Het Grondwettelijk Hof ziet een lacune inzake de vervroegde kwijtschelding en vult die in, maar…

Vincent Verlaeckt over GwH 23 april 2026, nr. 55/2026

1.1. Wie het faillissementsrecht volgt en derhalve ook deze blog leest, weet dat de “kwijtschelding” van restschulden na faillissement al meermaals het voorwerp is geweest van discussie voor het Grondwettelijk Hof.[1]

De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof heeft mede aanleiding gegeven tot de invoering van de zogenoemde “automatische kwijtschelding” in 2023.[2] Sindsdien dient de gefailleerde niet langer zelf om de kwijtschelding te verzoeken. Bij de sluiting van het faillissement worden de restschulden in beginsel automatisch kwijtgescholden, tenzij een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, hiertegen verzet aantekent en de rechtbank dit verzet geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart.

Read more: Het Grondwettelijk Hof ziet een lacune inzake de vervroegde kwijtschelding en vult die in, maar…

1.2. Gelijktijdig met de invoering van dit systeem van automatische kwijtschelding werd voor de gefailleerde de mogelijkheid afgeschaft om reeds vanaf zes maanden na de faillietverklaring een vervroegde beslissing over de kwijtschelding te verkrijgen.[3] De afschaffing van de vervroegde kwijtschelding houdt verband met het feit dat de wetgever het gebrek aan medewerking aan de curator expliciet als wettelijke grond voor weigering van de kwijtschelding heeft opgenomen in de wet. Een “vervroegde” beoordeling van de kwijtschelding werd daardoor niet langer wenselijk geacht, aangezien zich gedurende het faillissementsbewind omstandigheden van niet-medewerking kunnen voordoen die een gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding rechtvaardigen.

1.3. In 2023 werd eveneens de termijn om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, beperkt in de tijd. Dit om te vermijden dat de gefailleerde te lang in onzekerheid blijft over de kwijtschelding. Zo werd in artikel XX.173, §3, 2de lid WER opgenomen dat de mogelijkheid om zich tegen de kwijtschelding te verzetten “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is.”.

2.1. Over de oorspronkelijk bestaande mogelijkheid tot “vervroegde kwijtschelding“ stelde de wetgever bij de afschaffing ervan in 2023 dat “het nutteloos [is] geworden te bepalen dat de gefailleerde in een vroeg stadium de kwijtschelding kan vragen. Hij kan ervan uitgaan dat die kwijtschelding verworven is tenzij de curator of derden hiertegen opkomen”.[4]

De Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge was niet overtuigd van het “nutteloos” karakter van een vervroegde kwijtschelding. Met een verwijzingsvonnis van 7 april 2025 richtte zij zich tot het Grondwettelijk Hof met een reeks vragen die in essentie aanvoeren dat de onmogelijkheid om vervroegd uitspraak te doen over de kwijtschelding mogelijk niet verantwoord is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet mogelijk schendt.

2.2. Het Grondwettelijk Hof volgt tot op zekere hoogte de ondernemingsrechtbank. Als de weigering van de kwijtschelding slechts kan gevorderd worden tot 3 jaar na de vaststelling van het passief, is er volgens het Hof geen reden meer om na het verstrijken van die verzetstermijn, de uitspraak over de kwijtschelding nog langer uit te stellen:

“Zodra de weigering van de kwijtschelding niet meer kan worden gevorderd door de curator, ongeacht het gedrag van de gefailleerde, kan niet worden ingezien waarom die gefailleerde altijd de sluiting van het faillissement zou moeten afwachten, om de gevolgen van de kwijtschelding te kunnen genieten. Dit geldt in het bijzonder in het licht van de vaststelling dat het in die gevallen per definitie gaat om procedures die al geruime tijd aan de gang zijn. Bijgevolg is de in het geding zijnde onmogelijkheid voor de gefailleerde natuurlijke persoon om na de periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, de kwijtschelding te verkrijgen, niet redelijk verantwoord

Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid, voor de gefailleerde natuurlijke persoon, om de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de  weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding”

2.3. Het Grondwettelijk Hof stelt dat het aan de wetgever staat om de “vastgestelde lacune” van artikel XX.173, § 2 WER “weg te werken” maar in afwachting ervan, geeft het Hof zelf een invulling aan de lacune:

Teneinde, in afwachting van dat wetgevend optreden, de rechten van de gefailleerde natuurlijke personen te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding, naar analogie van de procedure zoals bepaald in artikel XX.173, § 2, tweede tot vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vóór de vervanging ervan bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023.

Het Hof grijpt niet terug naar de vorige “vervroegde kwijtschelding” die reeds mogelijk was zes maanden na de faillietverklaring. Dit is te verantwoorden aangezien – zoals eerder gesteld – de niet-medewerking met de curator tijdens de vereffening een grond tot weigering van de kwijtschelding kan zijn; en die niet-medewerking kan wel eens langer aanslepen dan zes maanden

3.1. Er kan gesteld worden dat het door het Grondwettelijk Hof gehanteerde uitgangspunt logisch is. Er is geen enkele reden waarom een gefailleerde langer dan noodzakelijk in onzekerheid moet leven over de al dan niet kwijtschelding. De gefailleerde hoeft niet noodzakelijk in alle gevallen te wachten tot de sluiting van het faillissement om die “zekerheid” te krijgen. Een snelle sluiting van een faillissement kan soms, om zeer uiteenlopende redenen, niet opportuun zijn, die niet noodzakelijk te maken hebben met het gedrag van de gefailleerde. Onzekerheid over de kwijtschelding kan een rem zijn op het herstel of de ontwikkeling van nieuwe activiteiten. Een “virtuele kwijtschelding” is op het vlak van “zekerheid” niet veel waard als elke belanghebbende alsnog de weigering kan vorderen bij de sluiting van het faillissement.  Het is misschien wel paradoxaal dat een gefailleerde natuurlijke persoon onder het oude systeem – waarin hij de kwijtschelding moest “vragen” – sneller die zekerheid kon hebben, dan onder het nieuwe systeem van “automatische” kwijtschelding. Soms duurt “automatisch” dus iets langer.

3.2. De praktische impact van dit arrest van 23 april 2026 is voorlopig beperkt. De huidige regeling inzake de (automatische) kwijtschelding is van toepassing op faillissementen geopend vanaf 1 september 2023.

De termijn om zich te verzetten tegen de kwijtschelding “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. De termijn voor schuldeisers om opname te vorderen bedraagt in beginsel één jaar.

Derhalve zou kunnen gesteld worden dat de termijn om verzet tegen de kwijtschelding te doen voor deze faillissementen ten vroegste zal verstrijken op 1 september 2027. Het eerste verzoek tot een vervroegde kwijtschelding 2.0 zou in de voorgestelde oplossing dan ook pas mogelijk zijn vanaf 1 september 2027.

4.1. Maar…

De vraag kan gesteld worden of er misschien een probleem bestaat met de oplossing die het Grondwettelijk Hof voorstelt om de lacune in te vullen.

Het Grondwettelijk Hof stelt dat een gefailleerde natuurlijke persoon de “vervroegde” kwijtschelding mag vragen “na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd”. Met andere woorden, van zodra het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten is vervallen, kan de “vervroegde” kwijtschelding gevraagd worden.

De vraag rijst wiens recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, vervallen moet zijn. Men lijkt ervan uit te gaan dat “de periode waarin de weigering kan worden gevorderd” voor elke belanghebbende dezelfde is. Maar is dat wel zo ? Vervalt voor elke schuldeiser het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding op hetzelfde ogenblik ? 

Het verval van het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, is in artikel XX.173, §3, 2de lid gekoppeld aan “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. Dit is het startpunt dat in aanmerking moet genomen worden om de 3-jarige termijn te berekenen.

Er wordt misschien wel aan voorbijgegaan dat dit startpunt verschillend kan zijn voor schuldeisers. Voor sommige schuldeisers zou dit startpunt zich wel eens zeer ver in de tijdkunnen situeren. Er bestaat niet zoiets als een ogenblik waarop het recht om opname te vorderen “collectief” verstrijkt voor alle schuldeisers.[5]

4.2. In de parlementaire voorbereiding staat: “ Het ontwerp verplicht dat een vordering tot weigering van de kwijtschelding wordt ingesteld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het passief gekend is (dit is de termijn van één jaar bedoeld in artikel XX.165)”.[6]

In de wet wordt het startpunt omschreven als “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is” en niet “het ogenblik waarop de termijn van één jaar in artikel XX.165 verstreken is”. Een“recht” dat verstrijkt is niet hetzelfde als een“termijn” die verstrijkt. Het recht is immers niet altijd verbonden aan een termijn. Ook niet bij de aangifte van schuldvordering.

  • Ten eerste staat in artikel XX.165, derde lid WER een expliciete uitzondering op de éénjarige aangiftetermijn voor bepaalde schuldeisers. Meer bepaald voor schuldeisers wiens schuldvordering vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening geldt de aangiftetermijn van één jaar niet en wordt “het recht om opname te vorderen” niet beïnvloed door de éénjarige aangiftetermijn.[7] Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten berekend worden? Kan de thans (her)ingevoegde vervroegde kwijtschelding dan wel betrekking hebben op hun schuldvordering ? Het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, kan dan schijnbaar al vervallen zijn alvorens hun schuldvordering na vrijwaring überhaupt bestaat…
  • Verder heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 24 september 2015 [8] gesteld dat voor schulden die nog “niet bestaan” op het ogenblik van faillietverklaring, de éénjarige aangiftetermijn van artikel XX.165, derde lid WER niet geldt. Ook al zijn dit schulden in de massa. Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, berekend worden ? Bestaat er voor deze schuldeisers überhaupt wel een aangiftetermijn ? (open vragen)

4.3. Voormelde voorbeelden illustreren dat het niet evident is het “ogenblik” van wanneer de vervroegde kwijtschelding voor alle restschulden mogelijk is, te koppelen aan het “ogenblik” waarop het recht om opname te vorderen naar Belgisch recht, verstrijkt. Bovendien geldt het verval van het recht om zich te verzetten ook voor de curator en het openbaar ministerie. Maar de curator en het openbaar ministerie hebben beiden niets te maken met “het recht om opname te vorderen”…  

Het uitgangspunt van 3 jaar is uiteraard niet verkeerd – het staat immers in de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023- maar de (open) vraag is enkel of het op een juridische en praktische toepasbare wijze werd geïmplementeerd in boek XX WER.  

Artikel 21 van de insolventierichtlijn [9] voorziet naast de mogelijkheid om de termijn van 3 jaar te laten starten bij de opening van het faillissement, inderdaad de mogelijkheid om de driejarige termijn pas te laten ingaan vanaf “de vaststelling van de insolvente boedel”. In overweging nr. 76 wordt uitgelegd dat die boedelvaststelling vele (ook minder formele) vormen kan aannemen.[10] Maar er moet natuurlijk wel rekening gehouden worden met de eigenheid van het nationale recht “tot vaststelling van de insolvente boedel”. Er zijn lidstaten waar het recht tot opname gekoppeld is aan één vaste termijn waarop geen uitzonderingen bestaan. Dat kan niet gesteld worden over het Belgisch recht.

5.1. Ten slotte kan dit arrest misschien een aanleiding zijn om eens te reflecteren over de “kwijtschelding”. Ikzelf neem daarin geen stelling. Het is in de literatuur genoegzaam beschreven dat de huidige kwijtschelding is gebaseerd op de “fresh start”. U kan bijvoorbeeld eens artikel 523(a) van de U.S. Bankruptcy Code lezen om een idee te krijgen wat onder zo’n “fresh start” kan begrepen worden. 

Het zou voor de insolventiegemeenschap interessant zijn, mochten enkele ijverige, en bij voorkeur verstandige, studenten zich verdiepen in de problematiek. Ik doe hierbij een vrijblijvend voorstel van enkele neutrale titels voor bachelor- of masterproeven:

  • Een vergelijking tussen de regimes van kwijtschelding van de EU-lidstaten”
  • “De fresh start: een vergelijking tussen het Amerikaans recht en het Belgisch recht”
  • “De correlatie tussen het vrij verkeer van diensten en het Belgische regime van kwijtschelding na faillissement”
  • “Is de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023 correct omgezet in het Belgisch recht wat betreft de kwijtschelding? Een kritische analyse”.
  • “Een vergelijking tussen de parlementaire voorbereiding [11] en de wettekst van artikel XX.173 WER, dit alles tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Cassatie van 28 juni 2024 [12]

Zoals het cliffhangers betamen, zijn de uitkomsten van deze mogelijke onderzoeksvragen voor het volgende seizoen [of academiejaar].

Deze bijdrage bevat enkel een bespreking van voormeld arrest en enkele open vragen en nuanceringen voor discussie-doeleinden. Deze bijdrage houdt geen weergave in van het persoonlijk standpunt of visie van de auteur. Uit de tekst kan niets afgeleid worden met het oog op beoordeling van aangehaalde problematieken door de auteur of het rechtscollege waartoe hij behoort. Er worden enkel “mogelijke” aan te nemen of te verwerpen visies en standpunten verwoord. De onderzoeksvragen zijn neutraal en enkel ter ondersteuning van debat.

Vincent Verlaeckt
Rechter Ondernemingsrechtbank Gent


[1] Zie onder meer arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 en arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021

[2] De wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van

20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit

[3] Initieel voorzien in artikel XX.173 § 2 WER.

[4] Parl. St., Kamer, 2021-2022, 55-2454/001, p. 6-8

[5] Het enige wat wel zou kunnen gesteld worden is dat op basis van artikel XX.165,2de lid WER niemand nog een opname kan vorderen zodra de curator de oproepingen heeft verzonden voor de vergadering bedoeld in artikel XX.170 WER.  Dat is dus op het einde van het faillissementsbewind. Vermoedelijk was dit niet hetgeen de wetgever voor ogen had.  

[6]  Parl. St. Kamer, 2022-23, 55-3231/00, 89.

[7] Artikel XX.165,3de lid WER: “Het recht opname te vorderen verjaart na verloop van één jaar te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, behalve voor de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening

[8] GwH 24 september 2015, 124/2015.

[9] Artikel 21: “De lidstaten zorgen ervoor dat de periode waarna insolvente ondernemers in staat zijn volledige kwijtschelding van schuld te verkrijgen, niet langer is dan drie jaar, te rekenen vanaf uiterlijk de datum van:

a) bij een procedure met een terugbetalingsplan, de beslissing waarbij een rechterlijke of een administratieve instantie het plan of de aanvang van de uitvoering ervan bevestigt; of

b) bij alle andere procedures, de beslissing van een rechterlijke of een administratieve instantie om de procedure te openen, of het vaststellen van de insolvente boedel van de ondernemer.”

[10] Nr. 76: “In procedures die geen terugbetalingsplan inhouden, dient de kwijtscheldingsperiode in te gaan uiterlijk vanaf de datum waarop door een rechterlijke of een administratieve instantie een beslissing tot opening van de procedure wordt genomen, of vanaf de datum van vaststelling van de insolvente boedel. De lidstaten zouden voor het berekenen van de duur van de kwijtscheldingsperiode in de zin van deze richtlijn kunnen bepalen dat het begrip “openen van de procedure” geen betrekking heeft op voorlopige maatregelen zoals conservatoire maatregelen of  het aanwijzen van een voorlopige insolventiedeskundige, tenzij die maatregelen de mogelijkheid bieden tot tegeldemaking van de activa, met inbegrip van de verkoop en de verdeling van activa aan de schuldeisers. De vaststelling van de insolvente boedel dient niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een formele beslissing of bevestiging door een rechterlijke of een administratieve instantie indien die beslissing niet krachtens het national recht vereist is, en kan bestaan in het indienen van de inventaris van activa en passive”

[11] Parl.St. Kamer, 2022-23 , 55 – 3231/001, p.89:  “Misbruiken vanwege de gefailleerde moeten wel vermeden worden en daarom wordt ook de mogelijkheid bewaard dat de curator of andere belanghebbenden zich tegen de kwijtschelding kunnen verzetten

[12] Cass. 28 juni 2024 (C.23.0288.F): De organisatie door de schuldenaar van zijn eigen faillissement en zijn verzoek tot kwijtschelding van de schulden vormen een rechtsmisbruik, waarbij het opgeleverde voordeel niet in verhouding staat tot de schade veroorzaakt aan derden. Zelfs wanneer de uitoefening van het recht van de gefailleerde om de kwijtschelding te vorderen abusief wordt verklaard, kan de kwijtschelding slechts worden geweigerd indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. (Art. XX.173, § 2 en 3, WER). Door niet te onderzoeken of de eiser kennelijke grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen aan het faillissement, rechtvaardigt het arrest niet wettelijk zijn beslissing dat het gedrag van de gefailleerde “moet worden gesanctioneerd door de weigering van het voorrecht van de gevorderde maatregel“.

Vossenberg-arrest: schadeberekening bij bestuursaansprakelijkheid voor selectieve betaling in het zicht van het faillissement

Cass. 2 april 2026 (‘Domein Vossenberg’)

Een arrest van het Hof van Cassatie van 2 april 2026 spreekt zich uit over de schadeberekening bij bestuursaansprakelijkheid voor selectieve betalingen in articulo mortis:

Ik wil hier even kort langs drie juridische vragen fietsen: (i) wanneer is er sprake van een onrechtmatige selectieve betaling?; (ii) leidt een selectieve betaling tot collectieve schade (door de curator te vorderen) of individuele schade(door individuele benadeelde schuldeisers te vorderen)? en (iii) hoe wordt die schade concreet berekend?

Het besproken arrest spreekt zich enkel ook over de laatste vraag, al wordt er daarbij vanuit gegaan dat het om collectieve schade gaat. Ik beperk me tot twee bronnen — maar wat voor bronnen: de Leuvense proefschriften van Lindemans (Schuldeiser & rechtspersoon) en Verheyden (Collectieve en individuele schade).

Continue reading “Vossenberg-arrest: schadeberekening bij bestuursaansprakelijkheid voor selectieve betaling in het zicht van het faillissement”

Over de verklaring tot onbeslagbaarheid van de hoofdverblijfplaats na faillissement. Zijn onbetaalde aanslagen personenbelasting sowieso schulden van “gemengde aard” ?

Cass. 19 maart 2026, F.24.0073.N

1.

De artikelen 72 tot en met 82 van de wet van 25 april 2007 [1] maken het voor iedere natuurlijke persoon die in België een beroepsbezigheid in hoofdberoep uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is, mogelijk om bij een verklaring voor de notaris zijn hoofdverblijfplaats te onttrekken aan de schuldeisers die een vordering hebben uit hoofde van zijn zelfstandige beroepsbezigheid.

De zelfstandige kan aldus in afwijking van de artikelen 3.35 BW, 3.36 BW en 1560 Ger.W. zijn zakelijke rechten, andere dan het gebruiksrecht en het recht van bewoning, op het onroerend goed waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, niet vatbaar voor beslag verklaren. De woning van de zelfstandige geniet dan “beslagimmuniteit”.

Deze immuniteit heeft enkel uitwerking ten aanzien van schuldvorderingen die betrekking hebben op de beroepsbezigheid op voorwaarde dat deze schulden zijn ontstaan na de inschrijving van de afgelegde verklaring van onbeslagbaarheid. Evenmin heeft de beslagimmuniteit uitwerking ten aanzien van de schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid, noch ten aanzien van de schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.

In de memorie van toelichting wordt nader toegelicht voor welke schulden de wetgever de beslagimmuniteit wou invoeren. [2]

“het betreft de schulden die verbonden zijn aan de zelfstandige beroepsactiviteit. Zijn bedoeld: de contractuele schulden ten aanzien van leveranciers, kredietinstellingen, … De sociale en fiscale schulden zijn eveneens bedoeld in zoverre zij uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid: sociale bijdragen die verschuldigd zijn aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen of aan de nationale hulpkas voor sociale verzekeringen der zelfstandigen  of aan de RSZ, BTW, onroerende voorheffing op materieel en outillage, … De gemengde fiscale schulden, dit wil zeggen, de schulden die niet uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid, worden niet door de wet bedoeld. Het betreft bijvoorbeeld de personenbelasting, die berekend wordt op de beroepsinkomsten, de roerende inkomsten, de onroerende inkomsten en de diverse inkomsten”

De verklaring van onbeslagbaarheid behoudt haar werking na de faillietverklaring. In beginsel is de curator enkel gebonden door de beslagimmuniteit van de hoofdverblijfplaats voor zover alle schuldeisers in het faillissement door deze verklaring zijn gebonden. Met andere woorden, de curator kan overgaan tot de realisatie van het onroerend goed indien in het passief van het faillissement een schuld is opgenomen die ontstaan is vóór het afleggen van de verklaring, dan wel betrekking heeft op een schuld “van gemengde aard”.

2.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2026 handelt over wat begrepen kan worden onder “schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.”

Continue reading “Over de verklaring tot onbeslagbaarheid van de hoofdverblijfplaats na faillissement. Zijn onbetaalde aanslagen personenbelasting sowieso schulden van “gemengde aard” ?”

Welke aandeelhoudersengagementen zijn een persoonlijke zekerheid in de zin van boek 9 BW?

Art. 9.1.2, 9° BW omvat een non-definitie van de patronaatsverklaring als “al dan niet bindende toezegging door een derde dat de hoofdschuldenaar zijn verbintenis zal nakomen”. Welke instumenten vallen nu precies onder boek 9 BW? Anders gezegd: welk aandeelhoudersengagement komt neer op een persoonlijke zekerheid?

De inzet van deze vraag is vooreerst de toepassing van de ‘gemeenschappelijke regels’ van hoofdstuk 1 en de regel dat elke persoonlijke zekerheid vermoged wordt een borgtocht te zijn.Verder wordt biij de patronaatsverklaring die geldt als persoonlijke zekerheid, de zekerheidsteller-consument beschermd door de omzetting van rechtswege in een borgtocht, waarop de regels inzake consumentenborg van toepassing zijn.

Continue reading “Welke aandeelhoudersengagementen zijn een persoonlijke zekerheid in de zin van boek 9 BW?”

Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Een persoonlijke zekerheid door een vertegenwoordiger van een vennootschap kan niet worden ‘verborgen’ in een overeenkomst met de vennootschap die door die vertegenwoordiger wordt ondertekend. De cassatierechtspraak uit de laatste jaren bevestigt in dit verband een gezond formalisme, dat de partij die een zekerheid bedingt verplicht om die zekerheid bij de contractsluiting onmiskenbaar naar voren te schuiven.

Continue reading “Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden”

Kanttekeningen bij de kwijtschelding

Een post door mr. Guus Van de Voorde (Eubelius)

Van lijfsdwang tot kwijtschelding

Een korte bloemlezing uit de geschiedenis van het insolventierecht toont hoezeer de kwijtschelding een recent gegeven is. Het is nog geen 30 jaar geleden dat de eerste vorm van schuldbevrijding haar intrede maakte in de Belgische rechtsorde met het verschoonbaarheidsregime in de Faillissementswet van ‘98. Daarvoor kon de insolvente schuldenaar levenslang achtervolgd worden door zijn schuldeisers. Het is zelfs nog maar een 150-tal jaar geleden dat hij gespaard wordt van de lijfsdwang.[1] Voorheen was het gebruikelijk dat insolvente schuldenaren strafrechtelijk vervolgd en opgesloten werden.

Nog verder terug in de tijd, in het oude Athene, werkten insolvente schuldenaren in schuldslavernij voor hun schuldeisers tot hun schulden volledig waren afbetaald. Het meest tot de verbeelding spreekt echter de situatie in de oude Romeinse Republiek, waar de derde tafel van de Twaaltafelenwet de insolvente schuldenaar het lot toebedeelde om in stukjes gehakt te worden door zijn schuldeisers in verhouding tot hun aandeel in zijn schulden.[2]

Het contrast met het heden kan dan ook niet groter zijn. Sinds de hervorming van het insolventierecht in 2018 worden alle restschulden van de gefailleerde kwijtgescholden bij de sluiting van het faillissement. Met de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in 2023 gebeurt dat zelfs automatisch, zonder dat de gefailleerde daartoe ook maar enige inspanning moet leveren.[3] In recordtijd is de kwijtschelding dan ook uitgegroeid van de uitzondering en een gunst, tot de regel en een recht.

De fresh start-fetisj

Continue reading “Kanttekeningen bij de kwijtschelding”

‘Consumentborg’ in een vennootschap- of verenigingscontext

Boek 9, titel 1 treedt in werking op 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treedt boek 9 titel 1 BW in werking. Zoals bekend wordt daarbij het beschermingsregime voor de ‘kosteloze borg’ vervangen door dat van de ‘consumentenborg’. Hier wil ik kort bekijken wat dit betekent voor persoonlijke zekerheden gesteld door een insider (bestuurder, aandeelhouder) voor schulden van een vennootschap.

Art. 9.1.42 al. 1 BW verwijst vooreerst voor de definitie van consument naar art. I.1, 2° WER: “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”. Deze definitie, hoewel anders geformuleerd, vormt een zwaluwstaartverbinding met de correlatieve functionele definitie van een onderming als secundair ondernemingsbegrip dat het aanknopingspunt vormt voor enkele boeken van het WER (“duurzaam een economische doel nastreven” – zie bv. art. I.6, 12° of I.8, 39° WER). De definitie van consument is altijd situationeel te bekijken voor de betrokken handeling. Een natuurlijke persoon die onderneming is (in formele of in functionele zin- breviter: een zelfstandige), kan dus voor bepaalde handelingen als consument worden beschouwd. De hoedanigheid op het ogenblik van de zekerheidstelling is relevant. De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidsteller geen consument is voor doelstellingen van boek 9 (art. 9.1.43 al. 4 BW).

Deze definitie maakt dat bestuurders die zich persoonlijk zeker stellen voor hun vennootschap geen beroep kunnen doen op de bescherming voor consumentenborgen. Diensten gesteld door een natuurlijke persoon als vennootschapsmandataris als zelfstandige (en niet als werknemer in ongeschikt verband) worden beschouwd als een professionele activiteit (J. Vananroye en K.-J. Vandormael, “Boek I WER en Wet Natuurlijke Rechter: van handelsrecht naar ondernemingsrecht”, in Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, 26, nr. 21; J. Vananroye, Leerstukken ondernemingsrecht, Intersentia, 2020, 32, nr. 38.). Een persoonlijke zekerheid door een bestuurder voor een schuld van zijn vennootschap is geen handeling die buiten zijn professionele activiteit valt.

De (betwistbare) cassatie-rechtspraak met een bijkomende ‘organisatie-voorwaarde voor bestuurders als onderneming kunnen worden gekwalificeerd is hier irrelevant: deze rechtspraak gaat over het formele ondernemingsbegrip van art I,1, 1° WER (Zie o.m. in voltallige zitting van de eerste kamer: Cass. 23 november 2023, TRV/RPS, 2024/3, 262, noot I. Vanwalleghem en N. Appermont: “De kwalificatie van bestuurders als onderneming: Errare humanum est, sed perseverare…”). Voor doeleinden van boek 9 speelt het begrip consument (met het functionele ondernemingsbegrip als correlatief en tegengesteld begrip). Voor een bestuurder als zelfstandige zijn bestuursmandaat uitoefent, kan er weinig twijfel zijn dat dit het beschermingsregime van de consumentenborg uitsluit. Zo ook J. Baeck en J. Marchau, “Wetsvoorstel persoonlijke zekerheid: van kosteloze borgtocht naar consumentenborgtocht”, RW 2024-25, 1246, weliswaar m.b.t. de oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel dat sprak over de afwezigheid van een ‘functionele band’.

Dat beschermingsregime kan wel van toepassing zijn op een bestuurder van een VZW die zijn mandaat niet als zelfstandige uitoefent (bv. als de VZW niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en het mandaat on- of laagbezoldigd wordt uitgeoefend).

Of de betrokken bestuurder al dan niet een substantiële invloed heeft op de gepatroneerde vennootschap is niet bepalend. Dit criterium is een bijkomende reden om het beschermingsregime uit te sluiten indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, maar moet pas onderzocht worden indien de zekerheidsteller onder de gewone definitie van consument valt. Dat is voor de vennootschapsbestuurder dus niet het geval.

Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, de bescherming van de consumentenborg bovendien niet van toepassing op de zekerheidsteller (ook al is die een consument in de gebruikelijke definitie) indien deze een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.

De verantwoording bij het relevante Amendement 11 verwijst hiervoor naar o.m. naar het begrip controle in art. 1:14 en 1:18 WVV. Art. 1:14 § 1 WVV definieert controle als “de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”. Ik begrijp die verwijzing zo dat als er controle is in de zin van het WVV, er evident sprake is van een substantiële invloed in de zin van boek 9 BW. Ook als er gezamenlijke controle is, is er een substantiële invloed. Onder gezamenlijke controle wordt begrepen “de controle die een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen” (art. 1:18 al. 1 WVV).

 Uit de afwezigheid van controle in de zin van het WVV moet echter niet noodzakelijk de afwezigheid van een substantiële invloed worden afgeleid. In de gewone betekenis van deze woorden ligt de drempel voor dat laatste begrip ligt lager. Te denken valt aan de hypothese van enkele aandeelhouders die elk apart geen controle hebben, die ook geen formele overeenkomst hebben die toelaat te besluiten tot gezamenlijke controle, maar die op het ogenblik van de zekerheidstelling de oriëntatie vanhet beleid wel samen sturen. In zo’n geval lijkt er me ook sprake van substantiële invloed van elk van die aandeelhouders.

Anders dan het oude recht stelt boek 9 de controle en niet het economisch voordeel voorop. Hieruit kan worden afgeleid dat een samenwonende partner van een aandeelhouder of bestuurder wel beroep kan doen op de bescherming voor de consument-borg, wat ondere het oude recht was betwist. Zie de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 (Parl. St. Kamer 2024,  0261/002, p. 14): “Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg dan wel tussen de bestuurder of aandeelhouder van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben.”

Eén passage uit de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 creëert meer mist dan klaarheid:

“Het feit dat de borg bestuurder is binnen de hoofdschuldenaar/rechtspersoon ontneemt hem of haar in beginsel wel de bescherming, tenzij in concreto zou worden aangetoond dat de borg geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap kan hebben, bv. omdat het bestuursmandaat enkel is ingesteld om een consumentenborg te vermijden of omdat de feitelijke bestuurder van de hoofdschuldenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een feitelijke bestuurder bij wie de kwalificatie als feitelijke bestuurder is erkend door een rechter.” (Amendement nr. 11, Parl. St. Kamer 2024, 0261/002, p. 14.)

Waar weinig discussie over kan bestaan is dit:

  • Wie formeel bestuurder is kan in de regel niet genieten van de bescherming van de consumentenborg.
  • Wie de facto bestuurder is (waarbij dit mandaat niet wordt gepubliceerd, bv. omwille van een beroepsverbod) kan niet genieten van de bescherming van de consumentenborg. Zo’n persoon zal overigens in de regel ook een ‘substantiële invloed’ hebben.

Waar ik wel moeite mee heb in de verantwoording, is de suggestie dat een bestuurder zou kunnen aantonen dat hij slechts een sham bestuurder is om wel te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg.

Dat kan gevolgd worden als de betrokken zekerheidsteller op vraag van de schuldeiser enkel bestuurder is geworden om te ontsnappen aan de regels inzake consumentenborg en het voor alle betrokken duidelijk is dat deze bestuurstaak in realiteit niet zal worden uitgevoerd. Het is geen geheim dat financiers soms zeer creatief zijn bij het omzeilen van het beschermingsregime voor natuurlijke personen. Uit de context van de verantwoording lijkt het dat de wetgever hier vooral denkt aan partners van echte bestuurders (die onder de nieuwe regels zoals gezegd dus duidelijk wel onder het beschermingsregime vallen). In dat geval geldt de regel dat tussen partijen de ‘tegenbrief’ (de werkelijke toestand) en niet de gesimuleerde toestand moet worden toegepast (art 5.39 al. 2 BW).

Anders is het voor bv. een stroman van een werkelijke bestuurder getroffen door een beroepsverbod. Het lijkt me ondenkbaar dat deze stroman zich op deze geveinsde toestand kan beroepen om te kunnen genieten van het beschermingsregime, indien de schuldeiser hier niet desbewust aan heeft meegewerkt. Derden te goeder trouw hebben immers de optie om zich te beroepen op de geveinsde toestand (art. 5.39 al. 3 BW).

In géén geval mag uit deze passage worden afgeleid dat een bestuurder-zekerheidsteller kan aantonen dat hij geen substantiële invloed heeft – bv. omdat hij maar één van de velen is – om te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg. De verantwoording bespreekt deze ontsnappingsweg duidelijk in de context van veinzing en spreekt van “geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap.”

* *
*

De conclusie is dat dit beschermingsregime voor persoonlijke zekerheden voor schulden van vennootschappen in de praktijk een eerder zeer beperkte draagwijdte zal hebben.

Dat was niet anders ondere het oude recht voor ‘kosteloze’ borgen. De borgtocht werd geacht ‘kosteloos’ te zijn wanneer enig economisch voordeel ontbreekt, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling. Die kosteloosheid werd in de regel niet aanvaard bij persoonlijke zekerheden door insiders voor hun vennootschap (Zie uitgebreid en kritisch M.E. Storme, Persoonlijke zekerheden en aanverwante rechtsfiguren, 56-60). Hoewel het begrip ‘kosteloos’ hiermee werd gerekt (ibid., 59), spoort het wel met het idee dat persoonlijke zekerheden door vennootschapsinsiders met minder argwaan mogen worden bekeken dan die ten voordele van bv. familieleden of vrienden.

De persoonlijke zekerheid door de insider (natuurlijk persoon, rechtspersoon of andere organisatie) van een vennootschap is immers van een andere orde dan persoonlijke zekerheden in andere situaties, voor economische ‘echte derden’. De zekerheidsteller zal doorgaans de controle hebben over de hoofdschuldenaar en heeft ook een direct belang bij diense financiële situatie. In de feiten identificeert de controlerende aandeelhouder zich sterk met de vennootschap die economisch niet echt een derde is. Men zou kunnen zeggen: bij een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is het de niet-aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder voor een activiteit die hij controleert en waarvan hij de vruchten plukt, die eigenaardig is. Een persoonlijke zekerheid van die aandeelhouder is slechts een terugkeer naar de normale aansprakelijkheid van een ondernemer die geen vennootschap gebruikt of een moedervennootschap die geen dochtervennootschap heeft.

Joeri Vananroye

Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden

Insolventierecht is het recht van schaarste: waar aanspraken botsen en waarde moet worden verdeeld zonder dat elk kan krijgen wat hem krachtens het niet-insolventierecht toekomt. Deze schaarste dwingt het privaatrecht tot zijn scherpste keuzes. Insolventierecht is daardoor een zeer technisch en een zeer politiek rechtsdomein.

Het onderscheid tussen zakelijke dan wel persoonlijke rechten komt in alle scherpte naar voor in de insolventiehypothese. Waar het zakelijk recht een reële aanspraak geeft op een goed (un droit réel), heeft de schuldeiser slechts een hoopvolle verwachting van een toekomstige realisatie (une créance).

Continue reading “Insolventierecht: een synopsis in minder dan 4500 woorden”

Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers

Orb Gent, 13 november 2025

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde?

Het nieuwe art. XX.173 § 3 al. 3 stelt sinds 1 september 2023 (n.a.v. implementatie Hestructureringsrichtlijn): “De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.” Dit lijkt er vanuit te gaan dat een gedeeltelijke weigering altijd geldt voor alle schuldeisers en bestaat uit een breukdeel dat voor alle schuldeisers wordt toegepast (en geen absoluut bedrag dat dan verder de rangorde volgt).

Daarmee leek de wetgever komaf te maken met de mogelijkheid dat de rechtbank ook specifieke schuldvorderingen kan uitsluiten van kwijtschelding i.p.v. één globale gedeeltelijke weigering die alle schuldeisers ten goede komt (zie voorheen D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, 310, nr. 583 en hier).

We hebben deze inperking van de mogelijkheden van de insolventierechtbank op deze blog betreurd. Als de gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding een vorm van “bestuursaansprakelijkheid” is voor de natuurlijke persoon, dan is de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding een manier om de sanctie af te stemmen op de schade die door de onrechtmatigheid werd veroorzaakt.

Continue reading “Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers”

Liability for competition law infringements within groups: beware of misbehaving family members

A post by guest blogger Charlotte Reyns (Quinz, KU Leuven)

Since the introduction of the EU Private Damages Directive 2014/104, the amount of private damages actions following competition law infringements have grown exponentially. Indeed, enforcement by private parties is viewed as a complementary limb to the enforcement of competition law by the European Commission and the national competition authorities. One aspect that deserves special attention in that regard is the “single economic unit” doctrine which allows several or all companies belonging to a group of companies to be held liable for an infringement of competition law they did not themselves commit. Recent rulings such as Athenian Brewery (C-393/23) in the context of private international law and ILVA (C-383/23) with regard to liability for infringements of the GDPR furthermore showcase the far-reaching implications of the single economic unit doctrine.

This post delves deeper into the possible liability of the different members of a group of companies when only one of them has been found to infringe EU competition law. Who can be liable, and how to manage this risk?

Continue reading “Liability for competition law infringements within groups: beware of misbehaving family members”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral voor wat?

Over het lot van de LoC bij faillissement van de gepatroneerde vennootschap

Een eerdere post keek naar de vraag of een Letter of comfort (‘LoC’) afdwingbaar is en door wie. Daar mee is nog niet gezegd: voor wat? Bij elke LoC zal men in concreto moeten nagaan of en waartoe de emittent zich heeft willen verbinden. Ik zie drie types van verklaringen:

(a) Een louter informatieve verklaring waarbij de emittent niet ‘garandeert’ dat de gepatroneerde vennootschap haar verbintenissen zal nakomen.

Bv. de emittent verklaart op de hoogte te zijn van het bestaan van de kredietovereenkomst tussen de begunstigde en de (dochter)vennootschap.

Bv. de emittent verklaart aan de koper van aandelen dat het verkopende gepatroneerde private equity fonds het recht heeft uitkeringen aan haar investeerders terug te claimen als dat nodig is om aansprakelijkheden uit de overdrachtsovereenkomst na te komen.

Een informatieve verklaring mag niet zomaar worden weggezet als niet-verbindend. Indien de verklaring verkeerd is kan dit leiden tot aansprakelijkheid t.a.v. wie erop is afgegaan (E. Dirix, “Gentlemen’s agreements”, RW 1985-86, 2146, nr. 39). Het is niet moeilijk in te beelden hoe dit in bepaalde gevallen kan leiden tot een aansprakelijkheid die gelijk is aan de ‘verzekerde hoofdschuld’ en nog wat.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral voor wat?”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?

Over het belang van het onderscheid tussen gerichte of ongerichte LoC’s

Letters of comfort (LoC) of patronaatsverklaringen worden vooral geassocieerd met vennootschapsgroepen. De moedervennootschap (emittent) verklaart iets aan de medecontractant van de gepatroneerde dochtervennootschap (begunstigde) met als doel het verhogen van de kredietwaardigheid van de dochtervennootschap (gerichte verklaring). Dit gebeurt vaak in het kader van een kredietovereenkomst, maar kan ook bij andere overeenkomsten – elke overeenkomst is immers in de kiem een kredietovereenkomst (bv. in een share purchase agreement heeft de verkoper een potentieel grote aansprakelijkheid t.a.v. de koper). Deze gerichte verklaring gebeurt meestal op verzoek van de begunstigde (die al dan niet in de verklaring wordt geïdentificeerd).

In andere gevallen is de verklaring niet geadresseerd aan specifieke begunstigden (ongerichte verklaring). Dan is ze doorgaans afgeleverd op vraag van het bestuursorgaan van de gepatroneerde vennootschap. Dat gebeurt vaak op verzoek van de commissaris van de dochtervennootschap die twijfels heeft bij haar continuïteit (L. Leber, De patronaatsverklaring, Deventer, Wolters Kluwer, 2017, 23).

Niet zelden is de keuze voor het instrument van de LoC een onmogelijke poging om juridische kool en geit te sparen.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?”

Algemene verkorting Duitse kwijtscheldingstermijn naar 3 jaar: positief geëvalueerd voor consumenten

Een post door gastblogger Gauthier Vandenbossche (UGent)

De Duitse wet van 22 december 2020 tot verkorting van de kwijtscheldingstermijn, die op 1 oktober 2020 in werking is getreden, heeft de reguliere duur van de procedure tot kwijtschelding van restschulden voor alle natuurlijke personen verkort van zes naar drie jaar. Er werd voorzien dat de Bundesregierung  midden 2024 een verslag moest uitbrengen aan de Bundestag over de vraag hoe dit het verzoek-, betalings- en economische gedrag van consumenten heeft beïnvloed. In dit verslag wordt besloten dat er geen bewijs is dat de verkorting een impact heeft op het gedrag van consumenten. Dat is een interessante vaststelling voor de Belgische insolventiewetgever.

In deze blogpost sta ik stil bij de wet van 22 december 2020. Eerst geef ik toelichting bij de Duitse schuldkwijtscheldingsprocedure en de laatste wijziging ervan. Bijzondere aandacht is er voor het gelijktrekken van de kwijtscheldingstermijn voor ondernemers en consumenten. Hiervan is midden 2024 een evaluatie gemaakt, die zal worden toegelicht. Nadien worden nog kort de hoofdlijnen van de insolventieprocedure voor consumenten weergegeven. Besluiten doe ik met enkele korte overwegingen die de Belgische insolventiewetgever kan meenemen uit dit alles.

Continue reading “Algemene verkorting Duitse kwijtscheldingstermijn naar 3 jaar: positief geëvalueerd voor consumenten”

Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie

Cass. 28 juni 2024

Louter op grond van rechtsmisbruik kan de kwijtschelding van een gefailleerde niet worden geweigerd. Zo bevestigt een cassatiearrest van 28 juni 2024.

De Franstalige eerste kamer casseert een arrest van het Brusselse hof van beroep omdat het op grond van rechtsmisbruik weigerde een financiële consultant kwijtschelding te verlenen. De feiten illustreren nochtans de noodzaak van uitzonderingen op het “recht” op kwijtschelding. De man had al verschillende faillissementen achter de rug, waaronder een aantal als aandeelhouder en/of bestuurder van vennootschappen waarvoor hij zich borg had gesteld. Dat leverde hem in de periode 2015 tot 2019 een aanzienlijke schuldenlast op. Op 1 oktober 2019 wordt hij, ietwat cynisch, zelfstandig financiële consultant als natuurlijke persoon-ondernemer. Op Valentijnsdag 2020 doet hij aangifte van faillissement en dient hij een verzoek tot kwijtschelding in (het oude recht is immers van toepassing). Het passief is aanzienlijk en bestaat, zo luidt het verslag van de curator, voornamelijk uit de persoonlijke schulden die dateren van vóór de opstart van zijn nieuwe activiteit.

Continue reading “Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie”

De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting

Een post door gastblogger Anneleen Steeno (intui)

Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) voorziet in artikel 5:66 (BV) en 7:77 (NV) in de hoofdelijke gehoudenheid tot volstorting van zowel de overdrager als de overnemer van niet-volgestorte aandelen. Deze wettelijke bepaling is van dwingend recht en laat niet toe dat partijen contractueel anders bepalen. De overdrager is pas bevrijd van deze hoofdelijke aansprakelijkheid nadat er vijf jaren zijn verstreken na de (tegenstelbaarheid van de) overdracht. Wordt de overdrager aangesproken, heeft hij wel een regresvordering op de overnemer (tenzij contractueel anders was bedongen). De gehoudenheid geldt voor het bedrag waarvoor de aandelen niet werden volgestort, ongeacht het tijdstip waarop de schulden van de vennootschap ontstonden.

Continue reading “De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting”