Over ‘lege dozen’ en andere verwante insolventietopics: een denkoefening van een eenvoudig curator-sterveling (zonder roze bril)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Beoefenaars van de insolventiesport herinneren zich wellicht de aankondiging van een wetsvoorstel ter bestrijding van de zogenaamde lege-dozen-faillissementen, uitgaande van volksvertegenwoordiger dhr. Geens  (Parl.St. Kamer, 2020-21, 1591/001, p. 1-19).

Dit wetsvoorstel werd als ‘dringend’ omschreven gelet op de stortvloed aan faillissementen die komende was ten gevolge de corona-crisis. Het wetsvoorstel zou zelfs “gedicteerd worden door de economische openbare orde”.

De samenvatting van de memorie van toelichting, gegoten in een persmededeling werd gretig gecopy-pastet op juridische websites en nieuwsbrieven allerhande. Bijna iedereen vond het blijkbaar een goed idee. Eindelijk een oplossing voor de lege dozen.

Hoewel de mogelijke invloed van het wetvoorstel eerder beperkt is (gelet op het reeds bestaande problematische artikel 2:74 WVV), heb ik na een eerste lezing van het wetsvoorstel onmiddellijk op kantoor gedeclareerd dat ik te voet naar Scherpenheuvel zou trekken als dit voorstel ooit wet zou worden. Omdat het aantal aanwezigen in een eenmanskantoor eerder beperkt is, werd mij aangeraden mijn standpunt over dit wetsvoorstel schriftelijk uiteen te zetten voor een breder publiek.

In het document onderaan deze post kan u het resultaat hiervan lezen.

Met mijn denkoefening zal ik proberen u te overtuigen van de noodzaak aan controle door een onafhankelijk vereffeningsbewind in geval van insolventie, ook bij de zgn. “lege dozen”. Men lost geen probleem op door te doen alsof er geen probleem is en het onmiddellijk onder de mat te vegen. Ik zal uiteenzetten waarom het wetsvoorstel los tegen de openbare orde ingaat.

Met statistiek zal ik ook proberen aanschouwelijk te maken dat de Staat (publieke middelen) wel degelijk gebaat is met de aanstellingen van curatoren in geval van definitieve discontinuïteit. De Belgische Staat schiet vaak in eigen voet.

Tenslotte geef ik nog even aandacht aan de deficitaire vereffening onder het hoofdstuk “Huidige deficitaire vereffening is het failliet van de insolventieafwikkeling”. Al jaren roep ik ergens in een woestijn dat de deficitaire vereffening een kunstmatig in stand gehouden ontsnappingsalibi is. Nu heb ik het ook neergeschreven. Over dit onderwerp zullen wij ongetwijfeld veel wijzer worden tijdens de geplande “disputatio” op 1 juni 2022 ter ere van het lustrum van Corporate Finance Lab.

Of in mijn denkoefening alles even academisch werd verwoord, laat ik in het midden. Doch een genuanceerde, wollige noodrem werkt niet. Een slappe stok in een hoenderhok ook niet.

Inschrijven voor de ‘disputatio’ van 1 juni 2022 kan hier.

Vincent Verlaeckt
Advocaat

Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt

Cass. 18 maart 2022 (C.21.0006.F)

Mario D. was zaakvoerder van een BVBA, een immovennootschap. De vrederechter stelt een bewindvoerder aan over de persoon en de goederen van Mario. Deze bewindvoerder q.q. doet aangifte van het faillissement van de BVBA en van Mario zelf. Zoals bekend veronderstelt dit dat Mario een ‘onderneming’ is in de zin van art. XX.1, 1° al. 1 WER (zie definitie van ‘schuldenaar’ in art. XX.99 al. 1 WER). Het gaat hier om het zgn. ondernemingsbegrip in formele zin.

Er is geen andere activiteit waarop voor Mario de kwalificatie als onderneming wordt gesteund dan zijn (bezoldigde) bestuurstaak bij de immo-BVBA. (Parenthesis: dat een voorlopig bewindvoerder over een natuurlijke persoon ook de bevoegdheden van die natuurlijke natuurlijke persoon als vennootschapsbestuurder uitoefent, werd blijkbaar niet geproblematiseerd. Vanzelfsprekend is dit nochtans niet, al is het een pragmatische oplossing bij een vennootschap met wellicht één vennoot en één bestuurder.)

De Ondernemingsrechtbank te Henegouwen (25 november 2019) weigert het faillissement van Mario uit te spreken met als argument dat hij geen onderneming is. Dit wordt in beroep bevestigd door het Hof van Beroep te Bergen (14 juli 2020).

Uit het arrest blijken heel wat bijzondere omstandigheden: de gezondheidstoestand van de bestuurder liet al lang geen activiteiten toe, de bestuursvergoeding was minimaal, de vennootschap zelf leek een slapende vennootschap, ….

Daarmee werd een bekende discussie aan de orde gesteld, nl. of elke bestuurder van een vennootschap een onderneming in formele zin is. Zie eerder hier en verder o.a. A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH 2019, 494 e.v.; P. Moineau en F. Ernotte, “Les gérants et administrateurs personnes physiques face au nouveau droit de la faillite”, JLMB 2019, 697 e.v.; M. Roelants, “De kwalificatie van de natuurlijke persoon-bestuurder als onderneming na de Wet Hervorming Ondernemingsrecht”, TRV-RPS 2019, 104 e.v.; J. De Smet, “Het faillissement van zaakvoerders en bestuurders na de inwerkingtreding van Boek XX WER: moet er nog (drijf)zand zijn?”, TIBR 2019, 80 e.v..

Merk op dat, zoals in de meeste uitspraken waar dit een discussiepunt vormt, de vraag om de toepassing van de faillissementsprocedure uitgaat van de schuldenaar zelf (zij het hier middels een bewindvoerder). Het is niet een schuldeiser of het OM die een debiteur tegen zijn wil in de faillissementsprocedure wil trekken. Dit is een symptoom een insolventierecht voor ondernemingen dat grosso modo vriendelijker is voor natuurlijke personen-ondernemingen dan voor andere natuurlijke personen.

In een verrassende uitspraak van vorige vrijdag verwerpt het Hof van Cassatie het cassatieberoep tegen het Bergens arrest met een motivatie die veel verder gaat dan enkel de vennootschapsbestuurder en die verder gaat dan de zeer specifieke omstandigheden van het betrokken geschil:

Continue reading “Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt”

Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling

Net als het oude W.Venn., geeft het WVV een bijzondere nietigheidsgrond in geval van schending van de regels voor belangenconflicten bij bestuurders (BV: art. 5:77 § 2 WVV; NV: art. 7:96 § 2/7:103 § 2/7:115 § 2 WVV). Met het WVV is deze nietigheidsgrond nu ook voorhanden in de CV (art. 6:65 § 2 WVV), de VZW (art. 9:8 § 2 WVV) en de stichting (art. 11:9 § 2 WVV). Volgens al die bepalingen kan de rechtspersoon de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de toepasselijke belangenconflictregels, indien de wederpartij bij die besluiten of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.

Al sinds de invoering van die nietigheidssanctie speelt de vraag of de nietigheidssanctie geldt bij elke schending van de belangenconflictregeling. Een eerste strekking verdedigt dat enkel “wezenlijke” schendingen, die de besluitvorming of de verrichting kunnen beïnvloeden, tot nietigheid zouden mogen leiden. Deze strekking vond ook doorgang in de rechtspraak van de hoven van beroep van Antwerpen en Brussel – het arrest a quo is overigens opnieuw uit Antwerpen afkomstig. Een tweede strekking ziet de nietigheid verschijnen bij elke schending van de betrokken regels. Het WVV heeft deze discussie niet beslecht.

In een arrest van 9 december 2021 (C.19.0644.N) kiest het Hof van Cassatie voor de eerste strekking, weliswaar m.b.t. het oude art. 523 § 2 W.Venn. We citeren de relevante passus:

Continue reading “Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling”

Nieuwe cassatierechtspraak over de toepassing van nieuwe wetten op lopende contracten

Cass. 22 november 2021

1.

De wetgever heeft de laatste jaren behoorlijk wat gesleuteld aan het contractenrecht. Soms nam hij daarbij de tijd om uitdrukkelijk te regelen in welke mate de wetswijziging in kwestie van toepassing is op lopende contracten. De praktijk prijst zich dan doorgaans gelukkig. Even goed zijn er echter gevallen waarin de wetgever die vraag niet – of onvolledig – beantwoordt. In die gevallen moet men teruggrijpen naar het zogenaamde algemeen intertemporeel recht.

2.

Tot voor kort golden er in het algemeen intertemporeel contractenrecht grosso modo drie basisregels:

  • Regel 1: in principe is de nieuwe wet niet van toepassing op lopende contracten, maar blijft de oude wet daarop van toepassing.
  • Regel 2: is de nieuwe wet echter dwingend of raakt ze de openbare orde, dan is ze toch van toepassing op lopende contracten.
  • Regel 3: de geldigheid van een contract of van een contractueel beding blijft nochtans beheerst door de wet die van kracht was ten tijde van de contractsluiting. Deze regel omvat twee aspecten: (i) contracten/clausules die geldig waren ten tijde van de contractsluiting, blijven geldig, ook na de inwerkingtreding van een wet op grond waarvan die contracten/clausules ongeldig zouden worden, en (ii) contracten/clausules die ongeldig waren ten tijde van de contractsluiting, blijven ongeldig, ook na de inwerkingtreding van een wet op grond waarvan die contracten/clausules geldig zouden worden.

Deze basisregels zijn ontwikkeld in de rechtspraak,[1] maar de wetgever is van plan om ze te codificeren in het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Het Wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek[2] bevat inderdaad de volgende bepaling:

“Art. 1.2. Toepassing van de wet in de tijd

[…]

In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten.

De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.”

3.

In een arrest van 22 november 2021[3] heeft het Hof van Cassatie de bovenstaande regels echter deels bijgesteld.

Continue reading “Nieuwe cassatierechtspraak over de toepassing van nieuwe wetten op lopende contracten”

BOEK XX WER wordt (een beetje) menselijker, sneller en straffer gemaakt … maar toch niet volledig.

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

Bij wet van 28 november 2021 met de niet zo bescheiden benaming “Wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken“ werden twee aanpassingen aan boek XX WER doorgevoerd. Vroeger zou men dit eerder lezen in een reparatiewet of – als men liever geen aandacht erop wou vestigen – in een programmawet. Alles evolueert.

Continue reading “BOEK XX WER wordt (een beetje) menselijker, sneller en straffer gemaakt … maar toch niet volledig.”

The impact of the EU Restructuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator

A post by guest blogger Jente Dengler

The official deadline for the implementation of the Directive (EU) 2019/1023 on restructuring and insolvency was scheduled for 17 July 2021. Like many other Member States, Belgium availed itself of the possibility foreseen in the Directive to benefit from an extension of the implementation period by a maximum of one year. The Directive introduces the obligation to separate creditors into different classes for the purpose of voting on restructuring plans in order to prevent vulnerable creditors from being treated unfairly in business restructurings. Such class formation for the approval of a restructuring plan is unprecedented in Belgian insolvency law and could completely upset the bargaining dynamics between stakeholders in Belgian restructurings.

In his article “The impact of the EU Restrucuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator” (available here), guest blogger Jente Dengler discusses the potential impact of the Directive’s voting model on the Belgian restructuring practice.

A summary of the full article published in INSOL International’s Collection of Short Papers can be found below:

Continue reading “The impact of the EU Restructuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator”

Toerekening van buitencontractueel schadeveroorzakend handelen aan rechtspersonen

In rechtsreeks.be, het gedigitaliseerde archief van de bibliotheek van de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven op initiatief van bibliothecaris Christophe Malliet (zie eerder hier) bevindt zich nu ook het proefschrift van Jeroen Delvoie over Orgaantheorie in rechtspersonen van privaatrecht (2010).

Toerekening aan rechtspersonen betreft de vraag wanneer schadeverwekkend handelen (met inbegrip van een stilzitten) kan worden toegerekend aan een rechtspersoon. Meestal wordt gesproken over het toerekenen van onrechtmatige daden aan de rechtspersoon, maar het gaat eigenlijk om het toerekenen van schadeveroorzakend handelen (dat op het niveau van rechtspersoon en natuurlijke persoon verschillend kan worden beoordeeld). Bij natuurlijke personen is de toerekeningsvraag een feitelijke kwestie (“wie heeft het gedaan?”). Bij een rechtspersoon dient ook een juridisch link te worden gelegd tussen het schadeverwekkend handelen enerzijds en het onstoffelijk rechtssubject dat de rechtspersoon is anderzijds.

Het voorontwerp van nieuw buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht geeft voor het eerst een expliciete regel hieromtrent met artikel 5.158, dat de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor leden van bestuursorganen schoeit op de leest van de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelde (hiervoor wordt intern verwezen naar artikel 5.157, dat de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelde regelt).

Continue reading “Toerekening van buitencontractueel schadeveroorzakend handelen aan rechtspersonen”

Parlementaire voorbereiding WVV artikelsgewijs ontsloten

De Grondwet heeft Huyttens en Van Overloop, de Code civil Locré en de Vennootschapswet van 1873 Guillery (Commentaire législatif de la loi du 18 mai 1873 sur les sociétés commerciales en Belgique, Brussel, Bruylant, 1878): een systematisch overzicht van de voorbereidende werken dat vertrekt vanuit de uiteindelijk goedgekeurde artikelen.

Voor wetenschappelijk onderzoek zijn dit werken van grote waarde. Het is dan ook erg gelukkig dat het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht op haar webpagina een compilatie van parlementaire voorbereidingen van het WVV ter beschikking stelt met met achtereenvolgens de per 1 september 2021 in voege zijnde wettekst, de tekst van wetsontwerp(en), voorontwerp(en), de memorie van toelichting en, in voorkomend geval, de toelichting bij goedgekeurde amendementen en passages uit de adviezen van de Raad van State.

Deze overzichten zijn oorspronkelijk opgesteld door mevrouw Filiz Korkmazer, die als gewezen adjunct-kabinetchef economisch recht op het kabinet van toenmalig minister van justitie Geens zeer nauw betrokken was in het traject van totstandkoming van het WVV, en alle werkgroepen en vergaderingen leidde (zie de toelichting bij de compilatie).

Continue reading “Parlementaire voorbereiding WVV artikelsgewijs ontsloten”

Stilzwijgende afstand van recht

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 12 : Stilzwijgende afstand van recht)

1.         Afstand van recht Artikel 1.12. Het voorgestelde artikel 1.12 neemt letterlijk de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake afstand van recht over: “Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn”. De toelichting bij dit artikel is wellicht daarom bijzonder bondig.

Over afstand van recht is meer te zeggen dan dat hij niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn of, zoals uit de toelichting blijkt, dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd en een eenzijdige rechtshandeling is die niet door een wederpartij moet worden aanvaard, tenzij de wet anders bepaalt. [1]

Dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd, valt overigens niet in artikel 1.12 te lezen.

Continue reading “Stilzwijgende afstand van recht”

Opzettelijke fout en fraude zijn geen synoniemen

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 11 : Opzettelijke fout en fraude zijn geen synoniemen)

1.         Oogmerk om te schaden – Artikel 1.11. De titel van het voorgestelde artikel 1.11 (oogmerk om te schaden) is slecht gekozen, want hij dekt de lading niet. De tekst gaat namelijk in op twee verschijningsvormen van de zgn. opzettelijk fout en een daaraan, volstrekt nieuw, te verbinden rechtsgevolg: “de opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, mag de dader geen voordeel verschaffen”.

Volgens de opstellers zou deze tekst het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” in het nieuwe BW verankeren én verfijnen.

In werkelijkheid is artikel 1.11 vreemd aan dat algemeen rechtsbeginsel zoals hierna wordt toegelicht.

Omdat er andermaal een groot verschil bestaat tussen de voorgestelde wettekst en de bijhorende toelichting, worden de wettekst en de bijhorende toelichting hierna afzonderlijk behandeld. Vervolgens wordt ingegaan op het algemeen rechtsbeginsel dat de opstellers blijkbaar geneigd zijn af te voeren, overigens zonder dat ongewenste resultaat met artikel 1.11 te bereiken.

Continue reading “Opzettelijke fout en fraude zijn geen synoniemen”

Het witte konijn : rechtsmisbruik ?

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 10 : Het witte konijn : rechtsmisbruik?)

1.         Rechtsmisbruik – Artikel 1.10. Artikel 1.10 geeft aan de jurisprudentiële rechtsfiguur van het rechtsmisbruik een wettelijke grondslag. Na het beginsel dat niemand misbruik mag maken van zijn recht, wordt in het tweede lid het criterium aangeduid op grond waarvan tot een gebeurlijk rechtsmisbruik is te besluiten. In het derde lid komt de sanctie van het rechtsmisbruik aan bod.

De opstellers benadrukken dat artikel 1.10 een “algemeen erkend rechtsbeginsel [verankert] dat talloze malen werd bevestigd door het Hof van Cassatie: het verbod op rechtsmisbruik[1].

Om het algemeen erkend rechtsbeginsel van het verbod van rechtsmisbruik te verantwoorden, verwijzen de opstellers naar het, in buitencontractuele context gewezen zgn. “mijlpaalarrest” van 10 september 1971.[2]

Het kan geen kwaad te benadrukken dat er tussen 1830 en 10 september 1971 in de rechtspraak geen sprake was van een algemeen rechtsbeginsel van die strekking, dat de wetgever niet naar een dergelijk algemeen rechtsbeginsel verwees en nauwelijks toepassingen maakte van een regel die op het verbod van rechtsmisbruik kon lijken. Het algemeen rechtsbeginsel kwam als het ware uit de lucht vallen en de wetgever heeft zich niet eerder, in het algemeen, over een algemeen verbod van rechtsmisbruik uitgesproken. Tot op heden is het algemeen rechtsbeginsel een louter jurisprudentiële constructie. De vraag is derhalve : verdient het wel een wettelijke verankering in het BW?

Continue reading “Het witte konijn : rechtsmisbruik ?”

De geheimen van de goede en kwade trouw

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 9: De geheimen van de goede en kwade trouw)

1.        Subjectieve goede trouw. Artikel 1.9 decreteert dat “de goede trouw wordt vermoed” waarop een poging volgt om de kwade trouw te definiëren: “een persoon is te kwader trouw, wanneer hij de feiten of de rechtshandeling, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende of in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen”.

Zeer opvallend sluit de toelichting bij artikel 1.9 niet aan op de tekst ervan, zodat de vraag rijst wat de opstellers precies beoogden, dan wel of zij de waakzaamheid van de wetgever hebben willen testen?

2.        Een vermoeden van subjectieve goede trouw zonder mogelijkheid van tegenbewijs? De voorgestelde tekst van artikel 1.9 doet denken aan het (intussen ter ziele gegane) artikel 2268 oud BW inzake de verkrijgende verjaring dat het volgende bepaalde: “Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.” Daaruit volgde dat het zgn. vermoeden van (subjectieve) goede trouw voor tegenbewijs vatbaar was. Artikel 2268 oud BW greep in op de bewijslastverdeling: niet de persoon die zich op de goede trouw beroept, moet het bestaan ervan bewijzen[1], maar de persoon die de goede trouw betwist, moet het bewijs van de kwade trouw leveren. Het is onduidelijk of diezelfde draagwijdte aan het voorgestelde artikel 1.9 toekomt. Er volgt niet zonder meer uit artikel 1.9 dat het zgn. vermoeden van goede trouw voor tegenbewijs vatbaar is. Een omschrijving van de kwade trouw volstaat daartoe, in beginsel, niet.

Continue reading “De geheimen van de goede en kwade trouw”

Een mededeling is nog geen kennisgeving

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 6: Een mededeling is nog geen kennisgeving)

1. Kennisgeving. Artikel 1.5 is een merkwaardige bepaling. In de eerste alinea wordt de kennisgeving gedefinieerd als een mededeling van een beslissing of feit verricht door een persoon aan een of meer bepaalde personen. In de tweede alinea wordt het tijdstip bepaald waarop de kennisgeving de bestemmeling bereikt[1]. De derde alinea gaat in op elektronische kennisgevingen en het tijdstip waarop zij uitwerking hebben.

2. Beslissing of feit. Artikel 1.5 spreekt niet meer over de rechtshandeling, noch over de wilsuiting, maar heeft een veel ruimer spectrum, namelijk dat van de “beslissingen en feiten”. Naar hun extern bestaan, d.w.z. ten overstaan van andere personen dan degene van wie ze uitgaan, zijn rechtshandelingen en wilsuitingen feiten en berusten ze op beslissingen, maar niet alle feiten of beslissingen zijn rechtshandelingen of wilsuitingen.

Uit de voorgestelde wettekst volgt dat de beslissing of het feit niet noodzakelijk moet zijn toe te rekenen aan de persoon, die tot kennisgeving overgaat.

Continue reading “Een mededeling is nog geen kennisgeving”

Alleen op de wereld, de wilsuiting

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 5 Alleen op de wereld, de wilsuiting)

1. Artikel 1.4 is aan de wilsuiting gewijd. Het eerste lid van dit artikel beperkt zich tot de beschrijving van de vorm van de wilsuiting[1]. Het tweede lid verduidelijkt voor het overige dat een wilsuiting mededelingsplichtig is wanneer zij een bepaalde persoon moet bereiken om uitwerking te hebben. Er wordt aan toegevoegd dat zij kan worden ingetrokken zolang zij de bestemmeling niet heeft bereikt.

2. De geldigheidsvoorwaarden van een rechtshandeling. De toelichting verduidelijkt dat deze bepaling “nog enkele preciseringen geeft over de wilsuiting bedoeld in het artikel 1.3[2].

Continue reading “Alleen op de wereld, de wilsuiting”

Ongeoorloofdheid (wordt een) troef

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 4.c : Ongeoorloofdheid (wordt een) troef – zie hier voor afl. 4.a)

10.  Manke transpositie. Met betrekking tot het geldige voorwerp en de geldige oorzaak is vast te stellen dat de opstellers in de toelichting verwijzen naar Boek 5 (verbintenissen) dat, in zijn huidige stand, betrekking heeft op het contract en op de eenzijdige rechtshandeling (art. 5.125 en 5.126).[1] Het artikel 5.126 van Boek 5 bepaalt dat “elke eenzijdige rechtshandeling (…) onderworpen [is] aan de regels die er eigen aan zijn en, voor zover deze niet ervan afwijken, aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis”.

De vraag is dus of de rechtshandeling op het vlak van haar voorwerp en oorzaak en hun (on)geoorloofdheid enkel onderworpen is aan de regels die eigen zijn aan de rechtshandeling, dan wel of de rechtshandeling op dit vlak ook onderworpen is aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis.

In de toelichting bij artikel 1.3, betogen de opstellers dat de regels inzake voorwerp, oorzaak en hun geoorloofdheid met betrekking tot “contracten” ook op rechtshandelingen toepasselijk zijn.[2]

Hun bewering is echter wankel.

Continue reading “Ongeoorloofdheid (wordt een) troef”

%d bloggers like this: