De implementatie van de Europese Herstructureringsrichtlijn: naar een nieuw evenwicht tussen aandeelhouders en schuldeisers?

De Belgische wetgever is naarstig bezig met de implementatie van de Europese Herstructureringsrichtlijn. De meest logische manier om die richtlijn te implementeren naar Belgisch recht is via de reorganisatieprocedure door collectief akkoord (zie hierover reeds eerder mijn blogpost op dit forum en mijn publiek toegankelijke bijdrage in het Nederlandse Tijdschrift voor Insolventierecht). De Belgische wetgever moet daarbij een aantal belangrijke knopen doorhakken. Een greep uit de vragen die bij dit proces rijzen (en die ik al uit eigen overtuiging heb beantwoord in mijn proefschrift, waarvan de commerciële editie op 15 april 2021 bij Intersentia zal verschijnen):

Continue reading “De implementatie van de Europese Herstructureringsrichtlijn: naar een nieuw evenwicht tussen aandeelhouders en schuldeisers?”

Belgium introduces pre-pack reorganisation

A post by guest bloggers Eric Blomme and Cécile Odeurs (Baker McKenzie)

The COVID-19 pandemic has put the rescue of struggling but viable businesses front of the agenda.  The initial response of the Belgian government and legislator was a moratorium on enforcement measures and bankruptcy petitions.  Such moratorium can however not be a structural solution in the long term, and expired on 31 January 2021.

The attention then shifted to the improvement of the existing legal framework.  Fortunately, Belgium already benefits from a pre-bankruptcy moratorium procedure designed to rescue struggling businesses (the “judicial reorganisation”).  Although this procedure is well designed, it does suffer one key drawback: its public nature.  In light of cultural and other factors, the opening of such public procedure often leads to a loss of confidence from suppliers and customers and triggers further loss of value.

In this context, on 11 March 2021, the Belgian Chamber of Representatives approved a law modifying the Belgian insolvency code (the “Pre-Pack Law“).  The Pre-Pack Law will shortly be published in the Belgian State Gazette and enter into effect.  The Pre-Pack Law will introduce, among other measures, a non-public pre-pack reorganisation.  The key features of this pre-pack reorganisation are as follows:

Continue reading “Belgium introduces pre-pack reorganisation”

Het optreden van de maatschap in het rechtsverkeer: wat als alle maten moeten ‘meetekenen’?

Een post vorige week zette uiteen hoe de maatschap een eigen vermogen heeft, afgescheiden van de vermogens van de maten. Dit houdt in dat de lotgevallen van de persoonlijke vermogens van de maten – zoals beslag, faillissement, minderjarigheid of andere gevallen van onbekwaamheid – niet het onverdeelde maatschapsvermogen treffen. De zaakvoerder kan zijn of haar statutaire bevoegdheid gebruiken, zonder belemmerd te worden voor een beschikkingsonbevoegdheid of handelingsonbekwaamheid die een individuele maat zou treffen.

Een tweede post eerder deze week zette dan weer uiteen hoe in het rechtsverkeer derden echter niet zomaar zullen vertrouwen op de bevoegdheid van de zaakvoerder en de actualiteit van de voorgelegde statuten. Derden zullen bij belangrijke transacties daarom vaak vragen dat de maten persoonlijk meetekenen met de zaakvoerder.

Ook bleek dat in de registers van de hypotheekbewaarder de identiteit van de maten als mede-eigenaars moeten worden vermeld. Ook een wisseling in het matenbestand (uittreding, toetreding, overdracht van aandelen) geldt als een overdracht van mede-eigendomsrechten die moet worden overgeschreven in het hypotheekregister. Het voorgaande betekent ook dat bij een notariële akte tot overdracht van een zakelijk recht van de maatschap alle maten persoon moeten verschijnen of een notariële volmacht moeten verlenen, ook in de hypothese dat de zaakvoerder volgens de statuten autonoom bevoegd is.

Enerzijds heeft de maatschap dus een verregaande vermogensrechtelijke autonomie: wettelijk door een afgescheiden vermogen en statutair door een zaakvoerder met een verregaande en autonome bevoegdheid. Anderzijds heeft die zaakvoeder dan weer regelmatig de maten nodig om de maatschap te laten deelnemen aan belangrijke transacties.

Hoe die twee vaststellingen verzoenen? Continue reading “Het optreden van de maatschap in het rechtsverkeer: wat als alle maten moeten ‘meetekenen’?”

Praktische problemen bij het optreden van een maatschap in het rechtsverkeer

Maatschap als ‘persona incerta’

De maatschap is niet onderworpen aan een formeel regime inzake oprichting en openbaarmaking (neerlegging van (een uittreksel uit) de oprichtingsakte en bekendmaking in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad), zoals dat wel geldt voor rechtspersonen. Daarmee hangt samen dat de maatschap geen regels kent zoals art. 2:18 – 2:19 WVV, die derden beschermen als die te goeder trouw hebben vertrouwd op de geopenbaarde gegevens.

De inschrijvingsplicht in de KBO die de Wet Hervorming Ondernemings­recht invoerde voor maatschappen in art. III.49 § 1, 1° en 2° WER doet geen afbreuk aan de vorige vaststelling. Al bij al is de draagwijdte van de publiciteit in de KBO zeer beperkt. De KBO heeft als eerste roeping om een interne database voor de overheid te zijn, niet het informeren van derden. Met name krijgt een derde geen inzicht in de identiteit van de maten (tenminste als er een zaakvoerder is – zie hierna), de statuten of de financiële aspecten van een maatschap. De enige saillante informatie voor derden is de identiteit van de zaakvoerder. De vertegenwoordigings­bevoegdheid van de zaakvoerder wordt niet bekendgemaakt, laat staan dat de publicatie een grond vormt van vertegenwoordigingsmacht t.a.v. derden te goeder trouw.

Als we naar de juridische voorschriften kijken, lijkt het nog al mee te vallen met de rechtsgevolgen van de afwezigheid van vennootschapsrechtelijke publiciteit. Die situeren zich vooral bij ‘sterke’ registers zoals het hypotheekregister: daar moet de identiteit van de afzonderlijke maten worden vermeld en volstaat een identificatie onder de vennootschapsnaam dus niet. Bij het optreden in rechte – een ander klassiek domein met strenge identificatievereisten – trad de wetgever in 2018 op om een identificatie louter door de maatschapsnaam mogelijk maken (zie hier en hier).

Een analyse van deze in draagwijdte beperkte wettelijke gevolgen van de afwezigheid van een georganiseerde publiciteit, mist echter het belangrijkste gevolg in het rechtsverkeer: de contractuele tegenpartij van de maatschap die omwille van de afwezigheid van publiciteit er op zal staan dat alle maten mee instemmen met een rechtshandeling. Continue reading “Praktische problemen bij het optreden van een maatschap in het rechtsverkeer”

Het afgescheiden vermogen van de maatschap en de regels inzake het ouderlijk gezag bij minderjarige maten

De maatschap heeft een eigen vermogen, afgescheiden van de vermogens van de maten. Waar dit onder het W.Venn. door de meeste hedendaagse auteurs werd bepleit, blijkt dit sinds de invoering van het WVV duidelijk uit art. 1:1 en 4:13-4:15 WVV.

Het afgescheiden vermogen betekent dat voor vermogensrechtelijke doeleinden de onverdeelde maatschapsgoederen en de mede-eigendomsrechten in die goederen niet behoren tot het vermogen van de afzonderlijke maten. Het is het aandeel in de maatschap zelf dat in het vermogen van de maat valt.

Meestal wordt dit bekeken vanuit de verhaalsrechtelijke positie van schuldeisers:

  • Schuldeisers van de maatschap kunnen als enigen de maatschapsgoederen uitwinnen, met uitsluiting van de louter persoonlijke schuldeisers van de maten.
  • Daarenboven heeft de maatschapsschuldeiser een voorrang als hij de maatschapsgoederen uitwint: hij dient de persoonlijke schuldeisers niet te laten meedelen ten belope van het aandeel van debiteur/maat.
  • Louter persoonlijke schuldeisers kunnen in principe wel beslag leggen op het aandeel van hun schuldenaar in de ganse maatschap. Wel zal bijna altijd de uitwinning van een aandeel in een maatschap botsen op een andere juridische hinderpaal: de wettelijke en statutaire overdrachtsbeperkingen, die zakelijke werking hebben en die dan ook een executoriale verkoop kunnen frustreren.

Meer in het algemeen kan worden gesteld dat vermogensafscheiding impliceert dat enkel het aandeel in de ganse maatschap in de persoonlijke vermogens van de maten valt; niet de afzonderlijke maatschapsgoederen noch de mede-eigendom van de afzonderlijke goederen. De lotgevallen van het persoonlijk vermogen van een maat, zoals onbekwaamheid, overlijden of beschikkingsonbevoegdheid, treffen dan ook enkel het aandeel in de maatschap, niet de maatschapsgoederen.  Dit wordt elegant tot uitdrukking gebracht door art. 3.68 (nieuw) BW al. 2:

Indien de mede-eigendom betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, hebben de rechten van de mede-eigenaars enkel dat geheel tot voorwerp en niet de afzonderlijke goederen.

Vermogensafscheiding en onbekwaamheid van minderjarigen: de maatschapsactiva

De gevolgen van vermogens­afscheiding gaan verder dan de verhaalspositie van schuldeisers. Vermogensafscheiding impliceert dat enkel het aandeel in de ganse maatschap in de persoonlijke vermogens van de maten valt; niet de afzonderlijke maatschapsgoederen noch de mede-eigendom van de afzonderlijke goederen. De lotgevallen van het persoonlijk vermogen van een maat, zoals onbekwaamheid, overlijden of beschikkingsonbevoegdheid, treffen dan ook enkel het aandeel in de ganse maatschap, niet de maatschapsgoederen of de mede-eigendomsrechten in de afzonderlijke maatschapsgoederen.

Continue reading “Het afgescheiden vermogen van de maatschap en de regels inzake het ouderlijk gezag bij minderjarige maten”

Cassatie test positief op bescherming derde-hypotheekhouder te goeder trouw

Cass. 22 januari 2021 (C.20.0143.N), BNP Paribas Fortis t. H.K. e.a.

Door de negatieve werking van het Belgische hypotheekregister is de kandidaat-verwerver van een zakelijk recht op een onroerend goed in beginsel uitsluitend beschermd tegen handelingen die niet zijn gepubliceerd maar dat wel hadden moeten zijn om tegenwerpelijk te zijn en waarvan de kandidaat-verwerver ook anderszins geen kennis had.[1] Dit heet het tegenwerpelijkheidseffect van onroerende publiciteit: zonder publiciteit mogen derden de niet-tegenwerpelijkheid van publiceerbare handelingen inroepen en deze handelingen dus negeren.[2]

Wat de kandidaat-verwerver daarentegen niet kan negeren is de eventuele ongeldigheid van een gepubliceerde handeling. Naar Belgisch recht biedt de publicatie in het hypotheekregister van de vestiging of overdracht van een onroerend zakelijk recht geen waarborg voor de geldigheid van dat recht.[3] De in- of overschrijving heelt eventuele titelgebreken niet.[4] De kandidaat-verwerver van een zakelijk recht op een onroerend goed kan er dus eigenlijk niet op vertrouwen dat de tegenpartij waarmee hij handelt, die bijvoorbeeld als eigenaar staat vermeld in het hypotheekregister, ook daadwerkelijk bevoegd is om het zakelijk recht in kwestie over te dragen. Als Bank C bijvoorbeeld een hypotheek neemt op het onroerend goed van Koper B, en de verkoop van het onroerend goed van Verkoper A aan Koper B achteraf nietig wordt verklaard, dan dooft ook de hypotheek uit.[5]

Laat dat nu precies de kwestie zijn die aanleiding heeft gegeven tot het besproken arrest van 22 januari 2021.

Continue reading “Cassatie test positief op bescherming derde-hypotheekhouder te goeder trouw”

Over de inbreng in genot

Voor een goed begrip van de tegenwerpelijkheid van de (maatschaps)overeenkomst

De maatschap heeft een eigen vermogen, afgescheiden van de vermogens van de maten. Waar dit onder het W.Venn. door de meeste hedendaagse auteurs werd bepleit, blijkt dit sinds de invoering van het WVV duidelijk uit art. 1:1 en 4:13-4:15 WVV.

Het WVV zegt niet wat het voorwerp is van deze vermogensafscheiding. Mij lijkt het duidelijk dat de maatschapsschuldeisers enkel een bevoorrechte positie hebben t.a.v. de goederen die in onverdeeldheid tussen de maten zijn (K. Geens, “De fundamenten van het vennootschapsrecht dooreengeschud voor de eeuwwende”, in De nieuwe vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, 29, nr. 23; J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, 262, nr. 354.). Anders gezegd: een goed dat een maat enkel in genot inbrengt, zonder overdracht van eigendom of een ander zakelijk recht, kan nog wel door de persoonlijke schuldeiser van die maat worden uitgewonnen. Het gebruiksrecht van de maatschap komt dan wel in onverdeeldheid toe aan de maten, maar dit heeft geen goederenrechtelijke gevolgen voor het goed waarop dit gebruiksrecht betrekking heeft.

Ten onrechte houdt een deel van de moderne (vooral Franstalige) rechtsleer voor dat de vermogensafscheiding ook geldt voor de goederen waarop een louter verbintenisrechtelijk gebruiksrecht is ingebracht. Continue reading “Over de inbreng in genot”

Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Under the Belgian regulation on residential mortgage credit (the “ML Regulation”)[1], any individual or legal entity willing to own and hold receivables arising from residential mortgage loans, either by originating such loans or by purchasing mortgage loan receivables, must be authorised as a mortgage lender (“kredietgever inzake hypothecair krediet” / “prêteurs en crédit hypothécaire”). This authorisation shall be requested to, and granted by, the Belgian Financial Services and Markets Authority (the “FSMA”).

2. However, certain derogations from the normal authorisation conditions are available for two special categories of entities:

a) entities that only manage and recover mortgage loans; and

b) certain special types of purchasers of mortgage credit receivables, in particular securitisation vehicles and mobilisation institutions more generally.

These derogations were introduced in the ML Regulation in 2017, when existing mortgage credit lenders and existing mobilisation institutions were required to seek an updated licence (the “2017 Update”).

3. But what about sales of delinquent or defaulted residential mortgage loans. How does this fit within the ML Regulation and, more broadly, within the Belgian regulatory framework? Continue reading “Delinquent mortgage loans: the EU is working hard to promote solutions for dealing effectively and responsibly with NPLs – Our Belgian supervisory approach needs a change of direction.”

Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting

Cass. 11 januari 2021

Vroeger, toen art. 7 Hyp.W. nog onverdund van toepassing was, konden in principe alle tegenwoordige en toekomstige schulden worden verhaald op alle goederen van de debiteur, ongeacht het ogenblik waarop deze werden geacht te zijn ontstaan in zijn vermogen. (Zie wel M.E Storme, Zekerheden- en Insolventierecht, II, p. 561 e.v. voor een overzicht van hypotheses waarin het ogenblik van ‘ontstaan’ van een schuldvordering belangrijk is – bv. derdenbeslag, dat enkel bestaande vordering kan treffen).

Die simpele tijd is niet meer. De laatste 25 jaar trekt het insolventierecht steeds meer cesuren in de tijd, maakt het een onderscheid tussen oud en nieuw.

De kwijtschelding van de restschulden na faillissement, maakt een onderscheid tussen schulden van vóór of tijdens de faillissementsprocedure en nieuwe schulden.

Het nieuwe art. XX.110 § 3 WER trekt deze fresh start naar voren: “Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.” Nieuwe goederen vallen buiten de boedel, oude erin (zie eerder hier).

Schuldvorderingen in de opschorting zijn “de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen” (art I.22, 11° WER). Vóór of na het vonnis betekent het verschil tussen in of buiten de opschorting.

Al deze regels nopen tot criteria die bepalen wanneer een goed of een schuld ontstaat.

In een arrest van 11-januari-2021 (C.20.0195.N) moest het Hof van Cassatie oordelen of de schuld tot betaling van de gerechtskosten in of buiten de opschorting was. Het betrof de gerechtskosten voor een procedure opgestart vóór het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie opende, maar waarbij de veroordeling tot het eindvonnis plaats vond dat vonnis. Continue reading “Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting”

Grenzen aan uitkeringen in het vennootschaps- en insolventierecht

Video van presentatie door Prof. Dr. Robbie Tas

Uitkeringen zijn in zekere zin intrinsiek controversieel: ze laten toe dat aandeelhouders, die nochtans achtergesteld heten te zijn, toch al een vermogensvoordeel ontvangen zonder dat alle schulden van de vennootschap moeten zijn betaald.

Prof. Dr. Robbie Tas (KU Leuven, Intui) besprak op 15 oktober 2020 de grenzen aan uitkeringen in het WVV en hun verhouding met de remedies uit het insolventierecht, zoals de pauliana. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u ook  in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon.

Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit

Cass. 11 december 2020 (C.19.0318.N)

In een arrest van 11 december 2020 kwamen enkele principiële vragen in het vizier van het Hof van Cassatie:

1. Geldt de regel dat een aandeelhouder geen afgeleide schade kan vorderen ook na ontbinding van de vennootschap?

2. Kan een aandeelhouder net zoals een schuldeiser de zijdelingse vordering instellen indien de vennootschap (in casu in de persoon van de vereffenaar) weigert een vordering in te stellen?

3. Kan de minderheidsvordering worden ingesteld door een meerderheidsaandeelhouder?; en

4. Kan de minderheidsvordering nog worden ingesteld tijdens de vereffening van de vennootschap?

Continue reading “Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit”

Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited”

Een post door gastbloggers Ivan Peeters en Sean Jonckheere

Collateral Richtlijn

1.         De invoering van de Richtlijn 2002/47/EG (de “Collateral Richtlijn”)[1] beoogde een communautaire, geharmoniseerde regeling te bewerkstelligen ter versterking van de positie van de gewaarborgde schuldeiser van een financiële zekerheidsovereenkomst en om systeemrisico’s in de financiële markten beter te kunnen beheersen. De omzetting van de Collateral Richtlijn naar Belgisch recht vond plaats in 2004 middels de befaamde Wet financiële zekerheden[2] (“WFZ”).

2.         De Collateral Richtlijn voorziet in een gunstregime voor de financiële zekerheidsovereenkomsten die onder haar toepassingsgebied vallen. EU-lidstaten zijn onder meer verplicht om bepaalde formaliteiten inzake de totstandkoming, derdenwerking en uitvoering van financiële zekerheidsovereenkomsten te versoepelen en bepalingen inzake insolventierecht van hun nationaal recht niet toepasselijk te verklaren om de afdwinging van financiële zekerheidsovereenkomsten te bevorderen.

Verschaffingscriterium

3.         Een essentiële voorwaarde om als financiële zekerheidsovereenkomsten onder het toepassingsgebied van de Collateral Richtlijn te vallen, is dat de financiële activa (contanten, of financiële instrumenten) die als zekerheid moeten dienst doen worden “verschaft”. Recital (10) bepaalt dat de Collateral Richtlijn enkel handelt over “financiëlezekerheidsovereenkomsten die voorzien in een vorm van het doen van afstand van de controle, d.w.z. de verschaffing als zekerheid van financiële activa, en waarbij de verschaffing als zekerheid van financiële activa schriftelijk of door middel van een duurzaam medium kan worden aangetoond, waardoor de traceerbaarheid van die activa wordt gewaarborgd”. Bijkomend stelt artikel 2 van de Collateral Richtlijn: “Verwijzingen in deze richtlijn naar het „verschaffen” of de „verschaffing” als zekerheid van financiële activa hebben betrekking op een situatie waarin de als zekerheid verschafte financiële activa daadwerkelijk worden geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de zekerheidsnemer of een persoon die namens de zekerheidsnemer optreedt”. Voor alle duidelijkheid, naar nationaal recht kan een zekerheid geldig zijn zonder deze verschaffing, maar deze zal dan niet kunnen genieten van het gunstregime van de Collateral Richtlijn.

Arrest Swedbank

4.         Net de preciese draagwijdte van deze vereiste van “verschaffing” stond centraal in het Swedbank-arrest.[3] Continue reading “Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited””

Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen

In een arrest van 4 december 2020 (C.19.0342.N) oordeelde het Hof van Cassatie over de schadebegroting van de persoonlijke schade in hoofde van de koper bij een post-acquisitie geschil. Het Hof bevestigt hierin dat het verschil tussen de werkelijke financiële situatie van de vennootschap enerzijds en een overschatting van deze financiële situatie in de referentiebalans anderzijds niet zomaar gelijk te stellen valt met de schade van de koper van de doelvennootschap. Continue reading “Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen”

Herstructureringsprocedures in België, Nederland en de richtlijn (TvI 2020/40)

De omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in België: veel werk, weinig tijd

Eerder dit jaar werd mij door de redactie van het Tijdschrift voor Insolventierecht (TvI) gevraagd een bijdrage voor te bereiden over de vraag hoe de Europese Herstructureringsrichtlijn naar huidige verwachting in België zal worden geïmplementeerd, afgezet tegen de Nederlandse WHOA en de Europese Herstructureringsrichtlijn. Het resultaat daarvan is te vinden in het recentste nummer van het TvI. Hoewel verschenen in een Nederlands tijdschrift, is de bijdrage ook bijzonder relevant voor de Belgische jurist én wetgever. Ik ben dan ook dankbaar dat de uitgever mij de toestemming heeft gegeven om de publishers version via het Corporate Finance Lab te verspreiden (zie infra).

In wat volgt, som ik kort enkele elementen op die in de bijdrage aan bod komen. Wellicht zijn veel van de gehanteerde termen voor de Belgische jurist nog onduidelijk of zelfs onbekend. Het is immers opvallend dat, in vergelijking met de Nederlandse doctrine (waar tijdschriften volledige afleveringen aan de WHOA spenderen), in de Belgische doctrine amper aandacht wordt gespendeerd aan de Herstructureringsrichtlijn. Nochtans zou de omzetting van de richtlijn er in principe al moeten zijn tegen 17 juli 2021 (al is uitstel nog wel mogelijk). Helaas stellen we vast dat de Belgische wetgever daarover nog weinig tot niets heeft bekend gemaakt. De elementen die in de bijdrage aan bod komen, zijn dan ook mijn eigen analyses. Komen aan bod:

Continue reading “Herstructureringsprocedures in België, Nederland en de richtlijn (TvI 2020/40)”

De grondwettigheid van art. XX.20, § 3 WER inzake de vaststelling van het ereloon en de kosten van curatoren

GwH 1 oktober 2020, arrest nr. 127/2020

Dat minstens de perceptie leeft dat een groot deel van het contentieux in het insolventierecht in se draait om de vergoedingen van insolventiefunctionarissen[1] mag de lezer van deze blog niet verbazen. Vaak blijft die kwestie onder de radar doordat de geadieerde rechter zich over een andere rechtsvraag moet uitspreken. Nu en dan vormt de vergoeding van de insolventiefunctionarissen de enige inzet van het geschil. In de eerder besproken procedure m.b.t. het beroep tot nietigverklaring tegen KB van 26 april 2018 inzake de berekening van het ereloon en de kosten van insolventiefunctionarissen, was de Raad van State van oordeel dat het in het KB gemaakte onderscheid tussen curatoren en andere insolventiefunctionarissen zijn grondslag zou kunnen vinden in art. XX.20, § 3 WER.

Daarom stelde de Raad van State de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof (hierna: GwH):

“Schendt art. XX.20, § 3, tweede en derde lid WER, artikelen 10, 11 en 16 Gw, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en niet-retroactiviteit en met art. 1 EP EVRM, in zoverre art. XX.20, § 3, de Koning machtigt om de regels en de barema’s betreffende de vaststelling van de erelonen van de curatoren anders te bepalen dan hetgeen is vastgelegd voor de vergoeding van andere insolventiefunctionarissen, wier kosten en erelonen worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht en o.g.v. de tijd die nodig is voor de vervulling van hun prestaties en, in voorkomend geval, rekening houdend met de waarde van de activa, waarbij hun ook een terugbetaling van hun kosten wordt toegekend?” Continue reading “De grondwettigheid van art. XX.20, § 3 WER inzake de vaststelling van het ereloon en de kosten van curatoren”