‘Rechtsreeks’: een rijk digitaal archief van juridische boeken en tijdschriften

Bewindsbevoegdheid en het Algemeen Deel van Van Gerven, Obligatoire verhoudingen van Dirix, het Précis van Fredericq, het Algemeen Deel of Schade en Schadeloosstelling van Ronse, de ganse De Page, … ze staan natuurlijk al in uw bibliotheek. Maar wist u dat u deze klassiekers, en zo veel andere evergreens, gratis kan consulturen op rechtsreeks.be ?

De onvolprezen Leuvense faculteitsbibliotheek digitaliseert sinds enige jaren grotere en kleinere tijdschriftarchieven en sinds corona ook oudere juridische boeken, met als doel deze vrij beschikbaar te maken in open access

Met heel wat bronnen die de lezer van deze blog zullen interesseren: DAOR, NFM, Pas., RW, RCJB, RPS, TBH, TRV, T.Fin.R., TPR, V&F, de Beginselen en de Algemene Theorie van Cornelis, Belangenconflicten van Ernst, Vennootschapbelang van François, Ontbinding van Stijns, Bestuur van Tilleman, Kapitaal van Wyckaert, en zo veel meer.

Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie

Cass. 18 september 2020 (C.18.0353.N)

In een arrest van vandaag 18 september 2020 (C.18.0353.N) vernietigt het Hof van Cassatie het Reglement betreffende de advocaat en insolventie van de Orde van Vlaamse Balies. Het Hof acht de ambtshalve weglating  als gevolg van het loutere faillissement kennelijk onredelijk.

De motivering van het arrest spreekt voor zich: Continue reading “Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie”

Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective

A guestpost by Prof. Dr. Reinhard Bork (Universität Hamburg)

 

The financial shipwreck of a company is a customary event in nearly all states of the world. Most jurisdictions have special statutes addressing this topic and they are – beyond terminological issues – all dealing with the same questions: how is the term “insolvency” defined? How are insolvency proceedings commenced? What are the responsibilities of the court on the one hand and of the Insolvency Practitioner on the other hand? Are there various classes of creditors and what are their procedural and substantive rights? How is the insolvency estate determined? What are the effects of the opening of insolvency proceedings on the estate? What are the consequences for executory contracts or rights to set-off? Can transactions performed prior to the opening of insolvency proceedings be reversed to the benefit of the general body of creditors? What is the legal position of secured creditors? Is restructuring of an insolvent company a possible scenario and what are the differences between liquidation and restructuring proceedings? Which rules apply to cross-border affairs, e.g. to assets located in a foreign jurisdiction? Continue reading “Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective”

European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field

Oxford Webinar on Sep. 25th.

The KU Leuven Jan Ronse Institute, the Oxford Commercial Law Centre and the Nijmegen Radboud Business Law Institute are co-organising a webinar on the book “European Financial Regulation: Levelling the Cross-sectoral Playing Field”, edited by Veerle Colaert, Danny Busch and Thomas Incalza.

The event takes place on the 25th of September, from 3.45-6pm CET (2.45-5pm London time).

Participation in the webinar is free of charge, but prior registration is required, via the following link.

At the webinar, internationally renowned scholars in financial regulation, including John Armour, Danny Busch and Georg Ringe, will discuss key topics such as FinTech, corporate governance, conflicts of interest and the suitability test, all from a cross-sectoral perspective. They will show that very similar rules apply in banking, securities and insurance regulation and will discuss whether and why differences are necessary, or whether, on the contrary, a more cross-sectoral approach would be beneficial.

This innovative approach is aimed at informing law and policymakers on potential improvements to EU financial regulation whilst also supporting legal and compliance professionals applying the current framework or looking to streamline compliance processes.

Programme

2:45 Welcome and introduction
Professor Kristin van Zwieten (Chair of Sessions)
Clifford Chance Associate Professor of Law and Finance, University of Oxford; Fellow and Tutor in Law, Harris Manchester College, University of Oxford

3:00  Levelling the cross-sectoral playing field
Professor Veerle Colaert
Financial Law Chair, Jan Ronse Institute for Company and Financial Law, KU Leuven University 

3:20 Towards European harmonisation of know-your-customer obligations for investment products
Professor Danny Busch
Financial Law Chair, Director, Financial Law Centre, Radboud University Nijmegen; Research Fellow, Harris Manchester College, and a Fellow of the Commercial Law Centre at Harris Manchester College, University of Oxford

3:40 Reflections on Governance in the Financial Sector
Professor John Armour
Professor of Law and Finance, University of Oxford

4:00 How to regulate Fintech in the EU?
Professor Wolf- Georg Ringe
Chair for Law & Finance, University of Hamburg
Visiting Professor, University of Oxford

4:20 Conflicts of interest and inducements: a cross-sectoral analysis of a fragmented reality  
Professor Thomas Incalza
Research Fellow, KU Leuven University; University of Hasselt

4:40 Discussion

5:00 Closing remarks by Professor Kristin van Zwieten

Kan een “taxatiebureau” überhaupt het ereloon van een curator wettelijk gezien taxeren ?

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Iedereen die optreedt als curator, komt – meer dan hem lief is – in aanraking met zogenaamde “pro-deo faillissementen”.  De “lege dozen” waarbij er onvoldoende actief is om zelfs bv. het minimumereloon van de curator te voldoen. In een zeer nabij verleden beschikte elke afdeling van een Ondernemingsrechtbank over een “potje werkingsmiddelen” waaruit pro-deo staten van curatoren en voorlopige bewindvoerders werden betaald. De staat van ereloon en kosten werd bij vonnis begroot door de rechtbank waarbij de kosten ten laste van de Belgische Staat werden gelegd en op basis van dit vonnis, betaalde de griffie – afhankelijk van rechtbank – redelijk vlot uit.

Echter, sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde arrondissementele taxatie – en vereffeningsbureau ’s in werking getreden. Dit klinkt gewichtig, doch in wezen betreft het “taxatiebureau” een griffier op het niveau van de hoofdzetel van de rechtbank van eerste aanleg die voortaan de prestaties van de curator in een pro-deo faillissement zal taxeren. Na deze taxatie, moet de curator zich vervolgens wenden tot het “vereffeningbureau”, zijnde een ambtenaar van de Stafdienst Begroting en Beheerscontrole van de FOD Justitie die de pro deo kostenstaten opnieuw verifieert en daadwerkelijk “vereffent”  (betaalt).

U leest het goed. Een griffier (geen rechter) van een rechtbank van eerste aanleg (geen Ondernemingsrechtbank) zal de staat van ereloon en kosten van een curator voortaan “taxeren”. Onder “taxeren” wordt m.i. toch nog steeds begrepen “het appreciëren  van prestaties en verifiëren van uitgaven en hieraan een gepast ereloon en kostenstaat koppelen”. Deze gehele herstructurering zou moeten leiden tot een snellere betaling (sic).[1]

Continue reading “Kan een “taxatiebureau” überhaupt het ereloon van een curator wettelijk gezien taxeren ?”

De maatschap in fiscalibus: (on)verdeelde meningen over het afgescheiden vermogen

Een post door Desmyttere en Landuyt over VLABEL-beslissing over registratierechten bij inbreng in een maatschap

De maatschap is sedert haar receptie in België in de jaren ’90 uitgegroeid tot waarschijnlijk het belangrijkste instrument in het kader van de (familiale) vermogensplanning. Een maatschapsstructuur laat namelijk toe de controle over activa te splitsen van de economische rechten op deze activa, en dit op een fiscaal interessante wijze.

Het archetype is de situatie waarbij de ouders (een deel van) hun vermogen inbrengen in een maatschap en hun deelbewijzen – al dan niet in blote eigendom – schenken aan de kinderen. Daarbij betonneren ze zichzelf als zaakvoerder van de maatschap waardoor de kinderen niet kunnen beschikken over het ingebrachte vermogen. Na het overlijden van de ouders en de ontbinding en vereffening van de maatschap vloeit het vermogen dan in volle beschikking naar de kinderen, zonder dat er nog bijkomende erfrechten moeten worden betaald.

De maatschap heeft voor een controlesplitsing enkele voordelen ten aanzien van andere vennootschapsvormen. Vooreerst is er door het sterk suppletieve karakter van de maatschap meer vrijheid om de statuten naar eigen inzicht vorm te geven. Waarschijnlijk belangrijker is het fiscaal transparante karakter van de maatschap als niet-rechtspersoon in de inkomstenbelasting (i.t.t. de vennootschap-rechtspersoon die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen).

Ook na het WVV zal de maatschap als instrument van familiale vermogensplanning niet snel verdreven worden door andere vennootschapsvormen.[1] Dit is des te meer het geval nu de wetgever met de erkenning van het afgescheiden vermogen van de maatschap in het WVV een belangrijke juridische onzekerheid heeft weggenomen.

Waar het bij een zakenrechtelijk afgescheiden vermogen juridisch zeer duidelijk is dat de persoonlijke schuldeisers van de maten de maatschapsgoederen niet rechtstreeks kunnen uitwinnen, is dit minder het geval indien het afgescheiden vermogen niet wordt erkend en het vermogen louter een verbintenisrechtelijke constructie blijft.

Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid in hoofde van de maatschap vormde traditioneel het argument om de maten in een maatschap te kwalificeren als mede-eigenaar van de goederen behorende tot het “maatschapsvermogen”. De klassieke visie was dan ook dat de maatschap geen zakenrechtelijk afgescheiden vermogen had. Langzamerhand werd evenwel aan die premisse – voornamelijk in de rechtsleer – geknabbeld.

Artikel 1:1 WVV lijkt de discussie definitief te beslechten: ‘een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen [ ]’ Iedere vennootschap, ongeacht of zij rechtspersoonlijkheid heeft, beschikt aldus over een eigen, op basis van de wet erkend, vermogen. De oprichting van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de maatschap, voert dan ook een scheiding in tussen het vermogen van de deelgenoten en het vennootschapsvermogen. Voor de twijfelaars worden de principes van het afgescheiden vermogen in de artikelen 4:13 tot 4:15 WVV voor de maatschap nog even in detail bevestigd.

Dit is ook belangrijk in fiscalibus. De vraag of de maatschap nu wel of niet een afgescheiden vermogen heeft is al vele jaren een heikel punt bij de berekening van de registratierechten verschuldigd bij een inbreng van onroerende goederen in een maatschap.[2] Ook na de invoering van het WVV zijn alle onduidelijkheden daarover de wereld nog niet uit. Dit bleek andermaal uit een voorafgaande beslissing van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL), waarvan wij de feiten en conclusie ontleden in een recent nummer van het Notarieel en Fiscaal Maandblad.

Continue reading “De maatschap in fiscalibus: (on)verdeelde meningen over het afgescheiden vermogen”

De nieuwe regels voor bestuurdersaansprakelijkheid

live webinar op vrijdag 4 sep. (13u-17u) door KMO Campus

Met welke nieuwe risico’s moet een bestuurder rekening houden en wat zijn precies de nieuwe regels inzake bestuur en aansprakelijkheid?

Prof. Joeri Vananroye (KU Leuven) en Prof. Stijn De Dier (U Antwerpen), beiden advocaat bij Quinz, overlopen in een live webinar de nieuwe regels en een aantal gewijzigde specifieke aansprakelijkheidsgronden (self dealing, belangenconflicten, misbruik vennootschapsgoederen, wrongful trading, uitkeringen in de BV, enz.), en bespreken welke voorzorgen kunnen worden genomen om persoonlijke aansprakelijkheid in te perken.

Continue reading “De nieuwe regels voor bestuurdersaansprakelijkheid”

Investeringskrediet en wederbeleggingsvergoeding. Licht aan het einde van de tunnel na recente cassatiearresten?

Een post door gastblogger Mr. Cedric Haspeslagh

Ondernemingen die een krediet vervroegd willen terugbetalen worden vaak geconfronteerd met de verschuldigdheid van een wederbeleggingsvergoeding, die hoog kan oplopen.

De rechtmatigheid van het bedrag van de wederbeleggingsvergoeding is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de kredietovereenkomst een lening of een kredietopening is[1].

Over de kwalificatie van investeringskredieten bestaat veel discussie. Het Hof van Cassatie heeft zich hierover uitgesproken in zijn arresten van 27.04.2020 (C.19.0602.N) en 18.06.2020 (C.19.0140.N). Continue reading “Investeringskrediet en wederbeleggingsvergoeding. Licht aan het einde van de tunnel na recente cassatiearresten?”

Oei kijk nu… foutjes in de (insolventie)wet

Een post door gastblogger meester V. Verlaeckt

Dat de “nieuwe” insolventiewet niet de prijs zal winnen voor het best wetgevend werk van het laatste decennia, is voor de meeste beoefenaars van de insolventiesport ondertussen duidelijk. De wetgever heeft kansen laten liggen om bepaalde onzekerheden weg te nemen en heeft er extra gecreëerd. Ook de noodzakelijke “handleiding” (i.e. parlementaire voorbereiding) is weinig dienstig en soms gewoonweg tegenstrijdig met de uiteindelijk wettekst. De “wil van de wetgever” moet niet enkel duidelijk zijn voor de auteurs van de wettekst, maar ook voor diegene die de wet alle dagen moeten gebruiken. De gezaghebbende (lezenswaardige) handboeken over insolventierecht zouden misschien niet de omvang hebben die zij nu hebben, mocht de insolventiewet (en dan vooral op procedureel vlak) zorgvuldig zijn opgesteld.

Voor zij die ondertussen vinden dat ik te streng, hovaardig of een muggenzifter ben, wijs ik U even naar het ogenschijnlijk onschuldig artikel XX.106 WER.  Blijkbaar vindt niemand – nu na meer dan twee jaar na de inwerkingtreding ervan  – de tekst van dit wetsartikel wat “vreemd”. De tekst luidt:

Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend.. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.107 en XX.108, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.145 en XX.165.

Welnu, de verwijzingen naar artikel XX.107,  XX.108,  XX.145 én XX.165 WER zijn volstrekt foutief, zoals in “verkeerd” en “onjuist”. Continue reading “Oei kijk nu… foutjes in de (insolventie)wet”

Ceci n’est pas un dualisme?

Een post door gastblogger Professor J. Delvoie (VUB)

In een bijdrage voor het recentste TPR-nummer, verwonder ik mij over het feit dat het nieuwe duale bestuursmodel in de NV wat de bevoegdheidsverdeling tussen raad van toezicht en directieraad betreft, statutair net zo à la carte kan worden ingevuld als het oude regime “524bis”.

Dat is merkwaardig, omdat het oude regime op dat punt nu net met alle zonden Israëls was overladen door de pleitbezorgers van het dualisme, minister Geens op kop. Het is nog merkwaardiger dat de memorie van toelichting op dit punt de lezer volledig op het verkeerde been zet. Hij insinueert dat in het dualistische model de bevoegdheden van beide organen voortaan enkel bij wet worden vastgelegd (MvT WVV, 14, 236).

De wettekst zelf bepaalt nochtans uitdrukkelijk het tegendeel: “De statuten kunnen de bevoegdheid van de directieraad beperken” (art. 7:110, eerste lid, tweede zin WVV). Duidelijker kan niet. De bevoegdheden van de directieraad nu zijn even à la carte als die van het directiecomité vroeger. Voeg daarbij alle andere vroegere wezenskenmerken van de NV die voortaan à la carte zijn (exclusief winstoogmerk, aantal stemmen per aandeel, collegialiteit van het bestuur, soepel ontslag van het bestuur, ja zelfs beperkte aansprakelijkheid van het bestuur, en ga zo maar door), en je stelt vast dat de NV een waar Chinees eetfestijn werd. Mij niet gelaten, maar ik zou hier drie vaststellingen aan koppelen: Continue reading “Ceci n’est pas un dualisme?”

Van kapitaal naar vermogen in de BV: van ‘bright line rules’ naar ‘open standards’?

Een post door gastblogger Lize Van Looy

De Amerikaanse rechtseconomische literatuur maakt een onderscheid tussen enerzijds regelgeving door ex ante bright line rules en anderzijds door ex post open standards.

Het onderscheid is eenvoudig aan te tonen. Door welke gedragsnorm is een bestuurder die bij een onbewaakte spoorwegovergang terecht komt gebonden? Is de bestuurder gebonden door een duidelijke regel, met name stoppen en uitkijken (de bright line rule)? Of dient hij eerder een open norm na te leven, met name redelijk en voorzichtig te werk gaan (de open standard)?

De kapitaalbeschermingsregels zoals we die voorheen ook toepasten in de BV zijn duidelijk een voorbeeld van dit eerste. De idee leeft dat de gebreken van kapitaalbeschermingsregels kunnen worden verholpen door deze formele regels te vervangen door open normen, bijvoorbeeld met behulp van aansprakelijkheidsprocedures. Open standards zijn in vergelijking met bright line rules beduidend flexibeler en bieden de mogelijkheid om rekening te houden met de eigenheid situatie. Meer flexibiliteit gaat echter hand in hand met minder (rechts)zekerheid Dergelijke open normen worden ex post door de rechter getoetst, die zich vaak in een ex ante perspectief zal moeten (proberen te) plaatsen en zich zal moeten behoeden voor hindsight bias. Continue reading “Van kapitaal naar vermogen in de BV: van ‘bright line rules’ naar ‘open standards’?”

Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes

Cass. 25 juni 2020, C.18.0144.N/1

Of een bestuurder tijdens en vooral na de beëindiging van haar bestuursmandaat een verplichting heeft om geen met de vennootschap concurrerende activiteit uit te oefenen, is een in de praktijk belangrijke en in de theorie bediscussieerde vraag. Zie onder meer Zo zijn we niet getrouwd. Over de loyauteitsplicht van werknemer en bestuurder van De Dier en Van Bever.

In een arrest van 25 juni 2020 (C.18.0144.N/1) stelt het Hof van Cassatie hier heldere principes. Belangrijke les is dat een post-contractuele schending van een niet-mededingsplicht niet al te makkelijk mag worden aanvaard. Er dient sprake te zijn van een expliciete verbintenis in die zin of van oneerlijke mededinging.

Dit arrest verbreekt Antwerpen, 9 november 2017, TRV/RPS 2018, 425, noot N. Hallemeesch, “Concurrentie aan de vennootschap door ex-bestuurders en hun vaste vertegenwoordiger”.

De beslissing van het Hof luidt: Continue reading “Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes”

Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation

Funds that took due account of environmental, social and governance (ESG) factors in their investment strategies generally outperformed their conventional counterparts during the Corona pandemic (FT, 3 April 2020). At the same time there is an omnipresent call to align the economic recovery in Europe with the ‘green transition’ (FT, 18 June 2020). In sharp contrast to this emphasis on the importance for investors to take ESG factors on board when making investment decisions stands the uncertainty about the requirements an investment must meet to be actually sustainable.

On 18 June 2020 the European Parliament decided to remedy the lack of clarity by adopting the Taxonomy Regulation[1] which defines an environmentally sustainable economic activity. More specifically, it sets out the broader framework within which the European Commission will have to come up with the technical criteria an economic activity must adhere to in order to be considered environmentally sustainable. This contribution will give an overview of the key changes brought by the Taxonomy Regulation.

The definition of what makes an economic activity sustainable will lie at the center of an emerging legal framework for sustainable finance. Creating  such a legal framework pioneered as a priority in the Action Plan on Building a Capital Markets Union of 2015 and was translated in more concrete policy in the Action Plan: Financing Sustainable Growth of 2018 based on a blueprint designed by the High-Level Expert Group on Sustainable Finance. In particular the latter Action Plan’s goal to reorient capital flows towards sustainable investments justified the adoption of a detailed EU classification system – or taxonomy – to make it clear for investors which activities qualify as ‘green’ or ‘sustainable’.[2] Continue reading “Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation”

De schaduw van het W.Venn.

Een post door gastblogger Dr. Thijs Vancoppernolle

De zomer staat voor de deur. Misschien overweegt u grote kuis te houden in uw boekenkast en heeft u uw geannoteerde exemplaren van het oude W.Venn in gedachten al tot het oud papier veroordeeld. Het nieuwe WVV is immers al meer dan een jaar in werking; wat zouden die oude vodden u dus nog kunnen opleveren?

Minute papillon, u vergeet het overgangsrecht. Continue reading “De schaduw van het W.Venn.”

Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming

W. Vandenbussche en M. Van De Looverbosch, “Het nieuwe ondernemingsbewijsrecht”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreken Dr. W. Vandenbussche (Linklaters) en Mr. M. Van de Looverbosch (KU Leuven, DLA) wat er wijzigde in het ondernemingsbewijsrecht met het gewijzigde WER en boek 8 BW. Daarbij komt onder meer de bewijswaarde aan bod van een factuur die door een onderneming in formele zin werd ontvangen:

“Wanneer een leverancier, aannemer of dienstverlener via een factuur wil bewijzen tegen een onderneming, zal de eerste vraag zijn of de factuur al dan niet aanvaard is. […]

Het is voor de verzender niet voldoende dat een geadresseerde de factuur ontvangen heeft om er bewijswaarde aan te ontlenen. De ontvanger moet de factuur ook hebben aanvaard. De aanvaarding van een factuur is de veruitwendiging door de schuldenaar van zijn akkoord met betrekking tot de in de factuur uitgedrukte schuldvordering en de modaliteiten ervan.[1] Soms is er sprake van een uitdrukkelijke aanvaarding. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de ondertekening van de factuur voor akkoord, bij een brief die de goede ontvangst en nazicht vermeldt of bij de mededeling dat de factuur werd nagekeken en zal worden betaald.[2] De aanvaarding van de factuur kan ook impliciet gebeuren. Dit betekent dat de rechter de aanvaarding redelijkerwijze uit de handelwijze van de schuldenaar mag afleiden (zoals door de betaling van het gevorderde bedrag zonder enig voorbehoud, door het gebruik van de factuur voor de btw-aangifte, door de doorverkoop, de verwerking van de gefactureerde goederen of door het aannemen van een kredietnota).[3] Continue reading “Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming”