Stakeholderism: een wolf in schapenvacht?

Een bijdrage door Simon Landuyt en Evariest Callens

Het vennootschapsrecht als mechanisme voor de creatie van maatschappelijke waarde

Het utilitarisme, dat het grootste geluk voor het grootste aantal (huidige en toekomstige) mensen vooropstelt, vormt de impliciete rechtvaardiging voor vele van onze rechtsregels. De afgelopen jaren hebben economisten, juristen en opiniemakers een bij wijlen pittig debat gevoerd over hoe het vennootschapsrecht aan dit utilitaristisch ideaal kan of moet bijdragen en zodoende de maximalisatie van het maatschappelijk welzijn kan bevorderen.

Bepaalde dwingende regels die vervat liggen in het vennootschapsrecht zijn vanuit utilitaristisch perspectief wellicht weinig controversieel. Veelal betreft het punctuele regels waarvan in brede kring wordt aangenomen dat de realisatie van het objectief een netto batig of neutraal effect zal hebben op het totale maatschappelijk welzijn. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan genderquota in raden van bestuur.[1]

Zoals verder in deze post beschreven, is de vraag of een meer generalistische (vennootschapsrechtelijke) herijking van het vennootschapsdoel kan bijdragen tot de maximalisatie van het Continue reading “Stakeholderism: een wolf in schapenvacht?”

Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming

Presentatie door Prof. Dr. J. Vananroye (15 oktober 2020)

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is artikel 544 BW: “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De eigenaar kan naar eigen inzicht uti, frui et abuti: gebruikmaken van zijn goederen, er het genot van hebben en zelfs de waarde ervan uithollen. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Continue reading “Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming”

De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet?

Een post door gastblogger Nils Wills (master in de rechten, UA)

Op 1 januari 2018 trad na lang wachten de wet zakelijke zekerheden op roerende goederen (kortweg “de nieuwe pandwet”) in werking. Eén van de krachtlijnen hiervan is de afschaffing van de verplichte buitenbezitstelling van de in pand gegeven goederen. Vandaag vormt de buitenbezitstelling niet langer een totstandkomingsvereiste voor het vestigen van een pand. Zo werd de jarenlange onduidelijkheid over de inpandgeving van onlichamelijke goederen in één keer weggewerkt. Daarnaast werd tevens een nationaal pandregister in het leven geroepen waarin elke pandhouder zijn pandrecht kan registeren.

Dit laatste kan echter voor verwarring zorgen bij de geregistreerde intellectuele eigendomsrechten, gezien er voor hen reeds geruime tijd registers bestaan. Een pand (of enig ander zakelijk zekerheidsrecht) op deze rechten, dient krachtens de verschillende bepalingen op de intellectuele eigendomsrechten ook in deze registers ingeschreven te worden om de tegenwerpelijkheid te verzekeren.

De vraag rijst nu in hoeverre de algemene bepalingen van de nieuwe pandwet kunnen worden toegepast op intellectuele eigendomsrechten. Continue reading “De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet?”

Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders

In een cassatie-arrest van 9 oktober 2020 (C.20.0120.N) overweegt het Hof als volgt, in verband met een laattijdige fiscale aangifte binnen een VZW:

“Dat het bestuur van een vzw aan een collegiale raad van bestuur moet worden opgedragen, betekent dat elke individuele bestuurder verplicht is toezicht te houden op de medebestuurders.

Noch  een  taakverdeling  die  de  bestuurders  eventueel  zijn  overeengekomen,  noch het feit dat een bestuurder niet zelf het bestuursmandaat heeft gesolliciteerd of het feit dat een bestuurder zich het bestuur toe-eigent, doet afbreuk aan deze verplichting.”

Daarmee beaamt het Hof voor het eerst dat op elke bestuurder binnen een collegiaal bestuur een toezichtsplicht rust: elke bestuurder moet zijn collega’s in het oog houden. Bovendien voegt het Hof eraan toe dat een eventuele taakverdeling noch het gegeven dat een andere bestuurder de touwtjes in handen heeft en zich het bestuur toe-eigent, daaraan afbreuk doet. Continue reading “Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders”

De actio pauliana als onderschatte remedie voor schuldeisers van rechtspersonen

Video van presentatie door dr. Gillis Lindemans (KU Leuven)

De actio pauliana kwam in het verleden in de context van het vennootschapsrecht vooral ter sprake als beschermingsmechanisme voor persoonlijke schuldeisers van een vennootschap bij een inbreng.

