Waarom is er een bijzondere schuldeisersbescherming nodig bij rechtspersonen?

Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon | 15 oktober 2020 via livestream

Aandeelhouders van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid genieten van beperkte aansprakelijkheid. De vennootschap zelf kan uiteraard wel aansprakelijk gesteld worden zoals elk ander rechtssubject. Daardoor kan de verleiding bestaan om te denken dat het “niet-vennootschapsrecht” dan maar de bescherming van externe stakeholders volledig op zich moet nemen. Het milieurecht beschermt slachtoffers van verontreiniging, het arbeidsrecht werknemers, het consumentenrecht consumenten… Heeft het vennootschapsrecht daar nog wel een rol?

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen over het beheer van zijn vermogen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is nog altijd naar de formulering van art. 544 Code civil “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Tussen de activa en passiva van de rechtspersoon en die van de aandeelhouders staat de muur van de rechtspersoonstechniek, die niet-aansprakelijkheid en vermogensafscheiding met zich meebrengt. De leden hebben aldus volledige controle over het vermogen van de rechtspersoon, genieten bij een vennootschap van eventuele winst, maar dragen slechts beperkt de negatieve gevolgen van hun beheer: deze zijn beperkt tot het verlies in waarde van hun aandelen. Deze rechtspersoonstechniek vergroot daardoor aanzienlijk het risico op opportunistisch handelen ten nadele van schuldeisers.

Aansprakelijkheidsremedies botsen zowel bij natuurlijke als bij rechtspersonen op de grens van de insolvabiliteit. Het verschil is dat bij een rechtspersoon het risico veel groter is dat deze insolvabiliteit onderdeel is van een bewuste strategie.

Interne vermogenssplitsing en artificiële vermogenssplitsing: beperkte aansprakelijkheid op steroïden

Het rechtspersoonstypisch risico op opportunistisch gedrag verergert nog veel meer door de mogelijkheid van verdere vermogenssplitsing zoals bij een vennootschapsgroep waarbij een onderneming verspreid is over meerdere rechtspersonen. De insolvabiliteit van één onderdeel van de groep heeft brengt dan maar een beperkt verlies van ondernemingswaarde voor de aandeelhouders met zich.

Beperkte aansprakelijkheid wordt daardoor erg beperkt: bij insolvabiliteit van een onderdeel verliezen de aandeelhouder slechts een stuk van de ondernemingswaarde.

Helemaal mooi wordt het voor de aandeelhouders als er binnen een groep strategisch aan artificiële vermogenssplitsing werd gedaan. Zie daarover de bijdragen van A. Karapetian en F. Verstijlen, R. Squire en J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, Reports to to the Netherlands Association for Comparative and International Insolvency Law (2018). Te consultereren via http://www.naciil.org/activiteiten/nieuws/kopie-documents-nvriinaciil-annual-conference–members-meeting-15-november-2018/

Bepaalde goederen die essentieel zijn voor de going concern waarde van de onderneming worden dan ondergebracht in een entiteit die buiten de insolvabiliteit wordt gehouden. Een type voorbeeld zijn intellectuele eigendomsrecht van de groep. Bij de insolvabiliteit van de andere groepsvennootschappen maakt dit dat de insiders de enige realistische bieders zijn voor de ondernemingsgoederen, die ze daardoor aan een prikje kunnen verwerven.

Hierdoor neigt beperkte aansprakelijkheid naar de afwezigheid van aan aansprakelijkheid. Het faillissement van de onderneming belet immers niet dat de aandeelhouders nog een groot stuk van de ondernemingswaarde kunnen behouden.

Dit opportunistisch insolventierisico typisch voor entiteiten met beperkte aansprakelijkheid en afgescheiden vermogen, brengt met zich een nood aan een rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming.

Technieken van rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming komen uitgebreid aan bod in de studiemiddag via livestreaam aan de KU Leuven op 15 oktober 2020 over schuldeisersbescherming bij vennootschappen en andere rechtspersonen onder voorzitterschap van Professor Eric Dirix. Komen onder meer aan bod : dr. Lindemans over de pauliana, Professor Cools over de aanloop naar insolventie, Professor Wyckaert over bestuursaansprakelijkheid, Professor Tas over uitkeringen, Mr. Poesen over het IPR en Mr. Van Hoe over de vennootschapsgroep.

Inschrijven kan via deze link. Meer info vindt u hier.

Joeri Vananroye

Anciënniteit in het kader van vennootschapsgroepen

Arbeidshof Brussel, 5 november 2019

In het kader van (internationale) vennootschapsgroepen komt het frequent voor dat een werknemer eerst een tijdje werkt voor groepsvennootschap A, om vervolgens geruisloos door te schuiven naar groepsvennootschap B. Wanneer de arbeidsovereenkomst met groepsvennootschap B eindigt, rijst de vraag naar de anciënniteit van de werknemer. Wordt deze anciënniteit bepaald op het niveau van de groep (voordelig voor de werknemer/nadelig voor de werkgever) of op het niveau van de (laatste) groepsvennootschap (nadelig voor de werknemer/nadelig voor de werkgever). In een arrest van 5 november 2019 brengt het Arbeidshof te Brussel enkele principes ter zake in herinnering. Continue reading “Anciënniteit in het kader van vennootschapsgroepen”

De Hoge Raad over bestuursaansprakelijkheid bij selectieve betalingen bij ondernemingen in moeilijkheden

Een post door gastblogger Prof. Dr. Steef Bartman (Professor of Corporate Group Liability, Universiteit Maastricht)

Bestuurders van ondernemingen in moeilijkheden staan vaak voor lastige betalingsdilemma’s. Betaling van de huur voor bedrijfsruimte maakt dat de maandelijkse aflossing van het bankkrediet erbij inschiet. Bij een omgekeerde behandeling dreigt de verhuurder zijn persoonlijke borgstelling in te roepen. Krijgt de leverancier niet betaald, dan stokt de productie en wordt een reorganisatie lastig uitvoerbaar. De grens tussen goed ondernemerschap en onbehoorlijk bestuur is in de praktijk vliesdun. Biedt het recht de bestuurder een helder richtsnoer? Continue reading “De Hoge Raad over bestuursaansprakelijkheid bij selectieve betalingen bij ondernemingen in moeilijkheden”

Cash pooling: 7 tips om bestuurdersaansprakelijkheid te vermijden

Vooraleer een groepsvennootschap deelneemt aan een cash pool, moet ze nagaan of dit in haar belang is. Indien dit niet zo is, dreigt bestuurdersaansprakelijkheid (I). Ook lopende de cash-pooling-overeenkomst moeten de bestuurders de vinger aan de pols van het vennootschapsbelang houden, zeker indien er solvabiliteitsproblemen ontstaan binnen de groep (II). Om het risico op een schending van het vennootschapsbelang te verkleinen, kan men een aantal richtlijnen in acht nemen bij het vormgeven van de cash pool (III). Continue reading “Cash pooling: 7 tips om bestuurdersaansprakelijkheid te vermijden”

Cashpooling bij nakende insolventie

Opiniebijdrage door Sofie Cools & Joeri Vananroye

Deze post verscheen eerder op 11 oktober 2019 als een opiniebijdrage op De Tijd.

Bestuurders van een Belgische dochtervennootschap van Thomas Cook zouden enkele miljoenen euro hebben doorgestort naar de Britse moedervennootschap kort voor haar faillissement.  Volgens de berichtgeving in de pers was de transfert het gevolg van een systeem van cashpooling.

Cashpooling is een afspraak tussen vennootschappen, doorgaans van eenzelfde groep, dat wanneer één van hen cash op overschot heeft, zij dat ter beschikking stelt aan een andere vennootschap in de cash pool die op dat ogenblik geld nodig heeft. Dat gebeurt via een centrale rekening, meestal op naam van de moedervennootschap.

Cashpooling is niet verboden, en maar goed ook. Cashpooling heeft namelijk grote voordelen. Door mekaar onderling geld te lenen, kunnen groepsvennootschappen vermijden dat ze interesten moeten betalen aan de bank voor sommen die bij een andere vennootschap ongebruikt op de rekening staan. De interest die de ene vennootschap betaalt om te lenen is normaal hoger dan de interest die de andere vennootschap op haar rekening ontvangt; het verschil is winst voor de groep.

Delicaat Continue reading “Cashpooling bij nakende insolventie”

UK Supreme Court enables expansive supply chain liability

A parent company’s liability for damage caused by its subsidiary is grounded in control

On 10 April 2019, in Vedanta v Lungowe, the UK Supreme Court confirmed the England and Wales Court of Appeal’s decision that Vedanta may owe a duty of care to neighbours of the copper mine operated by its Zambian subsidiary. The judgment is important in three respects. First, Vedanta v Lungowe marks the first time the UK Supreme Court found that a duty of care vis-à-vis parties other than the subsidiary’s employees may be owed by the parent company (albeit in its capacity of operator). Second, this duty of care is not novel and, therefore, the lenient test for adjudicatory jurisdiction is applicable. Third, in dicta, the UK Supreme Court clarified the legal basis and scope of supply chain liability.

In this post, the UK Supreme Court’s ruling is discussed, including the assessments of jurisdiction at a preliminary stage and the issue of novelty. It also reviews the implications of the Court’s dicta for the doctrine of supply chain liability. Continue reading “UK Supreme Court enables expansive supply chain liability”

The underestimated role of tax law in promoting asset partitioning ánd discouraging selective de-partitioning

Asset partitioning refers to limited liability (or: owner shielding) and entity shielding. In both cases a pool of assets is allocated to a pool of liabilities.

The economic justifications of limited liability and entity shielding typically refer – sometimes implicitly – to the situation of many shareholders in a business. Hansmann and Squire refer to this type of asset partitioning as external asset partitioning (“External and Internal Asset Partitioning: Corporations and Their Subsidiaries, The Oxford Handbook of Corporate Law and Governance (Forthcoming)”; Yale Law & Economics Research Paper No. 535, 2.). Asset partitioning is also used within a business to make separate pools of assets and liabilities; this is internal asset partitioning (ibid.). A typical example is a corporate group, where the business as an economic unity is internally, through affiliates, divided in separate pools of assets.  We also consider a company owned (or primarily owned) by a single shareholder as internal asset partitioning, even if that shareholder is a physical person. The economic unity between the single shareholder and the business of her company is similar to, if not stronger than, that between the separate entities of a corporate group.

Asset partitioning builds walls between pools of assets and liabilities. Sometimes the insiders themselves disregard the asset partitioning which they have set up themselves. This is referred to as selective de-partitioning. A crude example is the single shareholder or the parent company extracting assets from its company or subsidiary or shifting liabilities towards it. A more sophisticated example is a guarantee of one entity of a group towards another entity of the group. Often legal rules provide the creditors of the shareholders of a company with remedies against selective de-partitioning. In such a case the law reinforces the walls of asset partitioning.

We will use Belgian law as an example of how an entity-focussed tax law can favour asset partitioning and discourage selective de-partitioning. Continue reading “The underestimated role of tax law in promoting asset partitioning ánd discouraging selective de-partitioning”

Can directors be employees?

Can directors be employees? An array of answers are possible. A director may accept to perform the duties resulting from company law and the statutes of association by entering into eg a management contract, an agency agreement, or an employment contract. The diversity of plausible answers also impacts on EU private international law, as the applicability of the protective rules on jurisdiction in matters relating to employment contracts, contained in Art 18 et seq of the Brussels I Regulation Recast, depends on whether a relationship can be characterised as a ‘matter relating to an individual contract of employment’. At stake are among other things (1) the option of the director to sue the company in the courts of the place where he is domiciled, and (2) whether the company is restricted to pursue its actions against the director in the courts of the director’s domicile.

In his Opinion in C-603/17 EU:C:2019:65 Bosworth ea v Arcadia Petroleum ea, AG Saugmandsgaard Øe clarified the position of directors of a company in respect of the rules of jurisdiction applicable to employment contracts.

Continue reading “Can directors be employees?”

‘Enterprise liability’ for entities of a group?

Allowing creditors of one member of a corporate group to pierce horizontally to reach the assets of other members

Belgian private law is traditionally very distrustful of asset partitioning in the shape of both owner shielding and entity shielding. It has inherited from the 19th century French doctrine (Aubry & Rau) the idea that: (i) only persons have an estate; and (ii) every person has only one estate. An ‘estate’ (‘vermogen’ / ‘patrimoine’) is a pool of assets which serves as collateral for a pool of liabilities. Accordingly, the traditional théorie du patrimoine entails that a person cannot have separate pools of assets which serve as collateral for separate pools of liabilities. This theory betrays a strong distrust of asset partitioning, both internal and external.

In the beginning of the 19th century the rule ‘one person, one and only one estate’ was generally understood as referring to natural persons. The incorporation of legal persons, particularly of legal persons with owner shielding (limited liability), was exceptional and restricted. It was limited to certain types of activities and subject to governmental authorization. As a result, the 19th century doctrine of ‘one person, one and only one estate’, while at face value barely modified, presently has completely different practical consequences. Presently a natural person can easily incorporate, control and benefit from, one or more legal persons.

This raises the important question: Why is the traditional animus against asset partitioning not an issue, or less so,  in case the technique of the corporate form with legal personality is used to bring about such asset partitioning? Continue reading “‘Enterprise liability’ for entities of a group?”

Restructuring of Corporate Groups: Conference on Rescue of Business in Insolvency Law

The European Law Institute (ELI) and Business and Liability Research Network (BLRN) of the Leiden Law School organise a conference on restructuring of corporate groups in the afternoon of 5 December 2018. ELI’s Business Rescue Report of Prof. Em. Bob Wessels and Prof. Stephan Madaus is the starting point for discussions on the treatment of insolvent corporate groups.

Bob Wessels (Leiden University) and Stephan Madaus (Halle-Wittenberg University, Germany) will introduce the ELI Business Rescue Report and the results of this European study with respect to restructuring of corporate groups in Europe. Prof. Joeri Vananroye (KU Leuven, Belgium) will discuss Belgian perspectives on corporate restructuring and Prof. Reinout Vriesendorp will elaborate on issues of director’s liability. Leiden Law School researchers Jessie Pool, Ilya Kokorin and Gert-Jan Boon will present a case study on corporate groups.

ELI Business Rescue Report

Continue reading “Restructuring of Corporate Groups: Conference on Rescue of Business in Insolvency Law”

Schuldeisers tegen uitkeringen en bevoordeling bij rechtspersonen

Lab rat Gillis Lindemans verdedigt op 29 oktober aan de KU Leuven zijn proefschrift: “Actio pauliana: remedie met toekomst voor schuldeisers van rechtspersonen”. Meer info vindt u hier. In deze post krijgt u alvast een voorsmaakje.

Als een schuldenaar zijn schuld niet betaalt, dan kan de schuldeiser beslag leggen op zijn goederen. Holt de schuldenaar zijn vermogen uit, dan dus ook het onderpand van zijn schuldeiser. De schuldeiser heeft daartegen een krachtige remedie: de actio pauliana. De schuldeiser kan daarmee rechtshandelingen aanvechten waarmee zijn schuldenaar hem bewust of bedrieglijk benadeelt.

Het lijkt daarbij van geen belang of de schuldenaar een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. Nochtans scheppen rechtspersonen een bijzonder risico.

Continue reading “Schuldeisers tegen uitkeringen en bevoordeling bij rechtspersonen”

The regulatory competition continues: ook het Britse vennootschaps- en insolventierecht staat niet stil

Het antwoord van de Britse regering

Op 26 augustus 2018 heeft de Britse regering (the Department for Business, Energy and Industrial Strategy) haar antwoord gepubliceerd op de consultatieronde over insolventie en corporate governance die eerder dit jaar (maart 2018) werd gelanceerd om het Britse vennootschaps- en insolventierecht aantrekkelijk te houden (zie daarover reeds hier). Het antwoorddocument vat de ontvangen commentaren samen en geeft de stappen weer die de Britse regering in de nabije toekomst wilt nemen. Daarnaast bevat het document een antwoord van de regering op de Review of the Corporate Insolvency Framework dat reeds werd gepubliceerd in mei 2016.

In wat volgt geven we een korte opsomming van de te ondernemen stappen zoals beschreven in het antwoord van de regering: Continue reading “The regulatory competition continues: ook het Britse vennootschaps- en insolventierecht staat niet stil”

European Private International Law at 50. Celebrating and Contemplating EEX and its Successors

Jura Falconis Conference 23 March 2018, 10 AM – 5:30 PM (College De Valk, Leuven)

In 2018 we celebrate the 50th year since the adoption of the 1968 Brussels Convention on jurisdiction and the enforcement of judgments in civil and commercial matters. The 1968 attempt to facilitate the free movement of judgments in the EU, helped lay the foundations for the exciting developments in European private international law which have occurred since. Many of the outstanding issues in what is now the Brussels I Recast (also known as EEX-bis; or Brussels Ibis) continue to have an impact on other parts of European civil procedure.

Co-organised by Leuven Law’s Institute of Private International Law and Jura Falconis, KU Leuven’s student law review, this event will consider, capita selecta wise, the application and implications of the Convention and its successors. It will also discuss the future direction of EU private international law both for civil and commercial matters, and for issues outside of commercial litigation. At a time when in most Member States the majority of commercial transactions have some kind of international element, this is a timely refresher for practitioners, judges, students and scholars alike.
PROGRAM Continue reading “European Private International Law at 50. Celebrating and Contemplating EEX and its Successors”

Parent Companies Are Not Parents, Subsidiaries Are Not Children

Okpabi v Shell Judgment Puts the Brakes on the Expansion of Parent Company Liability for Damage Caused By Its Subsidiaries

A recent judgment of the England and Wales Court of Appeal addressed important jurisdictional questions in relation to a parent company’s liability for damages caused by its subsidiaries. The court did not rule on the merits of the claim; rather, it analysed the preliminary issue of whether UK courts have jurisdiction to hear such claims. In determining whether there is jurisdiction, however, the English court did have to examine substantive law issues. This makes the case of great interest to parent company liability, and, as parent company liability overlaps with supply chain liability, also to the latter. Continue reading “Parent Companies Are Not Parents, Subsidiaries Are Not Children”

Een rechtspersoon, het komt in de beste families voor

Cass. 10 februari 2017 (F.16.0027.N) over het gunsttarief in de Vlaamse erfbelasting

Kan wie vandaag geen natuurlijke persoon als valentijnsdate krijgt opgescharreld, even veel bevrediging vinden bij een rechtspersoon? Een arrest van het Hof van Cassatie  van 10 februari 2017 (F.16.0027.N) over de Vlaamse regels inzake erfbelasting geeft weinig hoop.

De Vlaamse erfbelasting voorziet een verlaagd tarief voor de verkrijging van aandelen uitgegeven door een familiale vennootschap.  Eén van de voorwaarden is dat de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van het overlijden voor ten minste 50% in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie. De wettekst definiëert ‘familie’ als familieleden in de gebruikelijke zin, zoals de partner, ouders, kinderen, broers en zussen.

Hoe zit het nu met de aandelen die worden gehouden door een andere vennootschap met rechtspersoonlijkheid die wordt gecontroleerd door zulke ‘fysieke’ familieden? Moeten deze aandelen die toebehoren aan déze familiale holdingvennootschap – die dus aandelen houdt in een andere vennootschap om wiens aandelen het gaat – ook beschouwd worden als toebehorende “aan de erflater en zijn familie”?

Continue reading “Een rechtspersoon, het komt in de beste families voor”

%d bloggers like this: