Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement

Onderscheid tussen collectieve en individuele schade ook relevant bij kwijtschelding na faillissement

Kwijtschelding impliceert dat de gefailleerde natuurlijke persoon ten aanzien van de schuldeisers in beginsel wordt bevrijd van alle restschulden die bestaan bij de sluiting van het faillissement.  De kwijtschelding geldt niet voor (i) onderhoudsschulden van de gefailleerde en (ii) schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft (art. XX.173, §1 al. 2 WER).

Dit artikel vermeldt, anders dan bij de regels inzake vermindering of kwijtschelding bij een collectief akkoord (art. XX.73 WER) strafrechtelijke boetes niet. Art. 464/1 Sv bepaalt echter dat de kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure enkel kan worden toegestaan met toepassing van het koninklijk genaderecht.

Boedelschulden worden door de wetgever evenmin vermeld. Het Hof van Cassatie oordeelde onder het stelsel van de Faillissementswet dat de verschoonbaarheid niet van toepassing is op de boedelschulden (Cass. 5 oktober 2007, RW 2010-11, 381). Deze uitzondering geldt ook onder het stelsel van de kwijtschelding.

Na verzet door een belanghebbende kan kwijtschelding worden geweigerd, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk. Dit laatste is nieuw. De mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende geeft de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Continue reading “Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement”

Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder.  Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”

Wie krijgt wat van de opbrengst bij faillissementsaansprakelijkheid?

Nieuwe verdelingsregels in art. XX.225 en XX.227 WER

Een nieuwigheid in Boek XX is dat een bijzondere verdelingsregeling wordt ingevoerd voor de verdeling van het provenu van de aansprakelijkheidsvorderingen wegens kennelijk grove fout (art. XX.225 § 5 WER) en onredelijke voortzetting (art. XX.227 § 3 WER). De door de rechtbank toegekende vergoeding wegens vermindering of afwezigheid van activa wordt evenredig verdeeld onder de schuldeisers met inachtneming van de wettige redenen van voorrang. De door de rechtbank toegekende vergoeding wegens vermeerdering van het passief van het faillissement wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige redenen van voorrang. Elke verdeling geschiedt na voorafname van de boedelschulden. Continue reading “Wie krijgt wat van de opbrengst bij faillissementsaansprakelijkheid?”

De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid

Een post door gastblogger Tim Van Landeghem

De aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ werd middels de wet van 11 augustus 2017 wettelijk verankerd in art. XX.227 WER.  Voormeld artikel heeft uitsluitend betrekking op de collectieve vorm van ‘wrongful trading’ en penaliseert met name bestuurders die een kennelijk reddeloos verloren onderneming op onrechtmatige wijze hebben voortgezet. Zo blijft de aansprakelijkheid van een bestuurder wegens individuele fouten bij het aangaan van contractuele verbintenissen nog steeds onderworpen aan art. 1382 BW.

Prikkels tot wrongful trading

Bestuurders kunnen om verschillende redenen geneigd zijn om bewust de activiteiten van een onderneming verder te zetten, ondanks het besef dat de onderneming in feite al reddeloos verloren is. Continue reading “De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid”

Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?

Met een gastrol voor ‘gold-plating’

Een wetgevend project kenmerkt zich evenzeer door wat het niet wijzigt, als door wat het wel wijzigt. Dat op vlak van bestuursaansprakelijkheid de bestaande minderheidsvordering, ondanks evidente gebreken, niet werd opgelapt in het ontwerp-WVV zegt even veel over de maatschappelijke keuzes van het ontwerp als de invoering van een ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid.

Vorige posts behandelden enkele opvallende nieuwigheden voor maatschap, VOF en CommV. Het ontwerp behoudt ook veel; vele bepalingen zijn nog altijd een on- of nauwelijks gewijzigde kopie van de bepalingen uit art. 1832 e.v. van de Code civil  van 1804 (maatschap) of de Vennootschapswet van 1873 (VOF en CommV).

Deze post behandelt kort enkele regels die opvallen door dat ze bleven of ongeregeld werden gelaten. En soms is dit ook relevant voor de meer courante vennootschapsvormen. Continue reading “Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?”

‘Invoering van de samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zal leiden tot een explosie van aansprakelijkheids-vorderingen’

Professor Matthias Storme (KU Leuven) over hervorming van het verbintenissenrecht

In het meest recente nummer van de Juristenkrant analyseert Professor Storme in een prikkelend opiniestuk de hervorming van het burgerlijk wetboek, vooral het luik verbintenissenrecht (“Een nieuw verbintenissenrecht: oude wijn in oude zakken”,  Juristenkrant 2018, afl. 372, 17 – zonder paywall ook hier te lezen). Zijn uitgangspunt is dat de hoge aanpassingskost van een nieuw wetboek enkel verantwoord is indien dit opweegt tegen de verbeteringen die zo’n nieuw wetboek brengt. Zijn conclusie is dat dit niet het geval is in het voorliggende ontwerp.

Interessant is dat deze bijdrage ook aandacht besteedt aan de opheffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent, die eerder ook hier op deze blog aan bod kwam: Continue reading “‘Invoering van de samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zal leiden tot een explosie van aansprakelijkheids-vorderingen’”

Proposed New Belgian Companies Code: so what for Lenders?

A post by guest blogger Eric Blomme (Baker McKenzie)

The government’s proposal for a new Belgian Companies Code is a hot topic in the Belgian legal and business world.  Among the most publicized changes are a cap on directors’ liability for all company types and the abolition of the share capital for the private limited liability company (now BVBA/SPRL but to be renamed BV/SRL).  No doubt good news for directors and shareholders but what does this mean for lenders?  Continue reading “Proposed New Belgian Companies Code: so what for Lenders?”