Misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek: de belangrijkste aandachtspunten

Een post door meester Maximilien Arnoldy (Janson en VUB)

De invoering van een nieuw Strafwetboek in België was, en is nog steeds, een moeizaam proces. Sinds het ministerieel besluit van 30 oktober 2015, waarbij de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht werd opgericht, werd geprobeerd een nieuw Strafwetboek uit te werken, maar dat verliep bijzonder stroef. Zo stroef zelfs dat de leden van de commissie in 2019 ontslag namen.

In 2020 werd de commissie opnieuw samengesteld en in februari 2024 was het dan eindelijk zover: na meer dan 150 jaar beschikt België over een nieuw Strafwetboek, dat oorspronkelijk op 8 april 2026 in werking zou treden. Terwijl rechtspractici zich op de toepassing ervan voorbereidden, volgde echter een nieuwe valse start: de inwerkingtreding werd uitgesteld tot 1 september 2026.

Na dit uitstel lijkt het evenwel waarschijnlijk dat het nieuwe Strafwetboek binnen enkele maanden effectief in werking zal treden. Dit is dan ook het uitgelezen moment om stil te staan bij de wijzigingen met betrekking tot een van de kernmisdrijven van het ondernemingsstrafrecht: het misbruik van vennootschapsgoederen. Hieronder volgen de vier belangrijkste aandachtspunten.

Eerste aandachtspunt: uitbreiding tot alle rechtspersonen

Artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 beschermt (i) vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en (ii) verenigingen zonder winstoogmerk. Concreet betekende dit dat misbruik van vennootschapsgoederen mogelijk was – naast ten nadele van verenigingen zonder winstoogmerk – ten nadele van de vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap, de besloten vennootschap, de coöperatieve vennootschap, de naamloze vennootschap, de Europese vennootschap en de Europese coöperatieve vennootschap (art. 1:5, §2 WVV). Misbruik van vennootschapsgoederen was daarentegen niet mogelijk ten nadele van een maatschap (wel een vennootschap, maar zonder rechtspersoonlijkheid; art. 1:5, §1 WVV), een feitelijke vereniging (geen vennootschap en geen rechtspersoonlijkheid; art. 1:6, §1 WVV), een stichting (wel rechtspersoonlijkheid, maar geen vennootschap; art. 1:7 WVV) of een Europees economisch samenwerkingsverband (wel rechtspersoonlijkheid, maar geen vennootschap; art. 1:5, §3 WVV). Over de vraag of de internationale vereniging zonder winstoogmerk binnen het toepassingsgebied van artikel 492bis viel, bestond discussie.

Artikel 476 van het Strafwetboek van 2024 beperkt zich niet langer tot vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en verenigingen zonder winstoogmerk, maar breidt het toepassingsgebied uit tot alle rechtspersonen. Dit heeft tot gevolg dat het misdrijf, na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, naast de voormelde vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, ook kan worden gepleegd ten nadele van stichtingen (zowel private als van openbaar nut) en ten nadele van Europese economische samenwerkingsverbanden. Ook valt de internationale vereniging zonder winstoogmerk voortaan onbetwistbaar onder het toepassingsgebied van het misbruik van vennootschapsgoederen. Maatschappen en feitelijke verenigingen beschikken evenwel niet over rechtspersoonlijkheid en blijven bijgevolg uitgesloten van het toepassingsgebied van deze incriminatie.

Het is echter de vraag of er een verantwoorde reden bestaat om maatschappen en feitelijke verenigingen van het misdrijf uit te sluiten. Hoewel deze entiteiten geen rechtspersoonlijkheid bezitten, beschikken zij wel over een afgescheiden vermogen dat door hun bestuurders kan worden misbruikt. In dat geval kunnen deze bestuurders niet worden vervolgd wegens misbruik van vennootschapsgoederen, terwijl bestuurders die identieke handelingen stellen binnen een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting wél strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Naar onze mening is dit onderscheid moeilijk te verantwoorden en verdient het aanbeveling om ook maatschappen en feitelijke verenigingen onder het toepassingsgebied van het misbruik van vennootschapsgoederen te brengen.

Tweede aandachtspunt: de onduidelijkheid over de notie ‘privaatrechtelijke’ rechtspersoon

Naast de uitbreiding van het toepassingsgebied van het misdrijf tot alle rechtspersonen, preciseert het nieuwe Strafwetboek dat het misdrijf enkel toepasselijk is ten aanzien van ‘privaatrechtelijke’ rechtspersonen. Wat de wetgever daarmee precies voor ogen had, is evenwel niet geheel duidelijk. Deze wijziging lijkt immers niet voort te vloeien uit een initiatief van de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht, maar uit een voorstel van de Raad van State tot aanpassing van de benaming van het misdrijf: “In artikel T5H1A2OA1-2 is sprake van ‘een burgerlijke en handelsvennootschap of van een vereniging zonder winstoogmerk’. Het verdient dan ook de voorkeur het misdrijf te omschrijven als ‘misbruik van goederen van een privaatrechtelijke rechtspersoon’ in plaats van ‘misbruik van vennootschapsgoederen’” (Adv. RvS 23 november 2018, nrs. 64.121/1 en 64.126/1, punt 92).

Deze wijziging dient te worden gelezen in samenhang met het principearrest van het Hof van Cassatie van 21 juni 2006 (P.06.0848.F, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060621.14). In dat arrest oordeelde het Hof dat uit de algemene bewoordingen van artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 en uit de parlementaire voorbereiding volgt dat deze bepaling van toepassing is op bestuurders van alle burgerlijke of handelsvennootschappen met rechtspersoonlijkheid en van verenigingen zonder winstoogmerk, zonder onderscheid naargelang deze rechtspersonen al dan niet een publiekrechtelijk karakter hebben. Hierbij dient evenwel een belangrijke nuance te worden aangebracht. Het arrest stelt met name niet dat het misdrijf van toepassing is op alle publiekrechtelijke rechtspersonen, maar slechts dat het van toepassing is op vennootschappen met rechtspersoonlijkheid of verenigingen zonder winstoogmerk, zonder onderscheid of die rechtspersonen al dan niet een publiekrechtelijk karakter hebben. Het Hof stelt met andere woorden dat het misdrijf van toepassing kan zijn op publiekrechtelijke rechtspersonen die één van de rechtsvormen van het privaatrecht, overeenkomstig het toenmalige W.Venn. en vandaag het WVV, hebben aangenomen.

De expliciete toevoeging van de notie ‘privaatrechtelijke’ rechtspersonen kan bijgevolg tot verwarring leiden. Mede gelet op de autonomie van het strafrecht, kunnen uit deze terminologie twee interpretaties voortvloeien:

  • Indien de notie ‘privaatrechtelijke’ wijst op het maatschappelijk doel zou men hieruit kunnen afleiden dat het nieuwe misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, in tegenstelling tot het hierboven besproken cassatiearrest, slechts van toepassing is op rechtspersonen die een privaatrechtelijk doel nastreven en niet op rechtspersonen die een publiekrechtelijk doel nastreven;
  • Indien de notie ‘privaatrechtelijke’ wijst op de rechtsvorm, dan zou men hieruit kunnen afleiden dat het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, in dezelfde lijn als het hierboven besproken cassatiearrest, slechts van toepassing is op rechtspersonen die een privaatrechtelijke rechtsvorm van het WVV aannemen (ongeacht hun maatschappelijk doel) en niet op rechtspersonen die een rechtsvorm buiten het WVV hebben aangenomen.

Hoogstwaarschijnlijk had de wetgever de tweede interpretatie voor ogen en was het geenszins de bedoeling om rechtspersonen met een publiekrechtelijk karakter, maar met een privaatrechtelijke rechtsvorm van het WVV, uit het toepassingsgebied van het misdrijf te sluiten. Dit blijkt ook impliciet uit de memorie van toelichting, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de bestaande definitie van het misdrijf wordt overgenomen met het oog op het behoud van de verworvenheden uit de rechtspraak en de rechtsleer over de draagwijdte en interpretatie ervan (Parl.St. Kamer 2022-2023, nr. 3518/001, 464).

Derde aandachtspunt: de bestraffing, in het bijzonder de geldstraf vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel, en de toepassing van de strafwet in de tijd

Artikel 492bis van het Strafwetboek van 1867 voorziet voor natuurlijke personen in een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een geldboete van 100 tot 500.000 EUR. Met toepassing van 70 deciemen kan deze geldboete oplopen tot 4 miljoen EUR en, voor feiten gepleegd na 1 februari 2026 (90 deciemen), zelfs tot 5 miljoen EUR. Voor rechtspersonen bedraagt de geldboete, op grond van het in artikel 41bis Sw. 1867 voorziene conversiemechanisme, maximaal 1 miljoen EUR. Na toepassing van de opdeciemen kan dit oplopen tot 8 miljoen EUR en, voor feiten gepleegd na 1 februari 2026, tot 10 miljoen EUR.

Artikel 476 van het Strafwetboek van 2024 voorzag voor misbruik van vennootschapsgoederen oorspronkelijk in een straf van niveau 2, maar dit werd uiteindelijk een straf van niveau 3. Voor natuurlijke personen betreft dit een gevangenisstraf van drie tot vijf jaar (art. 36 Sw. 2024) en een geldboete van 200 tot 10.000 EUR (art. 52 Sw. 2024). Voor rechtspersonen kan de geldboete als hoofdstraf oplopen tot 600.000 EUR (art. 38 Sw. 2024). Hoewel op deze vermogensstraffen onmiddellijk 2,5 opdecimes (x 1,25) zullen moeten worden toegepast, lijken de straffen voor misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek op het eerste gezicht aanzienlijk lager dan onder het Strafwetboek van 1867.

Dat de strafmaat in werkelijkheid minder zwaar zou zijn, is evenwel slechts schijn. De wetgever erkent dit ook uitdrukkelijk. Het nieuwe Strafwetboek voorziet immers in de mogelijkheid voor de rechter om een geldstraf op te leggen die wordt vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel dat uit het misdrijf werd behaald (art. 55 Sw. 2024). Deze geldstraf beoogt de dader financieel te sanctioneren in verhouding tot de concrete economische inzet van het misdrijf en kan worden opgelegd bovenop een eventuele verbeurdverklaring. Wanneer het misdrijf ertoe strekte rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te behalen, en de rechter de wettelijk bepaalde geldboete ontoereikend acht, kan hij dader veroordelen tot betaling van een bedrag dat overeenstemt met maximaal het drievoud van het vermogensvoordeel dat werd behaald of beoogd, in plaats van de bijkomende geldboete.

Voor feiten die werden gepleegd vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, maar pas nadien worden berecht, dient te worden nagegaan welke strafwet de meest gunstige is voor de beklaagde (art. 2 Sw. 1867 / 2024). Dit vergt o.i. een concrete beoordeling van de mogelijke financiële impact van beide regimes:

  • Indien een beklaagde (natuurlijke persoon) vóór de inwerkingtreding van het Strafwetboek van 2024 misbruik van vennootschapsgoederen pleegt en na de inwerkingtreding ervan wordt berecht, en hij uit dit misdrijf een vermogensvoordeel van 1 miljoen EUR heeft behaald of beoogd, dan kan de rechter op grond van artikel 492bis Sw. 1867, na toepassing van 90 opdeciemen (voor feiten vanaf 1 februari 2026), een maximale geldboete van 5 miljoen EUR opleggen. Onder het Strafwetboek van 2024 kan de rechter – indien hij de geldboete van 10.000 EUR (te vermenigvuldigen met 1,25) onvoldoende acht – op basis van artikel 55 Sw. 2024 een geldstraf opleggen tot maximaal 3 miljoen EUR (het drievoud van het vermogensvoordeel). In dat geval is het nieuwe Strafwetboek gunstiger en dient het te worden toegepast.
  • Indien dezelfde beklaagde evenwel uit dit misdrijf 5 miljoen EUR heeft behaald of hoopte te behalen, dan zal de maximale geldboete van 5 miljoen EUR van artikel 492bis Sw. 1867 gunstiger zijn dan de maximale geldstraf van 15 miljoen EUR (3 x 5 miljoen EUR) die de rechter zou kunnen opleggen op basis van artikel 55 Sw. 2024. De geldboete van Sw. 1867 zal dan moeten worden toegepast.

Vierde aandachtspunt: het residuaire karakter van het misbruik van vennootschapsgoederen ten aanzien van misbruik van vertrouwen

Het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen is nauw verwant met het misdrijf van misbruik van vertrouwen. Zowel in het Strafwetboek van 1867 als in het Strafwetboek van 2024 is het misbruik van vennootschapsgoederen ondergebracht in de (onder)afdeling “Misbruik van vertrouwen”.

Bij de invoering van het misbruik van vennootschapsgoederen in het Strafwetboek, via de Faillissementswet van 1997, heeft de wetgever ervoor gekozen om het misdrijf te beperken tot gedragingen die op betekenisvolle wijze afbreuk doen aan de vermogensbelangen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers of vennoten. Hiermee wilde de wetgever “vermijden dat bagatelzaken aan de strafrechter zouden worden voorgelegd, en zo verstikkend zouden […] werken op het normale functioneren van een vennootschap” (amendement nr. 114 (VANDENBERGHE H.) op het ontwerp van faillissementswet, Parl.St. Senaat 1996-1997, nr. 1-499/7, 4-5). Omdat aldus enkel de zwaarste misbruiken onder het toepassingsgebied van het misdrijf vielen, voorzag het Strafwetboek van 1867 in aanzienlijk zwaardere pecuniaire straffen voor misbruik van vennootschapsgoederen dan voor misbruik van vertrouwen: maximaal 500.000 EUR tegenover maximaal 500 EUR.

Het is evenwel mogelijk dat een bestuurder tegelijkertijd zowel misbruik van vertrouwen als misbruik van vennootschapsgoederen pleegt. Gelden van een vennootschap zijn immers ten bede toevertrouwd aan haar bestuurders, die deze gelden enkel mogen beheren en besteden in het belang van de vennootschap. Er kan dan bijgevolg ook sprake zijn van misbruik van vertrouwen wanneer de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent (zie bv. P.22.1716.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.7). In dergelijke gevallen is er sprake van eendaadse samenloop, waarbij enkel de zwaarste straf wordt uitgesproken (art. 65 Sw. 1867; art. 61 Sw. 2024).

Onder het regime van het Strafwetboek van 1867 had het openbaar ministerie er, ondanks de zwaardere bewijslast voor misbruik van vennootschapsgoederen (met name het vereiste van een betekenisvol nadeel), belang bij om dit misdrijf te vervolgen, gelet op de aanzienlijk hogere straffen.

Onder het nieuwe Strafwetboek worden evenwel identieke strafniveaus voorzien voor misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen (strafniveau 3), eventueel aangevuld met een geldstraf vastgesteld op basis van het (verwachte) vermogensvoordeel (zie supra). Dit heeft tot gevolg dat het openbaar ministerie bij eendaadse samenloop tussen beide misdrijven in beginsel geen specifiek vervolgingsbelang meer heeft om te opteren voor misbruik van vennootschapsgoederen.

Met andere woorden: het misbruik van vennootschapsgoederen dreigt een residuair misdrijf te worden, dat in de praktijk enkel nog zal worden toegepast wanneer de feiten niet onder het toepassingsgebied van misbruik van vertrouwen vallen. Gelet op de recente uitbreiding bij wet van 12 juli 2023 van het toepassingsgebied van misbruik van vertrouwen tot alle roerende goederen, zowel lichamelijke als onlichamelijke, kan hierbij in het bijzonder worden gedacht aan twee hypothesen:

  • wanneer er geen sprake is van verduistering of verspilling in de zin van misbruik van vertrouwen, maar wel van een ongeoorloofd gebruik in de zin van misbruik van vennootschapsgoederen. De notie ‘gebruik’ in laatstgenoemd misdrijf is immers ruimer dan de noties ‘verduistering’ en ‘verspilling’ in het kader van misbruik van vertrouwen;
  • wanneer het geen roerende goederen betreft. Het toepassingsgebied van misbruik van vennootschapsgoederen is immers niet beperkt tot roerende goederen, maar omvat in ruime zin de goederen en het krediet van de rechtspersoon.

Enkel in dergelijke situaties – waarin geen sprake is van eendaadse samenloop – zal het openbaar ministerie onder het nieuwe Strafwetboek nog een vervolgingsbelang hebben bij het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen.

Het volledige onderzoek van de auteur naar het misbruik van vennootschapsgoederen onder het Strafwetboek van 1867 en het Strafwetboek van 2024 is opgenomen in het verzamelwerk Juridische Meesterwerken VUB 2026 (Juridische Meesterwerken VUB – Uitgave 2026 – Knopspublishing en beschikbaar via Strada lex).

Maximilien Arnoldy
Advocaat (Janson)
Praktijkassistent Strafprocesrecht VUB

Continue reading “Misbruik van vennootschapsgoederen in het nieuwe Strafwetboek: de belangrijkste aandachtspunten”

Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?

Volgens artikel 1:2 en 1:3 WVV streeft elke VZW of stichting “een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft.” Regelmatig rijst de vraag: “Wat houdt een belangeloos doel precies in?” of ook “Wanneer is een doel belangeloos?” In deze blogpost verduidelijken we waarom die vraag niet eenduidig te beantwoorden is. Het ene belangeloos doel is immers niet het andere.

Continue reading “Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?”

Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Een persoonlijke zekerheid door een vertegenwoordiger van een vennootschap kan niet worden ‘verborgen’ in een overeenkomst met de vennootschap die door die vertegenwoordiger wordt ondertekend. De cassatierechtspraak uit de laatste jaren bevestigt in dit verband een gezond formalisme, dat de partij die een zekerheid bedingt verplicht om die zekerheid bij de contractsluiting onmiskenbaar naar voren te schuiven.

Continue reading “Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden”

‘Consumentborg’ in een vennootschap- of verenigingscontext

Boek 9, titel 1 treedt in werking op 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treedt boek 9 titel 1 BW in werking. Zoals bekend wordt daarbij het beschermingsregime voor de ‘kosteloze borg’ vervangen door dat van de ‘consumentenborg’. Hier wil ik kort bekijken wat dit betekent voor persoonlijke zekerheden gesteld door een insider (bestuurder, aandeelhouder) voor schulden van een vennootschap.

Art. 9.1.42 al. 1 BW verwijst vooreerst voor de definitie van consument naar art. I.1, 2° WER: “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”. Deze definitie, hoewel anders geformuleerd, vormt een zwaluwstaartverbinding met de correlatieve functionele definitie van een onderming als secundair ondernemingsbegrip dat het aanknopingspunt vormt voor enkele boeken van het WER (“duurzaam een economische doel nastreven” – zie bv. art. I.6, 12° of I.8, 39° WER). De definitie van consument is altijd situationeel te bekijken voor de betrokken handeling. Een natuurlijke persoon die onderneming is (in formele of in functionele zin- breviter: een zelfstandige), kan dus voor bepaalde handelingen als consument worden beschouwd. De hoedanigheid op het ogenblik van de zekerheidstelling is relevant. De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidsteller geen consument is voor doelstellingen van boek 9 (art. 9.1.43 al. 4 BW).

Deze definitie maakt dat bestuurders die zich persoonlijk zeker stellen voor hun vennootschap geen beroep kunnen doen op de bescherming voor consumentenborgen. Diensten gesteld door een natuurlijke persoon als vennootschapsmandataris als zelfstandige (en niet als werknemer in ongeschikt verband) worden beschouwd als een professionele activiteit (J. Vananroye en K.-J. Vandormael, “Boek I WER en Wet Natuurlijke Rechter: van handelsrecht naar ondernemingsrecht”, in Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, 26, nr. 21; J. Vananroye, Leerstukken ondernemingsrecht, Intersentia, 2020, 32, nr. 38.). Een persoonlijke zekerheid door een bestuurder voor een schuld van zijn vennootschap is geen handeling die buiten zijn professionele activiteit valt.

De (betwistbare) cassatie-rechtspraak met een bijkomende ‘organisatie-voorwaarde voor bestuurders als onderneming kunnen worden gekwalificeerd is hier irrelevant: deze rechtspraak gaat over het formele ondernemingsbegrip van art I,1, 1° WER (Zie o.m. in voltallige zitting van de eerste kamer: Cass. 23 november 2023, TRV/RPS, 2024/3, 262, noot I. Vanwalleghem en N. Appermont: “De kwalificatie van bestuurders als onderneming: Errare humanum est, sed perseverare…”). Voor doeleinden van boek 9 speelt het begrip consument (met het functionele ondernemingsbegrip als correlatief en tegengesteld begrip). Voor een bestuurder als zelfstandige zijn bestuursmandaat uitoefent, kan er weinig twijfel zijn dat dit het beschermingsregime van de consumentenborg uitsluit. Zo ook J. Baeck en J. Marchau, “Wetsvoorstel persoonlijke zekerheid: van kosteloze borgtocht naar consumentenborgtocht”, RW 2024-25, 1246, weliswaar m.b.t. de oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel dat sprak over de afwezigheid van een ‘functionele band’.

Dat beschermingsregime kan wel van toepassing zijn op een bestuurder van een VZW die zijn mandaat niet als zelfstandige uitoefent (bv. als de VZW niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en het mandaat on- of laagbezoldigd wordt uitgeoefend).

Of de betrokken bestuurder al dan niet een substantiële invloed heeft op de gepatroneerde vennootschap is niet bepalend. Dit criterium is een bijkomende reden om het beschermingsregime uit te sluiten indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, maar moet pas onderzocht worden indien de zekerheidsteller onder de gewone definitie van consument valt. Dat is voor de vennootschapsbestuurder dus niet het geval.

Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, de bescherming van de consumentenborg bovendien niet van toepassing op de zekerheidsteller (ook al is die een consument in de gebruikelijke definitie) indien deze een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.

De verantwoording bij het relevante Amendement 11 verwijst hiervoor naar o.m. naar het begrip controle in art. 1:14 en 1:18 WVV. Art. 1:14 § 1 WVV definieert controle als “de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”. Ik begrijp die verwijzing zo dat als er controle is in de zin van het WVV, er evident sprake is van een substantiële invloed in de zin van boek 9 BW. Ook als er gezamenlijke controle is, is er een substantiële invloed. Onder gezamenlijke controle wordt begrepen “de controle die een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen” (art. 1:18 al. 1 WVV).

 Uit de afwezigheid van controle in de zin van het WVV moet echter niet noodzakelijk de afwezigheid van een substantiële invloed worden afgeleid. In de gewone betekenis van deze woorden ligt de drempel voor dat laatste begrip ligt lager. Te denken valt aan de hypothese van enkele aandeelhouders die elk apart geen controle hebben, die ook geen formele overeenkomst hebben die toelaat te besluiten tot gezamenlijke controle, maar die op het ogenblik van de zekerheidstelling de oriëntatie vanhet beleid wel samen sturen. In zo’n geval lijkt er me ook sprake van substantiële invloed van elk van die aandeelhouders.

Anders dan het oude recht stelt boek 9 de controle en niet het economisch voordeel voorop. Hieruit kan worden afgeleid dat een samenwonende partner van een aandeelhouder of bestuurder wel beroep kan doen op de bescherming voor de consument-borg, wat ondere het oude recht was betwist. Zie de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 (Parl. St. Kamer 2024,  0261/002, p. 14): “Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg dan wel tussen de bestuurder of aandeelhouder van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben.”

Eén passage uit de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 creëert meer mist dan klaarheid:

“Het feit dat de borg bestuurder is binnen de hoofdschuldenaar/rechtspersoon ontneemt hem of haar in beginsel wel de bescherming, tenzij in concreto zou worden aangetoond dat de borg geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap kan hebben, bv. omdat het bestuursmandaat enkel is ingesteld om een consumentenborg te vermijden of omdat de feitelijke bestuurder van de hoofdschuldenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een feitelijke bestuurder bij wie de kwalificatie als feitelijke bestuurder is erkend door een rechter.” (Amendement nr. 11, Parl. St. Kamer 2024, 0261/002, p. 14.)

Waar weinig discussie over kan bestaan is dit:

  • Wie formeel bestuurder is kan in de regel niet genieten van de bescherming van de consumentenborg.
  • Wie de facto bestuurder is (waarbij dit mandaat niet wordt gepubliceerd, bv. omwille van een beroepsverbod) kan niet genieten van de bescherming van de consumentenborg. Zo’n persoon zal overigens in de regel ook een ‘substantiële invloed’ hebben.

Waar ik wel moeite mee heb in de verantwoording, is de suggestie dat een bestuurder zou kunnen aantonen dat hij slechts een sham bestuurder is om wel te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg.

Dat kan gevolgd worden als de betrokken zekerheidsteller op vraag van de schuldeiser enkel bestuurder is geworden om te ontsnappen aan de regels inzake consumentenborg en het voor alle betrokken duidelijk is dat deze bestuurstaak in realiteit niet zal worden uitgevoerd. Het is geen geheim dat financiers soms zeer creatief zijn bij het omzeilen van het beschermingsregime voor natuurlijke personen. Uit de context van de verantwoording lijkt het dat de wetgever hier vooral denkt aan partners van echte bestuurders (die onder de nieuwe regels zoals gezegd dus duidelijk wel onder het beschermingsregime vallen). In dat geval geldt de regel dat tussen partijen de ‘tegenbrief’ (de werkelijke toestand) en niet de gesimuleerde toestand moet worden toegepast (art 5.39 al. 2 BW).

Anders is het voor bv. een stroman van een werkelijke bestuurder getroffen door een beroepsverbod. Het lijkt me ondenkbaar dat deze stroman zich op deze geveinsde toestand kan beroepen om te kunnen genieten van het beschermingsregime, indien de schuldeiser hier niet desbewust aan heeft meegewerkt. Derden te goeder trouw hebben immers de optie om zich te beroepen op de geveinsde toestand (art. 5.39 al. 3 BW).

In géén geval mag uit deze passage worden afgeleid dat een bestuurder-zekerheidsteller kan aantonen dat hij geen substantiële invloed heeft – bv. omdat hij maar één van de velen is – om te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg. De verantwoording bespreekt deze ontsnappingsweg duidelijk in de context van veinzing en spreekt van “geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap.”

* *
*

De conclusie is dat dit beschermingsregime voor persoonlijke zekerheden voor schulden van vennootschappen in de praktijk een eerder zeer beperkte draagwijdte zal hebben.

Dat was niet anders ondere het oude recht voor ‘kosteloze’ borgen. De borgtocht werd geacht ‘kosteloos’ te zijn wanneer enig economisch voordeel ontbreekt, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling. Die kosteloosheid werd in de regel niet aanvaard bij persoonlijke zekerheden door insiders voor hun vennootschap (Zie uitgebreid en kritisch M.E. Storme, Persoonlijke zekerheden en aanverwante rechtsfiguren, 56-60). Hoewel het begrip ‘kosteloos’ hiermee werd gerekt (ibid., 59), spoort het wel met het idee dat persoonlijke zekerheden door vennootschapsinsiders met minder argwaan mogen worden bekeken dan die ten voordele van bv. familieleden of vrienden.

De persoonlijke zekerheid door de insider (natuurlijk persoon, rechtspersoon of andere organisatie) van een vennootschap is immers van een andere orde dan persoonlijke zekerheden in andere situaties, voor economische ‘echte derden’. De zekerheidsteller zal doorgaans de controle hebben over de hoofdschuldenaar en heeft ook een direct belang bij diense financiële situatie. In de feiten identificeert de controlerende aandeelhouder zich sterk met de vennootschap die economisch niet echt een derde is. Men zou kunnen zeggen: bij een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is het de niet-aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder voor een activiteit die hij controleert en waarvan hij de vruchten plukt, die eigenaardig is. Een persoonlijke zekerheid van die aandeelhouder is slechts een terugkeer naar de normale aansprakelijkheid van een ondernemer die geen vennootschap gebruikt of een moedervennootschap die geen dochtervennootschap heeft.

Joeri Vananroye

Het lot van vordering tot ontbinding wegens ontoereikend actief in de BVBA na inwerkingtreding WVV

Cass. 19 mei 2025 (C.22.0246.N): geen ontbinding meer na inwerkingtreding WVV, ook al werd de vordering eerder ingesteld

Art. 333 W.Venn. gaf iedere belanghebbende het recht de ontbinding van een BVBA te vorderen voor de rechtbank, wanneer het netto-actief is gedaald tot beneden het bedrag van 6.200 euro. Indien de drempel was bereikt, kon de rechtbank de vennootschap hoogstens nog een cure period geven om het netto-actief terug boven de minimumdrempel te brengen.

Een gelijkaardige regel staat nog altijd in art. 7:229 WVV voor de NV (met strengere drempels). Voor de BV werd deze ontbindingsmogelijkheid opgeheven met de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

Continue reading “Het lot van vordering tot ontbinding wegens ontoereikend actief in de BVBA na inwerkingtreding WVV”

Europese richtlijn betreffende meervoudig stemrecht voor genoteerde vennootschappen gepubliceerd

Een post door gastblogger Carl Clottens

Richtlijn 2024/2810 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende structuren met aandelen met meervoudig stemrecht in ondernemingen die om de toelating tot de handel van hun aandelen op een multilaterale handelsfaciliteit verzoeken (hierna de ‘MVS-richtlijn’), werd vandaag gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:L_202402810). De richtlijn treedt in werking op 4 december 2024 en dient te worden omgezet tegen 4 december 2026.

De MVS-richtlijn maakt deel uit van de zgn. EU Listing Act, een geheel van maatregelen om de Europese kapitaalmarktunie verder te ontwikkelen[1]. De Listing Act brengt onder meer ook belangrijke wijzigingen (versoepelingen) aan in de marktmisbruikverordening (‘MAR’) en de prospectusverordening[2].

De MVS-richtlijn is tot nu toe enigszins onderbelicht in de nieuwsbrieven die over de Listing Act verschenen zijn. In een notendop houdt deze richtlijn het volgende in[3]:

Continue reading “Europese richtlijn betreffende meervoudig stemrecht voor genoteerde vennootschappen gepubliceerd”

Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot

Gastblogger meester Joost van Riel over een onopgemerkte recente wijziging aan het WVV

Hoofdelijk aansprakelijke vennoten (hierna kort de “werkende vennoten”) van een VOF, CommV of maatschap, fascineren vennootschapsjuristen al jaren.[i] Een recente wijziging van het WVV brengt hen opnieuw onder de aandacht.

Een juridische twee-eenheid

Het voorwerp van de fascinatie is de verhouding tussen enerzijds de rechtspositie van de vennootschap en anderzijds de rechtspositie van de vennoten.  

Zoals het WVV bevestigt, zijn werkende vennoten persoonlijk en hoofdelijk gehouden voor schulden van de vennootschap, of beter: tegenover de vennootschapsschuldeisers (artikel 4:14 en 4:26 WVV). Eerder dan een zekerheidsmechanisme, geven deze bepalingen uitdrukking aan de rechtstreekse gehoudenheid van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten tegenover de vennootschapsschuldeisers.

Continue reading “Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot”

Het FUN ‘flitsfaillissement’: enkele praktijkervaringen van een beoogd curator

Een post door gastblogger meester Jens Vrebos

Op 16 februari 2024 verklaarde de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge de NV FUN Belgium en 6 van haar dochtervennootschappen failliet. Daags nadien wist de pers al dat Toychamp, Dreamland en Yysk 11 van de 26 door de gefailleerde vennootschappen uitgebate speelgoedwinkels hadden overgenomen.

De buitenstaander  zou denken dat de aangestelde curatoren over amper één nacht ijs zijn gegaan met deze overdracht, maar in realiteit waren de curatoren bij beschikking van diezelfde rechtbank van 21 december 2023 al aangesteld als beoogd curatoren in toepassing van de artikelen XX.97/1 tot XX.97/6 WER.

De aanstelling van de beoogd curatoren gold voor dertig dagen, derhalve aflopend op 20 januari 2024 en werd tot tweemaal toe verlengd om uiteindelijk te eindigen per 15 februari 2024. Op 15 februari deden de vennootschappen van de FUN-groep aangifte van faillissement.

Continue reading “Het FUN ‘flitsfaillissement’: enkele praktijkervaringen van een beoogd curator”

Bestuurders na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: wat kan de rechtspersoon doen om zijn bestuurders te beschermen?

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent.  Die bescherming valt weg na de inwerkingtreding van Boek 6 BW, waarbij we hiervoor hebben opmerkt dat dit niet betekent dat de bestuurder automatisch aansprakelijk wordt voor elke wanprestatie die hem materieel toerekenbaar is.

We hebben er daar ook op gewezen dat het aansprakelijkheidsrisico van bestuurders materieel wel degelijk uitbreidt: ze zullen in de toekomst buitencontractuele aansprakelijkheid riskeren voor gevallen waar ze nu intern niet aansprakelijk zijn.

Wat kan de rechtspersoon (en we veronderstellen dat de rechtspersoon gestuurd wordt door de bezorgde bestuurders) doen om het verhoogde aansprakelijkheidsrisico van bestuurders te beperken? We bekijken dit vanuit het exoneratie- en vrijwaringsverbod van art. 2:58 WVV.

Continue reading “Bestuurders na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: wat kan de rechtspersoon doen om zijn bestuurders te beschermen?”

Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten

De wereld na Boek 6 BW

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zelfs als de bestuurder een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van die overeenkomst, kan de derde de bestuurder in de regel niet buitencontractueel aanspreken. De bestuurder kan contractueel eventueel wel bestuursaansprakelijkheid oplopen t.a.v. de rechtspersoon.

Uiteraard zal niet elke wanprestatie door de vennootschap een bestuursfout uitmaken, ook niet als de betrokken wanprestatie materieel aan de betrokken bestuurder kan worden toegerekend. De betrokken bestuurder kan immers de wanprestatie in het contract met de derde hebben gepleegd in het belang van de vennootschap.

Een civilist heeft het er misschien moeite mee dat een onrechtmatige daad niet per se als onrechtmatig in een contractuele verhouding geldt. Voor een commercialist lijkt het echter evident dat een bestuurder zijn taak goed vervult en toch onrechtmatige daden kan plegen. Meer zelfs: een bestuurder die geen onrechtmatige daden pleegt is wellicht zijn job niet goed aan het uitoefenen.

De bescherming van de immuniteit van de uitvoeringsagent zal na de inwerkingtreding van boek 6 BW wegvallen voor de bestuurder. Soms hoort men wel eens dat dit niet leidt tot een uitbreiding van aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten, dat dit enkel leidt tot een uitbreiding van het aantal eisers dat deze aansprakelijkheid kan inroepen. Dat is niet correct.

Continue reading “Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten”

Goedkeuring in parlement van wetsontwerp “Digitalisering Ibis” met aanpassingen aan corporate governance genoteerde vennootschappen

Gisteren, op 21 maart 2024, keurde de Kamer in plenaire vergadering het wetsontwerp “houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis” (ook wel “Digitalisering Ibis”) goed. Er gebeurden geen wijzigingen meer aan de bepalingen omtrent de governance van genoteerde vennootschappen ten opzichte van de tekst aangenomen door de Commissie Justitie.

Relevante bepalingen voor vennootschapsjuristen zijn onder meer:

  • De goedkeuring van de algemene vergadering van de overdracht van meer dan 75% van de activa door genoteerde vennootschap
  • De vereiste dat genoteerde vennootschappen minstens drie onafhankelijke bestuurders moeten tellen
  • De criteria voor onafhankelijkheid in de corporate governance code worden voortaan beschouwd als een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde; mogelijke twijfels over de onafhankelijkheid moeten worden gemotiveerd
  • Het bestuursverbod voor veroordeelde bestuurders en managers van genoteerde vennootschappen, onder meer voor leden van de raad van bestuur, de directieraad, de raad van toezicht, het dagelijks bestuur en “andere personen belast met de leiding” (merk op dat het toepassingsgebied van deze bepaling is uitgebreid ten opzichte van het oorspronkelijke wetsontwerp)

Deze bepalingen werden reeds besproken op deze blog door Stijn De Dier. De regel rond de goedkeuring van de overdracht van significante activa door de algemene vergadering werd zelfs uitgebreid becommentarieerd in verschillende blogposts (zie hier, hier, hier, hier en hier).

De nieuwe bepalingen treden in werking 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, behalve de nieuwe regel dat genoteerde vennootschappen minstens drie onafhankelijke bestuurders moeten tellen: die is van toepassing vanaf de eerste dag van het tweede boekjaar dat aanvangt na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

Tom Vos
Assistant professor, Maastricht University
Visiting professor, Jean-Pierre Blumberg Chair at the University of Antwerp
Attorney, Linklaters LLP

EU bereikt langverwacht akkoord over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive: Hoe groen is dit groen licht?

Een post door gastblogger Liselot Vandenberghe

Op vrijdag 15 maart keurde het Coreper[1] (en in die zin de Raad) de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)[2] goed. Tegen de verwachtingen in werd vlak voor de eindmeet, zijnde de Europese verkiezingen in juni, een compromis bereikt dat op de steun van voldoende lidstaten kon rekenen. Dit compromis werd moeizaam bereikt na vele concessies voorgesteld door het Belgisch EU-voorzitterschap en een toch wel aanzienlijke verwatering van de behoorlijk controversiële Richtlijn. Hieronder volgt een korte bespreking van de essentie van de Richtlijn en de belangrijkste last-minute wijzigingen.

Continue reading “EU bereikt langverwacht akkoord over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive: Hoe groen is dit groen licht?”

De foreign direct investment-regulering: overnames van vennootschappen onder toezicht van de overheid?

Een post door gastbloggers Marieke Wyckaert en Thijs De Cuyper

Dat de strategische autonomie van Europa en de weerbaarheid tegen de gevolgen van geopolitieke spanningen de laatste tijd hoog op de politieke agenda staat is een open deur intrappen. Dat dit wezenlijke gevolgen heeft voor de markt voor overnames en fusies in België is een minder algemeen gekende gevolgtrekking. Sinds kort kijkt de overheid nochtans – onder impuls van de Europese Unie – kritisch naar buitenlandse investeringen. Die brengen broodnodig kapitaal en cruciale kennis naar onze economie, maar buitenlandse controle over bepaalde Belgische ondernemingen houdt ook risico’s in. Op 1 juli 2024 vieren we al de eerste verjaardag van het Belgische mechanisme dat onze overheid in staat stelt buitenlandse directe investeringen (BDI, beter bekend onder de Engelse afkorting FDI) te onderzoeken. De wettelijke basis is een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten van 30 november 2022. De introductie van dit mechanisme – van de totstandkoming van politieke consensus tot de implementatie in de praktijk – verloopt niet zonder slag of stoot.

Continue reading “De foreign direct investment-regulering: overnames van vennootschappen onder toezicht van de overheid?”

De goedkeuring door aandeelhouders van de overdracht van significante activa: stand van zaken en een paar puntjes op de ‘i’ (deel 1)

Een post door Stijn De Dier, Tom Vos en
Marieke Wyckaert

Op 28 februari 2024 heeft de commissie voor Justitie het wetsontwerp “houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis” in tweede lezing goedgekeurd, m.i.v. een aantal amendementen. Zoals eerder besproken op deze blog (hierhier en hier) voert dit wetsontwerp (onder andere) een nieuw artikel 7:151/1 WVV in met de verplichte goedkeuring door de algemene vergadering voor de overdracht van significante activa door genoteerde vennootschappen.

In een reeks van drie blogposts gaan wij in op een aantal problemen van eerder technische aard, waarvan sommige (deels) werden opgelost via amendementen of via een toelichting tijdens de parlementaire bespreking, en op een aantal beleidskeuzes. We beperken ons tot de bespreking van het voorgestelde artikel 7:151/1 WVV: de enkele wijzigingen die aan de andere voorgestelde artikelen werden aangebracht laten we buiten beschouwing. In deze eerste blogpost scheppen we wat meer klaarheid over de juiste betekenis van de term “overdracht van activa”. 

Continue reading “De goedkeuring door aandeelhouders van de overdracht van significante activa: stand van zaken en een paar puntjes op de ‘i’ (deel 1)”

Shareholder Approval for Transfers of Significant Assets in Belgium: Practical Considerations and Open Questions

A post by guest bloggers Marijke Spooren, Ruben Foriers and Emmanuel Wynant (Cleary Gottlieb)

On December 4, 2023, the Belgian Government filed a draft law with the Chamber of Representatives containing “provisions regarding digitization of justice and miscellaneous provisions Ibis” (the “Bill”).  With the Bill, the Government seeks to introduce a shareholder approval requirement for transfers of significant assets by listed companies, thereby aligning Belgian company law with some of our neighboring jurisdictions such as France and the U.K.  While the Bill has not been adopted by Parliament yet, building on the earlier contributions by Stijn De Dier and Tom Vos on this blog,[1] this post discusses a number of practical difficulties raised by the Bill in its current form and offers some initial insights on how the new requirement could be applied in practice.

The Belgian Code of Companies and Associations (the “CCA”) currently requires the board of directors of a listed company to seek shareholder approval for decisions that may impact the company’s assets in a limited number of situations only (e.g.,for corporate reorganizations such as mergers, (partial) demergers, etc.).  Shareholder approval is currently not a requisite if part of the company’s assets is transferred through a “simple” asset transfer that does not involve one of the corporate reorganization procedures of the CCA.  Recognizing that such asset transfers can fundamentally alter the company’s business, shareholders could be faced with a fait accompli for which the law hardly offers them any protection.  To counter situations in which virtually all of the company’s assets are transferred and shareholders are left with an empty shell and to give (minority) shareholders a say in decisions that may profoundly impact the company, the Bill introduces a new article 7:151/1 to the CCA.

Continue reading “Shareholder Approval for Transfers of Significant Assets in Belgium: Practical Considerations and Open Questions”