De actio pauliana is echter ook een krachtige remedie waarmee de vennootschapsschuldeisers hun verhaalspositie kunnen veiligstellen. Zo kan de pauliana schuldeisers beschermen tegen excessieve uitkeringen, benadelende fusies en splitsingen, onrechtmatige financiering enz.

De mogelijkheden en limieten van deze remedie werden vorige week besproken door Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat bij Quinz) op de studiedag over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u in zijn boek over hetzelfde thema.

Herstructureringsprocedures in België, Nederland en de richtlijn (TvI 2020/40)

De omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in België: veel werk, weinig tijd

Eerder dit jaar werd mij door de redactie van het Tijdschrift voor Insolventierecht (TvI) gevraagd een bijdrage voor te bereiden over de vraag hoe de Europese Herstructureringsrichtlijn naar huidige verwachting in België zal worden geïmplementeerd, afgezet tegen de Nederlandse WHOA en de Europese Herstructureringsrichtlijn. Het resultaat daarvan is te vinden in het recentste nummer van het TvI. Hoewel verschenen in een Nederlands tijdschrift, is de bijdrage ook bijzonder relevant voor de Belgische jurist én wetgever. Ik ben dan ook dankbaar dat de uitgever mij de toestemming heeft gegeven om de publishers version via het Corporate Finance Lab te verspreiden (zie infra).

In wat volgt, som ik kort enkele elementen op die in de bijdrage aan bod komen. Wellicht zijn veel van de gehanteerde termen voor de Belgische jurist nog onduidelijk of zelfs onbekend. Het is immers opvallend dat, in vergelijking met de Nederlandse doctrine (waar tijdschriften volledige afleveringen aan de WHOA spenderen), in de Belgische doctrine amper aandacht wordt gespendeerd aan de Herstructureringsrichtlijn. Nochtans zou de omzetting van de richtlijn er in principe al moeten zijn tegen 17 juli 2021 (al is uitstel nog wel mogelijk). Helaas stellen we vast dat de Belgische wetgever daarover nog weinig tot niets heeft bekend gemaakt. De elementen die in de bijdrage aan bod komen, zijn dan ook mijn eigen analyses. Komen aan bod:

Continue reading “Herstructureringsprocedures in België, Nederland en de richtlijn (TvI 2020/40)”

Gefailleerde kan niet berusten in faillissementsvonnis

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is de berusting in een beslissing betreffende een wetsbepaling van openbare orde nietig. Nog volgens het Hof van Cassatie is art. 2, eerste lid Faill.W. (thans: art. XX.99, eerste lid WER), luidens hetwelk de koopman (de schuldenaar) die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, zich in staat van faillissement bevindt, van openbare orde.

In een arrest van 17 september 2020 (C.19.0656.F/2) koppelt het Hof van Cassatie hieraan de logische gevolgtrekking dat de gefaillieerde niet rechtsgeldig kan berusten in het (zijn) faillissementsvonnis.

De juridische logica van dit arrest is evident (1+1=2). De praktische toepassing ervan, wanneer de gefailleerde slechts zeer laattijdig beslist het faillissement aan te vechten, waarschijnlijk iets minder (in casu dateerde het faillissementsvonnis van 8 april 2013 en het verzet van 5 januari 2017).

Grondwettelijke Hof vernietigt twee bepalingen uit WVV – draagwijdte beperkt

Met het arrest nr. 135/2020 van vandaag 15 oktober 2020 vernietigt het Grondwettelijk Hof twee bepalingen uit het WVV: Continue reading “Grondwettelijke Hof vernietigt twee bepalingen uit WVV – draagwijdte beperkt”

De grondwettigheid van art. XX.20, § 3 WER inzake de vaststelling van het ereloon en de kosten van curatoren

GwH 1 oktober 2020, arrest nr. 127/2020

Dat minstens de perceptie leeft dat een groot deel van het contentieux in het insolventierecht in se draait om de vergoedingen van insolventiefunctionarissen[1] mag de lezer van deze blog niet verbazen. Vaak blijft die kwestie onder de radar doordat de geadieerde rechter zich over een andere rechtsvraag moet uitspreken. Nu en dan vormt de vergoeding van de insolventiefunctionarissen de enige inzet van het geschil. In de eerder besproken procedure m.b.t. het beroep tot nietigverklaring tegen KB van 26 april 2018 inzake de berekening van het ereloon en de kosten van insolventiefunctionarissen, was de Raad van State van oordeel dat het in het KB gemaakte onderscheid tussen curatoren en andere insolventiefunctionarissen zijn grondslag zou kunnen vinden in art. XX.20, § 3 WER.

Daarom stelde de Raad van State de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof (hierna: GwH):

“Schendt art. XX.20, § 3, tweede en derde lid WER, artikelen 10, 11 en 16 Gw, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en niet-retroactiviteit en met art. 1 EP EVRM, in zoverre art. XX.20, § 3, de Koning machtigt om de regels en de barema’s betreffende de vaststelling van de erelonen van de curatoren anders te bepalen dan hetgeen is vastgelegd voor de vergoeding van andere insolventiefunctionarissen, wier kosten en erelonen worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht en o.g.v. de tijd die nodig is voor de vervulling van hun prestaties en, in voorkomend geval, rekening houdend met de waarde van de activa, waarbij hun ook een terugbetaling van hun kosten wordt toegekend?” Continue reading “De grondwettigheid van art. XX.20, § 3 WER inzake de vaststelling van het ereloon en de kosten van curatoren”

Waarom is er een bijzondere schuldeisersbescherming nodig bij rechtspersonen?

Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon | 15 oktober 2020 via livestream

Aandeelhouders van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid genieten van beperkte aansprakelijkheid. De vennootschap zelf kan uiteraard wel aansprakelijk gesteld worden zoals elk ander rechtssubject. Daardoor kan de verleiding bestaan om te denken dat het “niet-vennootschapsrecht” dan maar de bescherming van externe stakeholders volledig op zich moet nemen. Het milieurecht beschermt slachtoffers van verontreiniging, het arbeidsrecht werknemers, het consumentenrecht consumenten… Heeft het vennootschapsrecht daar nog wel een rol?

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen over het beheer van zijn vermogen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is nog altijd naar de formulering van art. 544 Code civil “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Tussen de activa en passiva van de rechtspersoon en die van de aandeelhouders staat de muur van de rechtspersoonstechniek, die niet-aansprakelijkheid en vermogensafscheiding met zich meebrengt. De leden hebben aldus volledige controle over het vermogen van de rechtspersoon, genieten bij een vennootschap van eventuele winst, maar dragen slechts beperkt de negatieve gevolgen van hun beheer: deze zijn beperkt tot het verlies in waarde van hun aandelen. Deze rechtspersoonstechniek vergroot daardoor aanzienlijk het risico op opportunistisch handelen ten nadele van schuldeisers.

Aansprakelijkheidsremedies botsen zowel bij natuurlijke als bij rechtspersonen op de grens van de insolvabiliteit. Het verschil is dat bij een rechtspersoon het risico veel groter is dat deze insolvabiliteit onderdeel is van een bewuste strategie.

Interne vermogenssplitsing en artificiële vermogenssplitsing: beperkte aansprakelijkheid op steroïden

Het rechtspersoonstypisch risico op opportunistisch gedrag verergert nog veel meer door de mogelijkheid van verdere vermogenssplitsing zoals bij een vennootschapsgroep waarbij een onderneming verspreid is over meerdere rechtspersonen. De insolvabiliteit van één onderdeel van de groep heeft brengt dan maar een beperkt verlies van ondernemingswaarde voor de aandeelhouders met zich.

Beperkte aansprakelijkheid wordt daardoor erg beperkt: bij insolvabiliteit van een onderdeel verliezen de aandeelhouder slechts een stuk van de ondernemingswaarde.

Helemaal mooi wordt het voor de aandeelhouders als er binnen een groep strategisch aan artificiële vermogenssplitsing werd gedaan. Zie daarover de bijdragen van A. Karapetian en F. Verstijlen, R. Squire en J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, Reports to to the Netherlands Association for Comparative and International Insolvency Law (2018). Te consultereren via http://www.naciil.org/activiteiten/nieuws/kopie-documents-nvriinaciil-annual-conference–members-meeting-15-november-2018/

Bepaalde goederen die essentieel zijn voor de going concern waarde van de onderneming worden dan ondergebracht in een entiteit die buiten de insolvabiliteit wordt gehouden. Een type voorbeeld zijn intellectuele eigendomsrecht van de groep. Bij de insolvabiliteit van de andere groepsvennootschappen maakt dit dat de insiders de enige realistische bieders zijn voor de ondernemingsgoederen, die ze daardoor aan een prikje kunnen verwerven.

Hierdoor neigt beperkte aansprakelijkheid naar de afwezigheid van aan aansprakelijkheid. Het faillissement van de onderneming belet immers niet dat de aandeelhouders nog een groot stuk van de ondernemingswaarde kunnen behouden.

Dit opportunistisch insolventierisico typisch voor entiteiten met beperkte aansprakelijkheid en afgescheiden vermogen, brengt met zich een nood aan een rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming.

Technieken van rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming komen uitgebreid aan bod in de studiemiddag via livestreaam aan de KU Leuven op 15 oktober 2020 over schuldeisersbescherming bij vennootschappen en andere rechtspersonen onder voorzitterschap van Professor Eric Dirix. Komen onder meer aan bod : dr. Lindemans over de pauliana, Professor Cools over de aanloop naar insolventie, Professor Wyckaert over bestuursaansprakelijkheid, Professor Tas over uitkeringen, Mr. Poesen over het IPR en Mr. Van Hoe over de vennootschapsgroep.

Inschrijven kan via deze link. Meer info vindt u hier.

Joeri Vananroye

De omzetting van de Herstructureringsrichtlijn: opportuniteiten en uitdagingen

Op de jaarlijkse studiedag van TIBR mocht ik gisteren een voordracht geven over de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn. Deze omzetting moet in principe uiterlijk op 17 juli 2021 een feit zijn. In mijn presentatie heb ik de grote lijnen van de richtlijn geschetst, na deze gesitueerd te hebben in de toenemende Europeanisering van het insolventierecht.

De Belgische wetgever kan de richtlijn op minimalistische of maximalistische wijze benaderen. Dat het Belgische insolventierecht zal wijzigen, en op bepaalde punten zelfs vrij fundamenteel, is evenwel een feit. Zo blijft het insolventierecht in de steigers staan.

De meest in het oog springende wijzigingen zijn de opdeling van schuldeisers in categorieën, de categorie-overschrijdende cram down en de mogelijkheid om aandeelhouders (rechtstreeks) in het herstructureringsplan te betrekken. Werk op de plank voor de (nieuwe) beleidsverantwoordelijken dus.

De slides van de presentatie zijn hier te vinden:

‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: studiemiddag via livestream op 15 okt 2020

De kapitaalbescherming werd voor de BV afgeschaft. Het toepasselijk vennootschapsrecht kan vrij worden gekozen. Bestuursaansprakelijkheid is beperkt tot een maximumbedrag. Is na de flexibilisering van het vennootschapsrecht de vennootschapsschuldeiser onder het WVV nog voldoende beschermd?

Experten behandelen onder voorzitterschap van Prof. Dr. Eric Dirix op een studiemiddag te Leuven op 15 oktober 2020 de interactie tussen de nieuwe regels in het vennootschaps- en verenigingsrecht en bescherming uit het insolventierecht. Hieronder worden de verschillende presentaties kort samengevat. Rode draad doorheen deze presentaties is het proefschrift Schuldeiser & Rechtspersoon (Intersentia, 2020) van dr. Gillis Lindemans.

Erkenningen bij OVB (4u), IGO (3.5 u), IBJ, Nationale Kamer van Notarissen (4u)

De inschrijvingsprijs van EUR 175 omvat het boek Schuldeiser & Rechtspersoon, dat op de studiemiddag zelf wordt overhandigd. De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld aan deelnemers.

Inschrijven kan via deze link. Wie ingeschreven was voor de afgelaste studiemiddag in maart hoeft verder niets meer te doen.

Programma

13u30  |  Onthaal

13u50  |  Verwelkoming door de voorzitter  |  prof. dr. Eric Dirix


14u00  |  Waarom schuldeisersbescherming nijpender is bij rechtspersonen dan bij natuurlijke personen  |  prof. dr. Joeri Vananroye

Rechtspersonen zijn risicovol voor schuldeisers. Controlerende insiders (aandeelhouders of leden, bestuurders enz.) kunnen goederen en schulden opportunistisch verschuiven van het vermogen van de rechtspersoon onder hun controle naar hun privévermogen, en omgekeerd. Op die manier kunnen insiders de schuldeisers van de rechtspersoon benadelen zonder daardoor zelf geschaad te worden (en zelfs in hun eigen voordeel).


14u20  |  De actio pauliana als onderschatte remedie voor schuldeisers van rechtspersonen  |  dr. Gillis Lindemans

De actio pauliana is een krachtige remedie waarmee schuldeisers van vennootschappen, en bij uitbreiding van zowat elke entiteit met een afgescheiden vermogen, hun verhaalspositie kunnen veiligstellen. Zo kan de pauliana schuldeisers beschermen tegen excessieve uitkeringen, benadelende fusies en splitsingen, onrechtmatige financiering enz.


14u50  |  Bestuursaansprakelijkheid bij nakende insolventie  |  prof. dr. Marieke Wyckaert

Het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders wordt des te nijpender in de schemerzone voor insolventie. De kans neemt dan immers aanzienlijk toe dat schuldeisers (of een faillissementscurator namens hen) de bestuurders persoonlijk verantwoordelijk zullen stellen voor het ontstane tekort. In hoeverre moeten bestuurders werkelijk aansprakelijkheid vrezen voor bv. wrongful trading, onrechtmatige selectieve betaling of kennelijk grove fout?


15u20  |  Het vennootschapsbelang in de aanloop van insolventie  |  prof. dr. Sofie Cools

In de aanloop van insolventie verschuift het economische risico in de vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid van de aandeelhouders naar de schuldeisers. De aandeelhouders zijn eventueel hun inbreng kwijt, maar hebben verder niets meer te verliezen. De schuldeisers daarentegen zien hun kans op terugbetaling steeds kleiner worden. Deze presentatie onderzoekt hoe het vennootschapsbelang het gedrag van de verschillende belanghebbenden in de vennootschap reguleert bij nakende insolventie, en hoe die norm kan worden afgedwongen.


15u50  |  koffiepauze


16u20  |  Het belang van internationaal privaatrecht bij schuldeisersbescherming bij vennootschappen  |  dhr. Michiel Poesen

Het internationaal privaatrecht is het onderschatte sluitstuk van schuldeisersbescherming. Het zijn immers de IPR-regels die bepalen of schuldenaars dwingende regels kunnen “wegbedingen”, ten nadele van hun schuldeisers, door keuze voor een rechtstelsel dat die regel niet kent. Zo laat ons land sinds kort de insiders van de vennootschap volledig vrije keuze van het toepasselijke vennootschapsrecht. In welke mate beperken andere rechtsdomeinen, zoals het insolventierecht, de rechtskeuze ter bescherming van de schuldeisers?


16u45  |  Grenzen aan uitkeringen in het vennootschaps- en insolventierecht  |  prof. dr. Robbie Tas

Uitkeringen zijn in zekere zin intrinsiek controversieel: ze laten toe dat aandeelhouders, die nochtans achtergesteld zijn ten opzichte van de schuldeisers, toch al een vermogensvoordeel ontvangen zonder dat alle schulden van de vennootschap moeten zijn betaald. Welke grenzen stelt het nieuwe WVV daaraan? En hoe verhouden die beperkingen zich tot de remedies uit het insolventierecht?


17u15  |  De actio pauliana en de vennootschapsgroep: studie van tegenstellingen  |  mr. Arie Van Hoe

De actio pauliana beschermt schuldeisers van rechtspersonen tegen opportunistisch gedrag van insiders. Het risico op opportunistisch gedrag is nadrukkelijk aanwezig in de context van (grensoverschrijdende) vennootschapsgroepen. Immers, vennootschapsgroepen worden gekenmerkt door voortdurende vermogensverschuivingen, in de meest diverse vormen en gradaties. Wat betekent de pauliaanse vordering voor de vennootschapsgroep? Wat betekent de vennootschapsgroep voor de pauliaanse vordering?


17u40  |  Q&A en Paneldiscussie

18u20  |  Einde

Inschrijven kan via deze link.

Geen tweede zit voor koppige schuldenaren

Nadat een reorganisatieplan goedgekeurd is door de schuldeisers, moet het gehomologeerd worden door de insolventierechtbank. De homologatie kan slechts geweigerd worden bij niet-naleving van de pleegvormen of wegens schending van de openbare orde (art. XX.79, § 3 WER). Indien de rechtbank een probleem vaststelt, mag zij bij een met redenen omklede beslissing en vooraleer recht te doen, aan de schuldenaar toestaan een aangepast reorganisatieplan aan de schuldeisers voor te leggen (een derde zit is niet mogelijk).

Met een arrest van 18 september 2020 (C.20.0115.N/3) maakt het Hof van Cassatie duidelijk dat dit een mogelijkheid (en geen verplichting) betreft voor de insolventierechter. Omgekeerd is het een gunst (en geen recht) voor de schuldenaar.

Indien de insolventierechtbank of de rechter in hoger beroep de schuldenaar kan toelaten om een aangepast reorganisatieplan ter goedkeuring aan de schuldeisers voor te leggen, dan is deze hiertoe niet verplicht. Een dergelijke weigering kan verantwoord zijn door de gering geachte slaagkansen van een aangepast reorganisatieplan

Een schuldenaar die niet erkent dat er een probleem is met het oorspronkelijke plan en dan ook niet bereid blijkt het oorspronkelijke plan op concrete wijze aan te passen, behoeft geen tweede kans.

Kan een bijzonder bevoorrechte schuldvordering kwalificeren als een buitengewone schuldvordering in de opschorting?

Orb. Gent (afd. Gent) 15 september 2020

De ondernemingsrechtbank Gent (afd. Gent) heeft zich op 15 september 2020 uitgesproken over de vraag of een schuldeiser met een bijzonder voorrecht (in casu het voorrecht van de onbetaalde verhuurder) in een reorganisatieprocedure door collectief akkoord kan kwalificeren als een buitengewone schuldeiser in de opschorting (zoals bericht door TIBR).

De twijfel daarover is ontstaan sinds de inwerkingtreding van Boek XX WER. In vergelijking met het voormalige artikel 2, d) van de wet op de continuïteit van de ondernemingen (WCO) is de formulering van de definitie van buitengewone schuldvorderingen in de opschorting gewijzigd. Artikel I.22, 14° WER definieert buitengewone schuldvorderingen in de opschorting als “de schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn op het ogenblik van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, door een zakelijke zekerheid, en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars; de schuldvordering is slechts buitengewoon ten belope van het bedrag waarvoor, op de dag van de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, een inschrijving of registratie is genomen, of wanneer geen inschrijving of registratie is genomen, ten belope van de realisatiewaarde in going concern van het goed of indien het onderpand betrekking heeft op specifieke verpande schuldvorderingen, de boekhoudkundige waarde; de hiervoor omschreven beperking is slechts van toepassing met het oog op de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan, zoals bedoeld in de artikelen XX.72 tot XX.83.” (eigen benadrukking). De definitie van buitengewone schuldvorderingen in de opschorting onder het voormalige artikel 2, d) WCO luidde als volgt: “de schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht of een hypotheek en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars” (eigen benadrukking). De vraag rijst of het begrip zakelijke zekerheden in het WER óók de bijzondere voorrechten omvat. Continue reading “Kan een bijzonder bevoorrechte schuldvordering kwalificeren als een buitengewone schuldvordering in de opschorting?”

Beginselen van Organisatierecht

We maakten voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven) een syllabus met enkele beginselen van het recht voor rechtspersonen, vennootschappen en andere ondernemingsvormen.

Het gaat hier zeker niet om een overzicht van alle of zelfs maar de belangrijkste regels. Het werk dat voorligt heeft de ambitie als een medische scan te zijn. Het wil niet de oppervlakte beschrijven, maar de interne samenhang van regels reveleren en inzoomen op essentiële details, die het systeem dragen dan wel zorgen voor pathologieën.

Dit werk (310 blz), dat nog in aanbouw is, kan hier (Beginselen van Organisatierecht) in pdf-vorm worden geconsulteerd.

Hoofdstuk 1 kijkt naar de concrete juridische gevolgen van de rechtspersoonstechniek. We doen dat door de positie van de eigenaar van een handelszaak te contrasteren met die van de aandeelhouder in een vennootschap. In hoofdstuk 2 worden de vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid en de vennootschappen met onvolkomen rechtspersoonlijkheid (VOF, CommV) aan de vergelijking toegevoegd. Aandachtspunten voor de contractspraktijk krijgen een aparte plek in hoofdstuk 4.

De titel van het eerste hoofdstuk is “Je n’ai jamais déjeuné avec une personne morale”, naar de Franse jurist – de meningen verschillen wie – die hiermee de rechtspersoon als een fictie wegzette. (In het Frans wordt de rechtspersoon meestal ‘zedelijke persoon’ genoemd. De student die op het examen antwoordde dat zijn moeder een rechtspersoon is, zou in het Frans dan nog het voordeel van de twijfel gekregen kunnen hebben).

Dit kaderde in een versleten debat tussen de fictieleer en de realiteitsleer. De fictieleer zag de rechtspersoon als een creatie van het recht en zag daarin de verantwoording voor een strenge regulering. De realiteitsleer zag de rechtspersoon als een realiteit die door het recht enkel werd erkend. Dit gold als verantwoording voor een liberale regulering.

Ik noem dit debat versleten omdat elke jurist hopelijk inziet dat een begrip als rechtspersoon, maar ook andere begrippen als rechtssubject, vordering, schuld, …ficties zijn, die niet in rerum natura worden teruggevonden. Ze bevinden zich niet in de zichtbare of onzichtbare schepping, maar in het hoofd van mensen. Het verschil met literaire fictie is dat de juridische fictie met overheidsgeweld wordt afgedwongen.

We kiezen dus resoluut, en verder onuitgesproken, voor een opvatting van de rechtspersoon als een juridische techniek. Daar op zichzelf leiden we geen normatieve stellingnames uit af. Dit kan zowel gecombineerd worden met een restrictieve of liberale benadering.

Wel kijken we met een normatieve blik naar de concrete gevolgen van de techniek, in het bijzonder beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding in hoofdstuk 3. Wat zijn de redenen voor deze gevolgen? Wat zijn de risico’s ervan? En welke remedies voor deze risico’s zitten of zouden er moeten zitten in de gereedschapskist van de het organisatierecht?

Het motto van hoofdstuk 5 is een antwoord op de hiervóór geciteerd Franse jurist door een collega: “Moi non plus, mais je l’ai souvent vue payer l’addition”. Als juridische techniek creëert de rechtspersoon een fictief subject waaraan rechten en verplichtingen worden toegerekend. Hoe deze toerekening gebeurt, is essentieel voor het optreden van een organisatie in het rechtsverkeer. Het gaat hier om vertegenwoordiging, onrechtmatige daden, misdrijven en subjectieve gesteldheden. Ook de rechtsbekwaamheid en algemene grenzen als wettelijke specialiteit, statutaire specialiteit en vennootschapsbelang komen hier aan bod. Hoewel geschreven op maat van de rechtspersoon, gelden de besproken principes ook voor andere organisaties.

Hoofdstuk 7 kijkt naar de structuur van het Belgische organisatierecht. Hoe is het WVV georganiseerd? Welke vormen zitten bij het WVV? Wat karakteriseert een vennootschap en een vereniging? Hoe passen organisaties in het formele en het functionele ondernemingsbegrip van het ondernemingsrecht?

Hoofdstuk 8 kijkt naar wat de rechtspersoon onderscheidt van andere organisatievormen: oprichtingsformaliteiten en publiciteitsvoorschrift. Ook het handelen namens de rechtspersoon in oprichting wordt hier besproken.

Hoofdstuk 9 bespreekt uitgebreid één van de belangrijkste remedies tegen de risico’s van de rechtspersoonstechniek: bestuursaansprakelijkheid, zoals in het WVV, het gemeen aansprakelijkheidsrecht en het insolventierecht.

Drie hoofdstukken blijven onafgewerkt en werden niet opgenomen: hoofdstuk 5 over het IPR (keuze van en verandering van het toepasselijk recht), hoofdstuk 10 over liquiditeit en liquidatie (ontbinding, overdracht van aandelen, beslag op aandelen, uittredingsregelingen) en hoofdstuk 11 over twee modellen van vermogensovergang (vereffening en overdracht onder algemene titel).

Joeri Vananroye

foto : Regentschapsstraat, Brussel, 6 mei 2020