Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective

A guestpost by Prof. Dr. Reinhard Bork (Universität Hamburg)

 

The financial shipwreck of a company is a customary event in nearly all states of the world. Most jurisdictions have special statutes addressing this topic and they are – beyond terminological issues – all dealing with the same questions: how is the term “insolvency” defined? How are insolvency proceedings commenced? What are the responsibilities of the court on the one hand and of the Insolvency Practitioner on the other hand? Are there various classes of creditors and what are their procedural and substantive rights? How is the insolvency estate determined? What are the effects of the opening of insolvency proceedings on the estate? What are the consequences for executory contracts or rights to set-off? Can transactions performed prior to the opening of insolvency proceedings be reversed to the benefit of the general body of creditors? What is the legal position of secured creditors? Is restructuring of an insolvent company a possible scenario and what are the differences between liquidation and restructuring proceedings? Which rules apply to cross-border affairs, e.g. to assets located in a foreign jurisdiction? Continue reading “Corporate insolvency law – seen from a comparative perspective”

Het “Erfolgsort” als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid bij collectieve onrechtmatige daadsvordering wegens paulianeuze verhaalsbenadeling

Vervolguitspraak Hoge Raad 3 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1223) na arrest HvJ EU in zaak C-535/17

Op 6 februari 2019 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese EU (HvJ EU) dat een Peeters/Gatzen-vordering (PGV) die een Nederlandse curator instelt tegen een derde die betrokken is bij de paulianeuze verhaalsbenadeling van de schuldeisers van een failliete vennootschap moet worden aangemerkt als vordering tot schadevergoeding die onder de verwijzingsregels van de Brussel I (bis)-Verordening valt. De Hoge Raad, die het prejudiciële verzoek had ingediend, beantwoordt in een arrest van 3 juli 2020 zelf de vraag of hij op grond van Brussel I (bis) bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

Continue reading “Het “Erfolgsort” als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid bij collectieve onrechtmatige daadsvordering wegens paulianeuze verhaalsbenadeling”

Wat is de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid?

M. Wyckaert m.m.v. D. Alper “Faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders”

Onlangs verscheen bij Intersentia Leerstukken Ondernemingsrecht (eds. J. Vananroye en D. Van Gerven), een overzicht van enkele belangrijke thema’s uit het ondernemingsrecht na de hervormingen van het WER, het WVV en het nieuw BW.  In de bijdrage “Faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders” bespreken Professor Marieke Wyckaert (KU Leuven) en meester Dogan Alper (Braeckmans Advocaten) de interactie tussen de nieuwe bepalingen inzake bestuursaansprakelijkheid in het WER en in het WVV. Onder de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid komt aan bod:

“De aanknopingsfactor om het toepasselijke insolventierecht af te bakenen wordt bepaald door het centrum van de voornaamste belangen (meestal aangeduid als het COMI of “centre of main interest”), waarbij voor rechtspersonen het COMI tot bewijs van het tegendeel wordt geacht zich te bevinden op de plaats van de statutaire zetel: dat bewijs moet worden geleverd aan de hand van een werkelijke zetelleer-benadering.[1] Daarnaast kan in elk land met een vestiging een secundaire, lokale procedure worden geopend.[2] Boek XX WER verandert niets aan deze rechtstreeks toepasselijke Europese regel. Continue reading “Wat is de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid?”

Verwachte Covid-19 solvabiliteitsproblemen nopen fiscus tot soepelere positie bij vrijstelling waardevermindering op handelsvorderingen

Een post door gastblogger mr. Elien Van Malder

De fiscale administratie verwacht dat de uitzonderlijke situatie die werd veroorzaakt door de verspreiding van Covid-19 en de opgelegde maatregelen nadelige gevolgen zullen hebben voor de solvabiliteit van sommige ondernemingen. De fiscus legt daarom enige soepelheid aan de dag bij de analyse van de vrijstellingsvoorwaarden van de waardeverminderingen op handelsvorderingen in haar circulaire 2020/C/45 van 23 maart 2020. Continue reading “Verwachte Covid-19 solvabiliteitsproblemen nopen fiscus tot soepelere positie bij vrijstelling waardevermindering op handelsvorderingen”

Pauliana heeft meer slagkracht dan de BV-uitkeringstest

In een eerste post over dit thema signaleerden we dat de recent ingevoerde BV-uitkeringstest sterke gelijkenis vertoont met de (veel oudere) actio pauliana. In een tweede post lichtten we die analogie nader toe.  In het laatste deel van dit drieluik gaan we nog een stapje verder. De pauliana blijkt immers de BV-uitkeringstest op belangrijke punten te overtroeven.

Pauliana biedt soms sterkere bescherming dan BV-uitkeringstest

Ondanks haar inhoudelijke verwantschap met de BV-uitkeringstest, is de pauliana geen overbodige remedie tegen uitkeringen. Zo spreekt het voor zich dat de pauliana ook kan worden toegepast op uitkeringen in andere vennootschappen dan de BV. Nog los daarvan echter, biedt de pauliana een aantal belangrijke inhoudelijke troeven: Continue reading “Pauliana heeft meer slagkracht dan de BV-uitkeringstest”

Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?

Uit een vorige post bleek dat in het WVV het onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen op papier scherp lijkt, maar bij nader toezien eerder cosmetisch is.

So what? Wordt er wel een maatschappelijk belang gediend door een onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen? Waarom zou de wetgever überhaupt nog de vormen van een vereniging of stichting aanbieden?  De methodologische twijfel over hun bestaansreden biedt inzicht in de wijze waarop deze vormen, en in het bijzonder hun wettelijke specialiteit, wetgevend moeten worden ingevuld. Deze oefening laat toe ook de oplossingen van het WVV te evalueren. Onze conclusie daarbij is dat de nieuwe regels in belangrijke mate de Belgische verenigings- of stichtingsvormen hun nuttige signaalfunctie ontnemen.

Continue reading “Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?”

Zal het insolventierecht de wereld redden?

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (8)

Eerdere posts schonken aandacht aan enkele technologieën om de scherpe kantjes van afgescheiden vermogen en beperkte aansprakelijkheid af te vijlen: publiciteit, en uitkeringsverplichtingen, uitkeringsbeperkingentoerekeningsregels voor vennootschapsschuldenbestuursaansprakelijkheid.

Deze technologieën staan onder druk. Het internationaalrechtelijk aanknopingspunt voor deze regels wordt immers in belangrijke mate bepaald door het het toepasselijke vennootschapsrecht: de lex societatis. In België gold dat je het toepasselijk vennootschapsrecht niet vrij kan kiezen: je moet het recht kiezen van het economische zwaartepunt van de vennootschap, de werkelijke zetel. Vanuit het idee dat de rechtspersoon in belangrijke mate een figuur met derdenwerking is, vind ik het geen gek idee dat de insiders niet totaal vrij kunnen kiezen. Bij een contract ligt vrije keuze voor de hand; bij figuren met derdenwerking dringt een objectieve aanknopingsfacor zich op. In het goederenrecht is dit de lex rei sitae, de plaats waar een zaak zich werkelijk bevindt, in het vennootschapsrecht is dat de werkelijke zetel. De keuze om vrij het toepasselijk recht te kiezen voor figuren die tegenwerpelijk zijn aan derden wordt in The Code of Capital van Pistor terecht als zeer problematisch beschreven. Continue reading “Zal het insolventierecht de wereld redden?”

The Code of Capital: How the Law Creates Wealth and Inequality 

KU Leuven Campus Brussels | Monday 4 November 2019

9780691178974Professor Katharina Pistor (Columbia Law School) presents on Monday 4 November 2019 in Brussels her book The Code of Capital on how the law shapes the distribution of wealth.

This book develops i.a. the topics which Professor Pistor touched upon in her Heremans Lectures as Global Law Professor at the KU Leuven in 2016.

“This is a fascinating book that demonstrates how the rights of capital have been entrenched in the international legal system. The Code of Capital opens the way for a thoughtful discussion about the treaties on capital flows and privileges that need to be rewritten. A must-read.”

Thomas Piketty

Programme

16.30: Welcome by Professor Dirk Heremans (emeritus KU Leuven)

16.40: Lecture by Professor Katharina Pistor (Columbia Law School)

17.40: Belgian responses by

  • Professor Koen Geens (KU Leuven and Minister of Justice of Belgium)
  • Professor Ludo Cornelis (emeritus VUB)
  • Professor Joeri Vananroye (KU Leuven)

18.10: Q&A

18.30: End

Venue Continue reading “The Code of Capital: How the Law Creates Wealth and Inequality “

Can directors be employees?

Can directors be employees? An array of answers are possible. A director may accept to perform the duties resulting from company law and the statutes of association by entering into eg a management contract, an agency agreement, or an employment contract. The diversity of plausible answers also impacts on EU private international law, as the applicability of the protective rules on jurisdiction in matters relating to employment contracts, contained in Art 18 et seq of the Brussels I Regulation Recast, depends on whether a relationship can be characterised as a ‘matter relating to an individual contract of employment’. At stake are among other things (1) the option of the director to sue the company in the courts of the place where he is domiciled, and (2) whether the company is restricted to pursue its actions against the director in the courts of the director’s domicile.

In his Opinion in C-603/17 EU:C:2019:65 Bosworth ea v Arcadia Petroleum ea, AG Saugmandsgaard Øe clarified the position of directors of a company in respect of the rules of jurisdiction applicable to employment contracts.

Continue reading “Can directors be employees?”

HvJ bevestigt dat paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement onder Brussel I-verordening valt

Hof van Justitie volgt conclusie van AG Bobek in de zaak C 535/17

Op 6 februari 2019 bevestigde het Hof van Justitie de conclusie van de advocaat-generaal (zie hier) dat ook een paulianeuze onrechtmatige daadsvordering (de zgn. Peeters/Gatzen-vordering naar Nederlands recht) ingesteld tijdens het faillissement van een vennootschap onder het toepassingsgebied van de Brussel I-verordening valt (for an excellent review in English: see the analysis of prof. G. Van Calster, especially with regard to the consequences of the ECJ-judgement for the applicable law in this area). Continue reading “HvJ bevestigt dat paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement onder Brussel I-verordening valt”

Ook paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement valt onder Brussel I-verordening

Conclusie van AG Bobek in de zaak C‑535/17

Op 18 oktober 2018 concludeerde de advocaat-generaal van het Hof van Justitie dat de Nederlandse Peeters/Gatzen-vordering, ingesteld in een geschil met een Belgische verweerder onder het toepassingsgebied van de Brussel I-verordening valt en dus niet onder de Insolventieverordening. Dit zou impliceren dat de rechterlijke bevoegdheid inzake de onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens een faillissementsprocedure beheerst wordt door de regels van de Brussel I-verordening, die als centraal uitgangspunt de bevoegdheid van de lidstaat van de verweerder hanteert,  en dus niet door het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend.

De Peeters/Gatzen-vordering komt grosso modo overeen met de Belgisch vordering tot vergoeding van collectieve schade.

Continue reading “Ook paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement valt onder Brussel I-verordening”

The blurred lines of contract: the actio pauliana is a ‘matter relating to a contract’ within the meaning of the Brussels I Regulation Recast, Article 7(1)

Guest blogger Michiel Poesen on CJEU’s recent decision in C-337/17 Feniks

This blogpost focusses on the CJEU’s recent decision in C-337/17 Feniks, ECLI:EU:C:2018:805. In this decision, the Court entertained the question as to whether jurisdiction over an avoidance action – a so-called actio pauliana – should be determined under Article 7(1) of Regulation 1215/2012, commonly referred to as the Brussels I Regulation Recast.

As AG Bobek put it, the notion of actio pauliana generally refers to a remedy that allows a creditor to have an act declared ineffective, because said act was carried out by a debtor with the purpose of diminishing its assets by passing them on to a third party (Opinion in Case C-337/17 Feniks, ECLI:EU:C:2018:487, 35).

In older case law, the CJEU held that the actio pauliana cannot be characterised as an action in tort within the meaning of Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast. This in turn means that the court of the place where the creditor’s damage occurred cannot assert jurisdiction (Case C-261/90 Reichert II, ECLI:EU:C:1992:149). Prior to Feniks, however, the question as to whether the actio pauliana should be characterised as a ‘matter relating to a contract’ had not been referred to the Court.

Article 7(1) of the Brussels I Regulation Recast lays down the rules on forum contractus. It allows a defendant to be sued in the ‘place of performance’ of the contentious obligation, provided that the action concerns ‘matters relating to a contract’. The recent decision in Feniks clarified the outstanding issue as to whether an actio pauliana can too be brought in the forum contractus. Continue reading “The blurred lines of contract: the actio pauliana is a ‘matter relating to a contract’ within the meaning of the Brussels I Regulation Recast, Article 7(1)”

Locating pure economic loss: jurisdiction over prospectus liability under Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast

A post by guest blogger Michiel Poesen

In C‑304/17 Helga Löber v Barclays Bank plc, the CJEU had the opportunity to revisit its case law regarding jurisdiction over prospectus liability. The relevant ground for jurisdiction is Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast (previously Article 5(3) of the 2001 Brussels I Regulation): A person domiciled in a Member State may be sued in another Member State in matters relating to tort, delict or quasi-delict, in the courts for the place where the harmful event occurred or may occur. The ECJ confirmed that in the context of prospectus liability, the place where the harmful event occurred can be exceptionally located in the claimant’s domicile. Continue reading “Locating pure economic loss: jurisdiction over prospectus liability under Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast”

Breaking news: Wetboek Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd door ministerraad

De Ministerraad heeft zopas het ontwerp van Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd. Het gaat om wellicht de meest verregaande hervorming van het recht inzake vennootschappen, verenigingen en stichtingen die ons land ooit heeft gekend.

Continue reading “Breaking news: Wetboek Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd door ministerraad”

New EU rules on company law: more flexibility, more protection?

Company Law package may have large impact on cross-border mobility of EU companies

Yesterday, the European Commission launched two proposals for new rules on the cross-border mobility and digital registration of companies. The rules are intended to make it easier for companies to merge, divide or move within the European Union, as well as to prevent social dumping, tax evasion and other forms of abuse.

Continue reading “New EU rules on company law: more flexibility, more protection?”