Cassatie over de aansprakelijkheid van de overdrager van niet volstorte aandelen in een BVBA: Roma locuta (bis)

Cass. 2 september 2022

De aantrekkelijkheid van een vennootschap met zgn. beperkte aansprakelijkheid, is dat de aandelen erin in beginsel nooit een negatieve waarde kunnen krijgen. Dat maakt aandelen een uitzonderlijk goed. Zelfs als de vennootschap failliet is en de schulden de activa overtreffen, zal de waarde van een aandeel nooit minder zijn dan nihil. Dat is anders voor de meeste assets (denk aan handelfondsen, honden of gronden) die een negatieve waarde kunnen hebben.

Dit voordeel brengt gevaren met zich, met name dat aandeelhouders worden uitgenodigd om een roekeloos beleid voor te staan. Eén (en wellicht het belangrijkste) antwoord hierop van het recht is dat die aandeelhouders betrekkelijk weinig te zeggen hebben. De meeste beslissingen liggen bij de bestuurders, die door de regels inzake bestuursaansprakelijkheid worden afgeremd om all the way ten koste van derden de belangen van die aandeelhouders na te streven.

Een ander antwoord hierop zijn de regels inzake het kapitaal, vandaag nog van toepassing in de NV, kunnen worden gezien als een vorm van objectieve aandeelhoudersaansprakelijkheid: ten belope van zijn inbreng voelt de aandeelhouder rechtstreeks een negatieve impact in zijn persoonlijk vermogen. Dat is het meest duidelijk door het deel dat nog niet werd volstort. Dat kan, doorgaans door de curator, nog bij de aandeelhouder worden opgevraagd.

Een nog uitstaande volstortingsplichting maakt dan ook dat een aandeel wel een negatieve waarde kan (en bij faillissement: zal) hebben.

Verplichtingen kunnen uiteraard niet zomaar worden overgedragen met bevrijding van de oorspronkelijk schuldenaar. Het risico bestaat immers dat de verplichting wordt overgedragen aan een niet of minder solvabel rechtssubject. Wat gebeurt er dan met de volstortingsverplichting van de oorspronkelijke aandeelhouder na overdracht van de aandeelhouder.

Continue reading “Cassatie over de aansprakelijkheid van de overdrager van niet volstorte aandelen in een BVBA: Roma locuta (bis)”

De actio pauliana tegen kapitaalverhoging met uitsluiting van voorkeurrecht

Eerdere posts (zie hier, hier en hier) lichtten toe hoe vennootschapsschuldeisers de actio pauliana (artikel 1167 oud BW; art. 5.243 BW) kunnen inzetten om uitkeringen aan te vechten die op voorzienbare wijze nadeel toebrengen aan hun verhaalsmogelijkheden. Het typevoorbeeld daarvan is het excessieve dividend, maar ook reële kapitaalverminderingen kunnen op soortgelijke wijze het vennootschapsvermogen als onderpand voor de schuldeiser uithollen. In een arrest van 10 juni 2022 buigt het Hof van Cassatie zich over de toepassing van de actio pauliana op de omgekeerde kapitaalbeweging: een kapitaalverhoging.

Continue reading “De actio pauliana tegen kapitaalverhoging met uitsluiting van voorkeurrecht”

Soortrechten: na de ‘disputatio’, enkele voorstellen tot ‘solutio’ (of waarover het eigenlijk ging: uit de discussie komen hernieuwde inzichten)

Een post door gastbloggers Hans De Wulf (UGent) en Marieke Wyckaert (KU Leuven)

De Disputatio en haar uitkomst

Op 1 juni gingen ondergetekenden stevig in debat (zie video hier) over een in essentie eenvoudige vraag: is er voor de splitsing binnen een bestaande soort aandelen (of andere effecten) unanimiteit nodig  of volstaat een 75% meerderheid per soort? Anders geformuleerd: kan men de rechten van bepaalde maar niet alle aandelen van een bestaande soort wijzigen, zonder uitgifte van bijkomende aandelen. Wyckaert verdedigde dat dit alleen met unanimiteit kan worden beslist omdat afbreuk wordt gedaan aan de gelijke behandeling van aandeelhouders; volgens De Wulf volgt uit de wettekst dat een 75% meerderheid per soort volstaat en kan misbruik voldoende voorkomen worden via aandeelhoudersovereenkomsten en desnoods achteraf worden bestreden via het leerstuk van misbruik van meerderheid, de geschillenregeling en andere minderheidsbechermingstechnieken. De stelling van Marieke Wyckaert had de meeste sympathie vóór het debat, maar Hans De Wulf wist op 1 juni de stemmen te keren.

Wij zijn het er nog steeds niet over eens. Maar de discussie heeft er ons wel beiden van overtuigd dat de wetgever de regeling over soortrechten in het WVV op dit punt, maar wellicht nog meer op andere vlakken, moet verduidelijken of bijsturen.  Hieronder lanceren we  enkele gemeenschappelijke denkpistes daarrond. Elke feedback is welkom met het oog op (verhoopte) reparatie (zie verder).

Continue reading “Soortrechten: na de ‘disputatio’, enkele voorstellen tot ‘solutio’ (of waarover het eigenlijk ging: uit de discussie komen hernieuwde inzichten)”

Vereist een splitsing van een soort aandelen altijd unanimiteit?

Tijdens de disputatio van 1 juni jl. was één van de drie quaestiones de vraag of een splitsing van een soort aandelen altijd unanimiteit vereist.

Het geanimeerde debat tussen Professor De Wulf (UGent) en Professor Wyckaert (KU Leuven), gemodereerd door Professor Tom Vos (UAntwerpen), kan u hier herbekijken.

Eerstdaags publiceert Corporate Finance Lab een gezamenlijk standpunt van de disputanten over mogelijke uitwegen uit dit debat.

Genderquota blijven vooralsnog een doekje voor het bloeden

Een post door gastblogger Marieke Wyckaert (hoogleraar KU Leuven)

“Quota: maar een heel klein deel van het antwoord op de zoektocht naar diversiteit in representativiteit”

Onlangs was het weer prijs: ‘Topjobs voor vrouwen blijven werk van lange adem’(DS 21 juni). Juicht, wij ­allen, want nog geen derde van alle ­topposities in de Vlaamse overheid wordt ingevuld door vrouwen. Bovendien stapten er onlangs vier op, van wie er al twee zijn vervangen door mannen; een vijfde vertrekt volgend jaar. Nog geen één op de drie, dus, en het riskeert nog erger te worden. Nochtans mikt de Vlaamse overheid op 40 procent, maar een nieuwe diversiteitsambtenaar benoemen, voor ­zover dat al de oplossing zou zijn, lukt blijkbaar niet.

Sinds Caroline Pauwels om ­gezondheidsredenen stopte als rector aan de VUB, hebben we ook geen ­enkele Vlaamse rector meer. De cijfers van vrouwelijke academici zullen u ook niet opvrolijken: in Leuven is vandaag 31 procent vrouw, bij de hoog­leraren zelfs maar 22 procent.

Continue reading “Genderquota blijven vooralsnog een doekje voor het bloeden”

De vertrouwensleer: symptoom van de objectivering van het privaatrecht, op zijn beurt symptoom van het toegenomen belang van onstoffelijke organisaties

J. Vananroye, “Respecteert het overgangsrecht van het WVV de rechtmatige verwachtingen”, in Liber Amicorum Xavier Dieux, 2022, 647-660.

In zijn magistraal proefschrift Le respect dû aux anticipations légitimes d’autrui analyseert Professor Dieux de rol van het respect voor de rechtmatige verwachtingen van anderen in privaatrechtelijke verhoudigingen (X. Dieux, Le respect dû aux anticipations légitimes d’autrui. Essai sur la genèse d’un principe général de droit, Brussel, Bruylant, 1995, 286 p.).

De daar ontwikkelde these is een prachtige illustratie van de objectivering van het privaatrecht in de loop van de twintigste eeuw. Subjectieve noties zoals wil of nalatigheid verloren hun centrale plaats. Ze werden afgezwakt, aangevuld of vervangen door objectieve noties als vertrouwen, risico, redelijkheid en billijkheid, maatschappelijke verwachtingen. Enkele voorbeelden daarvan: het erkennen van het bestaan van risico-aansprakelijkheid, de invoering van nieuwe gronden van objectieve aansprakelijkheid, de objectivering van het gemeenrechtelijke foutbegrip, de opkomst van de objectieve goede trouw, de objectivering van de ‘subjectieve’ goede trouw, het erkennen van de rol van het vertrouwen bij de totstandkoming van verbintenissen… Men neme de inhoudstafel van voornoemd proefschrift en men kan dit makkelijk verder aanvullen.

Elders heb ik proberen aan te tonen dat deze objectivering van het privaatrecht nauw verband houdt met het toenemend belang van rechtspersonen (en andere organisaties) in de laatste tweehonderd jaar (J. Vananroye, “Toerekening aan rechtspersonen en andere organisaties”, TPR 2004, 792). Subjectieve noties als wil, fout, opzet, bedrog … die zijn uitgedacht op maat van natuurlijke personen, zijn immers moeilijk toe te passen op ‘zielloze’ organisaties zoals een rechtspersoon. Ik beëindigde die bijdrage uit 2004 met de volgende reflecties: “De toekomst zal uitwijzen of zich rond het begrip organisatie een nieuwe breuklijn in het privaatrecht gaat vormen, ter vervanging van klassieke distinguo’s zoals commercieel/burgerlijk of rechtspersoon/natuurlijk persoon.” (J. Vananroye, “Toerekening aan rechtspersonen en andere organisaties”, TPR 2004, 793)

Die evolutie heeft zich inderdaad voorgedaan met de invoering door de Wet Hervorming Ondernemingsrecht van 15 april 2018 van het huidige art. I.1, 1° WER. Deze definitie van ‘onderneming’ (onder meer gebruikt voor het insolventierecht, het bewijsrecht in het BW en de bevoegdheidsomschrijving van de ondernemingsrechtbank in het Ger.W.) stelt het begrip ‘organisatie’ centraal. Het kwam in de plaats van de handelaar als aanknooppunt van regels en erkent naast de natuurlijke en rechtspersoon ook ‘organisaties zonder rechtspersoonlijkheid’.

Het zal niet verbazen dat met het toenemende belang van onstoffelijke organisaties, vooral in het economische verkeer maar dus ook in de wetgeving, ook de these van Professor Dieux vandaag – in het Nederlands meestal onder de vlag ‘vertrouwensbeginsel’ – stand heeft gehouden en enkel maar aan belang heeft gewonnen (zie bv. B. Verheye, “Schijnvertegenwoordiging en vertrouwensleer revisited”, RW 2020-21, 1176, nr. 22 e.v.).

Continue reading “De vertrouwensleer: symptoom van de objectivering van het privaatrecht, op zijn beurt symptoom van het toegenomen belang van onstoffelijke organisaties”

Over ‘lege dozen’ en andere verwante insolventietopics: een denkoefening van een eenvoudig curator-sterveling (zonder roze bril)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Beoefenaars van de insolventiesport herinneren zich wellicht de aankondiging van een wetsvoorstel ter bestrijding van de zogenaamde lege-dozen-faillissementen, uitgaande van volksvertegenwoordiger dhr. Geens  (Parl.St. Kamer, 2020-21, 1591/001, p. 1-19).

Dit wetsvoorstel werd als ‘dringend’ omschreven gelet op de stortvloed aan faillissementen die komende was ten gevolge de corona-crisis. Het wetsvoorstel zou zelfs “gedicteerd worden door de economische openbare orde”.

De samenvatting van de memorie van toelichting, gegoten in een persmededeling werd gretig gecopy-pastet op juridische websites en nieuwsbrieven allerhande. Bijna iedereen vond het blijkbaar een goed idee. Eindelijk een oplossing voor de lege dozen.

Hoewel de mogelijke invloed van het wetvoorstel eerder beperkt is (gelet op het reeds bestaande problematische artikel 2:74 WVV), heb ik na een eerste lezing van het wetsvoorstel onmiddellijk op kantoor gedeclareerd dat ik te voet naar Scherpenheuvel zou trekken als dit voorstel ooit wet zou worden. Omdat het aantal aanwezigen in een eenmanskantoor eerder beperkt is, werd mij aangeraden mijn standpunt over dit wetsvoorstel schriftelijk uiteen te zetten voor een breder publiek.

In het document onderaan deze post kan u het resultaat hiervan lezen.

Met mijn denkoefening zal ik proberen u te overtuigen van de noodzaak aan controle door een onafhankelijk vereffeningsbewind in geval van insolventie, ook bij de zgn. “lege dozen”. Men lost geen probleem op door te doen alsof er geen probleem is en het onmiddellijk onder de mat te vegen. Ik zal uiteenzetten waarom het wetsvoorstel los tegen de openbare orde ingaat.

Met statistiek zal ik ook proberen aanschouwelijk te maken dat de Staat (publieke middelen) wel degelijk gebaat is met de aanstellingen van curatoren in geval van definitieve discontinuïteit. De Belgische Staat schiet vaak in eigen voet.

Tenslotte geef ik nog even aandacht aan de deficitaire vereffening onder het hoofdstuk “Huidige deficitaire vereffening is het failliet van de insolventieafwikkeling”. Al jaren roep ik ergens in een woestijn dat de deficitaire vereffening een kunstmatig in stand gehouden ontsnappingsalibi is. Nu heb ik het ook neergeschreven. Over dit onderwerp zullen wij ongetwijfeld veel wijzer worden tijdens de geplande “disputatio” op 1 juni 2022 ter ere van het lustrum van Corporate Finance Lab.

Of in mijn denkoefening alles even academisch werd verwoord, laat ik in het midden. Doch een genuanceerde, wollige noodrem werkt niet. Een slappe stok in een hoenderhok ook niet.

Inschrijven voor de ‘disputatio’ van 1 juni 2022 kan hier.

Vincent Verlaeckt
Advocaat

Weg met de deficitaire vereffening?

De vennootschap die in vereffening wordt gesteld, blijft krediet genieten wanneer haar schuldeisers hun vertrouwen in deze beslissing en in het verloop van de vereffening behouden, voor zover dit vertrouwen op regelmatige en transparante wijze wordt verkregen. De vennootschap, waarvan de ontbinding gebeurt met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers of, waarvan de ontbinding toelaat te ontsnappen aan de bijzondere aansprakelijkheden die verbonden zijn aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die werden gesteld tijdens de verdachte periode, waarbij de ontbinding plaatsvindt in hun nadeel, steunt niet op het vertrouwen van de schuldeisers, zelfs wanneer deze hun wantrouwen niet zouden hebben geuit.

Zo kan de rechtspraak van het Hof van Cassatie worden samengevat sinds het arrest van 5 juni 2020 (dat u eerst op deze blog las en dat sindsdien enkele van de beste pennen in het vennootschaps- en insolventierecht heeft bewogen). Frapperend in dit arrest is dat het arrest a quo niet werd verbroken, ook al sprak het slechts van aanwijzingen dat de vereffening van de schuldeisers benadeelt (R. Aydogdu, “La failliet des liquidations déficitaires: The Usual Suspects”, TBH/RDC 2021, 609).

Continue reading “Weg met de deficitaire vereffening?”

Over de aansprakelijkheid van feitelijke bestuurders

De bepalingen inzake bestuursaansprakelijkheid van Boek 2 WVV gelden voor de leden van het bestuursorgaan, het dagelijks bestuur én “alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad” (art. 2:56, eerste lid WVV). Die laatste omschrijving heeft als doel om de zgn. ‘feitelijke bestuurders’ te vatten.

De feitelijke bestuurder werd voor het eerst vermeld in de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid (oude art. 265, 409 en 530 W.Venn.). Intussen maakt de feitelijk bestuurder ook deel uit van het toepassingsgebied van de andere faillissementsaansprakelijkheden van Boek XX WER. Het WVV zet die trend voort door de regels voor bestuurdersaansprakelijkheid in art. 2:56-57 WVV toepasselijk te maken op feitelijke bestuurders, en laat zich ter zake inspireren door de omschrijving in art. XX.225-227 WER (“alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad”). Deze feitelijke bestuurders zijn, luidens de memorie van toelichting, op dezelfde manier aansprakelijk als formeel benoemde bestuurders(Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 59).

In haar algemeenheid is die laatste bewering verstrekkend en wellicht te verstrekkend. Het komt ons voor dat de memorie van toelichting hier te weinig onderscheid maakt tussen de verschillende soorten feitelijke bestuurders en de verschillende soorten fouten.

Continue reading “Over de aansprakelijkheid van feitelijke bestuurders”

Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt

Cass. 18 maart 2022 (C.21.0006.F)

Mario D. was zaakvoerder van een BVBA, een immovennootschap. De vrederechter stelt een bewindvoerder aan over de persoon en de goederen van Mario. Deze bewindvoerder q.q. doet aangifte van het faillissement van de BVBA en van Mario zelf. Zoals bekend veronderstelt dit dat Mario een ‘onderneming’ is in de zin van art. XX.1, 1° al. 1 WER (zie definitie van ‘schuldenaar’ in art. XX.99 al. 1 WER). Het gaat hier om het zgn. ondernemingsbegrip in formele zin.

Er is geen andere activiteit waarop voor Mario de kwalificatie als onderneming wordt gesteund dan zijn (bezoldigde) bestuurstaak bij de immo-BVBA. (Parenthesis: dat een voorlopig bewindvoerder over een natuurlijke persoon ook de bevoegdheden van die natuurlijke natuurlijke persoon als vennootschapsbestuurder uitoefent, werd blijkbaar niet geproblematiseerd. Vanzelfsprekend is dit nochtans niet, al is het een pragmatische oplossing bij een vennootschap met wellicht één vennoot en één bestuurder.)

De Ondernemingsrechtbank te Henegouwen (25 november 2019) weigert het faillissement van Mario uit te spreken met als argument dat hij geen onderneming is. Dit wordt in beroep bevestigd door het Hof van Beroep te Bergen (14 juli 2020).

Uit het arrest blijken heel wat bijzondere omstandigheden: de gezondheidstoestand van de bestuurder liet al lang geen activiteiten toe, de bestuursvergoeding was minimaal, de vennootschap zelf leek een slapende vennootschap, ….

Daarmee werd een bekende discussie aan de orde gesteld, nl. of elke bestuurder van een vennootschap een onderneming in formele zin is. Zie eerder hier en verder o.a. A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH 2019, 494 e.v.; P. Moineau en F. Ernotte, “Les gérants et administrateurs personnes physiques face au nouveau droit de la faillite”, JLMB 2019, 697 e.v.; M. Roelants, “De kwalificatie van de natuurlijke persoon-bestuurder als onderneming na de Wet Hervorming Ondernemingsrecht”, TRV-RPS 2019, 104 e.v.; J. De Smet, “Het faillissement van zaakvoerders en bestuurders na de inwerkingtreding van Boek XX WER: moet er nog (drijf)zand zijn?”, TIBR 2019, 80 e.v..

Merk op dat, zoals in de meeste uitspraken waar dit een discussiepunt vormt, de vraag om de toepassing van de faillissementsprocedure uitgaat van de schuldenaar zelf (zij het hier middels een bewindvoerder). Het is niet een schuldeiser of het OM die een debiteur tegen zijn wil in de faillissementsprocedure wil trekken. Dit is een symptoom een insolventierecht voor ondernemingen dat grosso modo vriendelijker is voor natuurlijke personen-ondernemingen dan voor andere natuurlijke personen.

In een verrassende uitspraak van vorige vrijdag verwerpt het Hof van Cassatie het cassatieberoep tegen het Bergens arrest met een motivatie die veel verder gaat dan enkel de vennootschapsbestuurder en die verder gaat dan de zeer specifieke omstandigheden van het betrokken geschil:

Continue reading “Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt”

Kredietopening, lening en wederbeleggingsvergoeding: the story goes on & on & on

In een eerdere blogpost werd de discussie over de kwalificatie van een overeenkomst als een kredietopening dan wel een lening op interesten besproken naar aanleiding van twee cassatiearresten van 2020. Deze kwalificatie is van belang voor de omvang van de wederbeleggingsvergoeding die verschuldigd is wanneer een krediet vervroegd terugbetaald wordt. Enkel bij een lening op interesten speelt de beperking van art. 1907bis oud BW.

In 2021 volgden twee bijkomende cassatiearresten over deze materie, die recent gevolgd werden door een cassatiearrest van 3 februari 2022. De conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier bij het laatstgenoemde cassatiearrest is verhelderend.

Continue reading “Kredietopening, lening en wederbeleggingsvergoeding: the story goes on & on & on”

De maatschap en de vereffening van haar onderneming – Cass. 30 september 2021

Cass. 30 september 2021 (C.210045.N)

Het Rechtskundig Weekblad nr. 23 van 5 februari 2022 (RW 2021-22, p. 900) publiceert een arrest van het Hof van Cassatie dd 30 september 2021 over de vereffening van een maatschap van Limburgse gerechtsdeurwaarders. (Voor zover ik kan nagaan werd dit arrest niet gepubliceerd in Juportal.)

Inzet van het geschil ten grond was de vraag of er door de rechtbank een vereffenaar diende te worden aangesteld voor de afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de maten.

Het arrest a quo van het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde dat er een maatschap was tussen de natuurlijke personen gerechtsdeurwaarders die hun arbeid inbrachten, waarbij het saldo van de winsten na betaling van de werkingskosten en de vergoedingen van gerechtsdeurwaarder 1 en 2 werden gereserveerd bij de BV van gerechtsdeurwaarder drie. Het Hof van Beroep oordeelde dat, omdat er geen sprake was van een onderneming in mede-eigendom tussen de maten, er geen vereffenaar diende te worden aangesteld bij afwezigheid van gezamenlijke eigendom. Het Hof van Cassatie vond dit in de geschetste omstandigheden geen verantwoording naar recht.

Continue reading “De maatschap en de vereffening van haar onderneming – Cass. 30 september 2021”

De ‘quasi’ in de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent

Cass. 4 februari 2022 (C.21/0278.F)

De aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten betreft de vraag in welke mate een contractuele schuldeiser een buitencontractuele vordering heeft indien een uitvoeringsagent van zijn schuldenaar door een onrechtmatige daad schade veroorzaakt aan deze contractuele schuldeisers. In de praktijk is een belangrijk toepassingsgeval de aansprakelijkheid van een bestuurder (C) van een rechtspersoon (B) t.a.v. een contractspartner (A) van die rechtspersoon.

In het huidige recht heeft de uitvoeringsagent, een verregaande immuniteit t.a.v. de contractuele schuldeiser van zijn opdrachtgever: A kan C in de regel niet aanspreken. Het oud BW zelf zwijgt hierover; deze immuniteit volgt uit vaststaande rechtspraak sinds het bekende Stuwadoors-arrest uit 1973 (Cass. 7 december 1973, NV Muller-Thomson en NV Wm. H. Muller & cot/ Royal Insurance Company Ltd, Arr. Cass. 1974, 1974, 395; JT 1974, 443; Pas. 1974, 376; RW 1973-1974, 1597, noot J. Herbots). Zie hier, hier en hier voor de wilde plannen m.b.t. de uitvoeringsagent in het ontwerp van nieuw buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht.

Een klassieke uitzondering op de immuniteit van de uitvoeringsagent betreft fouten die ook een misdrijf uitmaken (bv. onvrijwillige slagen en verwondingen). Vandaar dat er meestal sprake is van een ‘quasi-immuniteit’. Een arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2022 behandelt de vraag of deze uitzondering op een burgerrechtelijke immuniteit veronderstelt dat de betrokken uitvoeringsagent voor de strafrechter werd vervolgd en veroordeeld.

Continue reading “De ‘quasi’ in de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent”

Is de vereffenaar een mini-curator?

Cass. 26 november 2021 (C.20.0572.F)

Een curator is de bewindvoerder van de faillissementsboedel. Die boedel bundelt de executierechten van de schuldeisers in het kader van het algemeen beslag op het vermogen van de debiteur. De curator heeft daardoor zowel de ‘partijrechten’ van de debiteur als ‘derdenrechten’ van de schuldeisers (bv. pauliana, bv. mogelijkheid om zich soms op niet-tegenwerpelijkheid te beroepen, bv. mogelijkheid om collectieve schade te vorderen die debiteur zelf buiten faillissement niet zou kunnen vorderen).

Een vereffenaar, aangesteld bij ontbinding van een rechtspersoon, is daarentegen een orgaan van de rechtspersoon. De vereffenaar heeft in beginsel enkel de rechten die de rechtspersoon zelf heeft. Dat geldt ook bij een deficitaire vereffening, die nochtans dezelfde situatie wil afwikkelen als een faillissement.

Er bestaan goede redenen voor dat verschil in bevoegdheden: de vereffenaar wordt doorgaans door de algemene vergadering van aandeelhouders aangesteld en biedt daarom niet dezelfde garanties inzake onafhankelijkheid als een curator. Het zou onverantwoord zijn dat de vereffenaar zoals een curator de rechten van de schuldeisers overneemt. (Daarmee is overigens niet gezegd dat er geen garanties zijn omtrent een ordentelijke vereffening, zie J. Van Eetvelde, Ontbinding en vereffening van vennootschappen, Proefschrift KU Leuven, 2022, 388 e.v.).

In een arrest van 26 november 2021 kon het Hof van Cassatie deze principes bevestigen m.b.t. de bevoegdheid inzake collectieve schade voor de vereffenaar van een commanditaire vennootschap: “[Si le liquidateur] exerce ses pouvoirs dans l’intérêt de la société et des créanciers, le liquidateur ne représente que la société et non les créanciers. Il ne peut dès lors mettre en œuvre que les actions qui appartiennent à la société.

Continue reading “Is de vereffenaar een mini-curator?”

Behoort een huur- of bezettingsvergoeding na faillissement tot de onroerende boedel of de algemene boedel?

Cass. 9 december 2021 (C.21.0159)

Art. 1576 al. 1 Ger. W. bepaalt : “Huur- en pachtgelden worden vanaf het beslagexploot voor onroerend gehouden om, samen met de prijs van het onroerend goed, volgens de rang van de hypotheken te worden verdeeld.

Geldt dit ook voor gelden die worden ontvangen na faillissement? En voor een vergoeding in het kader van een bezetting ter bede? Het Hof van Cassatie deed er uitspraak over in een arrest van 9 december 2021:

Continue reading “Behoort een huur- of bezettingsvergoeding na faillissement tot de onroerende boedel of de algemene boedel?”

%d bloggers like this: