Welke afspraken van de schuldenaar moeten zijn schuldeisers ondergaan? Het bijzondere geval van schuldvorderingen, aandelen en andere onlichamelijke goederen

Themis Insolventierecht

De basisregel inzake de tegenwerpelijkheid van contracten vanuit het standpunt van schuldeisers is deze: louter verbintenisrechtelijke afspraken (die geen overdracht, afstand of vestiging van zakelijke rechten inhouden) hebben geen zakelijke werking en uitwinnende schuldeisers moeten ze niet ondergaan. Dit moet echter worden genuanceerd voor schuldvorderingen en andere onlichamelijke goederen (zoals aandelen).

Continue reading “Welke afspraken van de schuldenaar moeten zijn schuldeisers ondergaan? Het bijzondere geval van schuldvorderingen, aandelen en andere onlichamelijke goederen”

Dwangsommen: het ene verzet is het andere niet (Cass. 3 januari 2025)

Een post door mr. Stan Brijs

In een didactisch arrest van 3 januari 2025 licht het Hof van Cassatie het belang toe van de grenzen van het bevel tot betalen voor verbeurde dwangsommen omdat die op hun beurt de omvang bepalen van het verzet bij de beslagrechter tegen dit bevel (Cass. 3 januari 2025, C.23.0332.N, NjW, 2025, 654; voor een bespreking van (o.m.) dit arrest, zie Dupont, L., “Dwangsommen invorderen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan”, NjW 2025, 634-645).

Continue reading “Dwangsommen: het ene verzet is het andere niet (Cass. 3 januari 2025)”

Vossenberg-arrest: schadeberekening bij bestuursaansprakelijkheid voor selectieve betaling in het zicht van het faillissement

Cass. 2 april 2026 (‘Domein Vossenberg’)

Een arrest van het Hof van Cassatie van 2 april 2026 spreekt zich uit over de schadeberekening bij bestuursaansprakelijkheid voor selectieve betalingen in articulo mortis:

Ik wil hier even kort langs drie juridische vragen fietsen: (i) wanneer is er sprake van een onrechtmatige selectieve betaling?; (ii) leidt een selectieve betaling tot collectieve schade (door de curator te vorderen) of individuele schade(door individuele benadeelde schuldeisers te vorderen)? en (iii) hoe wordt die schade concreet berekend?

Het besproken arrest spreekt zich enkel ook over de laatste vraag, al wordt er daarbij vanuit gegaan dat het om collectieve schade gaat. Ik beperk me tot twee bronnen — maar wat voor bronnen: de Leuvense proefschriften van Lindemans (Schuldeiser & rechtspersoon) en Verheyden (Collectieve en individuele schade).

Continue reading “Vossenberg-arrest: schadeberekening bij bestuursaansprakelijkheid voor selectieve betaling in het zicht van het faillissement”

Studienamiddag: Het nieuwe Europese antiwitwaspakket: perspectieven op een eengemaakt kader

Studienamiddag UHasselt – 25 Juni 2026 – Oude Gevangenis

Het bestaande wettelijke antiwitwaskader staat aan de vooravond van een ingrijpende hervorming, die bovendien op Europeesrechtelijke leest is geschoeid. Tijdens deze studienamiddag krijgt u een helder en praktijkgericht overzicht van de actuele ontwikkelingen, met bijzondere aandacht voor het Europese AML Single Rulebook, dat in 2027 een nieuw eengemaakt regelgevend kader zal vormen.

Een must voor juridische professionals en andere actoren die met de toepassing van antiwitwasregels in aanraking komen en die hun kennis willen verdiepen, actualiseren en vooruit willen kijken naar de impact van deze nieuwe regelgeving op hun dagelijkse praktijk.


Programma

TimingOnderwerpen
12.00-12.45Ontvangst met broodjeslunch
12.45-13.00Verwelkoming en inleiding door de voorzitter(s)Niels Appermont en Thomas Incalza
13.00-13.30Witte rook in Brussel en in Frankfurt. Nieuwe mogelijkheden en partners voor CFI en AMLA in de strijd tegen witwassen
Dhr. Kris Meskens, secretaris-generaal CTIF-CFI
13.30-14.00AMLR: Enkele topics uitgelicht
Dhr. Frans Thierens, AMLCO KBC Bank & KBC Verzekeringen
14.00-14.30Fiscale fraude en witwassen: recente ontwikkelingen
Prof. dr. Caroline Vanderkerken, hoofddocent UHasselt en kamervoorzitter Hof van Beroep Brussel
14.30-15.00De rol van de advocaat in de strijd tegen witwassen
Prof. dr. Thomas Incalza, docent UHasselt en advocaat Quinz
15.00-15.15Vragen
15.15-15.45Koffie en Limburgse vlaai – pauze
15.45-16.15Politionele en gerechtelijke samenwerking op internationaal gebied in de strijd tegen witwassen
Dhr. Francis Desterbeck, em. eerste advocaat-generaal Hof van Beroep Gent
16.15-16.45De impact van de nieuwe witwasregels voor het notariaat
Dhr. Pieter De Beus, Legal Advisor AML, Nationale Kamer van Notarissen
16.45-17.15De strijd tegen witwassen en het professionele voetbal
Prof. dr. Niels Appermont, hoofddocent UHasselt en lid Disciplinaire Raad KBVB
17.15-17.30Vragen

Praktische informatie

Datum & tijd: Donderdag 25 juni, 12.00-17.30

Locatie: Universiteit Hasselt, Martelarenlaan 42 te 3500 Hasselt

Deelnameprijs

  • Standaard: €295
  • Voor magistraten, gerechtelijke stagiairs en refendarissen aangepast tarief
  • personeelsleden UHasselt: gratis

Je kan gebruik maken van KMO-portefeuille (DV.O101614).

Erkenningen in aanvraag

  • Nationale Kamer van Notarissen
  • Financial Markets and Services Authority (FSMA)
  • Instituut voor Bedrijfsrevisoren (IBR)
  • Institute for Tax Advisors and Accountants (ITAA)
  • Orde van Vlaamse Balies (OVB)
  • Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO)

Niels Appermont

Over de verklaring tot onbeslagbaarheid van de hoofdverblijfplaats na faillissement. Zijn onbetaalde aanslagen personenbelasting sowieso schulden van “gemengde aard” ?

Cass. 19 maart 2026, F.24.0073.N

1.

De artikelen 72 tot en met 82 van de wet van 25 april 2007 [1] maken het voor iedere natuurlijke persoon die in België een beroepsbezigheid in hoofdberoep uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is, mogelijk om bij een verklaring voor de notaris zijn hoofdverblijfplaats te onttrekken aan de schuldeisers die een vordering hebben uit hoofde van zijn zelfstandige beroepsbezigheid.

De zelfstandige kan aldus in afwijking van de artikelen 3.35 BW, 3.36 BW en 1560 Ger.W. zijn zakelijke rechten, andere dan het gebruiksrecht en het recht van bewoning, op het onroerend goed waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, niet vatbaar voor beslag verklaren. De woning van de zelfstandige geniet dan “beslagimmuniteit”.

Deze immuniteit heeft enkel uitwerking ten aanzien van schuldvorderingen die betrekking hebben op de beroepsbezigheid op voorwaarde dat deze schulden zijn ontstaan na de inschrijving van de afgelegde verklaring van onbeslagbaarheid. Evenmin heeft de beslagimmuniteit uitwerking ten aanzien van de schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid, noch ten aanzien van de schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.

In de memorie van toelichting wordt nader toegelicht voor welke schulden de wetgever de beslagimmuniteit wou invoeren. [2]

“het betreft de schulden die verbonden zijn aan de zelfstandige beroepsactiviteit. Zijn bedoeld: de contractuele schulden ten aanzien van leveranciers, kredietinstellingen, … De sociale en fiscale schulden zijn eveneens bedoeld in zoverre zij uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid: sociale bijdragen die verschuldigd zijn aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen of aan de nationale hulpkas voor sociale verzekeringen der zelfstandigen  of aan de RSZ, BTW, onroerende voorheffing op materieel en outillage, … De gemengde fiscale schulden, dit wil zeggen, de schulden die niet uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid, worden niet door de wet bedoeld. Het betreft bijvoorbeeld de personenbelasting, die berekend wordt op de beroepsinkomsten, de roerende inkomsten, de onroerende inkomsten en de diverse inkomsten”

De verklaring van onbeslagbaarheid behoudt haar werking na de faillietverklaring. In beginsel is de curator enkel gebonden door de beslagimmuniteit van de hoofdverblijfplaats voor zover alle schuldeisers in het faillissement door deze verklaring zijn gebonden. Met andere woorden, de curator kan overgaan tot de realisatie van het onroerend goed indien in het passief van het faillissement een schuld is opgenomen die ontstaan is vóór het afleggen van de verklaring, dan wel betrekking heeft op een schuld “van gemengde aard”.

2.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2026 handelt over wat begrepen kan worden onder “schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.”

Continue reading “Over de verklaring tot onbeslagbaarheid van de hoofdverblijfplaats na faillissement. Zijn onbetaalde aanslagen personenbelasting sowieso schulden van “gemengde aard” ?”

Welke aandeelhoudersengagementen zijn een persoonlijke zekerheid in de zin van boek 9 BW?

Art. 9.1.2, 9° BW omvat een non-definitie van de patronaatsverklaring als “al dan niet bindende toezegging door een derde dat de hoofdschuldenaar zijn verbintenis zal nakomen”. Welke instumenten vallen nu precies onder boek 9 BW? Anders gezegd: welk aandeelhoudersengagement komt neer op een persoonlijke zekerheid?

De inzet van deze vraag is vooreerst de toepassing van de ‘gemeenschappelijke regels’ van hoofdstuk 1 en de regel dat elke persoonlijke zekerheid vermoged wordt een borgtocht te zijn.Verder wordt biij de patronaatsverklaring die geldt als persoonlijke zekerheid, de zekerheidsteller-consument beschermd door de omzetting van rechtswege in een borgtocht, waarop de regels inzake consumentenborg van toepassing zijn.

Continue reading “Welke aandeelhoudersengagementen zijn een persoonlijke zekerheid in de zin van boek 9 BW?”

‘De curator stapt in de schoenen van de gefailleerde’ – maar kan hij bij simulatie de tegenbrief negeren?

Voorproef Themis Insolventierecht Brussel 21 mei en Leuven (en via livestream) 28 mei 2026

Bij het‘collectief beslag’ ten gevolge van een faillissementsvonnis identificeerde professor Dirix twee op het eerste gezicht tegenstrijdige gevolgen (“Faillissement en lopende overeenkomsten”, RW 2003-04, 203, nr. 8). Enerzijds moeten de gezamenlijke schuldeisers (de faillissementsboedel vertegenwoordigd door de curator) het vermogen van de gefailleerde in beginsel nemen zoals ze het aantreffen, met de rechten en verplichtingen die eraan kleven. De schuldeisers kunnen in beginsel niet beter worden door het faillissement. In dit opzicht vertegenwoordigt de curator de gefailleerde: hij stapt principieel in de schoenen van de gefailleerde zelf en oefent zijn rechten uit. Anderzijds hebben de gezamenlijke schuldeisers (vertegenwoordigd door de curator) ook rechten die de gefailleerde zelf vóór faillissement niet zou kunnen inroepen.

Mijn uiteenzetting op Themis Insolventierecht te Brussel op 21 mei en te Leuven (en via livestream) op 28 mei 2026 wil in een leerstuk dat op twee benen lijkt te hinken, de systematiek schetsen. Een mooi voorbeeld van de problemen daarbij stelt zich bij veinzing door de gefailleerde.

Continue reading “‘De curator stapt in de schoenen van de gefailleerde’ – maar kan hij bij simulatie de tegenbrief negeren?”

Misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek: de belangrijkste aandachtspunten

Een post door meester Maximilien Arnoldy (Janson en VUB)

De invoering van een nieuw Strafwetboek in België was, en is nog steeds, een moeizaam proces. Sinds het ministerieel besluit van 30 oktober 2015, waarbij de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht werd opgericht, werd geprobeerd een nieuw Strafwetboek uit te werken, maar dat verliep bijzonder stroef. Zo stroef zelfs dat de leden van de commissie in 2019 ontslag namen.

In 2020 werd de commissie opnieuw samengesteld en in februari 2024 was het dan eindelijk zover: na meer dan 150 jaar beschikt België over een nieuw Strafwetboek, dat oorspronkelijk op 8 april 2026 in werking zou treden. Terwijl rechtspractici zich op de toepassing ervan voorbereidden, volgde echter een nieuwe valse start: de inwerkingtreding werd uitgesteld tot 1 september 2026.

Na dit uitstel lijkt het evenwel waarschijnlijk dat het nieuwe Strafwetboek binnen enkele maanden effectief in werking zal treden. Dit is dan ook het uitgelezen moment om stil te staan bij de wijzigingen met betrekking tot een van de kernmisdrijven van het ondernemingsstrafrecht: het misbruik van vennootschapsgoederen. Hieronder volgen de vier belangrijkste aandachtspunten.

Eerste aandachtspunt: uitbreiding tot alle rechtspersonen

Artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 beschermt (i) vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en (ii) verenigingen zonder winstoogmerk. Concreet betekende dit dat misbruik van vennootschapsgoederen mogelijk was – naast ten nadele van verenigingen zonder winstoogmerk – ten nadele van de vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap, de besloten vennootschap, de coöperatieve vennootschap, de naamloze vennootschap, de Europese vennootschap en de Europese coöperatieve vennootschap (art. 1:5, §2 WVV). Misbruik van vennootschapsgoederen was daarentegen niet mogelijk ten nadele van een maatschap (wel een vennootschap, maar zonder rechtspersoonlijkheid; art. 1:5, §1 WVV), een feitelijke vereniging (geen vennootschap en geen rechtspersoonlijkheid; art. 1:6, §1 WVV), een stichting (wel rechtspersoonlijkheid, maar geen vennootschap; art. 1:7 WVV) of een Europees economisch samenwerkingsverband (wel rechtspersoonlijkheid, maar geen vennootschap; art. 1:5, §3 WVV). Over de vraag of de internationale vereniging zonder winstoogmerk binnen het toepassingsgebied van artikel 492bis viel, bestond discussie.

Artikel 476 van het Strafwetboek van 2024 beperkt zich niet langer tot vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en verenigingen zonder winstoogmerk, maar breidt het toepassingsgebied uit tot alle rechtspersonen. Dit heeft tot gevolg dat het misdrijf, na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, naast de voormelde vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, ook kan worden gepleegd ten nadele van stichtingen (zowel private als van openbaar nut) en ten nadele van Europese economische samenwerkingsverbanden. Ook valt de internationale vereniging zonder winstoogmerk voortaan onbetwistbaar onder het toepassingsgebied van het misbruik van vennootschapsgoederen. Maatschappen en feitelijke verenigingen beschikken evenwel niet over rechtspersoonlijkheid en blijven bijgevolg uitgesloten van het toepassingsgebied van deze incriminatie.

Het is echter de vraag of er een verantwoorde reden bestaat om maatschappen en feitelijke verenigingen van het misdrijf uit te sluiten. Hoewel deze entiteiten geen rechtspersoonlijkheid bezitten, beschikken zij wel over een afgescheiden vermogen dat door hun bestuurders kan worden misbruikt. In dat geval kunnen deze bestuurders niet worden vervolgd wegens misbruik van vennootschapsgoederen, terwijl bestuurders die identieke handelingen stellen binnen een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting wél strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Naar onze mening is dit onderscheid moeilijk te verantwoorden en verdient het aanbeveling om ook maatschappen en feitelijke verenigingen onder het toepassingsgebied van het misbruik van vennootschapsgoederen te brengen.

Tweede aandachtspunt: de onduidelijkheid over de notie ‘privaatrechtelijke’ rechtspersoon

Naast de uitbreiding van het toepassingsgebied van het misdrijf tot alle rechtspersonen, preciseert het nieuwe Strafwetboek dat het misdrijf enkel toepasselijk is ten aanzien van ‘privaatrechtelijke’ rechtspersonen. Wat de wetgever daarmee precies voor ogen had, is evenwel niet geheel duidelijk. Deze wijziging lijkt immers niet voort te vloeien uit een initiatief van de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht, maar uit een voorstel van de Raad van State tot aanpassing van de benaming van het misdrijf: “In artikel T5H1A2OA1-2 is sprake van ‘een burgerlijke en handelsvennootschap of van een vereniging zonder winstoogmerk’. Het verdient dan ook de voorkeur het misdrijf te omschrijven als ‘misbruik van goederen van een privaatrechtelijke rechtspersoon’ in plaats van ‘misbruik van vennootschapsgoederen’” (Adv. RvS 23 november 2018, nrs. 64.121/1 en 64.126/1, punt 92).

Deze wijziging dient te worden gelezen in samenhang met het principearrest van het Hof van Cassatie van 21 juni 2006 (P.06.0848.F, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060621.14). In dat arrest oordeelde het Hof dat uit de algemene bewoordingen van artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 en uit de parlementaire voorbereiding volgt dat deze bepaling van toepassing is op bestuurders van alle burgerlijke of handelsvennootschappen met rechtspersoonlijkheid en van verenigingen zonder winstoogmerk, zonder onderscheid naargelang deze rechtspersonen al dan niet een publiekrechtelijk karakter hebben. Hierbij dient evenwel een belangrijke nuance te worden aangebracht. Het arrest stelt met name niet dat het misdrijf van toepassing is op alle publiekrechtelijke rechtspersonen, maar slechts dat het van toepassing is op vennootschappen met rechtspersoonlijkheid of verenigingen zonder winstoogmerk, zonder onderscheid of die rechtspersonen al dan niet een publiekrechtelijk karakter hebben. Het Hof stelt met andere woorden dat het misdrijf van toepassing kan zijn op publiekrechtelijke rechtspersonen die één van de rechtsvormen van het privaatrecht, overeenkomstig het toenmalige W.Venn. en vandaag het WVV, hebben aangenomen.

De expliciete toevoeging van de notie ‘privaatrechtelijke’ rechtspersonen kan bijgevolg tot verwarring leiden. Mede gelet op de autonomie van het strafrecht, kunnen uit deze terminologie twee interpretaties voortvloeien:

  • Indien de notie ‘privaatrechtelijke’ wijst op het maatschappelijk doel zou men hieruit kunnen afleiden dat het nieuwe misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, in tegenstelling tot het hierboven besproken cassatiearrest, slechts van toepassing is op rechtspersonen die een privaatrechtelijk doel nastreven en niet op rechtspersonen die een publiekrechtelijk doel nastreven;
  • Indien de notie ‘privaatrechtelijke’ wijst op de rechtsvorm, dan zou men hieruit kunnen afleiden dat het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, in dezelfde lijn als het hierboven besproken cassatiearrest, slechts van toepassing is op rechtspersonen die een privaatrechtelijke rechtsvorm van het WVV aannemen (ongeacht hun maatschappelijk doel) en niet op rechtspersonen die een rechtsvorm buiten het WVV hebben aangenomen.

Hoogstwaarschijnlijk had de wetgever de tweede interpretatie voor ogen en was het geenszins de bedoeling om rechtspersonen met een publiekrechtelijk karakter, maar met een privaatrechtelijke rechtsvorm van het WVV, uit het toepassingsgebied van het misdrijf te sluiten. Dit blijkt ook impliciet uit de memorie van toelichting, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de bestaande definitie van het misdrijf wordt overgenomen met het oog op het behoud van de verworvenheden uit de rechtspraak en de rechtsleer over de draagwijdte en interpretatie ervan (Parl.St. Kamer 2022-2023, nr. 3518/001, 464).

Derde aandachtspunt: de bestraffing, in het bijzonder de geldstraf vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel, en de toepassing van de strafwet in de tijd

Artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 voorziet voor natuurlijke personen in een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 100 tot 500.000 EUR. Met toepassing van 70 deciemen kan deze geldboete oplopen tot 4 miljoen EUR en, voor feiten gepleegd na 1 februari 2026 (90 deciemen), zelfs tot 5 miljoen EUR. Voor rechtspersonen bedraagt de geldboete, op grond van het in artikel 41bis Sw. 1867 voorziene conversiemechanisme, maximaal 1 miljoen EUR. Na toepassing van de opdeciemen kan dit oplopen tot 8 miljoen EUR en, voor feiten gepleegd na 1 februari 2026, tot 10 miljoen EUR.

Artikel 476 van het Strafwetboek van 2024 voorzag voor misbruik van vennootschapsgoederen oorspronkelijk in een straf van niveau 2, maar dit werd uiteindelijk een straf van niveau 3. Voor natuurlijke personen betreft dit een gevangenisstraf van drie tot vijf jaar (art. 36 Sw. 2024) en een geldboete van 200 tot 10.000 EUR (art. 52 Sw. 2024). Voor rechtspersonen kan de geldboete als hoofdstraf oplopen tot 600.000 EUR (art. 38 Sw. 2024). Hoewel op deze vermogensstraffen onmiddellijk 2,5 opdecimes (x 1,25) zullen moeten worden toegepast, lijken de straffen voor misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek op het eerste gezicht aanzienlijk lager dan onder het Strafwetboek van 1867.

Dat de strafmaat in werkelijkheid minder zwaar zou zijn, is evenwel slechts schijn. De wetgever erkent dit ook uitdrukkelijk. Het nieuwe Strafwetboek voorziet immers in de mogelijkheid voor de rechter om een geldstraf op te leggen die wordt vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel dat uit het misdrijf werd behaald (art. 55 Sw. 2024). Deze geldstraf beoogt de dader financieel te sanctioneren in verhouding tot de concrete economische inzet van het misdrijf en kan worden opgelegd bovenop een eventuele verbeurdverklaring. Wanneer het misdrijf ertoe strekte rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te behalen, en de rechter de wettelijk bepaalde geldboete ontoereikend acht, kan hij dader veroordelen tot betaling van een bedrag dat overeenstemt met maximaal het drievoud van het vermogensvoordeel dat werd behaald of beoogd, in plaats van de bijkomende geldboete.

Voor feiten die werden gepleegd vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, maar pas nadien worden berecht, dient te worden nagegaan welke strafwet de meest gunstige is voor de beklaagde (art. 2 Sw. 1867 / 2024). Dit vergt o.i. een concrete beoordeling van de mogelijke financiële impact van beide regimes:

  • Indien een beklaagde (natuurlijke persoon) vóór de inwerkingtreding van het Strafwetboek van 2024 misbruik van vennootschapsgoederen pleegt en na de inwerkingtreding ervan wordt berecht, en hij uit dit misdrijf een vermogensvoordeel van 1 miljoen EUR heeft behaald of beoogd, dan kan de rechter op grond van artikel 492bis Sw. 1867, na toepassing van 90 opdeciemen (voor feiten vanaf 1 februari 2026), een maximale geldboete van 5 miljoen EUR opleggen. Onder het Strafwetboek van 2024 kan de rechter – indien hij de geldboete van 10.000 EUR (te vermenigvuldigen met 1,25) onvoldoende acht – op basis van artikel 55 Sw. 2024 een geldstraf opleggen tot maximaal 3 miljoen EUR (het drievoud van het vermogensvoordeel). In dat geval is het nieuwe Strafwetboek gunstiger en dient het te worden toegepast.
  • Indien dezelfde beklaagde evenwel uit dit misdrijf 5 miljoen EUR heeft behaald of hoopte te behalen, dan zal de maximale geldboete van 5 miljoen EUR van artikel 492bis Sw. 1867 gunstiger zijn dan de maximale geldstraf van 15 miljoen EUR (3 x 5 miljoen EUR) die de rechter zou kunnen opleggen op basis van artikel 55 Sw. 2024. De geldboete van Sw. 1867 zal dan moeten worden toegepast.

Vierde aandachtspunt: het residuaire karakter van het misbruik van vennootschapsgoederen ten aanzien van misbruik van vertrouwen

Het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen is nauw verwant met het misdrijf van misbruik van vertrouwen. Zowel in het Strafwetboek van 1867 als in het Strafwetboek van 2024 is het misbruik van vennootschapsgoederen ondergebracht in de (onder)afdeling “Misbruik van vertrouwen”.

Bij de invoering van het misbruik van vennootschapsgoederen in het Strafwetboek, via de Faillissementswet van 1997, heeft de wetgever ervoor gekozen om het misdrijf te beperken tot gedragingen die op betekenisvolle wijze afbreuk doen aan de vermogensbelangen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers of vennoten. Hiermee wilde de wetgever “vermijden dat bagatelzaken aan de strafrechter zouden worden voorgelegd, en zo verstikkend zouden […] werken op het normale functioneren van een vennootschap” (amendement nr. 114 (VANDENBERGHE H.) op het ontwerp van faillissementswet, Parl.St. Senaat 1996-1997, nr. 1-499/7, 4-5). Omdat aldus enkel de zwaarste misbruiken onder het toepassingsgebied van het misdrijf vielen, voorzag het Strafwetboek van 1867 in aanzienlijk zwaardere pecuniaire straffen voor misbruik van vennootschapsgoederen dan voor misbruik van vertrouwen: maximaal 500.000 EUR tegenover maximaal 500 EUR.

Het is evenwel mogelijk dat een bestuurder tegelijkertijd zowel misbruik van vertrouwen als misbruik van vennootschapsgoederen pleegt. Gelden van een vennootschap zijn immers ten bede toevertrouwd aan haar bestuurders, die deze gelden enkel mogen beheren en besteden in het belang van de vennootschap. Er kan dan bijgevolg ook sprake zijn van misbruik van vertrouwen wanneer de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent (zie bv. P.22.1716.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.7). In dergelijke gevallen is er sprake van eendaadse samenloop, waarbij enkel de zwaarste straf wordt uitgesproken (art. 65 Sw. 1867; art. 61 Sw. 2024).

Onder het regime van het Strafwetboek van 1867 had het openbaar ministerie er, ondanks de zwaardere bewijslast voor misbruik van vennootschapsgoederen (met name het vereiste van een betekenisvol nadeel), belang bij om dit misdrijf te vervolgen, gelet op de aanzienlijk hogere straffen.

Onder het nieuwe Strafwetboek worden evenwel identieke strafniveaus voorzien voor misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen (strafniveau 3), eventueel aangevuld met een geldstraf vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel (zie supra). Dit heeft tot gevolg dat het openbaar ministerie bij eendaadse samenloop tussen beide misdrijven in beginsel geen specifiek vervolgingsbelang meer heeft om te opteren voor misbruik van vennootschapsgoederen.

Met andere woorden: het misbruik van vennootschapsgoederen dreigt een residuair misdrijf te worden, dat in de praktijk enkel nog zal worden toegepast wanneer de feiten niet onder het toepassingsgebied van misbruik van vertrouwen vallen. Gelet op de recente uitbreiding bij wet van 12 juli 2023 van het toepassingsgebied van misbruik van vertrouwen tot alle roerende goederen, zowel lichamelijke als onlichamelijke, kan hierbij in het bijzonder worden gedacht aan twee hypothesen:

  • wanneer er geen sprake is van verduistering of verspilling in de zin van misbruik van vertrouwen, maar wel van een ongeoorloofd gebruik in de zin van misbruik van vennootschapsgoederen. De notie ‘gebruik’ in laatstgenoemd misdrijf is immers ruimer dan de noties ‘verduistering’ en ‘verspilling’ in het kader van misbruik van vertrouwen;
  • wanneer het geen roerende goederen betreft. Het toepassingsgebied van misbruik van vennootschapsgoederen is immers niet beperkt tot roerende goederen, maar omvat in ruime zin de goederen en het krediet van de rechtspersoon.

Enkel in dergelijke situaties – waarin geen sprake is van eendaadse samenloop – zal het openbaar ministerie onder het nieuwe Strafwetboek nog een vervolgingsbelang hebben bij het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen.

Het volledige onderzoek van de auteur naar het misbruik van vennootschapsgoederen onder het Strafwetboek van 1867 en het Strafwetboek van 2024 is opgenomen in het verzamelwerk Juridische Meesterwerken VUB 2026 (Juridische Meesterwerken VUB – Uitgave 2026 – Knopspublishing en beschikbaar via Strada lex).

Maximilien Arnoldy
Advocaat (Janson)
Praktijkassistent Strafprocesrecht VUB

Continue reading “Misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek: de belangrijkste aandachtspunten”

Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang

Bij vennootschappen dient een persoonlijke of zakelijke zekerheid die wordt gesteld voor de schuld van een derde en zonder een marktconforme vergoeding verantwoordbaar zijn vanuit het eigen belang van die rechtspersoon.

Daarmee heeft de rechtspersoon een grens aan het beheer van het vermogen die een natuurlijke persoon niet heeft (al zijn er bij natuurlijke personen ook wel een reeks aanvechtingsmogelijkheden voor verarmende handelingen). Dat is de ‘prijs’ die betaald moet worden om te kunnen genieten van vermogenssplitsing (beperkte aansprakelijk en afgescheiden vermogen).

In bv. een vennootschapsgroep zullen activa en passiva worden gecompartimentaliseerd door het oprichten van dochtervennootschappen, waarbij de activa van een entiteit enkel dienen tot verhaal van de schuldeisers van die entiteit en schulden niet kunnen worden verhaald bij andere entiteiten. De prijs die hiervoor betaald moet worden is dat er niet zomaar met activa en schulden geschoven kan worden, bv. door het aangaan van zekerheden. In dat opzicht is de toets aan het vennootschapsbelang een regel van vermogensbescherming die schuldeisers en (eventuele) minderheidsaandeelhouders van een dochtervennootschap wil beschermen.

Dat betekent geenszins dat een zekerheid gesteld voor een andere vennootschap binnen een groep per se strijdig is met het vennootschapsbelang. De rechtspraak erkent dat het individuele vennootschapsbelang op lange termijn gebaat kan met een opoffering op korte termijn in het groepsbelang (zie hierover bv. J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans, “Curb Your Opportunism: Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency in Belgium”, in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, NACIIL Preadviezen, Eleven, Den Haag, 2018, 40 e.v.).

Meestal wordt dit probleem enkel besproken voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Ook andere (privaatrechtelijke) rechtspersonen moeten in principe handelen in hun eigen belang.

Continue reading “Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang”

Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?

Volgens artikel 1:2 en 1:3 WVV streeft elke VZW of stichting “een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft.” Regelmatig rijst de vraag: “Wat houdt een belangeloos doel precies in?” of ook “Wanneer is een doel belangeloos?” In deze blogpost verduidelijken we waarom die vraag niet eenduidig te beantwoorden is. Het ene belangeloos doel is immers niet het andere.

Continue reading “Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?”

Het uitkeringsverbod bij VZW en stichting: de toets van de marktconformiteit als centrale waarborg tegen vermogenslekken

Artikel 1:2 en artikel 1:3 WVV definiëren het uitkeringsverbod als het verbod voor VZW en stichting om rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen” aan haar oprichters, leden, bestuurders of enig ander persoon, behalve voor uitkeringen die gebeuren in het in de statuten bepaald belangeloos doel. Het uitkeringsverbod onderscheidt VZW’s en stichtingen van vennootschappen. Terwijl het vermogen van een VZW of stichting niet mag worden uitgekeerd aan de personen die het voor het zeggen hebben in de organisatie (de zogenaamde insiders), mogen vennootschappen daarentegen wel uitkeringen doen aan hun aandeelhouders, mits naleving van de wettelijke voorschriften.

Het belang van het uitkeringsverbod is niet te onderschatten.

Continue reading “Het uitkeringsverbod bij VZW en stichting: de toets van de marktconformiteit als centrale waarborg tegen vermogenslekken”

Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Een persoonlijke zekerheid door een vertegenwoordiger van een vennootschap kan niet worden ‘verborgen’ in een overeenkomst met de vennootschap die door die vertegenwoordiger wordt ondertekend. De cassatierechtspraak uit de laatste jaren bevestigt in dit verband een gezond formalisme, dat de partij die een zekerheid bedingt verplicht om die zekerheid bij de contractsluiting onmiskenbaar naar voren te schuiven.

Continue reading “Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden”

Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, 14 november 2025

In het eerste college aan studenten van de master Vennootschapsrecht wil ik wel eens de kille buitenwereld binnenhalen door te stellen dat ‘corporate lawyers’ in de eerste jaren van hun carrière 1/3de van hun tijd bezig zijn met het kiezen en correct identificeren van de correcte partij en desgevallend tegenpartij bij allerlei rechtshandelingen.

Welke entiteit van de groep moet partij zijn bij de overeenkomst?; wie moet zich verbinden bij een engagement om het kapitaal te verhogen of een contract met een change-in-control bepaling goed te keuren?; hoe voorkomen dat een overdrachtsbeperking wordt omzeild door een overdracht van de aandelen in de aandeelhouder?; hoe meer in het algemeen contractueel regelen dat met de tegenpartij verwante personen het doel van het contract niet onderuit halen?; wie moet dagvaarden onder een overeenkomst met een vennootschap in oprichting als die oprichting nog niet heeft plaatsgevonden?; wie moet partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst als aandelen in een maatschap zijn ingebracht? … (M.b.t. tot de laatste vraag: evident in ieder geval ook de maatschap, maar geloof me dat er vaak niet wordt aan gedacht).

Een recent vonnis van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (eerst hier gesignaleerd op Linkedin) illustreert de ingrijpende gevolgen als daar niet wordt over nagedacht — overigens in een veel meer basale casus dan de vragen hiervoor.

Dit is een essentieel aandachtspunt bij alle agressieve rechtshandeling tegen of namens rechtspersonen. Met agressieve rechtshandelingen bedoel ik handelingen die de tegenpartij liever niet ziet komen. Als partijen hetzelfde willen is een verkeerde rechtspersoon snel rechtgezet. Agressieve rechtshandelingen zijn uiteraard dagvaardingen en andere proceshandelingen, maar ook opzeggingen, ingebrekestellingen, eenzijdige mededelingen tot buitengerechtelijke ontbinding, enz. Bij buitengerechtelijke handelingen gebeuren er overigens meer ongelukken, omdat ze niet altijd door juristen worden opgesteld en uitgestuurd. Bij dagvaardingen is er de controle door advocaat en gerechtsdeurwaarder. Dat dit geen volledige garantie biedt toont de besproken uitspraak aan.

Read more: Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

De belangrijkste feiten die aanleiding gaven tot de uitspraak zijn als volgt:

  • Een Belgische technologievennootschap (verweerder) heeft een contractuele relatie met een internationale rekruteringsgroep, laten we het pseudonimiseren als de Headhunter Group. (De officiële pseudonimisering van het vonnis helpt niet echt de lectuur.)
  • Headhunter Group heeft een Ltd. in London (Headhunter Group Ltd) die een bijkantoor in België heeft. Een ‘bijkantoor hebben’ wil zeggen dat deze Engelse vennootschap voldoende aanwezig is om onderworpen te worden aan enkele Belgische verplichtingen, niet in het minst de verplichting om zoals Belgische vennootschappen bepaalde elementen te publiceren ter griffie en het BS en ook in het KBO. Een bijkantoor is geen aparte entiteit: contracten bevoegd afgesloten namens het bijkantoor maken de Engelse Ltd partij.
  • Daarnaast is een Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de Headhunter Group: Headhunter Group Belgium BV, vermoedelijk een dochter- of zustervennootschap van de Engelse Ltd.
  • Hoe die contractuele relatie is gedocumenteerd is niet heel duidelijk. Het lijkt erop dat, zoals zo vaak, er geen onderhandse akte is waarop alle partijen duidelijk zijn geïdentificeerd. Wel is er sprake van algemene voorwaarden die zijn uitgewisseld en facturen die werd gestuurd aan de verweerder — telkens naar ik begrijp door Headhunter Group Ltd.
  • De verweerder betaalt niet de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor de aanbreng van een consultant en wordt gedagvaard door “Headhunter Group Belgium BV, onderdeel van Headhunter Group Limited, vennootschap naar het Engels recht“.

    Dat is op zich al een erg eigenaardige identificatie. Er wordt duidelijk verwezen naar de Belgische BV, maar toch wordt de link met Engelse Ltd gelegd, met ook haar volledige identificatie; dat is iets dat je enkel doet bij een bijkantoor, dat immers geen zelfstandige rechtspersoon is en slechts het ‘loket’ van de buitenlandse vennootschap.

    Verder is het bizar om de Belgisch BV te omschrijven als “een onderdeel van Headhunter Group Limited”; een rechtspersoon die onderdeel is van een andere rechtspersoon is geen dingetje naar Belgisch recht; en naar ik vermoed evenmin naar Engels recht. Een rechtspersoon kan wel gecontroleerd worden door een andere rechtspersoon; en aldus deel uit maken van een groep. Een groep is echter naar Belgisch en naar Engels geen zelfstandige entiteit, heeft geen eigen rechten en verplichtingen en kan niet in rechte treden of worden gedaagd. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat er materieelrechtelijk vereenzelviging (‘doorbraak’) is, waarbij entiteiten van een groep aansprakelijk zijn voor mekaars schulden, zal elke entiteit afzonderlijk moeten worden in het geding betrokken als men wil uitvoeren op haar goederen.

Met andere woorden: de identificatie van de eiser kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan de Belgische rechtspersoon Headhunter Group Belgium BV. De verwijzing naar Headhunter Group Ltd is te nietszeggend om te kunnen argumenteren dat het hier gaat om een ongelukkige identificatie van het Belgisch bijkantoor.

De rechtbank wijst de eis dan ook af wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser werd veroordeeld tot de kosten van het geding en de juiste vennootschap moet hopen dat de vordering intussen niet is verjaard.

De afwijzing ligt wat mij betreft voor de hand. Wel zou ik eerder simpelweg spreken van ongegrondheid. De eiser beweert een recht te hebben dat hij duidelijk niet heeft, nl. een contractuele vordering onder een contract waarbij hij geen partij is. Dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid heeft wellicht geen belang.

* * *

De verliezende eiser argumenteerde dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt.

Als dat al zo zou zijn, dan zou ik denken dat een fout m.b.t. de eiser strenger moet worden beoordeeld dan een verkeerde vermelding van de verweerder. Vergissingen omtrent de complexe structuur van een ander zijn sneller te vergeven dan over de eigen zelfgekozen en per hypothese gekende complexiteit. (Al zijn vergissingen over de eigen structuur, opnieuw, veel meer courant dan men zou denken. In de praktijk zijn rechtspersonen ook maar drukke, op pensioen gaande en van job veranderende mensen.)

De juridische middelen voor vergeving van de vergissing lijken me dan niet in het procesrecht (gebrek aan belangenschade) te vinden, maar in het verbintenissenrecht. De eiser zou kunnen aanvoeren dat de (verkeerde) verweerder een fout pleegde die leidde tot het verkeerde idee dat hij de correcte tegenpartij was, minstens dat er in die zin een schijn was die de verweerder kan worden toegerekend.

Het loutere feit dat er meerdere vennootschappen of bijkantoren zijn met een gelijkende naam volstaat uiteraard niet om te spreken van een fout of toerekenbare schijn. Dit is dagelijkse kost in de ondernemingswereld. Wat relevant kan zijn is als de tegenpartij zelf niet duidelijk was in haar identificatie en/of verwarring .

(Om een beroep op de schijnleer te vermijden hebben internationale groepen van dienstverleners, zoals advocatenkantoren of accountants, uitgebreide e-mailondertekeningen om aan te geven dat er verschillende rechtspersonen zijn en namens welke in het concreet geval wordt geadviseerd. Dit voorkomt dat op grond van de schijnleer een accident bij één entiteit, de rest mee de dieperik in kan sleuren. Wie daar doorgaans meer nonchalant mee omgaat zijn dienstverleners die gebruik maken van een managementvennootschap — ook advocaten. De kinderen van de schoenmaker lopen vaak op klompen.)

* * *

De les is dus: kijk goed wie je tegenpartij is in de contractuele documentatie en stuur je opzegging, ingebrekestelling of dagvaarding naar deze partij.

Nee!

Het contract is slechts het startpunt van de identificatieoefening. De partij bij de overeenkomst is vaak niet de partij die eiser of verweerder hoeft te zijn. De contractuele rechten en plichten kunnen immers intussen zijn overgedragen.

Zo kan de tegenpartij het contract hebben overgedragen. Vaak gebeurt dit in het kader van de overdracht van een bedrijfstak, waarbij wordt meegedeeld: gelieve vanaf nu de facturen te betalen op een nieuw rekeningnummer en een nieuwe entiteit. Moet de andere partij dan daarvoor geen toestemming geven? Indien de contractuele verhouding wordt verdergezet en de facturen betaald, gebeurt die toestemming impliciet. Vaak is er ook geen reden om er tegen te zijn; het briefje wordt behandeld als een louter praktisch punt voor Jeanine van boekhouding. Pas later, als verhouding misloopt, moet gehoopt worden dat Josiane van legal een performant informatiesysteem heeft opgezet waardoor het oorspronkelijk contract gelinkt wordt aan de mededeling van de overdracht.

Nog gevaarlijker — en voor vele litigators een makkelijk te vermijden dode hoek — zijn contractsoverdrachten die helemaal niet moeten worden meegedeeld. Dat geldt met name voor herstructureringen in de zin van Boek 12 WVV, zoals een splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak of algemeenheid, waarbij contracten, rechten en verplichtingen overgaan van één rechtspersoon (soms een natuurlijke persoon) op een andere rechtspersoon. De toestemming van de tegenpartij is niet vereist; de overdracht is immers tegenwerpelijk door publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 2:18 WVV). Wie de overdragende vennootschap dagvaardt zal zijn eis zien worden afgewezen (B. Tilleman, N. Van Dammen en K. Dewaele, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, die Keure, 2020, 113, nr. 129).

Elke tegenwerpelijkheidsregel legt een onderzoekslast op. Vaak ligt die onderzoekslast voor de hand. Wie een onroerend goed koopt weet dat hij het hypotheekregister moet checken of er tegenwerpelijke conflicterende zakelijke rechten zijn. Wie een contract afsluit met een vennootschap, weet dat handtekeningsregeling moeten worden gecheckt. Iedere professionele koper checkt bij aankoop van een roerend goed het pandregister op zoek naar een tegenwerpelijk pandrecht of eigendomsvoorbehoud — ja toch?

Minder intuïtief is dat bij elke dagvaarding namens of tegen een rechtspersoon, buiten de context van elke herstructurering om, in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moet worden gecheckt of er geen tegenwerpelijke overdracht van de litigieuze rechten en verplichtingen is gebeurd.

1/3de van de arbeidstijd? Het zal maar een beetje overdreven zijn.

Joeri Vananroye

CORRECTIE: Een eerdere versie verwarde de datum van het vonnis met de datum van publicatie van het vonnis. Dit werd rechtgezet.

Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert

Vincent Verlaeckt (Ondernemingsrechtbank Gent) over Cass. 1 december 2025, C.24.0339.N/1

1.

In een arrest van 1 december 2025 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de problematiek van de aanvang van de termijnen tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis inzake kwijtschelding van restschulden na faillietverklaring van natuurlijke personen.

Meer bepaald over de vraag of de kennisgeving bij gerechtsbrief een beroepstermijn doet aanvangen.

Continue reading “Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert”

Kanttekeningen bij de kwijtschelding

Een post door mr. Guus Van de Voorde (Eubelius)

Van lijfsdwang tot kwijtschelding

Een korte bloemlezing uit de geschiedenis van het insolventierecht toont hoezeer de kwijtschelding een recent gegeven is. Het is nog geen 30 jaar geleden dat de eerste vorm van schuldbevrijding haar intrede maakte in de Belgische rechtsorde met het verschoonbaarheidsregime in de Faillissementswet van ‘98. Daarvoor kon de insolvente schuldenaar levenslang achtervolgd worden door zijn schuldeisers. Het is zelfs nog maar een 150-tal jaar geleden dat hij gespaard wordt van de lijfsdwang.[1] Voorheen was het gebruikelijk dat insolvente schuldenaren strafrechtelijk vervolgd en opgesloten werden.

Nog verder terug in de tijd, in het oude Athene, werkten insolvente schuldenaren in schuldslavernij voor hun schuldeisers tot hun schulden volledig waren afbetaald. Het meest tot de verbeelding spreekt echter de situatie in de oude Romeinse Republiek, waar de derde tafel van de Twaaltafelenwet de insolvente schuldenaar het lot toebedeelde om in stukjes gehakt te worden door zijn schuldeisers in verhouding tot hun aandeel in zijn schulden.[2]

Het contrast met het heden kan dan ook niet groter zijn. Sinds de hervorming van het insolventierecht in 2018 worden alle restschulden van de gefailleerde kwijtgescholden bij de sluiting van het faillissement. Met de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in 2023 gebeurt dat zelfs automatisch, zonder dat de gefailleerde daartoe ook maar enige inspanning moet leveren.[3] In recordtijd is de kwijtschelding dan ook uitgegroeid van de uitzondering en een gunst, tot de regel en een recht.

De fresh start-fetisj

Continue reading “Kanttekeningen bij de kwijtschelding”