Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen

Art. 39 Invoeringswet WVV

Gisteren, 1 januari 2020, werd het WVV van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen.

Soms wordt wel eens gehoord dat enkel de dwingende bepalingen op 1 jan. van toepassing zouden worden. Dat is een verkeerde lezing van (het eigenaardig geformuleerde) art 39 § 2 van de invoeringswet: Continue reading “Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen”

Mee met het WVV?

Meer dan 70 posts over het WVV

Op 1 januari 2020 wordt het WVV ook van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen. Hier vindt u de tekst van de invoeringswet, de Concordantietabel W.Venn. – WVV en het ontwerp van de belangrijkste reparatiewet.

De posts over het WVV op deze blog  – meer dan 70, samen toch een virtueel boek van pakweg 300 blz –  waren: Continue reading “Mee met het WVV?”

Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden. Continue reading “Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?”

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn

Over de tegenwerpelijkheid van beperkingen aan de bevoegdheid van het bestuur

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV bepalen voor BV, CV, en NV dat de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen uitbreiden. Zulke uitbreiding van de bevoegdheid van de algemene vergadering zal in de regel een inperking van de bevoegdheid van het bestuursorgaan vormen.

Problematisch is de regeling van de tegenwerpelijkheid van zulke inperking. De voornoemde bepalingen stellen hierover: “Zodanige uitbreiding kan niet aan derden worden tegengeworpen, tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs.

Dit is onverzoenbaar met het vertegenwoordigingsregime van de Eerste Richtlijn (van toepassing op NV en BV, al zou er over de BV discussie kunnen zijn).

Het uitgangspunt van de Eerste Richtlijn is dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordigingsregime niet tegenwerpelijk zijn. Kennis is daarbij geen uitzondering. De Richtlijn staat lidstaten toe dat ze voor het “voorwerp” (vennootschapsdoel) een uitzondering maken op deze regel van niet-tegenwerpelijkheid van statutaire beperkingen tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs. België heeft van deze optie altijd gebruik gemaakt, maar breidt die uitzondering nu in strijd met het Europees recht uit naar andere statutaire bepalingen.

Voor elk van de drie vennootschapsvormen is deze regel bovendien niet te verzoenen met de regel in het spiegelbeeldbepalingen over het bestuursorgaan (art. 5:73, 6:61, 7:93 WVV). Zie bv. voor de NV art. 7:93  § 1:

“De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is.  De statuten kunnen de bevoegdheden van de raad van bestuur beperken. Zodanige beperking kan niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is ze openbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor een onderlinge taakverdeling onder de bestuurders.”

Bij de regels over het bestuursorgaan wordt dus richtlijnconform, zonder kwalificatie of uitzondering, gesteld dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van het vertegenwoordigingsorgaan niet tegenwerpelijk zijn.

De tunnel gegraven vanuit Dover en die vanuit Calais ontmoeten mekaar niet onder zee.

Continue reading “Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn”

Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?

Art. 5:73 WVV

Vertegenwoordigingsclausules (één- of meerhandtekeningsclausules) in de BV worden geregeld door art. 5:73 WVV (tekst onderaan hernomen).

De memorie van toelichting bij het WVV (p. 157) stelt bij dit artikel dat het ‘grotendeels’ een herneming is van art. 257 W.Venn. De tekst dat art. 5:73 doet echter de vraag rijzen of dit wel het geval is.

Meer bepaald is er een onduidelijkheid in een BV met meerdere bestuurders die concurrentieel bevoegdheid zijn en waar er een meerhandtekeningsclausule is die geldt vanaf een bepaalde grens (bv. “voor transancties vanaf € 50.000 moeten twee bestuurders optreden“).

Continue reading “Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?”

KB 26 april 2018 inzake de berekening van ereloon en kosten van insolventiefunctionarissen onder vuur

Raad van State verwerpt de middelen tot vernietiging, maar stelt ook prejudiciële vraag aan Grondwettelijk Hof

In arrest nr. 246.083 van 14 november 2019 verwerpt de Franstalige afdeling van de Raad van State een beroep tot vernietiging van het reeds op dit forum besproken KB van 26 april 2018 betreffende de barema’s en de regels voor de berekening van erelonen en kosten van de insolventiefunctionarissen. Er moet daarbij wel worden benadrukt dat er nog een tweede annulatieberoep tegen het KB hangende is bij de Nederlandstalige afdeling van de Raad van State, dat bovendien steunt op andere middelen dan degene die werden aangevoerd in arrest nr. 246.083 dat hier wordt besproken.

Continue reading “KB 26 april 2018 inzake de berekening van ereloon en kosten van insolventiefunctionarissen onder vuur”

Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?

Uit een vorige post bleek dat in het WVV het onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen op papier scherp lijkt, maar bij nader toezien eerder cosmetisch is.

So what? Wordt er wel een maatschappelijk belang gediend door een onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen? Waarom zou de wetgever überhaupt nog de vormen van een vereniging of stichting aanbieden?  De methodologische twijfel over hun bestaansreden biedt inzicht in de wijze waarop deze vormen, en in het bijzonder hun wettelijke specialiteit, wetgevend moeten worden ingevuld. Deze oefening laat toe ook de oplossingen van het WVV te evalueren. Onze conclusie daarbij is dat de nieuwe regels in belangrijke mate de Belgische verenigings- of stichtingsvormen hun nuttige signaalfunctie ontnemen.

Continue reading “Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?”