Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt

Cass. 18 maart 2022 (C.21.0006.F)

Mario D. was zaakvoerder van een BVBA, een immovennootschap. De vrederechter stelt een bewindvoerder aan over de persoon en de goederen van Mario. Deze bewindvoerder q.q. doet aangifte van het faillissement van de BVBA en van Mario zelf. Zoals bekend veronderstelt dit dat Mario een ‘onderneming’ is in de zin van art. XX.1, 1° al. 1 WER (zie definitie van ‘schuldenaar’ in art. XX.99 al. 1 WER). Het gaat hier om het zgn. ondernemingsbegrip in formele zin.

Er is geen andere activiteit waarop voor Mario de kwalificatie als onderneming wordt gesteund dan zijn (bezoldigde) bestuurstaak bij de immo-BVBA. (Parenthesis: dat een voorlopig bewindvoerder over een natuurlijke persoon ook de bevoegdheden van die natuurlijke natuurlijke persoon als vennootschapsbestuurder uitoefent, werd blijkbaar niet geproblematiseerd. Vanzelfsprekend is dit nochtans niet, al is het een pragmatische oplossing bij een vennootschap met wellicht één vennoot en één bestuurder.)

De Ondernemingsrechtbank te Henegouwen (25 november 2019) weigert het faillissement van Mario uit te spreken met als argument dat hij geen onderneming is. Dit wordt in beroep bevestigd door het Hof van Beroep te Bergen (14 juli 2020).

Uit het arrest blijken heel wat bijzondere omstandigheden: de gezondheidstoestand van de bestuurder liet al lang geen activiteiten toe, de bestuursvergoeding was minimaal, de vennootschap zelf leek een slapende vennootschap, ….

Daarmee werd een bekende discussie aan de orde gesteld, nl. of elke bestuurder van een vennootschap een onderneming in formele zin is. Zie eerder hier en verder o.a. A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH 2019, 494 e.v.; P. Moineau en F. Ernotte, “Les gérants et administrateurs personnes physiques face au nouveau droit de la faillite”, JLMB 2019, 697 e.v.; M. Roelants, “De kwalificatie van de natuurlijke persoon-bestuurder als onderneming na de Wet Hervorming Ondernemingsrecht”, TRV-RPS 2019, 104 e.v.; J. De Smet, “Het faillissement van zaakvoerders en bestuurders na de inwerkingtreding van Boek XX WER: moet er nog (drijf)zand zijn?”, TIBR 2019, 80 e.v..

Merk op dat, zoals in de meeste uitspraken waar dit een discussiepunt vormt, de vraag om de toepassing van de faillissementsprocedure uitgaat van de schuldenaar zelf (zij het hier middels een bewindvoerder). Het is niet een schuldeiser of het OM die een debiteur tegen zijn wil in de faillissementsprocedure wil trekken. Dit is een symptoom een insolventierecht voor ondernemingen dat grosso modo vriendelijker is voor natuurlijke personen-ondernemingen dan voor andere natuurlijke personen.

In een verrassende uitspraak van vorige vrijdag verwerpt het Hof van Cassatie het cassatieberoep tegen het Bergens arrest met een motivatie die veel verder gaat dan enkel de vennootschapsbestuurder en die verder gaat dan de zeer specifieke omstandigheden van het betrokken geschil:

Continue reading “Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt”

Kredietopening, lening en wederbeleggingsvergoeding: the story goes on & on & on

In een eerdere blogpost werd de discussie over de kwalificatie van een overeenkomst als een kredietopening dan wel een lening op interesten besproken naar aanleiding van twee cassatiearresten van 2020. Deze kwalificatie is van belang voor de omvang van de wederbeleggingsvergoeding die verschuldigd is wanneer een krediet vervroegd terugbetaald wordt. Enkel bij een lening op interesten speelt de beperking van art. 1907bis oud BW.

In 2021 volgden twee bijkomende cassatiearresten over deze materie, die recent gevolgd werden door een cassatiearrest van 3 februari 2022. De conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier bij het laatstgenoemde cassatiearrest is verhelderend.

Continue reading “Kredietopening, lening en wederbeleggingsvergoeding: the story goes on & on & on”

Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling

Net als het oude W.Venn., geeft het WVV een bijzondere nietigheidsgrond in geval van schending van de regels voor belangenconflicten bij bestuurders (BV: art. 5:77 § 2 WVV; NV: art. 7:96 § 2/7:103 § 2/7:115 § 2 WVV). Met het WVV is deze nietigheidsgrond nu ook voorhanden in de CV (art. 6:65 § 2 WVV), de VZW (art. 9:8 § 2 WVV) en de stichting (art. 11:9 § 2 WVV). Volgens al die bepalingen kan de rechtspersoon de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de toepasselijke belangenconflictregels, indien de wederpartij bij die besluiten of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.

Al sinds de invoering van die nietigheidssanctie speelt de vraag of de nietigheidssanctie geldt bij elke schending van de belangenconflictregeling. Een eerste strekking verdedigt dat enkel “wezenlijke” schendingen, die de besluitvorming of de verrichting kunnen beïnvloeden, tot nietigheid zouden mogen leiden. Deze strekking vond ook doorgang in de rechtspraak van de hoven van beroep van Antwerpen en Brussel – het arrest a quo is overigens opnieuw uit Antwerpen afkomstig. Een tweede strekking ziet de nietigheid verschijnen bij elke schending van de betrokken regels. Het WVV heeft deze discussie niet beslecht.

In een arrest van 9 december 2021 (C.19.0644.N) kiest het Hof van Cassatie voor de eerste strekking, weliswaar m.b.t. het oude art. 523 § 2 W.Venn. We citeren de relevante passus:

Continue reading “Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling”

De maatschap en de vereffening van haar onderneming – Cass. 30 september 2021

Cass. 30 september 2021 (C.210045.N)

Het Rechtskundig Weekblad nr. 23 van 5 februari 2022 (RW 2021-22, p. 900) publiceert een arrest van het Hof van Cassatie dd 30 september 2021 over de vereffening van een maatschap van Limburgse gerechtsdeurwaarders. (Voor zover ik kan nagaan werd dit arrest niet gepubliceerd in Juportal.)

Inzet van het geschil ten grond was de vraag of er door de rechtbank een vereffenaar diende te worden aangesteld voor de afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de maten.

Het arrest a quo van het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde dat er een maatschap was tussen de natuurlijke personen gerechtsdeurwaarders die hun arbeid inbrachten, waarbij het saldo van de winsten na betaling van de werkingskosten en de vergoedingen van gerechtsdeurwaarder 1 en 2 werden gereserveerd bij de BV van gerechtsdeurwaarder drie. Het Hof van Beroep oordeelde dat, omdat er geen sprake was van een onderneming in mede-eigendom tussen de maten, er geen vereffenaar diende te worden aangesteld bij afwezigheid van gezamenlijke eigendom. Het Hof van Cassatie vond dit in de geschetste omstandigheden geen verantwoording naar recht.

Continue reading “De maatschap en de vereffening van haar onderneming – Cass. 30 september 2021”

De ‘quasi’ in de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent

Cass. 4 februari 2022 (C.21/0278.F)

De aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten betreft de vraag in welke mate een contractuele schuldeiser een buitencontractuele vordering heeft indien een uitvoeringsagent van zijn schuldenaar door een onrechtmatige daad schade veroorzaakt aan deze contractuele schuldeisers. In de praktijk is een belangrijk toepassingsgeval de aansprakelijkheid van een bestuurder (C) van een rechtspersoon (B) t.a.v. een contractspartner (A) van die rechtspersoon.

In het huidige recht heeft de uitvoeringsagent, een verregaande immuniteit t.a.v. de contractuele schuldeiser van zijn opdrachtgever: A kan C in de regel niet aanspreken. Het oud BW zelf zwijgt hierover; deze immuniteit volgt uit vaststaande rechtspraak sinds het bekende Stuwadoors-arrest uit 1973 (Cass. 7 december 1973, NV Muller-Thomson en NV Wm. H. Muller & cot/ Royal Insurance Company Ltd, Arr. Cass. 1974, 1974, 395; JT 1974, 443; Pas. 1974, 376; RW 1973-1974, 1597, noot J. Herbots). Zie hier, hier en hier voor de wilde plannen m.b.t. de uitvoeringsagent in het ontwerp van nieuw buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht.

Een klassieke uitzondering op de immuniteit van de uitvoeringsagent betreft fouten die ook een misdrijf uitmaken (bv. onvrijwillige slagen en verwondingen). Vandaar dat er meestal sprake is van een ‘quasi-immuniteit’. Een arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2022 behandelt de vraag of deze uitzondering op een burgerrechtelijke immuniteit veronderstelt dat de betrokken uitvoeringsagent voor de strafrechter werd vervolgd en veroordeeld.

Continue reading “De ‘quasi’ in de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent”

Is de vereffenaar een mini-curator?

Cass. 26 november 2021 (C.20.0572.F)

Een curator is de bewindvoerder van de faillissementsboedel. Die boedel bundelt de executierechten van de schuldeisers in het kader van het algemeen beslag op het vermogen van de debiteur. De curator heeft daardoor zowel de ‘partijrechten’ van de debiteur als ‘derdenrechten’ van de schuldeisers (bv. pauliana, bv. mogelijkheid om zich soms op niet-tegenwerpelijkheid te beroepen, bv. mogelijkheid om collectieve schade te vorderen die debiteur zelf buiten faillissement niet zou kunnen vorderen).

Een vereffenaar, aangesteld bij ontbinding van een rechtspersoon, is daarentegen een orgaan van de rechtspersoon. De vereffenaar heeft in beginsel enkel de rechten die de rechtspersoon zelf heeft. Dat geldt ook bij een deficitaire vereffening, die nochtans dezelfde situatie wil afwikkelen als een faillissement.

Er bestaan goede redenen voor dat verschil in bevoegdheden: de vereffenaar wordt doorgaans door de algemene vergadering van aandeelhouders aangesteld en biedt daarom niet dezelfde garanties inzake onafhankelijkheid als een curator. Het zou onverantwoord zijn dat de vereffenaar zoals een curator de rechten van de schuldeisers overneemt. (Daarmee is overigens niet gezegd dat er geen garanties zijn omtrent een ordentelijke vereffening, zie J. Van Eetvelde, Ontbinding en vereffening van vennootschappen, Proefschrift KU Leuven, 2022, 388 e.v.).

In een arrest van 26 november 2021 kon het Hof van Cassatie deze principes bevestigen m.b.t. de bevoegdheid inzake collectieve schade voor de vereffenaar van een commanditaire vennootschap: “[Si le liquidateur] exerce ses pouvoirs dans l’intérêt de la société et des créanciers, le liquidateur ne représente que la société et non les créanciers. Il ne peut dès lors mettre en œuvre que les actions qui appartiennent à la société.

Continue reading “Is de vereffenaar een mini-curator?”

Nieuwe cassatierechtspraak over de toepassing van nieuwe wetten op lopende contracten

Cass. 22 november 2021

1.

De wetgever heeft de laatste jaren behoorlijk wat gesleuteld aan het contractenrecht. Soms nam hij daarbij de tijd om uitdrukkelijk te regelen in welke mate de wetswijziging in kwestie van toepassing is op lopende contracten. De praktijk prijst zich dan doorgaans gelukkig. Even goed zijn er echter gevallen waarin de wetgever die vraag niet – of onvolledig – beantwoordt. In die gevallen moet men teruggrijpen naar het zogenaamde algemeen intertemporeel recht.

2.

Tot voor kort golden er in het algemeen intertemporeel contractenrecht grosso modo drie basisregels:

  • Regel 1: in principe is de nieuwe wet niet van toepassing op lopende contracten, maar blijft de oude wet daarop van toepassing.
  • Regel 2: is de nieuwe wet echter dwingend of raakt ze de openbare orde, dan is ze toch van toepassing op lopende contracten.
  • Regel 3: de geldigheid van een contract of van een contractueel beding blijft nochtans beheerst door de wet die van kracht was ten tijde van de contractsluiting. Deze regel omvat twee aspecten: (i) contracten/clausules die geldig waren ten tijde van de contractsluiting, blijven geldig, ook na de inwerkingtreding van een wet op grond waarvan die contracten/clausules ongeldig zouden worden, en (ii) contracten/clausules die ongeldig waren ten tijde van de contractsluiting, blijven ongeldig, ook na de inwerkingtreding van een wet op grond waarvan die contracten/clausules geldig zouden worden.

Deze basisregels zijn ontwikkeld in de rechtspraak,[1] maar de wetgever is van plan om ze te codificeren in het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Het Wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek[2] bevat inderdaad de volgende bepaling:

“Art. 1.2. Toepassing van de wet in de tijd

[…]

In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten.

De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.”

3.

In een arrest van 22 november 2021[3] heeft het Hof van Cassatie de bovenstaande regels echter deels bijgesteld.

Continue reading “Nieuwe cassatierechtspraak over de toepassing van nieuwe wetten op lopende contracten”

Restitutie na vernietiging: niet automatisch voor alle verbintenissen (Cass. 2 december 2021)

“De executant is gehouden tot de restitutie van al hetgeen krachtens de tenuitvoerlegging werd ontvangen. Dit is ook logisch. Aangezien de rechtsgrond voor hetgeen door de tenuitvoerlegging of onder druk ervan werd betaald, is komen te vervallen, moeten deze betalingen worden teruggedraaid” (E. Dirix, Beslag in APR 2018, nr. 300). Geldt deze logica op dezelfde wijze voor alle soorten verbintenissen? Het cassatiearrest van 2 december 2021 beantwoordt deze vraag negatief.

De eisers in cassatie waren veroordeeld over te gaan tot de berging van een schip en daartoe een overeenkomst af te sluiten met een bergingsfirma onder verbeurte van een dwangsom. Deze veroordeling werd uitgevoerd, tegen een pittig prijskaartje van EUR 14.800.000.

Het arrest houdende veroordeling tot het afsluiten van die overeenkomst werd naderhand vernietigd door het Hof van Cassatie. Uiteraard stellen de eisers in cassatie zich op dat ogenblik niet tevreden met de morele overwinning, maar willen ze het geld terug dat ze – ten onrechte, zo blijkt – hebben betaald aan de bergingsfirma. Met het vernietigingsarrest in de hand laten ze een bevel tot betaling bevelen aan de verweerders in cassatie (en bekomen ze ook effectief de ontvangst van EUR 14.800.000 – in hoofdsom).

De verweerders in cassatie (de Belgische Staat, het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap; de positie van deze partijen was niet identiek, maar dat is minder relevant voor deze bespreking) stellen verzet in tegen het bevel tot betaling. Het in cassatie bestreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel verklaart het betalingsbevel onrechtmatig en beveelt de terugbetaling van de EUR 14.800.000 (in hoofdsom). Tegen dit arrest wordt cassatieberoep ingesteld (het cassatiemiddel bestond uit twee onderdelen, na de beoordeling van het eerste onderdeel vertoonde het tweede onderdeel geen belang meer).

Eisers in cassatie hebben, voor alle duidelijkheid, niet rechtstreeks betaald aan verweerders in cassatie. Ze hebben wel, na daartoe veroordeeld te zijn op vordering van verweerders in cassatie, een overeenkomst afgesloten met een derde partij (de bergingsfirma) en in uitvoering van deze overeenkomst een zeer substantieel bedrag betaald, waarvan ze nu de terugbetaling vorderen (van verweerders in cassatie, niet van de bergingsfirma). Het Hof van Beroep te Brussel achtte dit niet mogelijk. Ten onrechte redeneren de eisers in cassatie:

Derhalve miskent de appelrechter de restitutieplicht na cassatie zoals die voortvloeit uit de onverschuldigde betaling en de verrijking zonder oorzaak. Immers, wanneer de oorspronkelijke schuldenaar veroordeeld werd om iets te doen, en in het kader van de gedwongen tenuitvoerlegging contracteert deze schuldenaar met een derde om de prestatie te verrichten, dan kan de oorspronkelijke schuldenaar, na cassatie van de rechterlijke beslissing die de titel vormde voor de tenuitvoerlegging, wel degelijk lastens zijn wederpartij aanspraak maken op een vergoeding voor de prestatie die hij door de derde heeft laten leveren op grond van de vernietigde beslissing, ook al heeft de wederpartij zelf nooit een betaling ontvangen van de oorspronkelijke schuldenaar.

Het Hof van Cassatie ziet de zaken anders.

1. Krachtens artikel 1494 Gerechtelijk Wetboek kan geen uitvoerend beslag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken.

2 De vernietiging in cassatie leidt tot de vernietiging van al de uitvoeringshandelingen die op de vernietigde beslissing zijn gesteund zodat er restitutie plaatsvindt van al hetgeen krachtens die beslissing werd betaald. Het cassatiearrest levert aldus een titel op voor de terugvordering van hetgeen krachtens de vernietigde beslissing werd betaald zonder dat het cassatiearrest deze terugbetaling dient te bevelen.

Indien de veroordeling echter geen betrekking heeft op de betaling van een geldsom of op de afgifte van een zaak, maar op een verbintenis iets te doen of iets niet te doen, levert het cassatiearrest geen dergelijke titel op en dient de bodemrechter de omvang van de restitutieplicht te bepalen. Hieraan doet niet af dat voor de uitvoering van de veroordeling een betaling werd gedaan aan een derde.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

De vernietiging in cassatie leidt automatisch tot de vernietiging van al de uitvoeringshandelingen die op de vernietigde beslissing zijn gesteund. Restitutie is aan de orde. Volstaat het vernietigingsarrest hiervoor? Niet steeds volgens het Hof van Cassatie. Een onderscheid moet hierbij gemaakt worden tussen:

  • de (vernietiging van een) veroordeling tot betaling van een geldsom of de afgifte van een zaak: het vernietigingsarrest volstaat;
  • de (vernietiging van een) veroordeling om iets te doen of niet te doen: het vernietigingsarrest volstaat niet, zelfs wanneer voor de uitvoering van de veroordeling een betaling werd gedaan aan een derde. In dit geval dient de bodemrechter de omvang van de restitutieplicht te bepalen.

Bij deze uitkomst kan een kritische noot worden geplaatst. Stel dat er geen discussie bestaat over de effectieve betaling én het bedrag door eisers in cassatie aan de bergingsfirma (in casu was daar wel twijfel over, daarover ging het tweede onderdeel van het cassatiemiddel), op basis van een onterechte veroordeling tot het afsluiten van een overeenkomst? Is het dan proceseconomisch dat het vernietingsarrest niet volstaat als uitvoerbare titel om restitutie te bekomen door diegenen die deze onterechte betaling hebben veroorzaakt? Overtuigt het onderscheid tussen de (rechtstreekse) betaling van een geldsom en de betaling van een geldsom (aan een derde partij) op basis van een verbintenis om iets te doen (i.e. een overeenkomst afsluiten)? Het (juridische) onderscheid tussen beide soorten verbintenissen is duidelijk; het eindresultaat is echter weinig logisch.

De gemeenrechtelijke beperkingen inzake derdenverzet zijn niet van toepassing op het derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis (Cass. 9 september 2021)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Met het arrest van 9 september 2021 (C.21.0043.N) heeft het Hof van Cassatie nogmaals de processuele autonomie en specialiteit van de insolventiewetgeving bevestigd.

Het Hof diende zich uit te spreken over de toepasselijkheid van artikel 1122, 2de lid, 3° Ger.W. op een ingesteld derdenverzet tegen het faillietverklarend vonnis. Dit artikel bevat een opsomming van partijen die volgens gemeenrecht geen derdenverzet kunnen aantekenen.

Continue reading “De gemeenrechtelijke beperkingen inzake derdenverzet zijn niet van toepassing op het derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis (Cass. 9 september 2021)”

Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting

Cass. 11 januari 2021

Vroeger, toen art. 7 Hyp.W. nog onverdund van toepassing was, konden in principe alle tegenwoordige en toekomstige schulden worden verhaald op alle goederen van de debiteur, ongeacht het ogenblik waarop deze werden geacht te zijn ontstaan in zijn vermogen. (Zie wel M.E Storme, Zekerheden- en Insolventierecht, II, p. 561 e.v. voor een overzicht van hypotheses waarin het ogenblik van ‘ontstaan’ van een schuldvordering belangrijk is – bv. derdenbeslag, dat enkel bestaande vordering kan treffen).

Die simpele tijd is niet meer. De laatste 25 jaar trekt het insolventierecht steeds meer cesuren in de tijd, maakt het een onderscheid tussen oud en nieuw.

De kwijtschelding van de restschulden na faillissement, maakt een onderscheid tussen schulden van vóór of tijdens de faillissementsprocedure en nieuwe schulden.

Het nieuwe art. XX.110 § 3 WER trekt deze fresh start naar voren: “Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.” Nieuwe goederen vallen buiten de boedel, oude erin (zie eerder hier).

Schuldvorderingen in de opschorting zijn “de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen” (art I.22, 11° WER). Vóór of na het vonnis betekent het verschil tussen in of buiten de opschorting.

Al deze regels nopen tot criteria die bepalen wanneer een goed of een schuld ontstaat.

In een arrest van 11-januari-2021 (C.20.0195.N) moest het Hof van Cassatie oordelen of de schuld tot betaling van de gerechtskosten in of buiten de opschorting was. Het betrof de gerechtskosten voor een procedure opgestart vóór het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie opende, maar waarbij de veroordeling tot het eindvonnis plaats vond dat vonnis. Continue reading “Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting”

Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit

Cass. 11 december 2020 (C.19.0318.N)

In een arrest van 11 december 2020 kwamen enkele principiële vragen in het vizier van het Hof van Cassatie:

1. Geldt de regel dat een aandeelhouder geen afgeleide schade kan vorderen ook na ontbinding van de vennootschap?

2. Kan een aandeelhouder net zoals een schuldeiser de zijdelingse vordering instellen indien de vennootschap (in casu in de persoon van de vereffenaar) weigert een vordering in te stellen?

3. Kan de minderheidsvordering worden ingesteld door een meerderheidsaandeelhouder?; en

4. Kan de minderheidsvordering nog worden ingesteld tijdens de vereffening van de vennootschap?

Continue reading “Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit”

Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders

In een cassatie-arrest van 9 oktober 2020 (C.20.0120.N) overweegt het Hof als volgt, in verband met een laattijdige fiscale aangifte binnen een VZW:

“Dat het bestuur van een vzw aan een collegiale raad van bestuur moet worden opgedragen, betekent dat elke individuele bestuurder verplicht is toezicht te houden op de medebestuurders.

Noch  een  taakverdeling  die  de  bestuurders  eventueel  zijn  overeengekomen,  noch het feit dat een bestuurder niet zelf het bestuursmandaat heeft gesolliciteerd of het feit dat een bestuurder zich het bestuur toe-eigent, doet afbreuk aan deze verplichting.”

Daarmee beaamt het Hof voor het eerst dat op elke bestuurder binnen een collegiaal bestuur een toezichtsplicht rust: elke bestuurder moet zijn collega’s in het oog houden. Bovendien voegt het Hof eraan toe dat een eventuele taakverdeling noch het gegeven dat een andere bestuurder de touwtjes in handen heeft en zich het bestuur toe-eigent, daaraan afbreuk doet. Continue reading “Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders”

Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie

Cass. 18 september 2020 (C.18.0353.N)

In een arrest van vandaag 18 september 2020 (C.18.0353.N) vernietigt het Hof van Cassatie het Reglement betreffende de advocaat en insolventie van de Orde van Vlaamse Balies. Het Hof acht de ambtshalve weglating  als gevolg van het loutere faillissement kennelijk onredelijk.

De motivering van het arrest spreekt voor zich: Continue reading “Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie”

Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator

Als de curator besluit tot niet-uitvoeren is de overeenkomst met de gefailleerde wel degelijk beëindigd

Op 4 september jl. sprak het Hof van Cassatie een belangwekkend arrest (C.20.0011.N) uit over een miskend principe: het verbod op uitvoering in natura van een contractuele verbintenis van de gefailleerde tegen de faillissementsboedel. Tegelijk kon het Hof die regel aanvullen met een regel over de omvang van de schadevergoeding die ten gevolge van  de niet-uitvoering een verbreking door de curator een schuld in de boedel zal zijn.

Eerst een stap terug naar de principes van samenloop bij faillissement.

Een gevolg van de samenloop is dat de onderlinge rang van de samenlopende schuldeisers wordt “gefixeerd” op het ogenblik van het faillissementsvonnis. Hun onderlinge rang wordt bepaald op basis van de toestand op het ogenblik van faillietverklaring.

Dit “fixatiebeginsel” (vaak – maar verwarrend – ook “gelijkheidsbeginsel” genoemd) verzet zich ook tegen een gedwongen uitvoering in natura tegen de boedel, in ieder geval waar het een verbintenis tot overdracht (“dare”) of tot doen (“facere”) zou betreffen (E. Dirix, “Faillissement en lopende overeenkomsten”, RW 2003-04, 204, nr. 9).

Wellicht zijn er weinig regels van privaatrecht die tegelijk zo onbekend en zo fundamenteel zijn. Continue reading “Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator”

Investeringskrediet en wederbeleggingsvergoeding. Licht aan het einde van de tunnel na recente cassatiearresten?

Een post door gastblogger Mr. Cedric Haspeslagh

Ondernemingen die een krediet vervroegd willen terugbetalen worden vaak geconfronteerd met de verschuldigdheid van een wederbeleggingsvergoeding, die hoog kan oplopen.

De rechtmatigheid van het bedrag van de wederbeleggingsvergoeding is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de kredietovereenkomst een lening of een kredietopening is[1].

Over de kwalificatie van investeringskredieten bestaat veel discussie. Het Hof van Cassatie heeft zich hierover uitgesproken in zijn arresten van 27.04.2020 (C.19.0602.N) en 18.06.2020 (C.19.0140.N). Continue reading “Investeringskrediet en wederbeleggingsvergoeding. Licht aan het einde van de tunnel na recente cassatiearresten?”

%d bloggers like this: