Ceci n’est pas un dualisme?

Een post door gastblogger Professor J. Delvoie (VUB)

In een bijdrage voor het recentste TPR-nummer, verwonder ik mij over het feit dat het nieuwe duale bestuursmodel in de NV wat de bevoegdheidsverdeling tussen raad van toezicht en directieraad betreft, statutair net zo à la carte kan worden ingevuld als het oude regime “524bis”.

Dat is merkwaardig, omdat het oude regime op dat punt nu net met alle zonden Israëls was overladen door de pleitbezorgers van het dualisme, minister Geens op kop. Het is nog merkwaardiger dat de memorie van toelichting op dit punt de lezer volledig op het verkeerde been zet. Hij insinueert dat in het dualistische model de bevoegdheden van beide organen voortaan enkel bij wet worden vastgelegd (MvT WVV, 14, 236).

De wettekst zelf bepaalt nochtans uitdrukkelijk het tegendeel: “De statuten kunnen de bevoegdheid van de directieraad beperken” (art. 7:110, eerste lid, tweede zin WVV). Duidelijker kan niet. De bevoegdheden van de directieraad nu zijn even à la carte als die van het directiecomité vroeger. Voeg daarbij alle andere vroegere wezenskenmerken van de NV die voortaan à la carte zijn (exclusief winstoogmerk, aantal stemmen per aandeel, collegialiteit van het bestuur, soepel ontslag van het bestuur, ja zelfs beperkte aansprakelijkheid van het bestuur, en ga zo maar door), en je stelt vast dat de NV een waar Chinees eetfestijn werd. Mij niet gelaten, maar ik zou hier drie vaststellingen aan koppelen: Continue reading “Ceci n’est pas un dualisme?”

De schaduw van het W.Venn.

Een post door gastblogger Dr. Thijs Vancoppernolle

De zomer staat voor de deur. Misschien overweegt u grote kuis te houden in uw boekenkast en heeft u uw geannoteerde exemplaren van het oude W.Venn in gedachten al tot het oud papier veroordeeld. Het nieuwe WVV is immers al meer dan een jaar in werking; wat zouden die oude vodden u dus nog kunnen opleveren?

Minute papillon, u vergeet het overgangsrecht. Continue reading “De schaduw van het W.Venn.”

Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip

D. Van Gerven: “Wat wijzigt er voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders?”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreekt stafhouder Dirk Van Gerven wat er wijzigt voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders. Over de maatschap en de feitelijke vereniging in het licht van het formeel ondernemingsbegrip schrijft hij onder meer:

“Uit (c) [van art. I.1,1° WER] volgt dat de maatschap een onderneming is. Zij is een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Kenmerkend is haar afgescheiden vermogen dat gepaard gaat met een eigen bestuur en dus organogram; zij vormt een afzonderlijke organisatie, ook al heeft ze geen rechtspersoonlijkheid.[1] De maatschap kan overigens strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen (art. 5, derde lid Sw.). Wat geldt voor de maatschap geldt ook voor de stille vennootschap en de tijdelijke vennootschap, die in wezen varianten zijn op de maatschap. De tijdelijke vennootschap wordt afgeschaft in het WVV (de maatschap kan daarvoor dienen) en de stille vennootschap zal  door het leven gaan als de stille maatschap, een bijzondere vorm van maatschap.[2]

Wordt uitgesloten: “iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie” (art. I.1, 1°, tweede lid, (a) WER). Continue reading “Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip”

Overgangsonrecht

Over enkele verrassende gevolgen van het (gebrek aan) overgangsregime in het WVV

Onder het W.Venn. kon een statutaire zaakvoerder van een BVBA enkel worden ontslagen met unanimiteit. Een kleine participatie in handen van die zaakvoerder volstond met ander woorden om het eigen ontslag te kunnen vetoën.

Bij het ontkurken van de champagne bij nieuwjaar 2020 stond deze statutaire zaakvoerder aan het hoofd van een BV. Als deze zaakvoerder geen participatie heeft van méér dan 25% van de stemmen zou er echter wel eens weinig reden tot vieren kunnen zijn. Onder het WVV kan een statutaire zaakvoerder immers worden afgezet met een meerderheid van 75%.

Dit is slecht één frappant voorbeeld van hoe de onmiddellijke toepassing van het WVV partijen de bescherming die ze hadden bedongen en cours de route kan ontnemen. Continue reading “Overgangsonrecht”

De bijzondere bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank voor vennootschappen, verenigingen en stichtingen (art. 574, 1° Ger.W.)

Benoît Allemeersch en Stijn De Dier, “Ondernemingsrechtbank: bevoegdheid en werking”, in Leerstukken Ondernemingsrecht

De Wet Hervorming Ondernemingsrecht wijzigde de algemene bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank, maar ook enkele bijzondere bevoegdheidsgronden, zoals artikel 574, 1° Ger.W.: “De ondernemingsrechtbank neemt kennis:   1° van geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging.

In Leerstukken Ondernemingsrecht schrijven de Benoît Allemeersch (KU Leuven, Quinz) en Stijn De Dier (UA, Quinz) in hun bijdrage “Ondernemingsrechtbank: bevoegdheid en werking” hierover:

“Waar de vorige versie van artikel 574, 1° Ger.W. het uitsluitend had over geschillen ter zake van een “vennootschap”, breidt de huidige bepaling het aanknopingspunt voor de bijzondere bevoegdheid in die bepaling uit naar geschillen ter zake van “een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap”. Alle laatstgenoemde rechtspersonen zijn immers ook ondernemingen in de zin van artikel I.1, 1° WER. Geschillen die een voldoende betekenisvolle band vertonen met het bestaan, de werking of het beheer van de genoemde rechtsvormen, kunnen dus voor de ondernemingsrechtbank worden gebracht. Daardoor krijgen nu ook de rechtspersonen met belangeloos doel een plaats in het lijstje van bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsrechtbank. Een en ander spoort overigens mooi met de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, waarbij vennootschappen, stichtingen en verenigingen in één wetboek worden samengebracht.

Anders dan voor vennootschappen (waarvoor de terminologie van art. 574, 1° Ger.W. zowel rechtspersonen als niet-rechtspersonen omsluit), krijgt de ondernemingsrechtbank geen bijzondere bevoegdheid voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Ook dat is conform het ondernemingsbegrip van artikel I.1, 1° WER, dat organisaties zonder rechtspersoonlijkheid uitsluit van de kwalificatie als onderneming indien ze geen uitkeringsoogmerk hebben en ook in feite geen uitkeringen verrichten. Continue reading “De bijzondere bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank voor vennootschappen, verenigingen en stichtingen (art. 574, 1° Ger.W.)”

Twee jaar Wet Hervorming Ondernemingsrecht: vereenvoudigen is niet simpel

Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht

De Wet Hervorming Ondernemingsrecht werd twee jaar geleden afgekondigd (zie hier voor een overzicht van de belangrijkste wijzigingen). Deze wet schafte de handelaar af als aanknopingspunt en stelde een formeel ondernemingsbegrip (art. I.1,1° WER) in de plaats. Daarbij stond vereenvoudiging voorop. Tijd voor een evaluatie van deze peuter. Continue reading “Twee jaar Wet Hervorming Ondernemingsrecht: vereenvoudigen is niet simpel”

Vult de geconflicteerde bestuurder het aanwezigheidsquorum?

Een post door gastbloggers Victor Burki en Stefan Mees (Linklaters)

Met de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna “WVV”)[1], werd ook gesleuteld aan de belangenconflictregeling voor de besloten vennootschap en de naamloze vennootschap. Deze regeling, die vroeger terug te vinden was in art. 259 van het Wetboek van vennootschappen (hierna “W.Venn.”)[2] voor de BVBA (met een college van zaakvoerders) en in art. 523 W.Venn. voor de NV, staat vandaag in art. 5:76 WVV voor de BV en in art. 7:96 WVV voor de NV.

De nieuwe bepaling is inhoudelijk niet sterk gewijzigd, behalve dat voortaan in elke vennootschap een onthoudingsplicht wordt opgelegd aan de geconflicteerde bestuurder[3]. Onder het oude W.Venn. gold reeds een onthoudingsplicht voor geconflicteerde bestuurders in genoteerde vennootschappen.[4] In het nieuwe WVV wordt deze onthoudingsplicht uitgebreid tot bestuurders van alle vennootschappen.

De vraag rijst meteen wat het gevolg is van deze regel voor de berekening van de aanwezigheids- en meerderheidsvereisten voor vergaderingen van een (collegiaal) bestuursorgaan. Deze blogpost onderzoekt hoe men het aanwezigheidsquorum en de meerderheid moet berekenen wanneer een of meerdere bestuurders zich dienen te onthouden omwille van een belangenconflict. Dit is bijzonder relevant wanneer de helft of meer van de bestuurders een belangenconflict heeft.

Vullen geconflicteerde bestuurders het aanwezigheidsquorum? Hoe wordt de beslissingsmeerderheid dan berekend? Wat wanneer een meerderheid van de bestuurders geconflicteerd is? Moet er in dat geval doorverwezen worden naar de algemene vergadering? Continue reading “Vult de geconflicteerde bestuurder het aanwezigheidsquorum?”

Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV

Editoriaal in TRV/RPS, 2020, p. 3 e.v.

Wikipedia, zoals bekend een autoriteit op vlak van juridisch redeneren, stelt over de redenering a contrario:

“Vooral onder juristen zijn a contrario redeneringen populair. Als er een wettelijke regel is “indien A, dan B” (implicatie), dan kan daar de conclusie uit worden getrokken: “indien niet A, dan niet B”. Maar een dergelijke gevolgtrekking in deze vorm is onjuist, hoewel de conclusie (dat niet B) wel juist kan zijn. Slechts als eerstgenoemde regel luidde:(1) “alléén indien A, dan B” (replicatie) , of (2) “Als en slechts als A, dan B” (equivalentie) is deze omkering toelaatbaar volgens de wetten van de logica. Bij een beroep op een argumentatie a contrario moet dus altijd een lampje gaan branden.”

Ook in het ondernemingsrecht zijn a contrario redeneringen verdacht (zie ook Koen Geens over  “vermoeiende a contrarioconclusies” in zijn boekbespreking van Asser-Maeijer 5-V, TPR 1998, 1149).

De a contrario redenering leidt conclusies af uit het stilzwijgen van de wetgever: “als een rechtgevolg wordt vastgeknoopt aan A, en er niets gezegd wordt over B, dan zal de wetgever wel gewenst hebben hebben dat het rechtsgevolg niet geldt voor B.”

Dat miskent dat de wetgever meestal slechts een beperkte focus heeft bij het opstellen van een tekst. Als in de Wet betreffende Olifanten staat dat olifanten vier poten moeten hebben, dan kan daar niets over giraffen worden uit afgeleid. Dat was gewoon niet de focus van de wetgever op dat ogenblik.

De zaak wordt anders indien er een Wetboek betreffende Alle Dieren wordt geschreven. Indien het hoofdstuk voor de olifant bepaalt dat de olifant twee grote oren en korte dikke nek moet hebben, komt men wel in de verleiding gevolgen te trekken uit de afwezigheid van gelijkaardige regels in het hoofdstuk over de giraffen. De focus van een codificatie is net systematisch na te denken over wat gelijk moet zijn en verschillen tussen de verschillende behandelde figuren.

In een editoriaal in het laatste nummer van het TRV/RPS (“Wat zegt de wetgever als hij zwijgt?”) geef ik enkele voorbeelden van hoe ook in het WVV a contrario redeneringen niet altijd opgaan: Continue reading “Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV”

Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen

Art. 39 Invoeringswet WVV

Gisteren, 1 januari 2020, werd het WVV van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen.

Soms wordt wel eens gehoord dat enkel de dwingende bepalingen op 1 jan. van toepassing zouden worden. Dat is een verkeerde lezing van (het eigenaardig geformuleerde) art 39 § 2 van de invoeringswet: Continue reading “Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen”

Mee met het WVV?

Meer dan 70 posts over het WVV

Op 1 januari 2020 wordt het WVV ook van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen. Hier vindt u de tekst van de invoeringswet, de Concordantietabel W.Venn. – WVV en het ontwerp van de belangrijkste reparatiewet.

De posts over het WVV op deze blog  – meer dan 70, samen toch een virtueel boek van pakweg 300 blz –  waren: Continue reading “Mee met het WVV?”

Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden. Continue reading “Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?”

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn

Over de tegenwerpelijkheid van beperkingen aan de bevoegdheid van het bestuur

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV bepalen voor BV, CV, en NV dat de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen uitbreiden. Zulke uitbreiding van de bevoegdheid van de algemene vergadering zal in de regel een inperking van de bevoegdheid van het bestuursorgaan vormen.

Problematisch is de regeling van de tegenwerpelijkheid van zulke inperking. De voornoemde bepalingen stellen hierover: “Zodanige uitbreiding kan niet aan derden worden tegengeworpen, tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs.

Dit is onverzoenbaar met het vertegenwoordigingsregime van de Eerste Richtlijn (van toepassing op NV en BV, al zou er over de BV discussie kunnen zijn).

Het uitgangspunt van de Eerste Richtlijn is dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordigingsregime niet tegenwerpelijk zijn. Kennis is daarbij geen uitzondering. De Richtlijn staat lidstaten toe dat ze voor het “voorwerp” (vennootschapsdoel) een uitzondering maken op deze regel van niet-tegenwerpelijkheid van statutaire beperkingen tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs. België heeft van deze optie altijd gebruik gemaakt, maar breidt die uitzondering nu in strijd met het Europees recht uit naar andere statutaire bepalingen.

Voor elk van de drie vennootschapsvormen is deze regel bovendien niet te verzoenen met de regel in het spiegelbeeldbepalingen over het bestuursorgaan (art. 5:73, 6:61, 7:93 WVV). Zie bv. voor de NV art. 7:93  § 1:

“De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is.  De statuten kunnen de bevoegdheden van de raad van bestuur beperken. Zodanige beperking kan niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is ze openbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor een onderlinge taakverdeling onder de bestuurders.”

Bij de regels over het bestuursorgaan wordt dus richtlijnconform, zonder kwalificatie of uitzondering, gesteld dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van het vertegenwoordigingsorgaan niet tegenwerpelijk zijn.

De tunnel gegraven vanuit Dover en die vanuit Calais ontmoeten mekaar niet onder zee.

Continue reading “Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn”

Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?

Art. 5:73 WVV

Vertegenwoordigingsclausules (één- of meerhandtekeningsclausules) in de BV worden geregeld door art. 5:73 WVV (tekst onderaan hernomen).

De memorie van toelichting bij het WVV (p. 157) stelt bij dit artikel dat het ‘grotendeels’ een herneming is van art. 257 W.Venn. De tekst dat art. 5:73 doet echter de vraag rijzen of dit wel het geval is.

Meer bepaald is er een onduidelijkheid in een BV met meerdere bestuurders die concurrentieel bevoegdheid zijn en waar er een meerhandtekeningsclausule is die geldt vanaf een bepaalde grens (bv. “voor transancties vanaf € 50.000 moeten twee bestuurders optreden“).

Continue reading “Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?”

KB 26 april 2018 inzake de berekening van ereloon en kosten van insolventiefunctionarissen onder vuur

Raad van State verwerpt de middelen tot vernietiging, maar stelt ook prejudiciële vraag aan Grondwettelijk Hof

In arrest nr. 246.083 van 14 november 2019 verwerpt de Franstalige afdeling van de Raad van State een beroep tot vernietiging van het reeds op dit forum besproken KB van 26 april 2018 betreffende de barema’s en de regels voor de berekening van erelonen en kosten van de insolventiefunctionarissen. Er moet daarbij wel worden benadrukt dat er nog een tweede annulatieberoep tegen het KB hangende is bij de Nederlandstalige afdeling van de Raad van State, dat bovendien steunt op andere middelen dan degene die werden aangevoerd in arrest nr. 246.083 dat hier wordt besproken.

Continue reading “KB 26 april 2018 inzake de berekening van ereloon en kosten van insolventiefunctionarissen onder vuur”

Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?

Uit een vorige post bleek dat in het WVV het onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen op papier scherp lijkt, maar bij nader toezien eerder cosmetisch is.

So what? Wordt er wel een maatschappelijk belang gediend door een onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen? Waarom zou de wetgever überhaupt nog de vormen van een vereniging of stichting aanbieden?  De methodologische twijfel over hun bestaansreden biedt inzicht in de wijze waarop deze vormen, en in het bijzonder hun wettelijke specialiteit, wetgevend moeten worden ingevuld. Deze oefening laat toe ook de oplossingen van het WVV te evalueren. Onze conclusie daarbij is dat de nieuwe regels in belangrijke mate de Belgische verenigings- of stichtingsvormen hun nuttige signaalfunctie ontnemen.

Continue reading “Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?”