Remuneratie curator. Het bureau voor rechtsbijstand is geen insolventieverzekeraar, maar wie dan wel?

Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) en Dennis Cardinaels (University of Leeds) in NjW

Maakt de curator bij de vereffening van een insolventieboedel aanspraak op kosteloze rechtspleging krachtens artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek? Die vraag werd door het bureau voor rechtsbijstand van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel op 13 januari 2016 onverbiddelijk beantwoord met een eenvoudige ‘nee’ (Rb. Brussel (Nl.) (Bureau voor rechtsbijstand) 13 januari 2016, NjW 2017, 609).

Hoewel die beslissing begrijpelijk is, herbergt ze een fundamenteel vraagstuk: wordt de curator wel adequaat vergoed voor de inspanningen die hij levert en kosten die hij maakt bij de wedersamenstelling van de boedel? Een ontkennend antwoord op die vraag zou kunnen leiden tot een pervers resultaat, namelijk een curator die passiever blijft dan wenselijk is.

Bijgevolg noopt het oordeel van het bureau voor rechtsbijstand tot een analyse van de huidige remuneratieregelgeving van de curator, teneinde na te gaan of de curator via de huidige regeling wel voldoende geprikkeld wordt om de belangen van de schuldeisers in de boedel maximaal te behartigen. Continue reading “Remuneratie curator. Het bureau voor rechtsbijstand is geen insolventieverzekeraar, maar wie dan wel?”

‘Niet kennis van de onbevoegdheid, maar kennis van misbruik van bevoegdheid’

Kwade trouw als exceptie onder de Eerste Richtlijn

De Eerste Richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om voor handelingen die de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden te bepalen dat de vennootschap niet verbonden is “indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn.” Een eerdere post wees erop dat deze uitzondering enkel gebruikt kan worden voor doeloverschrijdende handelingen; niet voor andere statutaire bevoegdheidsbeperkingen. Een andere post pleitte ervoor om de lege ferenda ook voor doeloverschrijdende handelingen terug te vallen op de basisregel van de Eerste Richtlijn: “De grenzen welke door de statuten of door een beslissing van de bevoegde organen aan de bevoegdheden van de organen van de vennootschap worden gesteld, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij openbaar zijn gemaakt.

Nergens stelt de Eerste Richtlijn (noch de Belgische vennootschapswetgever) dat de kwade trouw van derden i.v.m. een bevoegdheidsbeperking tot gevolg heeft dat de vennootschap er zich toch op kan beroepen t.a.v. die derde te kwader trouw. Niettemin neemt de Belgische rechtsleer aan dat de vennootschap toerekening kan vermijden door het bewijs te leveren van de kwade trouw van de mede-contractant van de vennootschap (J. Ronse, De Vennootschapswetgeving 1973, p. 171, nr. 326; L. Simont, ,,La loi du 6 mars 1973 modifiant la législation relative aux sociétés commerciales”, RPS 1979, p. 43, nr. 44; N. Geelhand, ,,De externe vertegenwoordigingsmacht van de organen van de vennootschap”, TRV 1994, p. 64, nr. 5; S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap, Roularta, Roeselare, 2016, 177, nr. 191). Er wordt hiervoor meestal een grondslag gezocht in het leerstuk van de derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk.

Is dit wel verzoenbaar met het systeem van de Eerste Richtlijn? Continue reading “‘Niet kennis van de onbevoegdheid, maar kennis van misbruik van bevoegdheid’”

Welke middelen heiligt het statutaire doel nog?

Pleidooi voor een verminderde tegenwerpelijkheid van het statutair doel

Een vorige post bracht in herinnering hoe de Eerste Richtlijn lidstaten de optie – maar niet de verplichting – geeft om voor handelingen die de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden – maar niet voor andere statutaire beperkingen – te bepalen dat de vennootschap niet verbonden is “indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn. Openbaarmaking van de statuten alleen is hiertoe echter geen voldoende bewijs.

De Belgische wetgever heeft van deze optie gebruik gemaakt: zie de artikels 258 (BVBA), 407 (CVBA), 526 (NV), 859 (ESV), 897 en 903 (SE), 966 en 972 (SCE) W.Venn.

Het verdient volgens mij de voorkeur dat België niet langer van deze door de Europese wetgever toegelaten uitzondering gebruik maakt. Continue reading “Welke middelen heiligt het statutaire doel nog?”

Bijna 50, en nog alle tanden (over de Eerste Richtlijn)

Europese kapitaalvennootschappenrichtlijn (codificatie) gepubliceerd

In het Publicatieblad van de Europese Unie verscheen onlangs de codificatie van de Europse richtlijnen rond kapitaalvennootschappen: Richtlijn 2017/1132 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht. Dit is een mooie gelegenheid om te reflecteren over de betekenis daarvan, met name n.a.v. de voorgenomen modernisering van het Belgische vennootschapsrecht. Continue reading “Bijna 50, en nog alle tanden (over de Eerste Richtlijn)”

Tussenbalans van een continue evenwichtsoefening: nieuw proefschrift over aandeelhoudersrechten in Nederland

Gisteren promoveerde Frans Overkleeft aan de Erasmus Universiteit Rotterdam met een proefschrift over de positie van aandeelhouders in beurgesnoteerde vennootschappen.

Corporate governance in Nederland was zelden zo actueel. Deze blog berichtte nog maar net over het aandeelhoudersactivisme gericht tegen Akzo Nobel, nadat het een buitenlands bod afwees. Ook Unilever en PostNL schermden recent met buitenlandse kapers. Hierop ontstond een interessant politiek debat over hoe Nederlandse beursvennootschappen beter beschermd kunnen worden tegen ongewenste overnames.

Op een beter tijdstip kon het proefschrift van Frans Overkleeft niet verschijnen. In een even uitgebreide als grondige studie analyseert hij de positie van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen in Nederland. Zijn onderzoek naar de wisselwerking tussen wetten, rechtspraak en feiten in deze context, plaatst de recente evoluties in een interessant perspectief.

Continue reading “Tussenbalans van een continue evenwichtsoefening: nieuw proefschrift over aandeelhoudersrechten in Nederland”

Money (That’s What I Want). De invloed van de remuneratie van de advocaat op de actio mandati en minderheidsvordering

Corporate/Bankruptcy governance

In een aantal eerdere blogposten (zie hier en hier) werd reeds kort aangestipt dat de remuneratie van de curator invloed heeft op bankruptcy governance, en i.h.b. op het gedrag van de curator m.b.t. het instellen van bestuursaansprakelijkheidsvorderingen. De remuneratie zou moeten werken als een wortel die de belangen van de curator gelijkschakelt met die van zijn principaal, i.e. de gezamenlijke schuldeisers in de boedel. Helaas faalt het huidig Belgisch recht daarin (zie daarover F. DE LEO en D. CARDINAELS, “Het bureau voor rechtsbijstand is geen insolventieverzekeraar, maar wie dan wel? Over het prikkelend karakter van de remuneratie van de curator”, NjW 2017, te verschijnen).

In deze post wens ik kort in te gaan op een gelijkaardige situatie tijdens het leven van de onderneming: de invloed van de verloning van de advocaat op corporate governance, en i.h.b. op de actio mandati en minderheidsvordering (zie hierover de korte paragraaf in A. FRANCOIS, K. BYTTEBIER, K. FASTENAEKELS, T. VAN DE GEHUCHTE en L. VANDENBEMPT, “Omgaan met conflicten in vennootschappen: regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling” in K. BYTTEBIER, A. FRANCOIS, E. JANSSENS, T. VAN DE GEHUCHTE (eds.), Omgaan met conflicten in de vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009, (1) 85). Net zoals de curator de agent is van de gezamenlijke schuldeisers in de boedel als principaal (de residual risk bearers), is de advocaat de agent van de vennootschap, en – indien we aannemen dat het doel van het vennootschapsrecht winstmaximalisatie is voor de aandeelhouders – finaal van de gezamenlijke aandeelhouders (eveneens de residual risk bearers).

De verloning van de curator wordt niet bepaald door de schuldeisers als principaal, maar wel door het KB van 10 augustus 1998. Continue reading “Money (That’s What I Want). De invloed van de remuneratie van de advocaat op de actio mandati en minderheidsvordering”

The principal-cost theory: a revolution in the debate on corporate law and governance?

Zohar Goshen and Richard Squire develop a new model for corporate governance in the Columbia Law Review

In a recently published papaer (here and here), commented on the Oxford Business Law Blog, a new theory of corporate governance is offered, referred to as the principal-cost theory. The theory challenges the theoretical foundations of the traditional agency-cost theory, in particular their one-size-fits-all policy recommendations.

The authors claim that the principal-cost theory demonstrates that the governance structure reducing control costs varies by firm. Lawmakers therefore should avoid one-size-fits all solutions. Rather they should seek to grow the menu of governance-structure. Accordingly, each firm could establish a governance mechanism adapted to its specific needs.

Does that mean that the agency-cost theory should be neglected from now on? Not necessarily. According to the authors, agent costs and principal costs are two sides of the same coin:

Any reallocation of control rights between shareholders and managers decreases one type of bust, but will  increase the other,  The rate of substitution is firm-specific, driven by factors such as business strategy, industry, and the personal characteristics of the key parties.”

Only time will tell whether this theory of principal costs marks the end of an era dominated by a uniform  theory of “good” corporate governance.

 

Roel Verheyden