Aansprakelijkheid van bestuurders in het WVV

S. De Dier en J. Vananroye, Working Paper No. 2021/1, Jan Ronse Instituut

De paper die Stijn De Dier en Joeri Vananroye schreven over de aansprakelijkheid van bestuurders in het WVV voor de studienamiddag Lessen na twee jaar WVV (28 mei 2021) van het Leuvense Jan Ronse Instituut is hier te consulteren.

Deze bijdrage zal ook verschijnen in het verslagboek dat zal worden uitgegeven bij Roularta in de Reeks Vennootschaps- en Financieel Recht.

De relativiteit van de kwijting van bestuurders

Na de goedkeuring van de jaarrekening beslist de AV bij afzonderlijke stemming over de kwijting van bestuurders en leden van de raad van toezicht (art. 5:98, 6:83 en 7:149 WVV; voor de VZW: art. 9:20 WVV). Door een geldige kwijting doet de vennootschap afstand van de actio mandati.

Belgische bestuurders – en het belang van de kwijting lijkt toch echt wel typisch iets van het Belgisch vennootschapsrecht- overschatten wellicht het comfort dat een kwijting biedt. Het gisteren besproken cassatie-arrest van 18 juni 2021 herinnert er aan dat de kwijting de curator niet bindt indien zij namens de gezamenlijke schuldeisers vordert. Dit is ondermeer het geval indien de curator vordert op grond van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid voor kennelijke grove fout of voor wrongful trading.

Er zijn nog andere belangrijke grenzen aan het comfort dat een kwijting biedt:

Continue reading “De relativiteit van de kwijting van bestuurders”

Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?

Cass. 18 juni 2021 (C.19.0255.N)

Op 18 juni 2021 velde het Hof van Cassatie een arrest over de tegenwerpelijkheid van een kwijting van bestuurders. Het Hof stelt daarbij dat “de kwijting niet aan de curator kan worden tegengeworpen wanneer hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 528 Wetboek van Vennootschappen instelt”.

Dit artikel betrof de schendingen van het wetboek of van de statuten. Het equivalent van art. 528 W.Venn. is art. 2:56 al. 3 WVV. Voor doeleinden van de behandelde vraag zijn er geen wijziging aan deze bepaling, zodat het besproken arrest ook onder het WVV relevant is.

Continue reading “Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?”

Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021
van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

Continue reading “Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?”

Bestuurdersaansprakelijkheid voor fouten uit het verleden: et alors ?

Indien een rechtspersoon zich in slecht weer bevindt, worden wel eens nieuwe bestuurders aangetrokken. De hoop is dan dat zij, als crisismanagers, het tij nog kunnen keren of behoeden voor erger. Nieuwe (kandidaat-)bestuurders worden al snel nerveus als ze handelingen uit het verleden ontdekken die mogelijk een bestuursfout uitmaken. Terecht? Hieronder brengen we enkele principes in herinnering, zonder exhaustief te willen zijn.

Continue reading “Bestuurdersaansprakelijkheid voor fouten uit het verleden: et alors ?”

Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit

Cass. 11 december 2020 (C.19.0318.N)

In een arrest van 11 december 2020 kwamen enkele principiële vragen in het vizier van het Hof van Cassatie:

1. Geldt de regel dat een aandeelhouder geen afgeleide schade kan vorderen ook na ontbinding van de vennootschap?

2. Kan een aandeelhouder net zoals een schuldeiser de zijdelingse vordering instellen indien de vennootschap (in casu in de persoon van de vereffenaar) weigert een vordering in te stellen?

3. Kan de minderheidsvordering worden ingesteld door een meerderheidsaandeelhouder?; en

4. Kan de minderheidsvordering nog worden ingesteld tijdens de vereffening van de vennootschap?

Continue reading “Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit”

Bestuursaansprakelijkheid bij nakende insolventie – video van presentatie door Professor M. Wyckaert

Video 15 oktober 2020

Het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders wordt des te nijpender in de schemerzone voor insolventie. De kans neemt dan immers aanzienlijk toe dat schuldeisers (of een faillissementscurator namens hen) de bestuurders persoonlijk verantwoordelijk zullen stellen voor het ontstane tekort. In hoeverre moeten bestuurders werkelijk aansprakelijkheid vrezen voor bv. wrongful trading, onrechtmatige selectieve betaling of kennelijk grove fout?

Deze actuele kwesties werden besproken door Prof. Dr. Marieke Wyckaert op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan haar presentatie hier bekijken (30 min.).

Meer info over de band tussen het vennootschapsbelang, het schuldeisersbelang en andere normen vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

Do corporate acts always count as some person’s actions?

A post by guest blogger Prof. Lisa Siraganian (Johns Hopkins University)

Scholars of corporate legal finance tend not to spend a lot of time worrying about how the corporation relates to novels, poems, literary movements. Or to political cartoons, like Udo Keppler’s fascinating 1910 magazine illustration of the shadowy corporation (more on that one below). But maybe they should. That’s what I argue in my new book, Modernism and the Meaning of Corporate Persons, out just now as part of the Law and Literature series from Oxford University Press, edited by Professors Robert Spoo and Simon Stern.  

Udo J. Keppler, “Get after the substance, not the shadow,” Puck 68, no. 1757 (November 2, 1910). Library of Congress Prints and Photographs division, Washington, D.C.

The story begins with the fateful US Supreme Court decision, Santa Clara v. Southern Pacific Railroad, which legitimatized the American legal fiction of corporate personhood in 1886. After that decision, the development of the idea that law could endow a nonhuman entity with certain rights expanded into American culture. And, not surprisingly, the notion that an eerie, insubstantial corporation could be considered similar to persons bothered many actual people throughout the first decades of the twentieth century.

In the book, I explore how and why the possibility that large collective organizations might mean to do what they do—and might mean like us, like persons—both excited and worried American creative writers, artists like Keppler, and theorists of the corporation. In roughly the first half of the twentieth century, these ideas stimulated new thoughts about what it means to act as a person or as a group. It also sparked new thoughts on what it means to intend to act at all. Of course, versions of that conversation continue today, most often as debates on blogs, scholarship, and in heated media discussions, whether on legal personhood, corporate social responsibility, veil-piercing, or corporate criminal liability. But the earlier deliberations on similar issues have remained, until now, an untapped resource to understand corporate action, worked out in entirely different forms. 

For example, consider the law reviews and treatises on contracts and agency law by US Supreme Court Justice Oliver Wendell Holmes, Jr. and law professor Ernst Freund. Or, alternatively, take the inventive modernist poems of Gertrude Stein and the novels of F. Scott Fitzgerald, author of The Great Gatsby and The Love of the Last Tycoon. Whichever you choose, you can find each writer trying to work out the following problem. Namely, if you can’t be sure how to represent or describe a corporate entity, or who exactly intended what a corporation said or acted, then how can you really know what that corporation meant when it “said” something or acted in a certain way? But knowing, or not knowing, mattered. It would determine what you might fairly expect from the various human persons when they work for a corporation. And it would impact how society should treat (or regulate) these corporate entities and what they did in the world. Continue reading “Do corporate acts always count as some person’s actions?”

Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming

Presentatie door Prof. Dr. J. Vananroye (15 oktober 2020)

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is artikel 544 BW: “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De eigenaar kan naar eigen inzicht uti, frui et abuti: gebruikmaken van zijn goederen, er het genot van hebben en zelfs de waarde ervan uithollen. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Continue reading “Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming”

Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders

In een cassatie-arrest van 9 oktober 2020 (C.20.0120.N) overweegt het Hof als volgt, in verband met een laattijdige fiscale aangifte binnen een VZW:

“Dat het bestuur van een vzw aan een collegiale raad van bestuur moet worden opgedragen, betekent dat elke individuele bestuurder verplicht is toezicht te houden op de medebestuurders.

Noch  een  taakverdeling  die  de  bestuurders  eventueel  zijn  overeengekomen,  noch het feit dat een bestuurder niet zelf het bestuursmandaat heeft gesolliciteerd of het feit dat een bestuurder zich het bestuur toe-eigent, doet afbreuk aan deze verplichting.”

Daarmee beaamt het Hof voor het eerst dat op elke bestuurder binnen een collegiaal bestuur een toezichtsplicht rust: elke bestuurder moet zijn collega’s in het oog houden. Bovendien voegt het Hof eraan toe dat een eventuele taakverdeling noch het gegeven dat een andere bestuurder de touwtjes in handen heeft en zich het bestuur toe-eigent, daaraan afbreuk doet. Continue reading “Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders”

De actio pauliana als onderschatte remedie voor schuldeisers van rechtspersonen

Video van presentatie door dr. Gillis Lindemans (KU Leuven)

De actio pauliana kwam in het verleden in de context van het vennootschapsrecht vooral ter sprake als beschermingsmechanisme voor persoonlijke schuldeisers van een vennootschap bij een inbreng.

De actio pauliana is echter ook een krachtige remedie waarmee de vennootschapsschuldeisers hun verhaalspositie kunnen veiligstellen. Zo kan de pauliana schuldeisers beschermen tegen excessieve uitkeringen, benadelende fusies en splitsingen, onrechtmatige financiering enz.

De mogelijkheden en limieten van deze remedie werden vorige week besproken door Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat bij Quinz) op de studiedag over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u in zijn boek over hetzelfde thema.

Waarom is er een bijzondere schuldeisersbescherming nodig bij rechtspersonen?

Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon | 15 oktober 2020 via livestream

Aandeelhouders van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid genieten van beperkte aansprakelijkheid. De vennootschap zelf kan uiteraard wel aansprakelijk gesteld worden zoals elk ander rechtssubject. Daardoor kan de verleiding bestaan om te denken dat het “niet-vennootschapsrecht” dan maar de bescherming van externe stakeholders volledig op zich moet nemen. Het milieurecht beschermt slachtoffers van verontreiniging, het arbeidsrecht werknemers, het consumentenrecht consumenten… Heeft het vennootschapsrecht daar nog wel een rol?

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen over het beheer van zijn vermogen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is nog altijd naar de formulering van art. 544 Code civil “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Tussen de activa en passiva van de rechtspersoon en die van de aandeelhouders staat de muur van de rechtspersoonstechniek, die niet-aansprakelijkheid en vermogensafscheiding met zich meebrengt. De leden hebben aldus volledige controle over het vermogen van de rechtspersoon, genieten bij een vennootschap van eventuele winst, maar dragen slechts beperkt de negatieve gevolgen van hun beheer: deze zijn beperkt tot het verlies in waarde van hun aandelen. Deze rechtspersoonstechniek vergroot daardoor aanzienlijk het risico op opportunistisch handelen ten nadele van schuldeisers.

Aansprakelijkheidsremedies botsen zowel bij natuurlijke als bij rechtspersonen op de grens van de insolvabiliteit. Het verschil is dat bij een rechtspersoon het risico veel groter is dat deze insolvabiliteit onderdeel is van een bewuste strategie.

Interne vermogenssplitsing en artificiële vermogenssplitsing: beperkte aansprakelijkheid op steroïden

Het rechtspersoonstypisch risico op opportunistisch gedrag verergert nog veel meer door de mogelijkheid van verdere vermogenssplitsing zoals bij een vennootschapsgroep waarbij een onderneming verspreid is over meerdere rechtspersonen. De insolvabiliteit van één onderdeel van de groep heeft brengt dan maar een beperkt verlies van ondernemingswaarde voor de aandeelhouders met zich.

Beperkte aansprakelijkheid wordt daardoor erg beperkt: bij insolvabiliteit van een onderdeel verliezen de aandeelhouder slechts een stuk van de ondernemingswaarde.

Helemaal mooi wordt het voor de aandeelhouders als er binnen een groep strategisch aan artificiële vermogenssplitsing werd gedaan. Zie daarover de bijdragen van A. Karapetian en F. Verstijlen, R. Squire en J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, Reports to to the Netherlands Association for Comparative and International Insolvency Law (2018). Te consultereren via http://www.naciil.org/activiteiten/nieuws/kopie-documents-nvriinaciil-annual-conference–members-meeting-15-november-2018/

Bepaalde goederen die essentieel zijn voor de going concern waarde van de onderneming worden dan ondergebracht in een entiteit die buiten de insolvabiliteit wordt gehouden. Een type voorbeeld zijn intellectuele eigendomsrecht van de groep. Bij de insolvabiliteit van de andere groepsvennootschappen maakt dit dat de insiders de enige realistische bieders zijn voor de ondernemingsgoederen, die ze daardoor aan een prikje kunnen verwerven.

Hierdoor neigt beperkte aansprakelijkheid naar de afwezigheid van aan aansprakelijkheid. Het faillissement van de onderneming belet immers niet dat de aandeelhouders nog een groot stuk van de ondernemingswaarde kunnen behouden.

Dit opportunistisch insolventierisico typisch voor entiteiten met beperkte aansprakelijkheid en afgescheiden vermogen, brengt met zich een nood aan een rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming.

Technieken van rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming komen uitgebreid aan bod in de studiemiddag via livestreaam aan de KU Leuven op 15 oktober 2020 over schuldeisersbescherming bij vennootschappen en andere rechtspersonen onder voorzitterschap van Professor Eric Dirix. Komen onder meer aan bod : dr. Lindemans over de pauliana, Professor Cools over de aanloop naar insolventie, Professor Wyckaert over bestuursaansprakelijkheid, Professor Tas over uitkeringen, Mr. Poesen over het IPR en Mr. Van Hoe over de vennootschapsgroep.

Inschrijven kan via deze link. Meer info vindt u hier.

Joeri Vananroye

Verjaring bestuursaansprakelijkheid: wettelijke verankering van ‘fraus omnia corrumpit’ niet zo vanzelfsprekend

Art. 2:143, §1, vierde streepje t WVV

1. Art. 2:143, §1, vierde streepje van het WVV bevat volgende, op het eerste zicht vanzelfsprekende, verjaringstermijn:

“Alle rechtsvorderingen tegen leden van het bestuursorgaan, dagelijks bestuurders, commissarissen, vereffenaars, tegen de vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die één van de voornoemde functies bekleden, of tegen alle andere personen die ten aanzien van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen vanaf die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking ervan.”

Vertaald in verjaringsrechtelijke termen komt deze bepaling neer op het volgende: de vorderingen tegen leden van het bestuursorgaan (zowel bestuurders als dagelijkse bestuurders), de commissaris, vereffenaars en vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die deze functies uitoefenen verjaren na vijf jaar. Het principiële startpunt van deze verjaringstermijn is de verrichting die aanleiding geeft tot de vordering. Indien de verrichtingen die aanleiding hebben gegeven tot de vordering echter opzettelijk verborgen zijn gehouden, wordt de verjaringstermijn geschorst tot op het moment dat de verrichting ontdekt wordt. Dit is een wettelijke verankering van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”.

2. Deze bepaling is minder vanzelfsprekend dan die op het eerste zicht lijkt. Continue reading “Verjaring bestuursaansprakelijkheid: wettelijke verankering van ‘fraus omnia corrumpit’ niet zo vanzelfsprekend”

De nieuwe regels voor bestuurdersaansprakelijkheid

live webinar op vrijdag 4 sep. (13u-17u) door KMO Campus

Met welke nieuwe risico’s moet een bestuurder rekening houden en wat zijn precies de nieuwe regels inzake bestuur en aansprakelijkheid?

Prof. Joeri Vananroye (KU Leuven) en Prof. Stijn De Dier (U Antwerpen), beiden advocaat bij Quinz, overlopen in een live webinar de nieuwe regels en een aantal gewijzigde specifieke aansprakelijkheidsgronden (self dealing, belangenconflicten, misbruik vennootschapsgoederen, wrongful trading, uitkeringen in de BV, enz.), en bespreken welke voorzorgen kunnen worden genomen om persoonlijke aansprakelijkheid in te perken.

Continue reading “De nieuwe regels voor bestuurdersaansprakelijkheid”

De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden

Aansprakelijkheid kan worden gereduceerd tot 1 EUR (Cass. 18 juni 2020, C.19.0258.N)

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de RSZ-schulden in hoofde van een bestuurder van een failliete onderneming die in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring (feitelijk) bestuurder is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen met openstaande RSZ-schulden (huidig art. XX.226 WER) zorgt al enige tijd voor controverse. Uit het recente aanbod van het Hof van Cassatie omtrent de invulling van die – in vergelijking met naburige rechtsstelsels – ongewone aansprakelijkheidsgrond konden we alvast thema’s selecteren, met een recent arrest van vorige maand als  blikvangen:

Continue reading “De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden”