk, aangezien in beleidsdocumenten al werd gesteld dat dergelijke dossiers het “leeuwendeel van de faillissementen[2]” uitmaken. Het antwoord op een recente parlementaire vraag maakt het nu mogelijk om daar concrete cijfers op te kleven.[3]
Algemeen beeld
Meer bepaald blijkt dat meer dan de helft van alle afgesloten faillissementen eindigt wegens ontoereikend actief. Tussen 2021 en juni 2026 werden volgens de meegedeelde cijfers 48.012 faillissementen afgesloten. Daarvan eindigden er 26.592, of 55,39%, wegens ontoereikend actief.[4]
Niet alleen vormen de faillissementen die wegens ontoereikend actief worden beëindigd in elk afzonderlijk jaar de meerderheid, ook neemt hun relatieve belang duidelijk toe. Het aandeel stijgt van 51,99% in 2021 tot 59,70% in 2025, of bijna zes op de tien afgesloten faillissementen. Dat is een stijging met 7,71 procentpunt. Lege boedels lijken in de faillissementspraktijk dus steeds meer gewicht te krijgen.
De klassieke verdeelfunctie van het faillissement kan in een bijzonder groot deel van de dossiers dus slechts beperkt worden gerealiseerd. Dat roept minstens drie vragen op: wie betaalt de curator, welke controle blijft noodzakelijk en wanneer is een eenvoudiger alternatief voor het faillissement aangewezen?
In de analyse van die vraagstukken is het nuttig om een onderscheid te maken tussen rechtspersonen en natuurlijke personen.
Rechtspersonen
Voor rechtspersonen is het beeld in wezen hetzelfde als bij de totale cijfers. Ook hier blijkt dat meer dan de helft (54,62%) van de afgesloten faillissementen eindigt wegens ontoereikend actief. Rechtspersonen maken in absolute aantallen veruit het grootste deel van de waargenomen faillissementen uit, waardoor zij in belangrijke mate het algemene patroon bepalen.
Wie betaalt de curator?
Een faillissement dat wegens ontoereikend actief wordt afgesloten, leidt doorgaans niet of nauwelijks tot een uitdeling aan schuldeisers. Tegelijk vereist ook zo’n procedure de aanstelling van een curator, die op zijn beurt moet worden vergoed.
Het ereloon van de curator wordt in beginsel gedragen door de boedel. Wanneer het actief daarvoor echter ontoereikend is, geldt een forfaitaire vergoeding (zie art. 9 KB 26 april 2018). Eventuele beschikbare netto-opbrengsten worden daarop aangerekend. Het resterende tekort wordt door de Belgische Staat gedragen. Dat verklaart waarom legeboedelfaillissementen in het beleidsdebat geregeld als “kostelijk” of “te duur” worden voorgesteld.[5]
Ook over de omvang van die staatsfinanciering waren nauwelijks concrete cijfers voorhanden. De parlementaire vraag brengt daar voor het eerst meer duidelijkheid in. In 2025 verrichtte de Belgische Staat 3.713 overschrijvingen in het kader van deze forfaitaire vergoeding, voor een totaal van 4.662.066,74 euro. In de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2026 ging het al om 2.062 overschrijvingen, samen goed voor 2.735.442,48 euro.
Gedeeld door het aantal overschrijvingen komt dat neer op gemiddeld ongeveer 1.255,61 euro in 2025 en 1.326,60 euro in de eerste helft van 2026 – hetgeen te verklaren is door de indexatie van de forfaitaire vergoeding. Die bedragen illustreren dat de resterende bijdrage uit de boedel in veel gevallen zeer beperkt moet zijn.[6]
Hier kan ook een voorzichtige vergelijking gemaakt worden met voormelde sluitingscijfers. In 2025 werden 5.295 faillissementen wegens ontoereikend actief afgesloten, terwijl datzelfde jaar 3.713 overschrijvingen voor forfaitaire curatorvergoedingen plaatsvonden. Dit illustreert mooi het verschil tussen de legeboedelproblematiek in brede zin (d.i. onvoldoende actief om de vermoedelijke procedurekosten te dragen) en de engere categorie waarin de resterende boedel zelfs onvoldoende is voor het forfaitaire curatorereloon.
Een dure procedure?
Daarmee is zeker nog niet gezegd dat het faillissement voor zulke boedels te duur is, laat staan dat de uitgaven nutteloos zouden zijn.
In eerder empirisch onderzoek heb ik geprobeerd om die vraag vanuit het perspectief van de curator te benaderen. Aan de hand van een Time-Driven Activity-Based Costing-model werd voor 145 legeboedelfaillissementen van rechtspersonen geraamd welke kost de standaardwerkzaamheden van de curator daadwerkelijk meebrengen. De mediane geraamde kost bedroeg 1.620,78 euro (voor 11,35 uur). In 131 van de 145 dossiers, of 90,34%, lag de geraamde kost hoger dan het toen toepasselijke forfait.
De tussenkomst van de Staat is vanuit dat perspectief dus niet eenvoudigweg een “betaling voor niets”. Ook zonder betekenisvolle uitdelingswaarde moeten curatoren in principe onder meer een inventaris opmaken, schuldvorderingen verifiëren en het faillissementsdossier samenstellen. Die drie activiteiten alleen vertegenwoordigden in het kostenmodel bijna de helft van de gemiddelde kost.
Bovendien mag een andere kernfunctie van het faillissement niet vergeten worden: informatie en controle. Juist bij rechtspersonen krijgt dat een bijzondere dimensie door de vermogensafscheiding. De curator kan nagaan of de boedel werkelijk leeg is, de boekhouding onderzoeken, mogelijke verdwenen activa opsporen, de oorzaken van het faillissement reconstrueren en signalen van onregelmatigheden of mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid detecteren. Dat het beschikbare actief uiteindelijk ontoereikend blijkt, betekent niet dat die werkzaamheden zonder waarde zijn. Het kan relevant blijven te onderzoeken waarom een rechtspersoon zonder actief achterblijft.
Als de wetgever van oordeel is dat ook bij lege boedels een dergelijke onafhankelijke controle moet plaatsvinden en dat de curator daarvoor de geschikte actor is, dan hebben dergelijke dossiers wel degelijk een plaats binnen het faillissement en is ook een gegarandeerde basisvergoeding te verantwoorden.
Maar wie hoort voor die controle te betalen?
Een andere vraag is wie de kost van die controlefunctie uiteindelijk moet dragen.
Dat de Belgische Staat tussenkomt, is op zichzelf verdedigbaar wanneer bepaalde curatorwerkzaamheden vooral een maatschappelijk controlebelang dienen. Maar het huidige model roept ook vragen op. Voor zover curatorvergoedingen tevens door andere dossiers (rijkere boedels) worden gedragen, financieren schuldeisers daar indirect de werking van het systeem. En vooral valt op dat net de bestuurders van leeg achtergelaten boedels niet (noodzakelijk) bijdragen aan de kost van het curatoronderzoek.
Een essentiële ontbrekende schakel is evenwel dat we voorlopig de maatschappelijke opbrengst van de controlefunctie niet kennen. Mijn kostenonderzoek meet welke werkzaamheden worden verricht en wat zij kosten, maar niet hoeveel onregelmatigheden worden ontdekt, hoeveel aansprakelijkheidsvorderingen worden ingesteld, hoeveel activa daardoor worden gerecupereerd, hoeveel strafrechtelijke meldingen volgen of welk preventief effect de controle heeft. Dat is een belangrijke piste voor verder empirisch onderzoek.
Gerechtelijke ontbinding: goedkoper, maar wanneer?
Die onzekerheid maakt ook duidelijk waarom voorzichtig moet worden omgesprongen met de gerechtelijke ontbinding in faillissementstoestand.[7]
Het zou bijzonder interessant zijn om te weten hoe vaak artikel XX.100 WER daadwerkelijk wordt gebruikt als alternatief voor een faillissement. Net daar loopt de parlementaire vraag echter ‘vast’ op een gebrek aan gegevens. Volgens het antwoord is het “wegens de huidige staat van de statistieken en het beschikbare detailniveau” niet mogelijk betrouwbare cijfers te geven over het aantal verzoeken of inwilligingen.
Een dergelijk gegevensgebrek is jammerlijk. Een recent Graydon-rapport toont wel dat de gerechtelijke ontbinding als algemene procedure een hoge vlucht heeft genomen: van 979 uitspraken in 2018 naar 5.329 in 2024 en 4.714 in 2025.[8]
Natuurlijke personen
Bij natuurlijke personen-ondernemers is het aandeel faillissementen dat wordt afgesloten wegens ontoereikend actief nog iets hoger (57,86%) dan in de algemene cijfers en bij rechtspersonen. Hoewel natuurlijke personen in absolute aantallen een veel kleinere groep vertegenwoordigen, is de legeboedelproblematiek er proportioneel duidelijk nog uitgesprokener.
Rol van kwijtschelding
Bij natuurlijke personen ligt de functie van het faillissement deels anders. Zij verdwijnen na de sluiting niet uit het rechtsverkeer, maar de afsluiting van het faillissement gaat in beginsel gepaard met de kwijtschelding van hun restschulden (art. XX.173 WER). Naar Belgisch recht is de fresh start van de natuurlijke persoon-ondernemer daardoor rechtstreeks in de faillissementsprocedure ingebouwd. Het faillissement krijgt voor natuurlijke personen daardoor een hybride karakter. Het is niet alleen een liquidatieprocedure waarin het bestaande vermogen wordt afgewikkeld, maar tegelijk de ‘toegangspoort’ tot schuldbevrijding en een nieuwe start. De geringe omvang van het aanwezige vermogen maakt die tweede functie niet minder relevant – integendeel.
Waar de controlefunctie bij rechtspersonen vooral retrospectief is, zou deze voor natuurlijke personen eerder toekomstgericht moeten zijn, met name gericht op de vraag of er reële aflossingscapaciteit bestaat. Dat het Belgische faillissementsrecht daarbij van de natuurlijke persoon-ondernemer geen enkele bijdrage verwacht vanuit zijn toekomstige inkomsten[9], is op zich opmerkelijk en contrasteert niet alleen met de consument, maar ook met Nederland en Duitsland.
Nederland organiseert de ‘schone lei’ via de afzonderlijke Wsnp, die voor natuurlijke personen een gestandaardiseerd saneringstraject vormt. Daar moeten ook inkomsten boven het vrij te laten bedrag ten behoeve van schuldeisers worden afgedragen (achttien maanden). Duitsland koppelt de Restschuldbefreiung aan de insolventieprocedure, maar laat na de liquidatiefase eveneens een periode van inkomstenafdracht doorlopen (drie jaar). In beide systemen staat dus niet alleen het reeds aanwezige vermogen, maar ook de toekomstige aflossingscapaciteit gedurende een begrensde periode centraal.
De recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof toont bovendien een nadeel van de zeer nauwe koppeling tussen faillissement(safsluiting) en kwijtschelding. In arrest nr. 55/2026 oordeelde het Hof dat een gefailleerde niet noodzakelijk tot de formele sluiting mag blijven wachten wanneer de termijn waarbinnen nog weigering van de kwijtschelding kan worden gevorderd reeds verstreken is. Dit arrest illustreert dat beide functies niet noodzakelijk hetzelfde tijdspad hoeven te volgen.
Een mogelijke hervormingsrichting is daarom om de liquidatie van het bestaande vermogen en het traject naar kwijtschelding conceptueel sterker van elkaar te onderscheiden. Het faillissement kan dan doen waarvoor een faillissement in de eerste plaats geschikt is (d.i. activa lokaliseren, controleren en vereffenen), terwijl de kwijtschelding volgens een afzonderlijke, wettelijk genormeerde saneringslogica kan verlopen.
Ook relevant voor de consument
De problematiek van schuldenaren zonder betekenisvol vermogen of aflossingscapaciteit is uiteraard niet beperkt tot ondernemers. Natuurlijke personen die geen ondernemer zijn, vallen in België onder de collectieve schuldenregeling. Die procedure gaat uit van een (minnelijke) aanzuiveringsregeling.
Mijn empirisch onderzoek naar 118 minnelijke aanzuiveringsregelingen bij de arbeidsrechtbank Gent maakt de heterogeniteit van deze dossiers zichtbaar. Van de 78 regelmatig beëindigde regelingen duurden 32 dossiers zeven jaar of langer. Slechts één van die 32 leidde tot volledige terugbetaling. In 11 van de 78 beëindigde regelingen (14,1%) lag de gemiddelde jaarlijkse vergoeding van de schuldbemiddelaar zelfs hoger dan het gemiddelde jaarlijkse bedrag dat aan de schuldeisers werd uitgekeerd.
Naar een uniforme(re) kwijtscheldingslogica
Het lijkt mij weinig overtuigend om de kwijtschelding van natuurlijke personen fundamenteel verschillend te blijven organiseren louter naargelang zij op het relevante ogenblik al dan niet ondernemer zijn.
Een uniformere kwijtscheldingslogica betekent niet dat ondernemers en consumenten noodzakelijk in exact dezelfde insolventieprocedure moeten worden ondergebracht. Evenmin betekent zij onmiddellijke of onvoorwaardelijke kwijtschelding. Wel zouden voor alle natuurlijke personen dezelfde fundamentele parameters kunnen gelden: structurele insolventie, eerlijke en loyale medewerking, correcte informatieverstrekking, bescherming van een menswaardig bestaansminimum en een redelijke bijdrage uit de reële aflossingscapaciteit gedurende een beperkte, wettelijk genormeerde periode.
Onder andere deze vraagstukken komen aan bod in mijn proefschrift “Het toepassingsgebied van Belgische insolventieprocedures getoetst aan hun doelstellingen en kenmerken. Een juridisch en empirisch onderzoek”. Depublieke verdediginggaat door op donderdag 24 september 2026 (om 17 uur in de Foyer van NTGent). Inschrijven kanhier.
[1] Een belangrijke nuance is dat “ontoereikend actief” niet hetzelfde betekent als “geen actief”. Ook een boedel waarin nog bepaalde activa (potentieel) aanwezig of gerealiseerd zijn, kan ontoereikend zijn zodra die middelen onvoldoende zijn om de vermoedelijke beheers- en vereffeningskosten te dragen. In mijn onderzoek gebruik ik daarom ook een enger begrip van de lege boedel: de categorie waarin zelfs het wettelijke forfaitaire ereloon van de curator niet uit de netto-opbrengst kan worden gefinancierd en de bijzondere forfaitaire vergoedingsregeling speelt.
[2] MvT, wetsvoorstel houdende diverse wijzigingen inzake insolventie van ondernemingen, Parl.St. Kamer 2020- 21, nr. 55-1591/001, 4.
[3] Zie https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=qrva&language=nl&cfm=qrvaXml.cfm?legislat=56&dossierID=56-Bxxx-1446-1184-2025202611041.xml. De statistieken zijn gebaseerd op een data-extractie van 20 juni 2026. Het jaar 2026 betreft bijgevolg geen volledig kalenderjaar. De aantallen “afgesloten wegens ontoereikend actief” omvatten zowel afsluitingen op grond van art. XX.135 WER als dossiers die nog op grond van de vroegere Faillissementswet werden afgesloten. Volgens het antwoord zijn de statistieken afkomstig uit de gegevens ingevoerd in EEOU (TCKH); de cel Statistieken ontvangt geen gegevens uit RegSol.
[4] Tijdens deze periode werden er ook nog faillissementen afgesloten wegens ontoereikend actief op basis van de Fw.
[5] Zie MvT, Wetsontwerp omzetting Insolventierichtlijn, KAMER, 2022-2023, 20 maart
2023, nr. 55-3231/001, 10. Zie ook Verslag van de eerste lezing, Wetsontwerp omzetting Insolventierichtlijn,
KAMER, 2022- 2023, 27 april 2023, nr. 55-3231/004, 34.
[6] Voorzichtigheid blijft wel nodig: het antwoord spreekt over overschrijvingen, zodat zonder bijkomende gegevens niet kan worden aangenomen dat elke overschrijving met exact één uniek faillissementsdossier overeenstemt.
[7] Sinds 1 september 2023 kan een rechtspersoon die aan de faillissementsvoorwaarden voldoet onder de voorwaarden van artikel XX.100 WER gerechtelijk worden ontbonden in plaats van failliet te worden verklaard. De rechtbank spreekt de ontbinding uit wanneer geen significante activa voorhanden zijn en het algemeen belang dat vereist. Er wordt dan geen klassieke faillissementsprocedure geopend en dus ook geen curator aangesteld om het gebruikelijke faillissementsonderzoek te voeren.
[8] Dat rapport kan de ontbrekende statistieken over artikel XX.100 WER evenwel niet vervangen. Niet elke gerechtelijke ontbinding betreft immers een insolvente vennootschap of toepassing van artikel XX.100.
[9] Opbrengsten van bijvoorbeeld arbeidsprestaties geleverd na de opening van het faillissement blijven buiten de boedel, zie ook Cass. 31 maart 2022, AR C.21.0160.N.
Beginselen voor insolventierecht is ontwikkeld voor onderwijs aan studenten in de masters Rechten in Leuven en Hasselt en Economie, Recht en Bedrijfskunde in Leuven. De focus ligt op het begrip van essentiële concepten en inzicht in de context waarin het insolventierecht functioneert, met aandacht voor de economische analyse van insolventie(recht). Als studieboek beoogt het niet alleen kennisoverdracht, maar ook het stimuleren van een kritische houding ten opzichte van het insolventierecht en de onderliggende beleidsmatige overwegingen.
Dit boek aspireert daarmee uitdrukkelijk niet een exhaustief handboek voor de praktijk te zijn. Dat belet niet dat wij hopen dat dit ook een waardevolle bron kan zijn voor praktijkjuristen, net door een academische focus op het essentiële – minstens toch wat wij essentieel vonden – zonder uit te weiden over practicalia zoals kosten, termijnen of pleegvormen die elders beter behandeld worden.
Het uitgangspunt van het boek is de insolventie van rechtspersonen (‘corporate insolvency’), in een duidelijke breuk met traditionelere benaderingen waarbij de twee soorten investeerders, de schuldeiser (‘debt’) en de aandeelhouder (‘equity’), niet met mekaar in verband gebracht werden. Er is hierdoor uitgebreide aandacht voor de interactie tussen vennootschapsrecht en insolventierecht, zoals de positie van aandeelhouders binnen procedures, de uitdagingen van groepsstructuren en de relevantie van verschillen in internationaal privaatrecht. Andere organisatievormen zoals maatschappen komen aan bod in specifieke excursies.
Referenties zijn tot een minimum beperkt om de leesbaarheid te verhogen (en om de auteurs tot discipline te dwingen). In plaats daarvan wordt aan het begin van elk hoofdstuk een gecureerde bibliografie aangeboden. Deze bevat een persoonlijke selectie van belangrijke en inspirerende bronnen.
Door het hele boek zijn ‘vignettes’ opgenomen die dienen om bepaalde onderwerpen te verdiepen of te illustreren. Dit kunnen casestudy’s zijn van rechtspraak die de regels tot leven brengen, maar ook historische toelichtingen, rechtsvergelijkende analyses of opiniërende beschouwingen.
* * *
Dit boek is een collectief werk. Joeri Vananroye zorgde voor het concept, het eerste en derde hoofdstuk en de integratie van de verschillende delen. Marc Van de Looverbosch (advocaat, DLA Piper) schreef over vermogenspubliciteit, een belangrijk thema in het proefschrift dat hij in 2024 verdedigde. Karen Paridaen (FSMA) behandelde executie en beslag. Angélique Daponte (NBB) nam de persoonlijke zekerheiden voor haar rekening en, samen met Lene Verhaegen en Jari Vermeulen van het Instituut voor Insolventierecht de zakelijke zekerheden. Marlies De Brabandere (advocaat, Crivits Legal) herwerkte de persoonlijke zekerheden n.a.v. de invoering van Boek 9.1 BW. Olivier Roodhooft (advocaat, Intui) en Caro Van den Broeck (advocaat, Loyens & Loeff) namen de impact op de verhaalsrechten en op hun rangschikking voor hun rekening, respectievelijk voor faillissement en gerechtelijke reorganisatie. Dioni Heymans schreef (tijdens het schrijven als student onderzoeksmaster, nu assistent aan het Instituut voor Fiscaal Recht) over boedelschulden. Gangmaker van het eerste uur Arie Van Hoe (advocaat, Cresco) schreef over de impact van insolventieprocedures op overeenkomsten. Gillis Lindemans (advocaat, Quinz) behandelde het thema van zijn proefschrift, de wedersamenstelling van de boedel door de pauliana en verwante actiemogelijkheden. Dit werd aangevuld door Stijn De Dier (advocaat, Quinz) met specifieke vennootschapsrechtelijke remedies. Frederik De Leo (gastprofessor KU Leuven and advocaat, NautaDutilh) schrijft over de overdracht van de onderneming in de context van faillissement. Zijn proefschrift over Schuldeiser en behoorlijk insolventiebestuur (Intersentia, 2021, xxii + 1140 blz.) inspireerde vele andere hoofdstukken. Nathan Willems (tijdens het schrijven als student onderzoeksmaster, nu student in Edinburgh) schreef de rechtsvergelijkende vignettes. Lene Verhaegen en Jari Vermeulen, later aangevuld met Jane Smolderen – die als studente de eerste versie van Beginselen onderging –, van het Instituut voor Insolventierecht waren verder onmisbaar bij de integratie van de stukken, het nazicht en als noodzakelijke zwervende krachten.
Ook tijdens de vakantieperiode vergast de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent de geïnteresseerde lezer met de regelmaat van de klok op interessante uitspraken. Vorige week werd een vonnis op Juportal geplaatst (ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260805.1) dat verplichte lectuur vormt voor wie een bestuursmandaat opneemt als “vertegenwoordiger” van een aandeelhouder (denk bv. aan venture capital, maar ook wel private equity).
De aan het vonnis onderliggende relevante feiten laten zich kort als volgt samenvatten: eind 2014 wordt een vennootschap opgericht. In 2022 verwerven 6 externe investeerders 25% van de aandelen, welke het statuut van B-aandelen krijgen. Eén van de investeerders – komende uit een netwerk van zgn. “business angels” wordt op dat ogenblik bestuurder. Tegelijk wordt een derde bestuurder benoemd, die geen aandeelhouder is en als onafhankelijk wordt beschouwd. Samen maken de drie bestuurders (A: oprichter; B: vertegenwoordiger B-aandeelhouders; C: onafhankelijk) een collegiaal bestuursorgaan uit.
De zaak zou niet voor de insolventierechter belanden mocht alles goed zijn blijven gaan. In augustus 2024 doet de vennootschap aangifte van staking van betaling. Enige tijd later stelt de curator een vordering bestuurdersaansprakelijkheid in tegen alle bestuurders (A, B en C).
Lezing van het vonnis maakt zeer duidelijk dat de oprichter-bestuurder weinig correct heeft gehandeld jegens de vennootschap én zijn collega-bestuurders. Belangrijke informatie werd stelselmatig achter gehouden of verkeerd voorgesteld. For the sake of the argument kan er vanuit worden gegaan dat A een weinig betrouwbaar sujet was.
Het vonnis bevat twee relevante lessen voor toekomstige bestuurders B.
Initieel bedrog is geen permanente verdediging
Bestuurder B bevond zich in een weinig benijdenswaardige situatie. Samen met andere bestuurders heeft hij geïnvesteerd in een vennootschap, waarvan nadien blijkt dat de oprichter-bestuurder voor geen haar te vertrouwen is. De rechtbank erkent deze situatie, maar maakt tegelijk kristalhelder dat deze pijnlijke vaststelling geen permanente verdediging biedt tegen een latere bestuurdersaansprakelijkheid. Eens de realiteit inzinkt, dienen de bestuurders te handelen op basis van de informatie waarover zij op dat ogenblik beschikken (overweging 5.10.7.: “Aanvankelijk konden tweede en derde verweerder wijzen naar eerste verweerder die kennelijk correcte informatie achterhield, doch dit is eindig.”).
Bestuurders die desondanks verderzetten, mede gelet op hun positie als aandeelhouder, riskeren aansprakelijk te worden gesteld, ook al werden zij initieel misleid (overweging 5.3: “Begin 2024 maakten nieuwe tegenvallende resultaten en de reeds bestaande schuldenlast evenwel duidelijk dat de insolventie van de vennootschap onafwendbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank had het uitzichtloos karakter op dat ogenblik voor iedere zorgvuldig handelende bestuurder gekend moeten zijn. Enkel de derde verweerder, als enige bestuurder zonder aandeelhoudersbelang, heeft deze realiteit tijdig onderkend en zijn bestuursmandaat neergelegd op 23 januari 2024, nadat hij op 16 januari 2024 de onverbloemde financiële rapportage ontving. Tweede verweerster heeft de onderneming wel verder gezet omdat zij als investeerder tegen beter weten in, te lang de hoop heeft gekoesterd om haar investering niet te verliezen en heeft kennelijk niet meer rationeel gehandeld.”).
B-bestuurder maakt geen B-verantwoordelijkheid
Bestuurder B maakt deel uit van een collegiaal bestuursorgaan, waarin bestuurder A buiten de lijntjes kleurt. Biedt het “statuut” als B-bestuurder, ter vertegenwoordiging van B-aandeelhouders, enige bescherming aan B? De centrale overweging (overweging 5.10.6) van de rechtbank ter zake verdient volledig geciteerd te worden.
“In conclusie stelt tweede verweerster onder meer nog dat zij “uiteindelijk een rol opnam als investeerder-bestuurder (enig B-bestuurder)”. Tweede verweerster lijkt zich onvoldoende rekenschap te hebben gegeven dat zij deel uitmaakte van een collegiaal bestuur en dat zij net zoals de “founder” (oprichter) een eigen verantwoordelijkheid had als bestuurder. Ongeacht of men A-bestuurder of B-bestuurder was. Het uitgangspunt dat eerste verweerder als “founder” of oprichter een andere bestuurstaak of verantwoordelijkheid zou hebben gehad dan tweede en derde verweerder, kan niet worden gevolgd. Binnen een collegiaal bestuursorgaan rust niet alleen op iedere bestuurder een eigen verantwoordelijkheid voor het bestuur van de vennootschap. De collegialiteit verplicht de individuele bestuurder toezicht te houden op de medebestuurders. Tweede verweerder bouwt een argumentatie op alsof eerste verweerder een gedelegeerd bestuurder zou zijn, wat geenszins het geval was. Het bestuur van [SPEL] werd toevertrouwd aan een collegiaal bestuursorgaan. Er werd geen gedelegeerd bestuurder aangesteld of dagelijks bestuur geïnstalleerd. Conform de statuten had een zogenoemde “B-bestuurder” dezelfde bevoegdheden en verantwoordelijkheden als de overige bestuurders. Uit de stukken blijkt dat tweede verweerster zich overwegend als afgevaardigde van de investeerders heeft gedragen, eerder dan als bestuurder. Als een zogenoemde ‘business angel’ na haar inbreng toetreedt tot een collegiaal bestuur, dan is zij volwaardig bestuurder met alle daarbij horende verantwoordelijkheden. Van een bestuurder mag worden verwacht dat zij zich actief informeert over de toestand van de vennootschap. Zij kan zich niet beperken tot het passief afwachten van de informatie die door een medebestuurder of ‘founder’ wordt verstrekt. Zeker niet wanneer eerdere anomalieën werden vastgesteld en wanneer duidelijk is dat de mede-bestuurder onbetrouwbaar blijkt. De curator stelt dan ook volkomen terecht dat het bestuur “te licht over de precaire situatie [ging]”.
Besluit
Bestuurders kunnen om diverse redenen aan boord komen van een vennootschap. Wanneer zij deel uitmaken van een collegiaal bestuursorgaan is er geen plaats voor A, B, C, … bestuurders, althans niet wanneer het aankomt op het bepalen van de aansprakelijkheid ervan betreft. Bestuurder is bestuurder. Wanneer een overige bestuurder het spel niet correct speelt, kan dit niet als permanent excuus dienen (uit het uiteindelijke “resultaat” van het vonnis kan wel worden afgeleid dat de rechter enige “sympathie” had voor het lot van bestuurder B, m.n. bij de begroting van de concrete schadevergoeding – desalnniettemin blijven voorgaande principes hoogst relevant). Op dat ogenblik dienen onmiddellijk de maatregelen worden getroffen die zich opdringen, redenerend vanuit het vennootschapsbelang. In die zin is de ene bestuurder de andere wel (speling op L. Cornelis, “De ene bestuurder is de andere niet, ook niet in vennootschappen”, Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, 239- 258, die afsluit met volgende woorden: “Net zoals het sturen op openbare weg is het besturen van een vennootschap een risicovolle activiteit.”)
1. In een arrest van 9 juli 2026 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel XX.3, tweede lid WER de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat artikel 55 Ger.W. niet van toepassing is op het hoger beroep dat wordt ingesteld op grond van artikel XX.232 WER.
2. Op grond van artikel XX.229, §1 WER kan de insolventierechtbank een zogenoemd beroepsverbod opleggen indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement.
Het tussengekomen vonnis waarbij een beroepsverbod wordt opgelegd, wordt met toepassing van artikel XX.231 WER bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en de griffier geeft er kennis van bij gerechtsbrief aan de gefailleerde.
De gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. Krachtens artikel XX.232,eerste lid loopt de termijn van hoger beroep vanaf de kennisgeving.
Boek XX WER voorziet geen specifieke beroepstermijn, zodat voor deze vonnissen de gemeenrechtelijke beroepstermijn van artikel 1051, eerste lid Ger.W. geldt, namelijk één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving.
Tot hier geen probleem.
3. Volgens artikel 1051, vierde en vijfde lid Ger.W. wordt de termijn van hoger beroep echter verlengd overeenkomstig artikel 55 Ger.W. wanneer de partij aan wie het vonnis ter kennis is gebracht, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft.
De wetgever heeft met de wet van 7 juni 2023 de gerechtelijke ontbinding verder verruimd. Het is vanaf nu een volwaardig alternatief voor het faillissement van bepaalde rechtspersonen. Dit kan gezien worden als een verderzetting van de trend die ten grondslag ligt aan de wet van 17 mei 2017. Hiermee werd het nog eenvoudiger om inactieve vennootschappen, die het economisch verkeer kunnen ‘besmetten’, op te ruimen via gerechtelijke ontbinding. De wetgever wenst deze ‘lege dozen’ tegen zo laag mogelijke kosten te verwijderen. De gerechtelijke ontbinding lijkt hiervoor het uitgelezen instrument aangezien er, in tegenstelling tot het faillissement, niet steeds een vereffenaar moet worden aangesteld. Vele lege dozen kwamen echter alsnog terecht in de faillissementsprocedure, die de Staat opzadelde met allerlei kosten. Vooral de pro deo forfaitaire vergoeding voor de curator werd door de wetgever bestempeld als een inefficiënte aanwending van algemene middelen. De wet van 7 juni 2023 moet het mogelijk maken om die besparingen te realiseren, door de gerechtelijke ontbinding onder bepaalde omstandigheden mogelijk te maken.
In deze blogpost is het de bedoeling om een denkoefening uit te voeren over dit thema. In het eerste deel van de blogpost gaan we ervan uit dat de wetgever moet gevolgd worden. Lege dozen ontbinden zonder aanstelling van een vereffenaar is de correcte piste. Hierbij wordt nagegaan hoe de wetgever dit nu heeft ingevuld met de wet van 7 juni 2023 en hoe dit anders/beter had kunnen worden vormgegeven. Het tweede deel gaat ervan uit dat de wetgever niet moet gevolgd worden. Dat de gerechtelijke ontbinding geen alternatief mag worden voor het faillissement. Hoe kan men er dan alsnog voor zorgen dat het verwijderen van lege dozen geen buitensporig dure operatie wordt, die geen baten oplevert voor stakeholders, waaronder de overheid? Voor beide pistes zal gebruik gemaakt worden van rechtsvergelijkende aspecten om alternatieven binnen de piste aan te dragen
Statistiek over onbetaalde RSVZ-bijdragen bij faillissement
1. Inleiding en wat geschiedenis
1.1. De ondernemingsrechtbank vervult, binnen de grenzen van haar insolventiebevoegdheid, onder meer de taak van economische politie ter bescherming tegen de impact en de schadelijke maatschappelijke gevolgen die een faillissement met zich kan meebrengen.[1]
Deze taak wordt onder meer uitgeoefend door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden (KOIM) in de ondernemingsrechtbank die belast is met het opvolgen van de toestand van ondernemingen in moeilijkheden. De KOIM tracht tijdig dreigende insolventie op te sporen. In haar onderzoek daartoe baseert zij zich onder meer op wettelijke indicatoren die mogelijk wijzen op financiële moeilijkheden, de zogenoemde ‘knipperlichten’.
The Belgian Centre of Company Law (BCV/CDS) published a position paper on the proposal for a EU Inc. The paper can be consulted here.
From the executive summary:
“The Belgian Centre of Company Law (the “BCCL”) welcomes the Commission’s EU Inc. Proposal, in particular the emphasis on online formation and deliberation, the “once-only” principle, the use of a Regulation rather than a Directive, and the introduction of EU-level templates for articles of association.
At the same time, the Commission should consider a more balanced approach to creditor protection. The current proposal contains fewer mandatory safeguards than even most national private company forms, which may provoke resistance from Member States. We therefore suggest that the Commission considers introducing a number of targeted creditor-protection measures.
The BCCL is not fully aligned on a further crucial choice to be made: either the EU Inc is made available to European entrepreneurs as a very flexible company form with very little mandatory nor default rules, leaving much contractual freedom to shareholders to make specific arrangements in the articles of association and in shareholder agreements; or the EU Inc provides not only a reasonably balanced approach to the protection of creditors, but also of shareholders. While all of the undersigned agree on the need for additional creditor protection mechanisms, for some of the undersigned, the current proposal does not meet a sufficient standard with respect to shareholder-protection and should therefore be completed by some additional mandatory shareholder-protection or at least default rules as well.
In both approaches, however, Article 4 of the EU Inc. Proposal should be substantially revised to clarify the relationship between the Regulation, the articles of association and national law. The Regulation should also provide greater legal certainty. Fragmenting the EU Inc. into twenty-seven national variants should also be avoided.
We also believe that the success of the EU Inc. will depend largely on the design of the EU templates. Different templates should be developed for simple founder-owned companies and corporate subsidiaries, on the one hand, and for more sophisticated investor-backed companies, on the other hand, for some of the undersigned to be complemented by templates for shareholder agreements. These templates should benefit from a safe harbor with regard to their enforceability.”
Trad u dit academiejaar op als promotor of auteur van een masterproef in het (brede) vennootschapsrecht?
In dat geval wijzen wij u graag op de TRV-RPS-prijs, die in 2027 voor de zeventiende keer wordt uitgereikt.
Deze jaarlijkse prijs beloont het beste eindwerk over vennootschapsrecht, financieel recht of vennootschapsbelastingrecht. Het eindwerk dient voor publicatie in aanmerking te komen, en moet dit academiejaar zijn tot stand gekomen in het kader van een (aanvullende) opleiding tot meester in de rechten aan een Belgische universiteit of georganiseerd in samenwerking met een Belgische universiteit.
De prijs bestaat uit €1.500 en de publicatie van een herwerkte versie van het eindwerk in het TRV-RPS.
Kandidaten worden met een korte motivatie voorgedragen door de promotor of kunnen zelf hun masterproef (in Word-versie), behaalde resultaat en een korte motivatiebrief indienen vóór 30 september 2026 aan pieterjan.heynen@kuleuven.be.
Wie hierbij nog vragen of opmerkingen zou hebben, kan steeds contact opnemen met Pieterjan Heynen (pieterjan.heynen@kuleuven.be).
Vincent Verlaeckt over GwH 23 april 2026, nr. 55/2026
1.1. Wie het faillissementsrecht volgt en derhalve ook deze blog leest, weet dat de “kwijtschelding” van restschulden na faillissement al meermaals het voorwerp is geweest van discussie voor het Grondwettelijk Hof.[1]
De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof heeft mede aanleiding gegeven tot de invoering van de zogenoemde “automatische kwijtschelding” in 2023.[2] Sindsdien dient de gefailleerde niet langer zelf om de kwijtschelding te verzoeken. Bij de sluiting van het faillissement worden de restschulden in beginsel automatisch kwijtgescholden, tenzij een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, hiertegen verzet aantekent en de rechtbank dit verzet geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart.
1.2. Gelijktijdig met de invoering van dit systeem van automatische kwijtschelding werd voor de gefailleerde de mogelijkheid afgeschaft om reeds vanaf zes maanden na de faillietverklaring een vervroegde beslissing over de kwijtschelding te verkrijgen.[3] De afschaffing van de vervroegde kwijtschelding houdt verband met het feit dat de wetgever het gebrek aan medewerking aan de curator expliciet als wettelijke grond voor weigering van de kwijtschelding heeft opgenomen in de wet. Een “vervroegde” beoordeling van de kwijtschelding werd daardoor niet langer wenselijk geacht, aangezien zich gedurende het faillissementsbewind omstandigheden van niet-medewerking kunnen voordoen die een gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding rechtvaardigen.
1.3. In 2023 werd eveneens de termijn om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, beperkt in de tijd. Dit om te vermijden dat de gefailleerde te lang in onzekerheid blijft over de kwijtschelding. Zo werd in artikel XX.173, §3, 2de lid WER opgenomen dat de mogelijkheid om zich tegen de kwijtschelding te verzetten “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is.”.
2.1. Over de oorspronkelijk bestaande mogelijkheid tot “vervroegde kwijtschelding“ stelde de wetgever bij de afschaffing ervan in 2023 dat “het nutteloos [is] geworden te bepalen dat de gefailleerde in een vroeg stadium de kwijtschelding kan vragen. Hij kan ervan uitgaan dat die kwijtschelding verworven is tenzij de curator of derden hiertegen opkomen”.[4]
De Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge was niet overtuigd van het “nutteloos” karakter van een vervroegde kwijtschelding. Met een verwijzingsvonnis van 7 april 2025 richtte zij zich tot het Grondwettelijk Hof met een reeks vragen die in essentie aanvoeren dat de onmogelijkheid om vervroegd uitspraak te doen over de kwijtschelding mogelijk niet verantwoord is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet mogelijk schendt.
2.2. Het Grondwettelijk Hof volgt tot op zekere hoogte de ondernemingsrechtbank. Als de weigering van de kwijtschelding slechts kan gevorderd worden tot 3 jaar na de vaststelling van het passief, is er volgens het Hof geen reden meer om na het verstrijken van die verzetstermijn, de uitspraak over de kwijtschelding nog langer uit te stellen:
“Zodra de weigering van de kwijtschelding niet meer kan worden gevorderd door de curator, ongeacht het gedrag van de gefailleerde, kan niet worden ingezien waarom die gefailleerde altijd de sluiting van het faillissement zou moeten afwachten, om de gevolgen van de kwijtschelding te kunnen genieten. Dit geldt in het bijzonder in het licht van de vaststelling dat het in die gevallen per definitie gaat om procedures die al geruime tijd aan de gang zijn. Bijgevolg is de in het geding zijnde onmogelijkheid voor de gefailleerde natuurlijke persoon om na de periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, de kwijtschelding te verkrijgen, niet redelijk verantwoord
Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid, voor de gefailleerde natuurlijke persoon, om de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding”
2.3. Het Grondwettelijk Hof stelt dat het aan de wetgever staat om de “vastgestelde lacune” van artikel XX.173, § 2 WER “weg te werken” maar in afwachting ervan, geeft het Hof zelf een invulling aan de lacune:
Teneinde, in afwachting van dat wetgevend optreden, de rechten van de gefailleerdenatuurlijke personen te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben de rechtbank teverzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economischrecht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóórde sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding, naar analogie van deprocedure zoals bepaald in artikel XX.173, § 2, tweede tot vierde lid, van hetzelfde Wetboek,vóór de vervanging ervan bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023.
Het Hof grijpt niet terug naar de vorige “vervroegde kwijtschelding” die reeds mogelijk was zes maanden na de faillietverklaring. Dit is te verantwoorden aangezien – zoals eerder gesteld – de niet-medewerking met de curator tijdens de vereffening een grond tot weigering van de kwijtschelding kan zijn; en die niet-medewerking kan wel eens langer aanslepen dan zes maanden
3.1. Er kan gesteld worden dat het door het Grondwettelijk Hof gehanteerde uitgangspunt logisch is. Er is geen enkele reden waarom een gefailleerde langer dan noodzakelijk in onzekerheid moet leven over de al dan niet kwijtschelding. De gefailleerde hoeft niet noodzakelijk in alle gevallen te wachten tot de sluiting van het faillissement om die “zekerheid” te krijgen. Een snelle sluiting van een faillissement kan soms, om zeer uiteenlopende redenen, niet opportuun zijn, die niet noodzakelijk te maken hebben met het gedrag van de gefailleerde. Onzekerheid over de kwijtschelding kan een rem zijn op het herstel of de ontwikkeling van nieuwe activiteiten. Een “virtuele kwijtschelding” is op het vlak van “zekerheid” niet veel waard als elke belanghebbende alsnog de weigering kan vorderen bij de sluiting van het faillissement. Het is misschien wel paradoxaal dat een gefailleerde natuurlijke persoon onder het oude systeem – waarin hij de kwijtschelding moest “vragen” – sneller die zekerheid kon hebben, dan onder het nieuwe systeem van “automatische” kwijtschelding. Soms duurt “automatisch” dus iets langer.
3.2. De praktische impact van dit arrest van 23 april 2026 is voorlopig beperkt. De huidige regeling inzake de (automatische) kwijtschelding is van toepassing op faillissementen geopend vanaf 1 september 2023.
De termijn om zich te verzetten tegen de kwijtschelding “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. De termijn voor schuldeisers om opname te vorderen bedraagt in beginsel één jaar.
Derhalve zou kunnen gesteld worden dat de termijn om verzet tegen de kwijtschelding te doen voor deze faillissementen ten vroegste zal verstrijken op 1 september 2027. Het eerste verzoek tot een vervroegde kwijtschelding 2.0 zou in de voorgestelde oplossing dan ook pas mogelijk zijn vanaf 1 september 2027.
4.1. Maar…
De vraag kan gesteld worden of er misschien een probleem bestaat met de oplossing die het Grondwettelijk Hof voorstelt om de lacune in te vullen.
Het Grondwettelijk Hof stelt dat een gefailleerde natuurlijke persoon de “vervroegde” kwijtschelding mag vragen “na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd”. Met andere woorden, van zodra het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten is vervallen, kan de “vervroegde” kwijtschelding gevraagd worden.
De vraag rijst wiens recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, vervallen moet zijn. Men lijkt ervan uit te gaan dat “de periode waarin de weigering kan worden gevorderd” voor elke belanghebbende dezelfde is. Maar is dat wel zo ? Vervalt voor elke schuldeiser het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding op hetzelfde ogenblik ?
Het verval van het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, is in artikel XX.173, §3, 2de lid gekoppeld aan “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. Dit is het startpunt dat in aanmerking moet genomen worden om de 3-jarige termijn te berekenen.
Er wordt misschien wel aan voorbijgegaan dat dit startpunt verschillend kan zijn voor schuldeisers. Voor sommige schuldeisers zou dit startpunt zich wel eens zeer ver in de tijdkunnen situeren. Er bestaat niet zoiets als een ogenblik waarop het recht om opname te vorderen “collectief” verstrijkt voor alle schuldeisers.[5]
4.2. In de parlementaire voorbereiding staat: “ Het ontwerp verplicht dat een vordering tot weigering van de kwijtschelding wordt ingesteld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het passief gekend is (dit is de termijn van één jaar bedoeld in artikel XX.165)”.[6]
In de wet wordt het startpunt omschreven als “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is” en niet “het ogenblik waarop de termijn van één jaar in artikel XX.165 verstreken is”. Een“recht” dat verstrijkt is niet hetzelfde als een“termijn” die verstrijkt. Het recht is immers niet altijd verbonden aan een termijn. Ook niet bij de aangifte van schuldvordering.
Ten eerste staat in artikel XX.165, derde lid WER een expliciete uitzondering op de éénjarige aangiftetermijn voor bepaalde schuldeisers. Meer bepaald voor schuldeisers wiens schuldvordering vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening geldt de aangiftetermijn van één jaar niet en wordt “het recht om opname te vorderen” niet beïnvloed door de éénjarige aangiftetermijn.[7] Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten berekend worden? Kan de thans (her)ingevoegde vervroegde kwijtschelding dan wel betrekking hebben op hun schuldvordering ? Het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, kan dan schijnbaar al vervallen zijn alvorens hun schuldvordering na vrijwaring überhaupt bestaat…
Verder heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 24 september 2015 [8] gesteld dat voor schulden die nog “niet bestaan” op het ogenblik van faillietverklaring, de éénjarige aangiftetermijn van artikel XX.165, derde lid WER niet geldt. Ook al zijn dit schulden in de massa. Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, berekend worden ? Bestaat er voor deze schuldeisers überhaupt wel een aangiftetermijn ? (open vragen)
4.3. Voormelde voorbeelden illustreren dat het niet evident is het “ogenblik” van wanneer de vervroegde kwijtschelding voor alle restschulden mogelijk is, te koppelen aan het “ogenblik” waarop het recht om opname te vorderen naar Belgisch recht, verstrijkt. Bovendien geldt het verval van het recht om zich te verzetten ook voor de curator en het openbaar ministerie. Maar de curator en het openbaar ministerie hebben beiden niets te maken met “het recht om opname te vorderen”…
Het uitgangspunt van 3 jaar is uiteraard niet verkeerd – het staat immers in de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023- maar de (open) vraag is enkel of het op een juridische en praktische toepasbare wijze werd geïmplementeerd in boek XX WER.
Artikel 21 van de insolventierichtlijn [9] voorziet naast de mogelijkheid om de termijn van 3 jaar te laten starten bij de opening van het faillissement, inderdaad de mogelijkheid om de driejarige termijn pas te laten ingaan vanaf “de vaststelling van de insolvente boedel”. In overweging nr. 76 wordt uitgelegd dat die boedelvaststelling vele (ook minder formele) vormen kan aannemen.[10] Maar er moet natuurlijk wel rekening gehouden worden met de eigenheid van het nationale recht “tot vaststelling van de insolvente boedel”. Er zijn lidstaten waar het recht tot opname gekoppeld is aan één vaste termijn waarop geen uitzonderingen bestaan. Dat kan niet gesteld worden over het Belgisch recht.
5.1. Ten slotte kan dit arrest misschien een aanleiding zijn om eens te reflecteren over de “kwijtschelding”. Ikzelf neem daarin geen stelling. Het is in de literatuur genoegzaam beschreven dat de huidige kwijtschelding is gebaseerd op de “fresh start”. U kan bijvoorbeeld eens artikel 523(a) van de U.S. Bankruptcy Code lezen om een idee te krijgen wat onder zo’n “fresh start” kan begrepen worden.
Het zou voor de insolventiegemeenschap interessant zijn, mochten enkele ijverige, en bij voorkeur verstandige, studenten zich verdiepen in de problematiek. Ik doe hierbij een vrijblijvend voorstel van enkele neutrale titels voor bachelor- of masterproeven:
“Een vergelijking tussen de regimes van kwijtschelding van de EU-lidstaten”
“De fresh start: een vergelijking tussen het Amerikaans recht en het Belgisch recht”
“De correlatie tussen het vrij verkeer van diensten en het Belgische regime van kwijtschelding na faillissement”
“Is de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023 correct omgezet in het Belgisch recht wat betreft de kwijtschelding? Een kritische analyse”.
“Een vergelijking tussen de parlementaire voorbereiding [11] en de wettekst van artikel XX.173 WER, dit alles tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Cassatie van 28 juni 2024 [12]”
Zoals het cliffhangers betamen, zijn de uitkomsten van deze mogelijke onderzoeksvragen voor het volgende seizoen [of academiejaar].
Deze bijdrage bevat enkel een bespreking van voormeld arrest en enkele open vragen en nuanceringen voor discussie-doeleinden. Deze bijdrage houdt geen weergave in van het persoonlijk standpunt of visie van de auteur. Uit de tekst kan niets afgeleid worden met het oog op beoordeling van aangehaalde problematieken door de auteur of het rechtscollege waartoe hij behoort. Er worden enkel “mogelijke” aan te nemen of te verwerpen visies en standpunten verwoord. De onderzoeksvragen zijn neutraal en enkel ter ondersteuning van debat.
Vincent Verlaeckt Rechter Ondernemingsrechtbank Gent
[1] Zie onder meer arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 en arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021
[2] De wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van
20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit
[4] Parl. St., Kamer, 2021-2022, 55-2454/001, p. 6-8
[5] Het enige wat wel zou kunnen gesteld worden is dat op basis van artikel XX.165,2de lid WER niemand nog een opname kan vorderen zodra de curator de oproepingen heeft verzonden voor de vergadering bedoeld in artikel XX.170 WER. Dat is dus op het einde van het faillissementsbewind. Vermoedelijk was dit niet hetgeen de wetgever voor ogen had.
[7] Artikel XX.165,3de lid WER: “Het recht opname te vorderen verjaart na verloop van één jaar te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, behalve voor de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening”
[9] Artikel 21: “De lidstaten zorgen ervoor dat de periode waarna insolvente ondernemers in staat zijn volledige kwijtschelding van schuld te verkrijgen, niet langer is dan drie jaar, te rekenen vanaf uiterlijk de datum van:
a) bij een procedure met een terugbetalingsplan, de beslissing waarbij een rechterlijke of een administratieve instantie het plan of de aanvang van de uitvoering ervan bevestigt; of
b) bij alle andere procedures, de beslissing van een rechterlijke of een administratieve instantie om de procedure teopenen, of het vaststellen van de insolvente boedel van de ondernemer.”
[10] Nr. 76: “In procedures die geen terugbetalingsplan inhouden, dient de kwijtscheldingsperiode in te gaan uiterlijk vanaf de datum waarop door een rechterlijke of een administratieve instantie een beslissing tot opening van de procedure wordt genomen, of vanaf de datum van vaststelling van de insolvente boedel. De lidstaten zouden voor het berekenen van de duur van de kwijtscheldingsperiode in de zin van deze richtlijn kunnen bepalen dat het begrip “openen van de procedure” geen betrekking heeft op voorlopige maatregelen zoals conservatoire maatregelen of het aanwijzen van een voorlopige insolventiedeskundige, tenzij die maatregelen de mogelijkheid bieden tot tegeldemaking van de activa, met inbegrip van de verkoop en de verdeling van activa aan de schuldeisers. De vaststelling van de insolvente boedel dient niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een formele beslissing of bevestiging door een rechterlijke of een administratieve instantie indien die beslissing niet krachtens het national recht vereist is, en kan bestaan in het indienen van de inventaris van activa en passive”
[11] Parl.St. Kamer, 2022-23 , 55 – 3231/001, p.89: “Misbruiken vanwege de gefailleerde moeten wel vermeden worden en daarom wordt ook de mogelijkheid bewaard dat de curator of andere belanghebbenden zich tegen de kwijtschelding kunnen verzetten”
[12] Cass. 28 juni 2024 (C.23.0288.F): De organisatie door de schuldenaar van zijn eigen faillissement en zijn verzoek tot kwijtschelding van de schulden vormen een rechtsmisbruik, waarbij het opgeleverde voordeel niet in verhouding staat tot de schade veroorzaakt aan derden. Zelfs wanneer de uitoefening van het recht van de gefailleerde om de kwijtschelding te vorderen abusief wordt verklaard, kan de kwijtschelding slechts worden geweigerd indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. (Art. XX.173, § 2 en 3, WER). Door niet te onderzoeken of de eiser kennelijke grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen aan het faillissement, rechtvaardigt het arrest niet wettelijk zijn beslissing dat het gedrag van de gefailleerde “moet worden gesanctioneerd door de weigering van het voorrecht van de gevorderde maatregel“.
Graag trekken we de aandacht voor een vacature voor een voltijds doctoraatsbursaal aan het Instituut voor Insolventierecht.
Je krijgt de kans onderzoek te verrichten in het domein van het ondernemingsrecht in ruime zin, bij voorkeur met een focus op:
het insolventierecht in ruime zin (uitwinning, zekerheden, faillissement, gerechtelijke reorganisatie),
juridische aspecten van corporate finance, en/of
economische analyse van het recht
Je dient in een periode van 4 jaar een doctoraat te schrijven in dit domein onder promotorschap van prof. dr. Joeri Vananroye. Het onderwerp van het doctoraat wordt in onderling overleg bepaald.
Daarnaast verleen je beperkte onderwijsassistentie bij de colleges van prof. dr. Joeri Vananroye. Het aandeel hiervan in de totale werklast is naar schatting 10%.
De concrete startdatum van het mandaat kan in overleg met de promotor bepaald worden.
Profiel
• Master in de rechten, master economie, recht en bedrijfskunde, of een gelijkwaardig juridisch diploma, met goede tot zeer goede studieresultaten.
• Interesse voor insolventierecht en/of de economische analyse van het recht.
• Geschiktheid om zich in te schakelen in bestaande onderzoeksgroep en onderwijsteam en om te doctoreren binnen 4 jaar.
• Goede kennis van het Engels. Bij voorkeur ook goede kennis van het Nederlands.
Onlangs heeft de Ministeriële commissie tot hervorming van de leningovereenkomst een voorstel met betrekking tot het leningcontract (dat met name betrekking heeft op de geldlening) uitgewerkt, dat zal worden ingevoegd in het toekomstige boek 7 ‘Bijzondere contracten’ van het BW. Iedereen wordt uitgenodigd om zijn mening te geven over de voorgestelde hervorming.
Het ontwerp en de ontwerp-memorie zijn hier te consulteren. Tot 20 juli kunt u uw opmerkingen over de voorgestelde tekst indienen.
Twintig recente arresten rond beslag en executie ❦ Welke afspraken door de schuldenaar moeten uitwinnende schuldeisers ondergaan (of : hoe zit het met de januskop van de curator?) ❦ Aandachtspunten voor de curator en voor (het bestuur van) de onderneming in het licht van de (wijzigend) regels rond de pauliana, de niet-tegenstelbaarheden tijdens de verdachte periode en de vorderingen tot herstel van collectieve schade ❦ Overdracht van de onderneming vóór insolventie en in de procedures van (besloten voorbereiding van) het faillissement, de overdracht onder gerechtelijke gezag en de gerechtelijke reorganisatie.
Themis Insolventierecht: volgende week donderdag 21 mei te Brussel. Donderdag 28 mei te Leuven (en via livestream). Schrijf nu hier in.
Prijsinfo
– Afgestudeerd vóór 2023: 175 euro – Afgestudeerd – eerste masterdiploma – in 2023, 2024 of 2025: 150 euro – Deelnemer intern (enkel personeelsleden rechtsfaculteiten KU Leuven, UHasselt en Kulak): 60 euro Prijzen incl. online en gedrukt cahier en vrij van BTW volgens art. 44, § 2, 4° WBTW (Onderwijs)
Erkenningen
OVB – Orde van Vlaamse Balies (C-2025-369: 4 punten)
IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (4 punten)
Nationale Kamer van Notarissen (in aanvraag)
Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (4 punten)
IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26006)
De basisregel inzake de tegenwerpelijkheid van contracten vanuit het standpunt van schuldeisers is deze: louter verbintenisrechtelijke afspraken (die geen overdracht, afstand of vestiging van zakelijke rechten inhouden) hebben geen zakelijke werking en uitwinnende schuldeisers moeten ze niet ondergaan. Dit moet echter worden genuanceerd voor schuldvorderingen en andere onlichamelijke goederen (zoals aandelen).
In een didactisch arrest van 3 januari 2025 licht het Hof van Cassatie het belang toe van de grenzen van het bevel tot betalen voor verbeurde dwangsommen omdat die op hun beurt de omvang bepalen van het verzet bij de beslagrechter tegen dit bevel (Cass. 3 januari 2025, C.23.0332.N, NjW, 2025, 654; voor een bespreking van (o.m.) dit arrest, zie Dupont, L., “Dwangsommen invorderen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan”, NjW 2025, 634-645).