The impact of the EU Restructuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator

A post by guest blogger Jente Dengler

The official deadline for the implementation of the Directive (EU) 2019/1023 on restructuring and insolvency was scheduled for 17 July 2021. Like many other Member States, Belgium availed itself of the possibility foreseen in the Directive to benefit from an extension of the implementation period by a maximum of one year. The Directive introduces the obligation to separate creditors into different classes for the purpose of voting on restructuring plans in order to prevent vulnerable creditors from being treated unfairly in business restructurings. Such class formation for the approval of a restructuring plan is unprecedented in Belgian insolvency law and could completely upset the bargaining dynamics between stakeholders in Belgian restructurings.

In his article “The impact of the EU Restrucuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator” (available here), guest blogger Jente Dengler discusses the potential impact of the Directive’s voting model on the Belgian restructuring practice.

A summary of the full article published in INSOL International’s Collection of Short Papers can be found below:

Continue reading “The impact of the EU Restructuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator”

Toerekening van buitencontractueel schadeveroorzakend handelen aan rechtspersonen

In rechtsreeks.be, het gedigitaliseerde archief van de bibliotheek van de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven op initiatief van bibliothecaris Christophe Malliet (zie eerder hier) bevindt zich nu ook het proefschrift van Jeroen Delvoie over Orgaantheorie in rechtspersonen van privaatrecht (2010).

Toerekening aan rechtspersonen betreft de vraag wanneer schadeverwekkend handelen (met inbegrip van een stilzitten) kan worden toegerekend aan een rechtspersoon. Meestal wordt gesproken over het toerekenen van onrechtmatige daden aan de rechtspersoon, maar het gaat eigenlijk om het toerekenen van schadeveroorzakend handelen (dat op het niveau van rechtspersoon en natuurlijke persoon verschillend kan worden beoordeeld). Bij natuurlijke personen is de toerekeningsvraag een feitelijke kwestie (“wie heeft het gedaan?”). Bij een rechtspersoon dient ook een juridisch link te worden gelegd tussen het schadeverwekkend handelen enerzijds en het onstoffelijk rechtssubject dat de rechtspersoon is anderzijds.

Het voorontwerp van nieuw buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht geeft voor het eerst een expliciete regel hieromtrent met artikel 5.158, dat de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor leden van bestuursorganen schoeit op de leest van de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelde (hiervoor wordt intern verwezen naar artikel 5.157, dat de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelde regelt).

Continue reading “Toerekening van buitencontractueel schadeveroorzakend handelen aan rechtspersonen”

Parlementaire voorbereiding WVV artikelsgewijs ontsloten

De Grondwet heeft Huyttens en Van Overloop, de Code civil Locré en de Vennootschapswet van 1873 Guillery (Commentaire législatif de la loi du 18 mai 1873 sur les sociétés commerciales en Belgique, Brussel, Bruylant, 1878): een systematisch overzicht van de voorbereidende werken dat vertrekt vanuit de uiteindelijk goedgekeurde artikelen.

Voor wetenschappelijk onderzoek zijn dit werken van grote waarde. Het is dan ook erg gelukkig dat het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht op haar webpagina een compilatie van parlementaire voorbereidingen van het WVV ter beschikking stelt met met achtereenvolgens de per 1 september 2021 in voege zijnde wettekst, de tekst van wetsontwerp(en), voorontwerp(en), de memorie van toelichting en, in voorkomend geval, de toelichting bij goedgekeurde amendementen en passages uit de adviezen van de Raad van State.

Deze overzichten zijn oorspronkelijk opgesteld door mevrouw Filiz Korkmazer, die als gewezen adjunct-kabinetchef economisch recht op het kabinet van toenmalig minister van justitie Geens zeer nauw betrokken was in het traject van totstandkoming van het WVV, en alle werkgroepen en vergaderingen leidde (zie de toelichting bij de compilatie).

Continue reading “Parlementaire voorbereiding WVV artikelsgewijs ontsloten”

Stilzwijgende afstand van recht

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 12 : Stilzwijgende afstand van recht)

1.         Afstand van recht Artikel 1.12. Het voorgestelde artikel 1.12 neemt letterlijk de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake afstand van recht over: “Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn”. De toelichting bij dit artikel is wellicht daarom bijzonder bondig.

Over afstand van recht is meer te zeggen dan dat hij niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn of, zoals uit de toelichting blijkt, dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd en een eenzijdige rechtshandeling is die niet door een wederpartij moet worden aanvaard, tenzij de wet anders bepaalt. [1]

Dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd, valt overigens niet in artikel 1.12 te lezen.

Continue reading “Stilzwijgende afstand van recht”

Opzettelijke fout en fraude zijn geen synoniemen

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 11 : Opzettelijke fout en fraude zijn geen synoniemen)

1.         Oogmerk om te schaden – Artikel 1.11. De titel van het voorgestelde artikel 1.11 (oogmerk om te schaden) is slecht gekozen, want hij dekt de lading niet. De tekst gaat namelijk in op twee verschijningsvormen van de zgn. opzettelijk fout en een daaraan, volstrekt nieuw, te verbinden rechtsgevolg: “de opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, mag de dader geen voordeel verschaffen”.

Volgens de opstellers zou deze tekst het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” in het nieuwe BW verankeren én verfijnen.

In werkelijkheid is artikel 1.11 vreemd aan dat algemeen rechtsbeginsel zoals hierna wordt toegelicht.

Omdat er andermaal een groot verschil bestaat tussen de voorgestelde wettekst en de bijhorende toelichting, worden de wettekst en de bijhorende toelichting hierna afzonderlijk behandeld. Vervolgens wordt ingegaan op het algemeen rechtsbeginsel dat de opstellers blijkbaar geneigd zijn af te voeren, overigens zonder dat ongewenste resultaat met artikel 1.11 te bereiken.

Continue reading “Opzettelijke fout en fraude zijn geen synoniemen”

Het witte konijn : rechtsmisbruik ?

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 10 : Het witte konijn : rechtsmisbruik?)

1.         Rechtsmisbruik – Artikel 1.10. Artikel 1.10 geeft aan de jurisprudentiële rechtsfiguur van het rechtsmisbruik een wettelijke grondslag. Na het beginsel dat niemand misbruik mag maken van zijn recht, wordt in het tweede lid het criterium aangeduid op grond waarvan tot een gebeurlijk rechtsmisbruik is te besluiten. In het derde lid komt de sanctie van het rechtsmisbruik aan bod.

De opstellers benadrukken dat artikel 1.10 een “algemeen erkend rechtsbeginsel [verankert] dat talloze malen werd bevestigd door het Hof van Cassatie: het verbod op rechtsmisbruik[1].

Om het algemeen erkend rechtsbeginsel van het verbod van rechtsmisbruik te verantwoorden, verwijzen de opstellers naar het, in buitencontractuele context gewezen zgn. “mijlpaalarrest” van 10 september 1971.[2]

Het kan geen kwaad te benadrukken dat er tussen 1830 en 10 september 1971 in de rechtspraak geen sprake was van een algemeen rechtsbeginsel van die strekking, dat de wetgever niet naar een dergelijk algemeen rechtsbeginsel verwees en nauwelijks toepassingen maakte van een regel die op het verbod van rechtsmisbruik kon lijken. Het algemeen rechtsbeginsel kwam als het ware uit de lucht vallen en de wetgever heeft zich niet eerder, in het algemeen, over een algemeen verbod van rechtsmisbruik uitgesproken. Tot op heden is het algemeen rechtsbeginsel een louter jurisprudentiële constructie. De vraag is derhalve : verdient het wel een wettelijke verankering in het BW?

Continue reading “Het witte konijn : rechtsmisbruik ?”

De geheimen van de goede en kwade trouw

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 9: De geheimen van de goede en kwade trouw)

1.        Subjectieve goede trouw. Artikel 1.9 decreteert dat “de goede trouw wordt vermoed” waarop een poging volgt om de kwade trouw te definiëren: “een persoon is te kwader trouw, wanneer hij de feiten of de rechtshandeling, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende of in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen”.

Zeer opvallend sluit de toelichting bij artikel 1.9 niet aan op de tekst ervan, zodat de vraag rijst wat de opstellers precies beoogden, dan wel of zij de waakzaamheid van de wetgever hebben willen testen?

2.        Een vermoeden van subjectieve goede trouw zonder mogelijkheid van tegenbewijs? De voorgestelde tekst van artikel 1.9 doet denken aan het (intussen ter ziele gegane) artikel 2268 oud BW inzake de verkrijgende verjaring dat het volgende bepaalde: “Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.” Daaruit volgde dat het zgn. vermoeden van (subjectieve) goede trouw voor tegenbewijs vatbaar was. Artikel 2268 oud BW greep in op de bewijslastverdeling: niet de persoon die zich op de goede trouw beroept, moet het bestaan ervan bewijzen[1], maar de persoon die de goede trouw betwist, moet het bewijs van de kwade trouw leveren. Het is onduidelijk of diezelfde draagwijdte aan het voorgestelde artikel 1.9 toekomt. Er volgt niet zonder meer uit artikel 1.9 dat het zgn. vermoeden van goede trouw voor tegenbewijs vatbaar is. Een omschrijving van de kwade trouw volstaat daartoe, in beginsel, niet.

Continue reading “De geheimen van de goede en kwade trouw”

Een mededeling is nog geen kennisgeving

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 6: Een mededeling is nog geen kennisgeving)

1. Kennisgeving. Artikel 1.5 is een merkwaardige bepaling. In de eerste alinea wordt de kennisgeving gedefinieerd als een mededeling van een beslissing of feit verricht door een persoon aan een of meer bepaalde personen. In de tweede alinea wordt het tijdstip bepaald waarop de kennisgeving de bestemmeling bereikt[1]. De derde alinea gaat in op elektronische kennisgevingen en het tijdstip waarop zij uitwerking hebben.

2. Beslissing of feit. Artikel 1.5 spreekt niet meer over de rechtshandeling, noch over de wilsuiting, maar heeft een veel ruimer spectrum, namelijk dat van de “beslissingen en feiten”. Naar hun extern bestaan, d.w.z. ten overstaan van andere personen dan degene van wie ze uitgaan, zijn rechtshandelingen en wilsuitingen feiten en berusten ze op beslissingen, maar niet alle feiten of beslissingen zijn rechtshandelingen of wilsuitingen.

Uit de voorgestelde wettekst volgt dat de beslissing of het feit niet noodzakelijk moet zijn toe te rekenen aan de persoon, die tot kennisgeving overgaat.

Continue reading “Een mededeling is nog geen kennisgeving”

Alleen op de wereld, de wilsuiting

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 5 Alleen op de wereld, de wilsuiting)

1. Artikel 1.4 is aan de wilsuiting gewijd. Het eerste lid van dit artikel beperkt zich tot de beschrijving van de vorm van de wilsuiting[1]. Het tweede lid verduidelijkt voor het overige dat een wilsuiting mededelingsplichtig is wanneer zij een bepaalde persoon moet bereiken om uitwerking te hebben. Er wordt aan toegevoegd dat zij kan worden ingetrokken zolang zij de bestemmeling niet heeft bereikt.

2. De geldigheidsvoorwaarden van een rechtshandeling. De toelichting verduidelijkt dat deze bepaling “nog enkele preciseringen geeft over de wilsuiting bedoeld in het artikel 1.3[2].

Continue reading “Alleen op de wereld, de wilsuiting”

Ongeoorloofdheid (wordt een) troef

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 4.c : Ongeoorloofdheid (wordt een) troef – zie hier voor afl. 4.a)

10.  Manke transpositie. Met betrekking tot het geldige voorwerp en de geldige oorzaak is vast te stellen dat de opstellers in de toelichting verwijzen naar Boek 5 (verbintenissen) dat, in zijn huidige stand, betrekking heeft op het contract en op de eenzijdige rechtshandeling (art. 5.125 en 5.126).[1] Het artikel 5.126 van Boek 5 bepaalt dat “elke eenzijdige rechtshandeling (…) onderworpen [is] aan de regels die er eigen aan zijn en, voor zover deze niet ervan afwijken, aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis”.

De vraag is dus of de rechtshandeling op het vlak van haar voorwerp en oorzaak en hun (on)geoorloofdheid enkel onderworpen is aan de regels die eigen zijn aan de rechtshandeling, dan wel of de rechtshandeling op dit vlak ook onderworpen is aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis.

In de toelichting bij artikel 1.3, betogen de opstellers dat de regels inzake voorwerp, oorzaak en hun geoorloofdheid met betrekking tot “contracten” ook op rechtshandelingen toepasselijk zijn.[2]

Hun bewering is echter wankel.

Continue reading “Ongeoorloofdheid (wordt een) troef”

Weg met de wettelijke openbare orde, leve de jurisprudentiële openbare orde!

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 4.b : Weg met de wettelijke openbare orde, leve de jurisprudentiële openbare orde! – zie hier voor afl. 4.a)

6.  De recente geschiedenis van de openbare orde. Zowel voor de opstellers van het Burgerlijk Wetboek in 1804[1], als voor Laurent, de vooraanstaande 19e eeuwse privatist[2], waren de wet en de openbare orde kernbegrippen. Zij lieten er niet de minste twijfel over bestaan dat de openbare orde verwijst naar de ordening door de wetgever van het samenlevingsverband, die door de toepassing van de uitgevaardigde wetten wordt bereikt. Wetten, het verzekeren van hun naleving en openbare orde gaan hand in hand: het zijn communicerende vaten. Daarom staat artikel 2 (voormalig artikel 6) oud BW centraal in hun analyse: aan de wetten die de openbare en de goede zeden betreffen, kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan.

Tot het disruptieve arrest van 9 december 1948 werd die mening (dura lex sed lex) ook door het Hof van Cassatie gedeeld. Daarbij is te bedenken dat de 19e en vroeg 20e eeuwse samenleving oligarchisch en plutocratisch was, zonder enige democratische verantwoording of onderbouw[3]. De wetten, hun toepassing en, derhalve, de openbare orde waren het werk van een elitaire minderheid[4] die de politieke, economische, financiële en intellectuele macht controleerde en aanwendde om de eigen belangen[5] maximaal te bevorderen. Het economische liberalisme was daarvoor de bakermat[6] en werd door de juristen[7] feilloos door wetten en daaruit afgeleide jurisprudentiële regels in het privaatrecht omgezet.

Continue reading “Weg met de wettelijke openbare orde, leve de jurisprudentiële openbare orde!”

Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat?

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen ( afl. 4.a : Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat)?

1. Rechtshandeling. Artikel 1.3. Volgens de eerste alinea van dit artikel is de rechtshandeling een wilsuiting, waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen te doen ontstaan.

De tweede alinea zet in met een opmerkelijke zin: “Er kan niet worden afgeweken van de openbare orde” om daaruit zgn. af te leiden “bijgevolg moet elke rechtshandeling een geoorloofd voorwerp en geoorloofde oorzaak hebben”. De toelichting bij dit artikel is voornamelijk aan de tweede alinea gewijd, wat het belang van het onderscheid tussen rechtshandelingen en rechtsfeiten onderschat.

Volgens de opstellers van het voorgestelde Boek I zou met de eerste alinea van artikel 1.3 alles over de rechtshandeling zijn gezegd omdat zij, naar eigen zeggen, “de algemeen aanvaarde definitie van de rechtshandeling” zouden hebben hernomen[1]. Die bewering staven ze echter met geen enkele bron.

Zij benadrukken dat in de rechtshandeling twee elementen besloten liggen: een wilsuiting en de bedoeling om rechtsgevolgen te doen ontstaan. [2]

Continue reading “Rechtshandelingen en rechtsfeiten : één pot nat?”

Back to the future?

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen ( afl. 3: Back to the future? )

1. Toepassing van de wet in de tijd Artikel 1.2. Het voorstel van artike 1.2 bestaat uit drie alinea’s die de, door de rechtspraak ontwikkelde principes inzake de toepassing van de wet in de tijd in wetsvoorstellen omzetten. In de eerste alinea wordt bepaald dat de wet alleen voor de toekomst beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Hierop geldt meteen een uitzondering: de terugwerkende kracht kan wel gelden indien de wet dit uitdrukkelijk bepaalt “in het algemeen belang”. Artikel 1 Oud BW bevatte reeds een analoge bepaling[1]. Het voorstel voegt aan de bestaande regel toe dat de wet gebeurlijk terugwerkende kracht kan hebben indien de wetgever dit uitdrukkelijk in het algemeen belang bepaalt. Op de inhoud, zin en draagwijdte van het algemeen belang gaan de ontwerpers niet in.

De tweede en derde alinea zijn grotendeels aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie ontleend en zijn bekend als de onmiddellijke werking van de nieuwe wet, enerzijds, en de eerbiedigende werking van de nieuwe wet, anderzijds.

Continue reading “Back to the future?”

Samengestelde RFR’s en kapitalisatie van interesten naar Belgisch recht

Een post door gastbloggers Eric Blomme en Cécile Odeurs (Baker McKenzie, Brussel)

Het einde van de LIBOR referentie-interestvoet en de vervanging ervan door risicovrije rentetarieven (RFR’s) is reeds meerdere jaren aangekondigd. Hoewel EURIBOR voorlopig blijft voortbestaan, zal dit verhaal ook in de Belgische kredietpraktijk zijn weerslag vinden. Zo zullen bijvoorbeeld kredieten die opneembaar zijn in Amerikaanse dollar en/of pond sterling moeten worden vergoed op basis van de relevante RFR (bvb. SOFR, SONIA) in plaats van LIBOR.

Deze omschakeling zal een niet te onderschatten impact hebben op de dagelijkse kredietpraktijk, en geeft aanleiding tot bijzonder complexe vragen en moeilijkheden. De meeste van deze problemen stellen zich op identieke wijze in België als in een internationale context.  Er kan dus verwezen worden naar de uitgebreide analyses die hieromtrent zijn gemaakt door bijvoorbeeld de Loan Market Association (LMA).

Dit artikel beperkt zich dan ook tot één specifiek aandachtspunt dat zich slechts in een beperkt aantal landen stelt, met name wettelijke beperkingen op de kapitalisatie van interesten (anatocisme).  Is de “samengestelde RFR” (compounded RFR) verenigbaar met zulke wettelijke beperkingen?

Continue reading “Samengestelde RFR’s en kapitalisatie van interesten naar Belgisch recht”

Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 2: Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht)

1. Bronnen – Artikel 1.1. Volgens het voorgestelde artikel 1.1 zal het Nieuw BW het burgerlijk recht en ruimer het privaatrecht regelen, onverminderd de bijzondere wetten, de gewoonte en de algemene rechtsbeginselen. De gebruiken zijn daarentegen slechts een bron “van recht” indien de wet of het contract ernaar verwijst. Volgens de opstellers, is het Burgerlijk Wetboek “het fundament van onze privaatrechtelijke ordening” dat een “systematische en rationele ordening [bevat] van de rechtsregels die de coherentie bevordert en bijdraagt tot een betere toegankelijkheid van het recht voor de burgers[1]. Zij wekken aldus de indruk dat de coherentie van het privaatrecht en de toegankelijkheid van het recht slechts na te streven doelstellingen en dus geen resultaten zijn die noodzakelijk moeten worden bereikt.

Twee alinea’s verder, wanneer zij pleiten voor de implementatie van Europese instrumenten in het Burgerlijk Wetboek, benadrukken de opstellers echter dat aldus “de coherentie en de gemakkelijke toegankelijkheid van het recht [wordt] verzekerd[2], waardoor ze op het spoor van te bereiken resultaten zitten. De coherentie van het recht en zijn toegankelijkheid zijn onmiskenbaar wezenskenmerken van de rechtsregel en van een rechtsstaat: zij zijn geen na te streven doelstellingen, maar te bereiken resultaten.

Continue reading “Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht”

%d bloggers like this: