Implementation of the UTP Directive – Third UTP Roundtable at KU Leuven

Leuven (Belgium) and online, 13 January 2023

The issue of unfair trading practices (‘UTPs’) between businesses in the agricultural and food supply chain has been on the European Union (‘EU’) policy agenda for a long time. On 17 April 2019, Directive (EU) 2019/633 on unfair trading practices in business-to-business relationships in the agricultural and food supply chain (‘UTP Directive’) was adopted. The UTP Directive aims to introduce a minimum standard of protection against UTPs across the EU by outlawing certain practices imposed by stronger buyers on small, medium and mid-range sized suppliers of agri-food products. The Directive also requires each Member State to designate an authority (either a new or an existing authority) which enforces the prohibitions.

Member States were required to transpose the Directive by 1 May 2021 and apply it as of 1 November 2021. Due to the minimum harmonisation approach chosen, Member States can provide for stricter rules than the Directive. Member States could, for example, choose to broaden the scope of application or to expand the list of prohibited UTPs. Accordingly, the regulatory regimes of EU Member States in the field of UTPs could diverge significantly.

As a follow-up to its First UTP Roundtable (15 June 2016) and its Second UTP Roundtable (21 June 2018), the Consumer Competition and Market research institute of KU Leuven is organizing its Third UTP Roundtable on 13 January 2023 with a view to critically assessing the national implementations of UTP Directive in all EU Member States and examine the similarities and differences of these regimes, based on a questionnaire-based evaluation of the current state of play in the field of UTPs.

Continue reading “Implementation of the UTP Directive – Third UTP Roundtable at KU Leuven”

Proposal for a Directive harmonising certain aspects of insolvency law

Today the European Commission presented a new proposal for a directive to harmonise certain aspects of insolvency law. The proposal can be consulted here.

According to the Commission, the very divergent insolvency rules in the EU are often mentioned as a significant obstacle to the further development of the Capital Markets Union. They deliver different outcomes across Member States, and in particular they have different degrees of efficiency in terms of the time it takes to liquidate a company and the value that can eventually be recovered.

The proposal aims at encouraging cross border investment within the single market through targeted harmonisation of insolvency proceedings. It targets the three key dimensions of insolvency law: (i) the recovery of assets from the liquidated insolvency estate; (ii) the efficiency of procedures; and (iii) the predictable and fair distribution of recovered value among creditors. It provides for:

  • Minimum set of harmonised conditions for exercising avoidance actions;
  • Strengthening asset traceability through improved access by insolvency practitioners to asset registers, including in a cross-border setting;
  • Provisions to introduce so called ‘pre-pack’ liquidation procedures.
    Provisions on a duty of directors to timely file for insolvency to avoid potential asset value losses for creditors;
  • Simplified liquidation procedure for insolvent microenterprises;
  • Requirements for improving the representation of creditors’ interests in the proceedings through creditors’ committees;
  • Enhanced transparency for creditors on the key features of national insolvency regimes, including on the rules governing insolvency triggers and the ranking of claims.

A more detailed analysis of this proposal will follow shortly.

Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden

Proefschrift UUtrecht in open access

Bedrijfsmatige milieucriminaliteit is een structureel probleem met ernstige gevolgen. Als zich in bedrijfscontext een milieuovertreding voordoet, wordt meestal alleen de rechtspersoon hiervoor aansprakelijk gesteld. Natuurlijke personen binnen de onderneming blijven dan buiten schot.

De rechtspersoon schrijft echter niet zijn eigen milieubeleid en verricht niet zelf milieubelastende activiteiten: de milieuovertredingen worden feitelijk begaan door mensen binnen het bedrijf. Uiteindelijk is het aan leidinggevende functionarissen om toezicht te houden op de naleving van milieuvoorschriften. Daarom kan het in de rede liggen om naast of in plaats van rechtspersonen ook leidinggevenden persoonlijk aansprakelijk te stellen voor milieuovertredingen.

Het proefschrift van dr. T.R. Bleeker, Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, (Dissertatie Universiteit Utrecht, Kluwer 2021) [open access] gaat over de strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke mogelijkheden om een leidinggevende te sanctioneren voor een milieuovertreding in bedrijfscontext.

Continue reading “Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden”

Wat is een bijkantoor?

CBN-advies 2022/14 en CBN-advies 2022/15

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) heeft als wettelijke opdracht de regering en het parlement op hun verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen en door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding. De CBN-adviezen zijn een door veel juristen miskende gezaghebbende bron van recht. Nochtans bevatten de adviezen vaak nuttige informatie die het boekhoudrecht in enge zin overstijgt.

Een voorbeeld daarvan is de recente update van twee adviezen met betrekking tot Belgische bijkantoren van buitenlandse vennootschappen: CBN-advies 2022/14 ter actualisatie van CBN-advies 2019/02 over de publicatieplicht en het begrip ‘bijkantoor’ en CBN-advies 2022/15 ter actualisatie van CBN-advies 2019/02 over de eigen boekhoudkundige verplichtingen.

CBN-advies 2022/14 behandelt o.m. de vraag wat een bijkantoor van een buitenlandse vennootschap is. Een belangrijke vraag omdat dit de trigger is van heel wat Belgische verplichtingen en regels. De CBN vat de Belgische rechtspraak als volgt samen:

Continue reading “Wat is een bijkantoor?”

Prix Coppens – oproep

In 2023 wordt de Prix Coppens opnieuw uitgereikt, ter waarde van 15.000 €. Deze prijs bekroont een doctoraatsproefschrift dat een originele bijdrage levert aan het vennootschapsrecht of aan een aan het vennootschapsrecht verwant thema.

Alle doctores in de rechtsgeleerdheid aan een Europese universiteit die niet meer dan 40 jaar oud zijn, komen voor de prijs in aanmerking.

U moet uw kandidatuur ten laatste op 15 december 2022 indienen. Zie hier voor alle relevante informatie.

Insolventierecht en mededingingsrecht: niet in isolatie

Ter gelegenheid van het huldeboek opgedragen aan prof. dr. Anne-Marie Van den Bossche, schreven Wim De Meester, Melissa Vanmeenen en ik een bijdrage over de raakvlakken tussen insolventie en mededinging (S. De Dier, W. De Meester en M. Vanmeenen, “Insolventierecht en mededingingsrecht : living apart, belonging together?”, in J. Blockx en G. Straetmans (eds.), Eerlijke en vrije mededinging: wijsheid is maat, Antwerpen, Intersentia, 2021, 113 e.v.). Het werd de neerslag van een vooral verkennende gedachtewisseling over de wijzen waarop beide rechtstakken elkaar beïnvloeden, inspireren en mogelijk versterken.

Op het eerste gezicht zijn ze elkaars tegenpolen. Mededingingsrecht legt de lat voor ondernemingen hoog in de zoektocht naar een optimale marktwerking. Insolventierecht focust op de financieel zwakke onderneming, ter bescherming van de schuldeisers én de (waarde van de) onderneming-schuldenaar.

Nochtans zijn ze noodzakelijke partners. Beide rechtsdomeinen beogen een optimale marktwerking door de bewegingsvrijheid van ondernemingen te beperken: het mededingingsrecht grijpt in in de relatie met andere ondernemingen, het insolventierecht in de relatie tussen de onderneming en haar vermogen.

Ik schreef die – onze – boodschap verder uit in het recentste editoriaal in TRV-RPS. U vindt dat editoriaal hier.

Net omdat het insolventierecht zelf ook grenzen stelt, is het belangrijk dat die grenzen niet te snel vervagen. In dat verband past een bedenking bij de tendens in de richting van buitengerechtelijke saneringsoplossingen. Op zich is het zeker niet verkeerd dat de wetgever blijft nadenken over hoe insolventieprocedures moderner en flexibeler kunnen worden gemaakt. De geleidelijke heroriëntering van het insolventierecht naar een flexibel saneringsinstrument gaat echter onvermijdelijk gepaard met een groter risico op opportunistisch gedrag. Dat is nog meer zo indien informele of buitengerechtelijke procedures worden uitgedokterd (bv. de Wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX WER). Het is dan cruciaal dat de wetgever ook in maatregelen voorziet die een overdreven opportunisme afschrikken en aanpakken.


De continuïteitsbewakingsplicht van vennootschapsbestuurders

Een post door gastblogger Louis De Meulemeester (UGent)

De spectaculaire ineenstorting van cryptobeurs FTX domineert de laatste weken het cryptonieuws. Het handelsplatform waarop beleggers onder meer hun cryptomunten bewaarden, kampte met een ernstig liquiditeitstekort. Na een “bank run” die ontstond na enkele ophefmakende onthullingen over de precaire financiële toestand van FTX, werd uiteindelijk het faillissement aangevraagd (chapter 11-procedure). De ontstane ravage voor de potentieel meer dan een miljoen schuldeisers is enorm.

De FTX-saga doet op vele vlakken vragen rijzen, in het bijzonder naar de regulering van de cryptomarkt en de daarop actieve handelsplatformen. Naast vermoedens van frauduleuze verrichtingen, lijkt het faillissement echter een klassiek verhaal van ernstige tekortkomingen in de bedrijfsorganisatie en –processen die het faillissement minstens in de hand hebben gewerkt. Zo schrijft de nieuw aangestelde CEO van FTX, een ervaren financiële puinruimer (oa. van Enron), in niet mis te verstane bewoordingen het volgende: “Never in my career have I seen such a complete failure of corporate controls and such a complete absence of trustworthy financial information as occurred here.”[1]

Naar aanleiding hiervan zal ik in deze blogpost kort stilstaan bij de concrete organisatorische verplichtingen die naar Belgisch recht rusten op vennootschapsbestuurders, in het bijzonder inzake de bewaking van de continuïteit van de vennootschap.

Continue reading “De continuïteitsbewakingsplicht van vennootschapsbestuurders”

Wat blijft er nog over van de coöperatie onder het WVV?

Een post door gastblogger Lieve Jacobs (Cera, dienstverlening coöperatief ondernemen)

CVBA’s vormen zich amper om naar de bepalingen van het WVV

Behoorlijk recent, sinds mei 2019, hebben we in België een rechtsvorm die exclusief is voorbehouden voor coöperatieve ondernemingen. Het is aan deze ondernemingen, de coöperaties, vandaag allicht actief onder de rechtsvorm CVBA, om zich voor 31 december 2023 om te vormen naar de CV. Doen ze dit niet, dan krijgen ze op 1 januari 2024 van rechtswege de rechtsvorm BV.

Volgens de Belgian Cooperative Monitor zijn er nog zo’n 11.000 CVBA’s en bijna 4.000 CVOA’s. Hiervan hebben er zich (tot 31 mei 2022) amper tien procent omgevormd naar een rechtsvorm uit het WVV.

De helft van deze omgevormde CVOA’s en bijna 80% van de omgevormde CVBA’s kiest voor de rechtsvorm van de BV. Dit was ook de bedoeling van de wetgever: de BV wordt de standaard rechtsvorm en de CV wordt voorbehouden voor coöperaties.

10% van de omgevormde CVBA’s kiest voor de CV en de overblijvende 10% kiest voor andere rechtsvormen: NV, CommV, VOF en VZW.

Continue readingWat blijft er nog over van de coöperatie onder het WVV?

SAVE THE DATE – Studieavond UA – Europees insolventierecht: opportuniteiten en uitdagingen

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen.

Het thema van de (reeds) vijftiende editie van deze studieavond is opnieuw bijzonder actueel: “Europees insolventierecht: opportuniteiten en uitdagingen“.

De studieavond gaat door op woensdag 21 december 2022 om 19u (tot ong. 20u30), en dit in lokaal R001 (Stadscampus Antwerpen). Deelname is gratis en iedereen is welkom. Meer informatie volgt.

Het Grondwettelijk Hof en de bijzondere aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout bij faillissement

Grondwettelijk Hof: arrest nr. 152/2022 van 17 november 2022

De aansprakelijkheidsgrond voor de kennelijke grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement bevond zich vroeger in het vennootschapsrecht voor de BVBA, CVBA en NV (art. 265, 409 en 530 W.Venn.) en thans in het insolventierecht voor alle rechtspersonen en vennootschappen (art. XX.225 WER – zie hier over de IPR-motivatie voor deze verplaatsing – zie hier een cassatie-arrest over de bewijslast bij de uitzondering).

Onder het WER geldt er een uitzondering op deze aansprakelijkheidsgrond voor alle ‘kleine ondernemingen’ (zoals gedefinieerd in art. XX.225 § 2 WER). Dit is een herneming van de uitzondering die gold in art. 265 en 409 W.Venn. voor de BVBA en de CVBA. Voor de NV was onder het regime van het W.Venn., anders dan vandaag, géén carve-out voor ‘kleine NV’s’. Het oude recht blijft relevant voor de beoordeling van gedragingen die gebeurden vóór Boek XX WER op 1 mei 2018 van toepassing werd.

In een arrest van vorige week 17 november 2022 diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken over de vraag of oud art. 530 W.Venn. het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het niet voorziet in een uitsluiting van aansprakelijkheid voor de bestuurders van gefailleerde ‘kleine’ NV’s, terwijl die uitsluiting wel ten goede komt aan de zaakvoerders of bestuurders van gefailleerde kleine BVBA’s en CVBA’s.

Continue reading “Het Grondwettelijk Hof en de bijzondere aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout bij faillissement”

Bestuurdersaansprakelijkheid in het licht van ESG

Afgelopen vrijdag werd de derde editie van het boek Bestuur van vennootschappen (B. Tilleman en K. Dewaele m.m.v. Nicolas Van Damme) voorgesteld op een studienamiddag te Leuven. Meer dan ooit is dit hét standaardwerk over alles wat met het bestuursmandaat te maken heeft.

Zelf mocht ik 10 minuten spreken over bestuurdersaansprakelijkheid in het licht van ESG. Mijn slides zijn hier consulteerbaar.

De ideeën vervat in deze presentatie zullen worden uitgewerkt in een bijdrage die (als de peer review succesvol wordt doorstaan) zal worden gepubliceerd in het TRV/RPS.

Algemeen kan gesteld worden dat het aansprakelijkheidsrecht, samen met andere privaatrechtelijke rechtsfiguren, een belangrijke aanvulling is én blijft op de steeds gedetailleerdere regels waarmee ondernemingen en bestuurders rekening moeten houden.

Het foutconcept, begrepen in de zin van een schending van de algemene zorgvuldheidsnorm, bevat hierbij een zeer vruchtbare bodem om allerlei maatschappelijke opvattingen over duurzaamheid juridisch relevant te maken.

Er zijn echter ook hindernissen. Deze situeren zich essentieel op het niveau van de schade en het causaal verband. Toekomstige en onzekere schade, waarbij de band tussen schade en het schadeverwekkend feit onzeker/moeilijk bepaalbaar/speculatief is, komt in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Maar de invulling van rechtsbegrippen kan evolueren en het zou niet de eerste keer zijn dat het aansprakelijkheidsrecht door de rechtspraak in nieuwe richtingen wordt geduwd (bv. aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken – zie, L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, p. 457, nr. 279). Ook de aangekondigde hervorming van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht is een belangrijk gegeven in dit verband.

Voorwaardelijke uittredingsrechten spoedig op komst in het Belgisch recht: “all that glitters is not gold”

Voorwaardelijke uittredingsrechten, ook wel appraisal remedies genoemd, komen in de Belgische rechtsleer meer en meer op de voorgrond als een mogelijk instrument van minderheidsbescherming in niet-genoteerde vennootschappen (zie bijvoorbeeld hier). Een voorwaardelijk uittredingsrecht houdt in dat minderheidsaandeelhouders die tegen een wettelijk gespecifieerde essentiële wijziging binnen de vennootschap stemmen (bijvoorbeeld een uitholling van het winstuitkeringsoogmerk of een grensoverschrijdende herstructurering) een uittredingsrecht krijgen. In ruil voor de uittreding krijgen ze een vergoeding voor hun aandelen.

Voorlopig kent het Belgische recht, in tegenstelling tot andere landen zoals Nederland en Duitsland, geen voorwaardelijke uittredingsrechten. Bij de omzetting van de Mobiliteitsrichtlijn zal de Belgische wetgever echter tegen 31 januari 2023 zo een uittredingsrecht effectief moeten invoeren voor minderheidsaandeelhouders die niet instemmen met een beslissing tot grensoverschrijdende herstructurering (grensoverschrijdende fusie, splitsing en omzetting).

Continue reading “Voorwaardelijke uittredingsrechten spoedig op komst in het Belgisch recht: “all that glitters is not gold””

Boedelschulden – Grondwettelijk Hof over de behandeling van fiscale schulden ontstaan tijdens een gerechtelijke reorganisatieprocedure in een navolgende vereffening of faillissement

Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 10 november 2022 uitgesproken over de vraag naar de bestaanbaarheid van artikel XX.58, tweede lid WER met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het dezelfde behandeling voorbehoudt aan, enerzijds, de schuldeiser wiens schuldvordering contractueel van aard is en beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van de onderneming zijn verricht, en anderzijds aan de Belgische Staat, die houder is van een vordering inzake btw of bedrijfsvoorheffing. Volgens het Hof is de keuze van de Belgische wetgever om de fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie overeenkomstig artikel XX.58, tweede lid WER als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag, niet onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Continue readingBoedelschulden – Grondwettelijk Hof over de behandeling van fiscale schulden ontstaan tijdens een gerechtelijke reorganisatieprocedure in een navolgende vereffening of faillissement

Insolventierisico voor schuldeisers in de vennootschapsgroep

Bestuurders moeten het eigen belang van de vennootschap als richtsnoer nemen. Dat geldt óók als die vennootschap deel uitmaakt van een groep. Het uitgangspunt blijft dat de leden van een vennootschapsgroep, gezien hun eigen rechtspersoonlijkheid, afzonderlijke winstcentra vormen: de groep gaat erop vooruit doordat elk van de delen erop vooruitgaat.[1]

De nadruk van het vennootschapsrecht op de juridische entiteit krijgt wel eens kritiek. Ontkent het immers niet de economische realiteit van het groepsverband, waarbij de groepsvennootschappen samen één grote onderneming vormen?

De doornen van de Rozenblum

Continue reading “Insolventierisico voor schuldeisers in de vennootschapsgroep”

Cyberrisico en pandemieschade: nog verzekerbaar?

17 november 2022 (17 -19u15), Brussel

De Belgische Sectie van AIDA (Association Internationale de Droit des Assurances) organiseert 17 november e.k. te Brussel (Université Saint-Louis, Kruidtuinlaan 43) een studieavond over (internationale) cyberaanvallen en pandemiedreiging. Deze catastroferisico’s zetten de mogelijkheden van de private verzekeringen, vooral voor de dekking van immateriële schade, op scherp. Zie voor mee info en registratie hier.

PROGRAMMA

Continue reading “Cyberrisico en pandemieschade: nog verzekerbaar?”

%d bloggers like this: