Het Grondwettelijk Hof ziet een lacune inzake de vervroegde kwijtschelding en vult die in, maar…

Vincent Verlaeckt over GwH 23 april 2026, nr. 55/2026

1.1. Wie het faillissementsrecht volgt en derhalve ook deze blog leest, weet dat de “kwijtschelding” van restschulden na faillissement al meermaals het voorwerp is geweest van discussie voor het Grondwettelijk Hof.[1]

De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof heeft mede aanleiding gegeven tot de invoering van de zogenoemde “automatische kwijtschelding” in 2023.[2] Sindsdien dient de gefailleerde niet langer zelf om de kwijtschelding te verzoeken. Bij de sluiting van het faillissement worden de restschulden in beginsel automatisch kwijtgescholden, tenzij een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, hiertegen verzet aantekent en de rechtbank dit verzet geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart.

Read more: Het Grondwettelijk Hof ziet een lacune inzake de vervroegde kwijtschelding en vult die in, maar…

1.2. Gelijktijdig met de invoering van dit systeem van automatische kwijtschelding werd voor de gefailleerde de mogelijkheid afgeschaft om reeds vanaf zes maanden na de faillietverklaring een vervroegde beslissing over de kwijtschelding te verkrijgen.[3] De afschaffing van de vervroegde kwijtschelding houdt verband met het feit dat de wetgever het gebrek aan medewerking aan de curator expliciet als wettelijke grond voor weigering van de kwijtschelding heeft opgenomen in de wet. Een “vervroegde” beoordeling van de kwijtschelding werd daardoor niet langer wenselijk geacht, aangezien zich gedurende het faillissementsbewind omstandigheden van niet-medewerking kunnen voordoen die een gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding rechtvaardigen.

1.3. In 2023 werd eveneens de termijn om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, beperkt in de tijd. Dit om te vermijden dat de gefailleerde te lang in onzekerheid blijft over de kwijtschelding. Zo werd in artikel XX.173, §3, 2de lid WER opgenomen dat de mogelijkheid om zich tegen de kwijtschelding te verzetten “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is.”.

2.1. Over de oorspronkelijk bestaande mogelijkheid tot “vervroegde kwijtschelding“ stelde de wetgever bij de afschaffing ervan in 2023 dat “het nutteloos [is] geworden te bepalen dat de gefailleerde in een vroeg stadium de kwijtschelding kan vragen. Hij kan ervan uitgaan dat die kwijtschelding verworven is tenzij de curator of derden hiertegen opkomen”.[4]

De Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge was niet overtuigd van het “nutteloos” karakter van een vervroegde kwijtschelding. Met een verwijzingsvonnis van 7 april 2025 richtte zij zich tot het Grondwettelijk Hof met een reeks vragen die in essentie aanvoeren dat de onmogelijkheid om vervroegd uitspraak te doen over de kwijtschelding mogelijk niet verantwoord is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet mogelijk schendt.

2.2. Het Grondwettelijk Hof volgt tot op zekere hoogte de ondernemingsrechtbank. Als de weigering van de kwijtschelding slechts kan gevorderd worden tot 3 jaar na de vaststelling van het passief, is er volgens het Hof geen reden meer om na het verstrijken van die verzetstermijn, de uitspraak over de kwijtschelding nog langer uit te stellen:

“Zodra de weigering van de kwijtschelding niet meer kan worden gevorderd door de curator, ongeacht het gedrag van de gefailleerde, kan niet worden ingezien waarom die gefailleerde altijd de sluiting van het faillissement zou moeten afwachten, om de gevolgen van de kwijtschelding te kunnen genieten. Dit geldt in het bijzonder in het licht van de vaststelling dat het in die gevallen per definitie gaat om procedures die al geruime tijd aan de gang zijn. Bijgevolg is de in het geding zijnde onmogelijkheid voor de gefailleerde natuurlijke persoon om na de periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, de kwijtschelding te verkrijgen, niet redelijk verantwoord

Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid, voor de gefailleerde natuurlijke persoon, om de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de  weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding”

2.3. Het Grondwettelijk Hof stelt dat het aan de wetgever staat om de “vastgestelde lacune” van artikel XX.173, § 2 WER “weg te werken” maar in afwachting ervan, geeft het Hof zelf een invulling aan de lacune:

Teneinde, in afwachting van dat wetgevend optreden, de rechten van de gefailleerde natuurlijke personen te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding, naar analogie van de procedure zoals bepaald in artikel XX.173, § 2, tweede tot vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vóór de vervanging ervan bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023.

Het Hof grijpt niet terug naar de vorige “vervroegde kwijtschelding” die reeds mogelijk was zes maanden na de faillietverklaring. Dit is te verantwoorden aangezien – zoals eerder gesteld – de niet-medewerking met de curator tijdens de vereffening een grond tot weigering van de kwijtschelding kan zijn; en die niet-medewerking kan wel eens langer aanslepen dan zes maanden

3.1. Er kan gesteld worden dat het door het Grondwettelijk Hof gehanteerde uitgangspunt logisch is. Er is geen enkele reden waarom een gefailleerde langer dan noodzakelijk in onzekerheid moet leven over de al dan niet kwijtschelding. De gefailleerde hoeft niet noodzakelijk in alle gevallen te wachten tot de sluiting van het faillissement om die “zekerheid” te krijgen. Een snelle sluiting van een faillissement kan soms, om zeer uiteenlopende redenen, niet opportuun zijn, die niet noodzakelijk te maken hebben met het gedrag van de gefailleerde. Onzekerheid over de kwijtschelding kan een rem zijn op het herstel of de ontwikkeling van nieuwe activiteiten. Een “virtuele kwijtschelding” is op het vlak van “zekerheid” niet veel waard als elke belanghebbende alsnog de weigering kan vorderen bij de sluiting van het faillissement.  Het is misschien wel paradoxaal dat een gefailleerde natuurlijke persoon onder het oude systeem – waarin hij de kwijtschelding moest “vragen” – sneller die zekerheid kon hebben, dan onder het nieuwe systeem van “automatische” kwijtschelding. Soms duurt “automatisch” dus iets langer.

3.2. De praktische impact van dit arrest van 23 april 2026 is voorlopig beperkt. De huidige regeling inzake de (automatische) kwijtschelding is van toepassing op faillissementen geopend vanaf 1 september 2023.

De termijn om zich te verzetten tegen de kwijtschelding “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. De termijn voor schuldeisers om opname te vorderen bedraagt in beginsel één jaar.

Derhalve zou kunnen gesteld worden dat de termijn om verzet tegen de kwijtschelding te doen voor deze faillissementen ten vroegste zal verstrijken op 1 september 2027. Het eerste verzoek tot een vervroegde kwijtschelding 2.0 zou in de voorgestelde oplossing dan ook pas mogelijk zijn vanaf 1 september 2027.

4.1. Maar…

De vraag kan gesteld worden of er misschien een probleem bestaat met de oplossing die het Grondwettelijk Hof voorstelt om de lacune in te vullen.

Het Grondwettelijk Hof stelt dat een gefailleerde natuurlijke persoon de “vervroegde” kwijtschelding mag vragen “na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd”. Met andere woorden, van zodra het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten is vervallen, kan de “vervroegde” kwijtschelding gevraagd worden.

De vraag rijst wiens recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, vervallen moet zijn. Men lijkt ervan uit te gaan dat “de periode waarin de weigering kan worden gevorderd” voor elke belanghebbende dezelfde is. Maar is dat wel zo ? Vervalt voor elke schuldeiser het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding op hetzelfde ogenblik ? 

Het verval van het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, is in artikel XX.173, §3, 2de lid gekoppeld aan “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. Dit is het startpunt dat in aanmerking moet genomen worden om de 3-jarige termijn te berekenen.

Er wordt misschien wel aan voorbijgegaan dat dit startpunt verschillend kan zijn voor schuldeisers. Voor sommige schuldeisers zou dit startpunt zich wel eens zeer ver in de tijdkunnen situeren. Er bestaat niet zoiets als een ogenblik waarop het recht om opname te vorderen “collectief” verstrijkt voor alle schuldeisers.[5]

4.2. In de parlementaire voorbereiding staat: “ Het ontwerp verplicht dat een vordering tot weigering van de kwijtschelding wordt ingesteld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het passief gekend is (dit is de termijn van één jaar bedoeld in artikel XX.165)”.[6]

In de wet wordt het startpunt omschreven als “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is” en niet “het ogenblik waarop de termijn van één jaar in artikel XX.165 verstreken is”. Een“recht” dat verstrijkt is niet hetzelfde als een“termijn” die verstrijkt. Het recht is immers niet altijd verbonden aan een termijn. Ook niet bij de aangifte van schuldvordering.

  • Ten eerste staat in artikel XX.165, derde lid WER een expliciete uitzondering op de éénjarige aangiftetermijn voor bepaalde schuldeisers. Meer bepaald voor schuldeisers wiens schuldvordering vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening geldt de aangiftetermijn van één jaar niet en wordt “het recht om opname te vorderen” niet beïnvloed door de éénjarige aangiftetermijn.[7] Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten berekend worden? Kan de thans (her)ingevoegde vervroegde kwijtschelding dan wel betrekking hebben op hun schuldvordering ? Het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, kan dan schijnbaar al vervallen zijn alvorens hun schuldvordering na vrijwaring überhaupt bestaat…
  • Verder heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 24 september 2015 [8] gesteld dat voor schulden die nog “niet bestaan” op het ogenblik van faillietverklaring, de éénjarige aangiftetermijn van artikel XX.165, derde lid WER niet geldt. Ook al zijn dit schulden in de massa. Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, berekend worden ? Bestaat er voor deze schuldeisers überhaupt wel een aangiftetermijn ? (open vragen)

4.3. Voormelde voorbeelden illustreren dat het niet evident is het “ogenblik” van wanneer de vervroegde kwijtschelding voor alle restschulden mogelijk is, te koppelen aan het “ogenblik” waarop het recht om opname te vorderen naar Belgisch recht, verstrijkt. Bovendien geldt het verval van het recht om zich te verzetten ook voor de curator en het openbaar ministerie. Maar de curator en het openbaar ministerie hebben beiden niets te maken met “het recht om opname te vorderen”…  

Het uitgangspunt van 3 jaar is uiteraard niet verkeerd – het staat immers in de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023- maar de (open) vraag is enkel of het op een juridische en praktische toepasbare wijze werd geïmplementeerd in boek XX WER.  

Artikel 21 van de insolventierichtlijn [9] voorziet naast de mogelijkheid om de termijn van 3 jaar te laten starten bij de opening van het faillissement, inderdaad de mogelijkheid om de driejarige termijn pas te laten ingaan vanaf “de vaststelling van de insolvente boedel”. In overweging nr. 76 wordt uitgelegd dat die boedelvaststelling vele (ook minder formele) vormen kan aannemen.[10] Maar er moet natuurlijk wel rekening gehouden worden met de eigenheid van het nationale recht “tot vaststelling van de insolvente boedel”. Er zijn lidstaten waar het recht tot opname gekoppeld is aan één vaste termijn waarop geen uitzonderingen bestaan. Dat kan niet gesteld worden over het Belgisch recht.

5.1. Ten slotte kan dit arrest misschien een aanleiding zijn om eens te reflecteren over de “kwijtschelding”. Ikzelf neem daarin geen stelling. Het is in de literatuur genoegzaam beschreven dat de huidige kwijtschelding is gebaseerd op de “fresh start”. U kan bijvoorbeeld eens artikel 523(a) van de U.S. Bankruptcy Code lezen om een idee te krijgen wat onder zo’n “fresh start” kan begrepen worden. 

Het zou voor de insolventiegemeenschap interessant zijn, mochten enkele ijverige, en bij voorkeur verstandige, studenten zich verdiepen in de problematiek. Ik doe hierbij een vrijblijvend voorstel van enkele neutrale titels voor bachelor- of masterproeven:

  • Een vergelijking tussen de regimes van kwijtschelding van de EU-lidstaten”
  • “De fresh start: een vergelijking tussen het Amerikaans recht en het Belgisch recht”
  • “De correlatie tussen het vrij verkeer van diensten en het Belgische regime van kwijtschelding na faillissement”
  • “Is de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023 correct omgezet in het Belgisch recht wat betreft de kwijtschelding? Een kritische analyse”.
  • “Een vergelijking tussen de parlementaire voorbereiding [11] en de wettekst van artikel XX.173 WER, dit alles tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Cassatie van 28 juni 2024 [12]

Zoals het cliffhangers betamen, zijn de uitkomsten van deze mogelijke onderzoeksvragen voor het volgende seizoen [of academiejaar].

Deze bijdrage bevat enkel een bespreking van voormeld arrest en enkele open vragen en nuanceringen voor discussie-doeleinden. Deze bijdrage houdt geen weergave in van het persoonlijk standpunt of visie van de auteur. Uit de tekst kan niets afgeleid worden met het oog op beoordeling van aangehaalde problematieken door de auteur of het rechtscollege waartoe hij behoort. Er worden enkel “mogelijke” aan te nemen of te verwerpen visies en standpunten verwoord. De onderzoeksvragen zijn neutraal en enkel ter ondersteuning van debat.

Vincent Verlaeckt
Rechter Ondernemingsrechtbank Gent


[1] Zie onder meer arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 en arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021

[2] De wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van

20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit

[3] Initieel voorzien in artikel XX.173 § 2 WER.

[4] Parl. St., Kamer, 2021-2022, 55-2454/001, p. 6-8

[5] Het enige wat wel zou kunnen gesteld worden is dat op basis van artikel XX.165,2de lid WER niemand nog een opname kan vorderen zodra de curator de oproepingen heeft verzonden voor de vergadering bedoeld in artikel XX.170 WER.  Dat is dus op het einde van het faillissementsbewind. Vermoedelijk was dit niet hetgeen de wetgever voor ogen had.  

[6]  Parl. St. Kamer, 2022-23, 55-3231/00, 89.

[7] Artikel XX.165,3de lid WER: “Het recht opname te vorderen verjaart na verloop van één jaar te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, behalve voor de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening

[8] GwH 24 september 2015, 124/2015.

[9] Artikel 21: “De lidstaten zorgen ervoor dat de periode waarna insolvente ondernemers in staat zijn volledige kwijtschelding van schuld te verkrijgen, niet langer is dan drie jaar, te rekenen vanaf uiterlijk de datum van:

a) bij een procedure met een terugbetalingsplan, de beslissing waarbij een rechterlijke of een administratieve instantie het plan of de aanvang van de uitvoering ervan bevestigt; of

b) bij alle andere procedures, de beslissing van een rechterlijke of een administratieve instantie om de procedure te openen, of het vaststellen van de insolvente boedel van de ondernemer.”

[10] Nr. 76: “In procedures die geen terugbetalingsplan inhouden, dient de kwijtscheldingsperiode in te gaan uiterlijk vanaf de datum waarop door een rechterlijke of een administratieve instantie een beslissing tot opening van de procedure wordt genomen, of vanaf de datum van vaststelling van de insolvente boedel. De lidstaten zouden voor het berekenen van de duur van de kwijtscheldingsperiode in de zin van deze richtlijn kunnen bepalen dat het begrip “openen van de procedure” geen betrekking heeft op voorlopige maatregelen zoals conservatoire maatregelen of  het aanwijzen van een voorlopige insolventiedeskundige, tenzij die maatregelen de mogelijkheid bieden tot tegeldemaking van de activa, met inbegrip van de verkoop en de verdeling van activa aan de schuldeisers. De vaststelling van de insolvente boedel dient niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een formele beslissing of bevestiging door een rechterlijke of een administratieve instantie indien die beslissing niet krachtens het national recht vereist is, en kan bestaan in het indienen van de inventaris van activa en passive”

[11] Parl.St. Kamer, 2022-23 , 55 – 3231/001, p.89:  “Misbruiken vanwege de gefailleerde moeten wel vermeden worden en daarom wordt ook de mogelijkheid bewaard dat de curator of andere belanghebbenden zich tegen de kwijtschelding kunnen verzetten

[12] Cass. 28 juni 2024 (C.23.0288.F): De organisatie door de schuldenaar van zijn eigen faillissement en zijn verzoek tot kwijtschelding van de schulden vormen een rechtsmisbruik, waarbij het opgeleverde voordeel niet in verhouding staat tot de schade veroorzaakt aan derden. Zelfs wanneer de uitoefening van het recht van de gefailleerde om de kwijtschelding te vorderen abusief wordt verklaard, kan de kwijtschelding slechts worden geweigerd indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. (Art. XX.173, § 2 en 3, WER). Door niet te onderzoeken of de eiser kennelijke grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen aan het faillissement, rechtvaardigt het arrest niet wettelijk zijn beslissing dat het gedrag van de gefailleerde “moet worden gesanctioneerd door de weigering van het voorrecht van de gevorderde maatregel“.

Social profit companies: toward a theoretical framework and adequate regulation

PhD Defense Maxime Verheyden 17 June 2026

Over the past three decades, legislators around the world have introduced legal frameworks for social profit companies. These are companies that commit, in their articles of association and/or through their company form or type, to pursue both the distribution of profits to shareholders and one or more social purposes. Because of their dual purpose, social profit companies are situated in the middle of a spectrum between purely for-profit companies and nonprofit organizations, which often pursue social purposes. In a world where environmental and other societal challenges are becoming increasingly urgent, this hybrid model holds great promise. Indeed, such companies could address said challenges by leveraging the scalability and access to capital associated with equity financing and the support from socially-minded investors, consumers, employees, business partners and/or governments. However, in pursuing both a social mission and profit distribution, social profit companies relinquish key characteristics that, in the dominant law and economics literature, are seen as essential to the success of both for-profit and nonprofit organizations. Without the pursuit of shareholder wealth as a single, measurable objective and without the nondistribution constraint which fosters trust among donors and customers, social profit companies require a distinct theoretical framework and set of legal strategies.

Continue reading “Social profit companies: toward a theoretical framework and adequate regulation”

Ontwerp Boek 7, titel 5 BW: leningcontract

Onlangs heeft de Ministeriële commissie tot hervorming van de leningovereenkomst een voorstel met betrekking tot het leningcontract (dat met name betrekking heeft op de geldlening) uitgewerkt, dat zal worden ingevoegd in het toekomstige boek 7 ‘Bijzondere contracten’ van het BW. Iedereen wordt uitgenodigd om zijn mening te geven over de voorgestelde hervorming.

Het ontwerp en de ontwerp-memorie zijn hier te consulteren. Tot 20 juli kunt u uw opmerkingen over de voorgestelde tekst indienen. 

Ontwerp Boek 9, titels 2-7 BW: zakelijke zekerheden

Onlangs heeft de Ministeriële commissie tot hervorming van het hypotheekrecht een voorstel uitgewerkt dat de titels 2 tot 7 van boek 9 ‘Zekerheden’ bevat. Die titels 2 tot 7, die een aanvulling zullen vormen op titel 1 ‘Persoonlijke zekerheden’ (op 1 januari 2026 in werking getreden), zijn gewijd aan de hypotheek, het pandrecht, het eigendomsvoorbehoud, het retentierecht, de voorrechten en de rangconflicten.

Het ontwerp en de ontwerp-memorie zijn hier te consulteren. Tot 20 juli kunt u uw opmerkingen over de voorgestelde tekst voor de titels 2 tot 7 van boek 9 ‘Zekerheden’ indienen. 

Themis Insolventierecht: schrijf nu in voor volgende week donderdag

Twintig recente arresten rond beslag en executie Welke afspraken door de schuldenaar moeten uitwinnende schuldeisers ondergaan (of : hoe zit het met de januskop van de curator?) Aandachtspunten voor de curator en voor (het bestuur van) de onderneming in het licht van de (wijzigend) regels rond de pauliana, de niet-tegenstelbaarheden tijdens de verdachte periode en de vorderingen tot herstel van collectieve schade Overdracht van de onderneming vóór insolventie en in de procedures van (besloten voorbereiding van) het faillissement, de overdracht onder gerechtelijke gezag en de gerechtelijke reorganisatie.

Themis Insolventierecht: volgende week donderdag 21 mei te Brussel. Donderdag 28 mei te Leuven (en via livestream). Schrijf nu hier in.

Prijsinfo

– Afgestudeerd vóór 2023: 175 euro
– Afgestudeerd – eerste masterdiploma – in 2023, 2024 of 2025: 150 euro
– Deelnemer intern (enkel personeelsleden rechtsfaculteiten KU Leuven, UHasselt en Kulak): 60 euro
Prijzen incl. online en gedrukt cahier en vrij van BTW volgens art. 44, § 2, 4° WBTW (Onderwijs)

Erkenningen

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (C-2025-369: 4 punten)
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (4 punten)
  • Nationale Kamer van Notarissen (in aanvraag)
  • Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (4 punten)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26006)

Schrijf nu hier in.

Dwangsommen: het ene verzet is het andere niet (Cass. 3 januari 2025)

Een post door mr. Stan Brijs

In een didactisch arrest van 3 januari 2025 licht het Hof van Cassatie het belang toe van de grenzen van het bevel tot betalen voor verbeurde dwangsommen omdat die op hun beurt de omvang bepalen van het verzet bij de beslagrechter tegen dit bevel (Cass. 3 januari 2025, C.23.0332.N, NjW, 2025, 654; voor een bespreking van (o.m.) dit arrest, zie Dupont, L., “Dwangsommen invorderen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan”, NjW 2025, 634-645).

Continue reading “Dwangsommen: het ene verzet is het andere niet (Cass. 3 januari 2025)”

Over de verklaring tot onbeslagbaarheid van de hoofdverblijfplaats na faillissement. Zijn onbetaalde aanslagen personenbelasting sowieso schulden van “gemengde aard” ?

Cass. 19 maart 2026, F.24.0073.N

1.

De artikelen 72 tot en met 82 van de wet van 25 april 2007 [1] maken het voor iedere natuurlijke persoon die in België een beroepsbezigheid in hoofdberoep uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is, mogelijk om bij een verklaring voor de notaris zijn hoofdverblijfplaats te onttrekken aan de schuldeisers die een vordering hebben uit hoofde van zijn zelfstandige beroepsbezigheid.

De zelfstandige kan aldus in afwijking van de artikelen 3.35 BW, 3.36 BW en 1560 Ger.W. zijn zakelijke rechten, andere dan het gebruiksrecht en het recht van bewoning, op het onroerend goed waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, niet vatbaar voor beslag verklaren. De woning van de zelfstandige geniet dan “beslagimmuniteit”.

Deze immuniteit heeft enkel uitwerking ten aanzien van schuldvorderingen die betrekking hebben op de beroepsbezigheid op voorwaarde dat deze schulden zijn ontstaan na de inschrijving van de afgelegde verklaring van onbeslagbaarheid. Evenmin heeft de beslagimmuniteit uitwerking ten aanzien van de schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid, noch ten aanzien van de schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.

In de memorie van toelichting wordt nader toegelicht voor welke schulden de wetgever de beslagimmuniteit wou invoeren. [2]

“het betreft de schulden die verbonden zijn aan de zelfstandige beroepsactiviteit. Zijn bedoeld: de contractuele schulden ten aanzien van leveranciers, kredietinstellingen, … De sociale en fiscale schulden zijn eveneens bedoeld in zoverre zij uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid: sociale bijdragen die verschuldigd zijn aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen of aan de nationale hulpkas voor sociale verzekeringen der zelfstandigen  of aan de RSZ, BTW, onroerende voorheffing op materieel en outillage, … De gemengde fiscale schulden, dit wil zeggen, de schulden die niet uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid, worden niet door de wet bedoeld. Het betreft bijvoorbeeld de personenbelasting, die berekend wordt op de beroepsinkomsten, de roerende inkomsten, de onroerende inkomsten en de diverse inkomsten”

De verklaring van onbeslagbaarheid behoudt haar werking na de faillietverklaring. In beginsel is de curator enkel gebonden door de beslagimmuniteit van de hoofdverblijfplaats voor zover alle schuldeisers in het faillissement door deze verklaring zijn gebonden. Met andere woorden, de curator kan overgaan tot de realisatie van het onroerend goed indien in het passief van het faillissement een schuld is opgenomen die ontstaan is vóór het afleggen van de verklaring, dan wel betrekking heeft op een schuld “van gemengde aard”.

2.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2026 handelt over wat begrepen kan worden onder “schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.”

Continue reading “Over de verklaring tot onbeslagbaarheid van de hoofdverblijfplaats na faillissement. Zijn onbetaalde aanslagen personenbelasting sowieso schulden van “gemengde aard” ?”

The EU Inc. Proposal: how far does it really go?

A post by Gillis Waelkens and Stéphanie De Smet (Clifford Chance)

On 18 March 2026, the European Commission proposed a new harmonised corporate legal form, the “EU Inc.”, intended to remove fragmentation in EU company law and make it significantly easier for innovative businesses to start, operate and scale across the European market.

Previous attempts to create an EU‑wide company form (most notably the Societas Europaea (SE)) failed to gain broad traction due to their complexity and high entry thresholds. By contrast, the EU Inc. proposal – designed as an optional ‘28th regime’ that sits alongside existing national company forms or the SE – combines fully digital procedures, 48‑hour fast‑track incorporation, no minimum capital, flexible governance and capital structures, and a pan‑European alignment of employee stock option taxation, making it one of the most ambitious corporate law reforms in recent years.

The publication of the EU Inc. proposal starts negotiations between the European Commission, the European Parliament and the Council, and the draft Regulation will be amended as a result of those discussions. The Commission aims to reach an agreement by the end of 2026 (with entry into force in 2027 or 2028), but given the wide-ranging impact it is likely that the new regime will not be available for use before 2029.

This post outlines what the EU Inc. will look like based on the Commission’s proposal and how it may affect legal structures in the European Tech and Private Capital sectors.

Continue reading “The EU Inc. Proposal: how far does it really go?”

Misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek: de belangrijkste aandachtspunten

Een post door meester Maximilien Arnoldy (Janson en VUB)

De invoering van een nieuw Strafwetboek in België was, en is nog steeds, een moeizaam proces. Sinds het ministerieel besluit van 30 oktober 2015, waarbij de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht werd opgericht, werd geprobeerd een nieuw Strafwetboek uit te werken, maar dat verliep bijzonder stroef. Zo stroef zelfs dat de leden van de commissie in 2019 ontslag namen.

In 2020 werd de commissie opnieuw samengesteld en in februari 2024 was het dan eindelijk zover: na meer dan 150 jaar beschikt België over een nieuw Strafwetboek, dat oorspronkelijk op 8 april 2026 in werking zou treden. Terwijl rechtspractici zich op de toepassing ervan voorbereidden, volgde echter een nieuwe valse start: de inwerkingtreding werd uitgesteld tot 1 september 2026.

Na dit uitstel lijkt het evenwel waarschijnlijk dat het nieuwe Strafwetboek binnen enkele maanden effectief in werking zal treden. Dit is dan ook het uitgelezen moment om stil te staan bij de wijzigingen met betrekking tot een van de kernmisdrijven van het ondernemingsstrafrecht: het misbruik van vennootschapsgoederen. Hieronder volgen de vier belangrijkste aandachtspunten.

Eerste aandachtspunt: uitbreiding tot alle rechtspersonen

Artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 beschermt (i) vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en (ii) verenigingen zonder winstoogmerk. Concreet betekende dit dat misbruik van vennootschapsgoederen mogelijk was – naast ten nadele van verenigingen zonder winstoogmerk – ten nadele van de vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap, de besloten vennootschap, de coöperatieve vennootschap, de naamloze vennootschap, de Europese vennootschap en de Europese coöperatieve vennootschap (art. 1:5, §2 WVV). Misbruik van vennootschapsgoederen was daarentegen niet mogelijk ten nadele van een maatschap (wel een vennootschap, maar zonder rechtspersoonlijkheid; art. 1:5, §1 WVV), een feitelijke vereniging (geen vennootschap en geen rechtspersoonlijkheid; art. 1:6, §1 WVV), een stichting (wel rechtspersoonlijkheid, maar geen vennootschap; art. 1:7 WVV) of een Europees economisch samenwerkingsverband (wel rechtspersoonlijkheid, maar geen vennootschap; art. 1:5, §3 WVV). Over de vraag of de internationale vereniging zonder winstoogmerk binnen het toepassingsgebied van artikel 492bis viel, bestond discussie.

Artikel 476 van het Strafwetboek van 2024 beperkt zich niet langer tot vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en verenigingen zonder winstoogmerk, maar breidt het toepassingsgebied uit tot alle rechtspersonen. Dit heeft tot gevolg dat het misdrijf, na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, naast de voormelde vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, ook kan worden gepleegd ten nadele van stichtingen (zowel private als van openbaar nut) en ten nadele van Europese economische samenwerkingsverbanden. Ook valt de internationale vereniging zonder winstoogmerk voortaan onbetwistbaar onder het toepassingsgebied van het misbruik van vennootschapsgoederen. Maatschappen en feitelijke verenigingen beschikken evenwel niet over rechtspersoonlijkheid en blijven bijgevolg uitgesloten van het toepassingsgebied van deze incriminatie.

Het is echter de vraag of er een verantwoorde reden bestaat om maatschappen en feitelijke verenigingen van het misdrijf uit te sluiten. Hoewel deze entiteiten geen rechtspersoonlijkheid bezitten, beschikken zij wel over een afgescheiden vermogen dat door hun bestuurders kan worden misbruikt. In dat geval kunnen deze bestuurders niet worden vervolgd wegens misbruik van vennootschapsgoederen, terwijl bestuurders die identieke handelingen stellen binnen een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting wél strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Naar onze mening is dit onderscheid moeilijk te verantwoorden en verdient het aanbeveling om ook maatschappen en feitelijke verenigingen onder het toepassingsgebied van het misbruik van vennootschapsgoederen te brengen.

Tweede aandachtspunt: de onduidelijkheid over de notie ‘privaatrechtelijke’ rechtspersoon

Naast de uitbreiding van het toepassingsgebied van het misdrijf tot alle rechtspersonen, preciseert het nieuwe Strafwetboek dat het misdrijf enkel toepasselijk is ten aanzien van ‘privaatrechtelijke’ rechtspersonen. Wat de wetgever daarmee precies voor ogen had, is evenwel niet geheel duidelijk. Deze wijziging lijkt immers niet voort te vloeien uit een initiatief van de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht, maar uit een voorstel van de Raad van State tot aanpassing van de benaming van het misdrijf: “In artikel T5H1A2OA1-2 is sprake van ‘een burgerlijke en handelsvennootschap of van een vereniging zonder winstoogmerk’. Het verdient dan ook de voorkeur het misdrijf te omschrijven als ‘misbruik van goederen van een privaatrechtelijke rechtspersoon’ in plaats van ‘misbruik van vennootschapsgoederen’” (Adv. RvS 23 november 2018, nrs. 64.121/1 en 64.126/1, punt 92).

Deze wijziging dient te worden gelezen in samenhang met het principearrest van het Hof van Cassatie van 21 juni 2006 (P.06.0848.F, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060621.14). In dat arrest oordeelde het Hof dat uit de algemene bewoordingen van artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 en uit de parlementaire voorbereiding volgt dat deze bepaling van toepassing is op bestuurders van alle burgerlijke of handelsvennootschappen met rechtspersoonlijkheid en van verenigingen zonder winstoogmerk, zonder onderscheid naargelang deze rechtspersonen al dan niet een publiekrechtelijk karakter hebben. Hierbij dient evenwel een belangrijke nuance te worden aangebracht. Het arrest stelt met name niet dat het misdrijf van toepassing is op alle publiekrechtelijke rechtspersonen, maar slechts dat het van toepassing is op vennootschappen met rechtspersoonlijkheid of verenigingen zonder winstoogmerk, zonder onderscheid of die rechtspersonen al dan niet een publiekrechtelijk karakter hebben. Het Hof stelt met andere woorden dat het misdrijf van toepassing kan zijn op publiekrechtelijke rechtspersonen die één van de rechtsvormen van het privaatrecht, overeenkomstig het toenmalige W.Venn. en vandaag het WVV, hebben aangenomen.

De expliciete toevoeging van de notie ‘privaatrechtelijke’ rechtspersonen kan bijgevolg tot verwarring leiden. Mede gelet op de autonomie van het strafrecht, kunnen uit deze terminologie twee interpretaties voortvloeien:

  • Indien de notie ‘privaatrechtelijke’ wijst op het maatschappelijk doel zou men hieruit kunnen afleiden dat het nieuwe misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, in tegenstelling tot het hierboven besproken cassatiearrest, slechts van toepassing is op rechtspersonen die een privaatrechtelijk doel nastreven en niet op rechtspersonen die een publiekrechtelijk doel nastreven;
  • Indien de notie ‘privaatrechtelijke’ wijst op de rechtsvorm, dan zou men hieruit kunnen afleiden dat het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, in dezelfde lijn als het hierboven besproken cassatiearrest, slechts van toepassing is op rechtspersonen die een privaatrechtelijke rechtsvorm van het WVV aannemen (ongeacht hun maatschappelijk doel) en niet op rechtspersonen die een rechtsvorm buiten het WVV hebben aangenomen.

Hoogstwaarschijnlijk had de wetgever de tweede interpretatie voor ogen en was het geenszins de bedoeling om rechtspersonen met een publiekrechtelijk karakter, maar met een privaatrechtelijke rechtsvorm van het WVV, uit het toepassingsgebied van het misdrijf te sluiten. Dit blijkt ook impliciet uit de memorie van toelichting, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de bestaande definitie van het misdrijf wordt overgenomen met het oog op het behoud van de verworvenheden uit de rechtspraak en de rechtsleer over de draagwijdte en interpretatie ervan (Parl.St. Kamer 2022-2023, nr. 3518/001, 464).

Derde aandachtspunt: de bestraffing, in het bijzonder de geldstraf vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel, en de toepassing van de strafwet in de tijd

Artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 voorziet voor natuurlijke personen in een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 100 tot 500.000 EUR. Met toepassing van 70 deciemen kan deze geldboete oplopen tot 4 miljoen EUR en, voor feiten gepleegd na 1 februari 2026 (90 deciemen), zelfs tot 5 miljoen EUR. Voor rechtspersonen bedraagt de geldboete, op grond van het in artikel 41bis Sw. 1867 voorziene conversiemechanisme, maximaal 1 miljoen EUR. Na toepassing van de opdeciemen kan dit oplopen tot 8 miljoen EUR en, voor feiten gepleegd na 1 februari 2026, tot 10 miljoen EUR.

Artikel 476 van het Strafwetboek van 2024 voorzag voor misbruik van vennootschapsgoederen oorspronkelijk in een straf van niveau 2, maar dit werd uiteindelijk een straf van niveau 3. Voor natuurlijke personen betreft dit een gevangenisstraf van drie tot vijf jaar (art. 36 Sw. 2024) en een geldboete van 200 tot 10.000 EUR (art. 52 Sw. 2024). Voor rechtspersonen kan de geldboete als hoofdstraf oplopen tot 600.000 EUR (art. 38 Sw. 2024). Hoewel op deze vermogensstraffen onmiddellijk 2,5 opdecimes (x 1,25) zullen moeten worden toegepast, lijken de straffen voor misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek op het eerste gezicht aanzienlijk lager dan onder het Strafwetboek van 1867.

Dat de strafmaat in werkelijkheid minder zwaar zou zijn, is evenwel slechts schijn. De wetgever erkent dit ook uitdrukkelijk. Het nieuwe Strafwetboek voorziet immers in de mogelijkheid voor de rechter om een geldstraf op te leggen die wordt vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel dat uit het misdrijf werd behaald (art. 55 Sw. 2024). Deze geldstraf beoogt de dader financieel te sanctioneren in verhouding tot de concrete economische inzet van het misdrijf en kan worden opgelegd bovenop een eventuele verbeurdverklaring. Wanneer het misdrijf ertoe strekte rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te behalen, en de rechter de wettelijk bepaalde geldboete ontoereikend acht, kan hij dader veroordelen tot betaling van een bedrag dat overeenstemt met maximaal het drievoud van het vermogensvoordeel dat werd behaald of beoogd, in plaats van de bijkomende geldboete.

Voor feiten die werden gepleegd vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, maar pas nadien worden berecht, dient te worden nagegaan welke strafwet de meest gunstige is voor de beklaagde (art. 2 Sw. 1867 / 2024). Dit vergt o.i. een concrete beoordeling van de mogelijke financiële impact van beide regimes:

  • Indien een beklaagde (natuurlijke persoon) vóór de inwerkingtreding van het Strafwetboek van 2024 misbruik van vennootschapsgoederen pleegt en na de inwerkingtreding ervan wordt berecht, en hij uit dit misdrijf een vermogensvoordeel van 1 miljoen EUR heeft behaald of beoogd, dan kan de rechter op grond van artikel 492bis Sw. 1867, na toepassing van 90 opdeciemen (voor feiten vanaf 1 februari 2026), een maximale geldboete van 5 miljoen EUR opleggen. Onder het Strafwetboek van 2024 kan de rechter – indien hij de geldboete van 10.000 EUR (te vermenigvuldigen met 1,25) onvoldoende acht – op basis van artikel 55 Sw. 2024 een geldstraf opleggen tot maximaal 3 miljoen EUR (het drievoud van het vermogensvoordeel). In dat geval is het nieuwe Strafwetboek gunstiger en dient het te worden toegepast.
  • Indien dezelfde beklaagde evenwel uit dit misdrijf 5 miljoen EUR heeft behaald of hoopte te behalen, dan zal de maximale geldboete van 5 miljoen EUR van artikel 492bis Sw. 1867 gunstiger zijn dan de maximale geldstraf van 15 miljoen EUR (3 x 5 miljoen EUR) die de rechter zou kunnen opleggen op basis van artikel 55 Sw. 2024. De geldboete van Sw. 1867 zal dan moeten worden toegepast.

Vierde aandachtspunt: het residuaire karakter van het misbruik van vennootschapsgoederen ten aanzien van misbruik van vertrouwen

Het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen is nauw verwant met het misdrijf van misbruik van vertrouwen. Zowel in het Strafwetboek van 1867 als in het Strafwetboek van 2024 is het misbruik van vennootschapsgoederen ondergebracht in de (onder)afdeling “Misbruik van vertrouwen”.

Bij de invoering van het misbruik van vennootschapsgoederen in het Strafwetboek, via de Faillissementswet van 1997, heeft de wetgever ervoor gekozen om het misdrijf te beperken tot gedragingen die op betekenisvolle wijze afbreuk doen aan de vermogensbelangen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers of vennoten. Hiermee wilde de wetgever “vermijden dat bagatelzaken aan de strafrechter zouden worden voorgelegd, en zo verstikkend zouden […] werken op het normale functioneren van een vennootschap” (amendement nr. 114 (VANDENBERGHE H.) op het ontwerp van faillissementswet, Parl.St. Senaat 1996-1997, nr. 1-499/7, 4-5). Omdat aldus enkel de zwaarste misbruiken onder het toepassingsgebied van het misdrijf vielen, voorzag het Strafwetboek van 1867 in aanzienlijk zwaardere pecuniaire straffen voor misbruik van vennootschapsgoederen dan voor misbruik van vertrouwen: maximaal 500.000 EUR tegenover maximaal 500 EUR.

Het is evenwel mogelijk dat een bestuurder tegelijkertijd zowel misbruik van vertrouwen als misbruik van vennootschapsgoederen pleegt. Gelden van een vennootschap zijn immers ten bede toevertrouwd aan haar bestuurders, die deze gelden enkel mogen beheren en besteden in het belang van de vennootschap. Er kan dan bijgevolg ook sprake zijn van misbruik van vertrouwen wanneer de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent (zie bv. P.22.1716.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.7). In dergelijke gevallen is er sprake van eendaadse samenloop, waarbij enkel de zwaarste straf wordt uitgesproken (art. 65 Sw. 1867; art. 61 Sw. 2024).

Onder het regime van het Strafwetboek van 1867 had het openbaar ministerie er, ondanks de zwaardere bewijslast voor misbruik van vennootschapsgoederen (met name het vereiste van een betekenisvol nadeel), belang bij om dit misdrijf te vervolgen, gelet op de aanzienlijk hogere straffen.

Onder het nieuwe Strafwetboek worden evenwel identieke strafniveaus voorzien voor misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen (strafniveau 3), eventueel aangevuld met een geldstraf vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel (zie supra). Dit heeft tot gevolg dat het openbaar ministerie bij eendaadse samenloop tussen beide misdrijven in beginsel geen specifiek vervolgingsbelang meer heeft om te opteren voor misbruik van vennootschapsgoederen.

Met andere woorden: het misbruik van vennootschapsgoederen dreigt een residuair misdrijf te worden, dat in de praktijk enkel nog zal worden toegepast wanneer de feiten niet onder het toepassingsgebied van misbruik van vertrouwen vallen. Gelet op de recente uitbreiding bij wet van 12 juli 2023 van het toepassingsgebied van misbruik van vertrouwen tot alle roerende goederen, zowel lichamelijke als onlichamelijke, kan hierbij in het bijzonder worden gedacht aan twee hypothesen:

  • wanneer er geen sprake is van verduistering of verspilling in de zin van misbruik van vertrouwen, maar wel van een ongeoorloofd gebruik in de zin van misbruik van vennootschapsgoederen. De notie ‘gebruik’ in laatstgenoemd misdrijf is immers ruimer dan de noties ‘verduistering’ en ‘verspilling’ in het kader van misbruik van vertrouwen;
  • wanneer het geen roerende goederen betreft. Het toepassingsgebied van misbruik van vennootschapsgoederen is immers niet beperkt tot roerende goederen, maar omvat in ruime zin de goederen en het krediet van de rechtspersoon.

Enkel in dergelijke situaties – waarin geen sprake is van eendaadse samenloop – zal het openbaar ministerie onder het nieuwe Strafwetboek nog een vervolgingsbelang hebben bij het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen.

Het volledige onderzoek van de auteur naar het misbruik van vennootschapsgoederen onder het Strafwetboek van 1867 en het Strafwetboek van 2024 is opgenomen in het verzamelwerk Juridische Meesterwerken VUB 2026 (Juridische Meesterwerken VUB – Uitgave 2026 – Knopspublishing en beschikbaar via Strada lex).

Maximilien Arnoldy
Advocaat (Janson)
Praktijkassistent Strafprocesrecht VUB

Continue reading “Misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek: de belangrijkste aandachtspunten”

Insolvency III Directive approved by Council –

Today, the Council gave the final stamp to a new EU law harmonising key aspects of insolvency rules across the EU. Member states have 33 months to transpose the directive into national law. From the press release of the Commission:

‘The EU common rules for insolvency proceedings include measures for:

  • Avoidance action: challenge transactions made by the debtor before the start of the bankruptcy procedure, thus protecting the insolvency estate against the illegitimate removal of assets.
  • Tracing assets: allow authorities, at the request of insolvency practitioners, to search bank account registers across the EU to identify assets of insolvent companies.
  • Pre-pack proceedings: enable the sale of a company in financial difficulty to be negotiated before the opening of formal proceedings and executed shortly after, while maintaining contracts which are essential for the continuation of the business.
  • Directors’ duties: require directors to file for insolvency within three months of financial distress, helping maximise recovery for creditors while allowing flexibility if alternative measures protect creditors equally.
  • Creditors’ committees: strengthen the involvement of individual creditors in the proceedings.
  • Transparency: require each country to publish clear factsheets on its insolvency laws, which will be made available on the EU’s e-Justice portal.’

EU geeft controlerende aandeelhouders meer macht: dat vraagt dringend om verantwoordelijkheid en aanscherping van de corporate governance

Een post door professoren Arnoud Boot (Universiteit Amsterdam), Harm-Jan de Kluiver (Radboud) en Philip Wallage (Universiteit Amsterdam en Vrije Universiteit)

De uitdaging: Amerikaanse suprematie

De Amerikaanse suprematie in big tech en de groei en macht van de toonaangevende tech companies, de ‘Magnificent’ Seven (Microsoft, Meta, Alphabet, Apple, Nvidia, Amazon en Tesla), leidt niet slechts tot ongemak over onze afhankelijkheid daarvan, maar roept ook de vraag op hoe Europa zelf tech-ondernemers kan creëren. In hun bekende rapporten zoeken Letta en Draghi, maar ook Pieter Wennink, het antwoord in een combinatie van een beleid gericht op het bevorderen van de bloei van innovatieve ondernemingen in Europa en het sterk vergemakkelijken van de toegang tot de kapitaalmarkt.

De EU wil innovatieve ondernemingen en toegang tot de kapitaalmarkt bevorderen

Tekenend voor een poging die beide doelstellingen te combineren is recente EU-regelgeving (Richtlijn 2024/2810) die de groei van innovatieve ondernemingen wil stimuleren door het aantrekkelijker te maken om buiten de grote beurzen om, aandelen te plaatsen, en zo geld op te halen op meer informele beurzen (zogenaamde Multilateral Trading Facilities; MTF’s). De crux van de nieuwe EU-regel is dat ondernemingen het recht krijgen om bij verhandeling op zo’n beurs oprichters of andere kernaandeelhouders aandelen met meer stemrecht te geven dan die van de overige aandeelhouders. Op die wijze kunnen bijvoorbeeld oprichters de macht in de onderneming behouden, ook bij een toestroom van nieuwe aandeelhouders.

Continue reading “EU geeft controlerende aandeelhouders meer macht: dat vraagt dringend om verantwoordelijkheid en aanscherping van de corporate governance”

The Administration of Maritime Insolvencies under the Paradigm of Cooperative Territoriality

A post by Dr Warren de Waegh (University of Cape Town)

The most international kind of insolvency

There is arguably no line of business in which insolvencies are as international as in shipping. By their nature, ships are destined to be mobile and travel the seven seas. At the same time, ships are fictionally immobilised in the country of registration, often in an offshore open registry with faint connections to the shipowner’s country of origin, but with a favourable fiscal and regulatory regime. The choice of this registry is often pushed by ship financiers, who hold strong bargaining powers against the shipowner and enable the building and purchase of ships.

For its operation, shipowners typically resort to charterers, who sometimes may decide to register the ship in yet another country. Seafarers, the most vital links to the daily operation of the ship, are often recruited through shipping agencies in low-wages countries overseas. Along its voyages, the ship can be the object of various commercial and operational dealings in the different countries in which it calls port, e.g. with cargo interests, service providers and suppliers active in the port, pilotage and towage services, and shipyards. In addition, the ship can be faced with more inadvertent creditors, such as salvors, general average contributors, and creditors in tort following a collision or another maritime casualty.

When the shipowner becomes insolvent, all these sundry interests from different parts of the world suddenly face each other off. Against this highly international background, it is somewhat ironic that the administration of insolvencies of shipping companies or maritime insolvencies has proven to be challenging under existing cross-border insolvency instruments, such as the UNCITRAL Model Law on Cross-Border Insolvency (MLCBI) and the European Insolvency Regulation, recast (EIR). Given the pivotal role of shipping to global trade, the resulting chaos to the world economy can be enormous, as was illustrated most strikingly in the insolvency of the South Korean container shipping giant, Hanjin Shipping, now about ten years ago.

Continue reading “The Administration of Maritime Insolvencies under the Paradigm of Cooperative Territoriality”

Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?

Jente Dengler (Monard Law) over tussentijdse financiering, boedelschulden en een merkwaardige lacune in het ‘stil faillissement’

Zonder liquiditeit valt elke onderneming stil, hoe beloftevol de doorstartplannen ook zijn. Voor de gerechtelijke reorganisatie voorziet de wetgever sinds jaar en dag een incentive om de motor draaiende te houden en tussentijds krediet te faciliteren: de zgn. ‘synthetische boedelschuld’. Vreemd genoeg ontbreekt dit voorrangsrecht in de toolkit van de Belgische pre-pack. Een gemiste kans, want nét daar is de nood het hoogst.

Continue reading “Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?”

Uitkeringsverbod en belangeloos doel in VZW en stichting (studiemiddag Leuven en online, 6 maart 2026)

VZW’s en stichtingen spelen vandaag een centrale rol in uiteenlopende maatschappelijke en economische contexten. Sinds de beperking op economische activiteiten werd afgeschaft in 2019, is het uitkeringsverbod er de meest fundamentele regel, die deze rechtsvormen onderscheidt van vennootschappen. Ook het belangeloos doel heeft een prominentere betekenis gekregen in de juridische definitie van de VZW en de stichting. Toch rijzen er tal van vragen: Welke verrichtingen en welke doelen zijn toegelaten? Wat zijn de fiscale implicaties van het voeren van economische activiteiten? Wat is goed bestuur in VZW’s en stichtingen? En wie grijpt er in als het fout loopt?

Tijdens een studienamiddag op vrijdag 6 maart 2026 georganiseerde door het Jan Ronse Instituut voor vennootschaps – en financieel recht (KU Leuven) belichten academici en praktijkjuristen deze vragen vanuit een praktijkgerichte en kritische invalshoek. Daarbij komen onder meer de reikwijdte van het uitkeringsverbod en het belangeloos doel, de invulling van het verenigings- en stichtingsbelang, actiemogelijkheden bij wanbeheer en fiscale aandachtspunten aan bod.

Rode draad doorheen de studienamiddag is de commerciële uitgave van het doctoraat van Bram Van Baelen, Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting, waarin deze kernbegrippen uitvoerig worden geanalyseerd als structurele fundamenten van het hedendaagse verenigings- en stichtingsrecht.

PROGRAMMA
13u00 Verwelkoming

Sofie Cools

13u10 Toegelaten verrichtingen en verboden uitkeringen binnen VZW’s en stichtingen

Bram Van Baelen

13u35 Het belangeloos doel van VZW en stichting

Sofie Cools

14u00 Het gebruik van VZW’s en stichtingen in hybride groepsstructuren

Lisa Bueken

14u25 De not-for-profitsector, het WER en het WVV: een evaluatie

Marieke Wyckaert

14u50 Q&A

15u00 Pauze

15u30 Vennootschapsbelang, verenigingsbelang, stichtingsbelang

Joeri Vananroye

15u55 Goed bestuur in VZW’s: een stand van zaken

Marleen Denef

16u20 Actiemiddelen bij wanbeheer in VZW en stichting

Matthias Wauters

16u45 Fiscaliteit van VZW en stichting

Bram Devolder

17u10 Q&A

17u20 Slotwoord

Koen Geens

17u30 Receptie

PRIJS
De deelnameprijs bedraagt 215 EUR en omvat het boek Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting (winkelprijs 160 EUR). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld. Deelname via livestream is mogelijk.

INSCHRIJVINGSLINK

Inschrijven voor deze studiedag kan hier.

ERKENNINGEN

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (4 punten (C-2025-1128))
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (voortgezette opleiding – aangevraagd voor 4 punten)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26110, excl. boek)
  • IBR – Instituut van de Bedrijfsrevisoren (categorie 3)
  • ITAA – Institute for Tax Advisors & Accountants (aangevraagd attest type A voor on campus deelname, attest type B voor livestream deelname – 4 uren)
  • Nationale Kamer van Notarissen (werd aangevraagd)

Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert

Vincent Verlaeckt (Ondernemingsrechtbank Gent) over Cass. 1 december 2025, C.24.0339.N/1

1.

In een arrest van 1 december 2025 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de problematiek van de aanvang van de termijnen tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis inzake kwijtschelding van restschulden na faillietverklaring van natuurlijke personen.

Meer bepaald over de vraag of de kennisgeving bij gerechtsbrief een beroepstermijn doet aanvangen.

Continue reading “Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert”