Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht

Studiedag ter ere van emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix

dirixOp vrijdag 26 oktober 2018 organiseert de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven ter ere van het emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix een studiedag over vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht. Aansluitend is een academische zitting met het afscheidscollege van professor Dirix over “Het insolventierecht permanent in de steigers”.

De presentaties op de studiedag zullen aan de hand van casussen een aantal rechtsvragen stellen, en vervolgens ook beantwoorden. Hierdoor worden
de bijdragen zeer praktisch opgebouwd aan de hand van zeer specifieke vraagpunten. De studiedag komt met een verslagboek met opstellen aangeboden aan professor Dirix.

De volgende onderwerpen komen aan bod: Continue reading “Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht”

Themis-recyclage insolventie- en beslagrecht te Leuven, Brussel, Hasselt of Kortrijk

In oktober wordt op vier locaties op een namiddag of avond een overzicht gegeven van de recente ontwikkelingen in het nationaal en grensoverschrijdend insolventierecht, het beslagrecht en het pandrecht. De onderwerpen op elk van de locaties zijn de volgende: Continue reading “Themis-recyclage insolventie- en beslagrecht te Leuven, Brussel, Hasselt of Kortrijk”

De kinderen van de toerekening

Uiteenlopende toerekeningsregels in Sw., ontwerp-WVV en ontwerp-BW

Een vorige post stelde het mooie toerekeningscriterium  van art. 5 Sw. in het licht. Een rechtspersoon of  maatschap is strafrechtelijk verantwoordelijk voor “misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd”. De toerekening gebeurt hier aan de organisatie op autonome wijze, zonder dat een omweg langs een natuurlijke persoon is vereist. Daarin verschilt het van afgeleide toerekeningscriteria zoals de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1384 BW of de zgn. orgaantheorie.

Dit aspect van art. 5 Sw bleef ongewijzigd bij de recente aanpassing van dit artikel.

Elders hebben we geargumenteerd dat dit autonoom criterium ook verklaart hoe onrechtmatige daden die geen misdrijf zijn, aan organisaties worden toegerekend. In Nederland heet dit de “verkeersopvattingen”.

Dit autonoom criterium heeft alvast het voordeel dat het verklaart wat er gebeurt in de hoven en rechtbanken. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon of andere organisatie wordt zelden afgeleid van de aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon. Integendeel, vaak is de aansprakelijkheid van de organisatie een gegeven en wordt eerder de vraag gesteld of de fout ook aan een natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Externe bestuursaansprakelijkheid, heet dat.

Jammer genoeg maakt art. 5 Sw. op vlak van toerekening in de ontwerpen van WVV en aansprakelijkheidsrecht in het BW minder school dan op vlak van het toepassingsgebied (zie voornoemde post).  Continue reading “De kinderen van de toerekening”