Sociale dumping, brievenbusvennootschappen en IPR

“A hunters game: how policy can change to spot and sink letterbox-type practices”  (ETUC, 2016)

De stijd tegen ‘sociale dumping‘ staat prominent op de agenda van de Europese Commissie, de Belgische en de Vlaamse regering.

Een interessante studie uit eind 2016 A hunters game: how policy can change to spot and sink letterbox-type practices in opdracht van ETUC (European Trade Union Confederation) met de steun van de Europese Commissie zoomt in op de belangrijke rol van brievenbusvennootschappen bij het omzeilen van socialrechtelijke verplichtingen. Brievenbusvennootschappen zijn vennootschappen die worden beheerst door het vennootschapsrecht van een land waarmee ze geen of nauwelijks een reële economische band hebben.

Interessant in het deelrapport van Prof. Dr. Mijke Houwerzijl, hoogleraar Arbeidsrecht aan de Universiteit van Tilburg, is dat ze de band legt tussen brievenbusvennootschappen en misbruik in het sociaal recht (p. 22-23): Continue reading “Sociale dumping, brievenbusvennootschappen en IPR”

‘Niet kennis van de onbevoegdheid, maar kennis van misbruik van bevoegdheid’

Kwade trouw als exceptie onder de Eerste Richtlijn

De Eerste Richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om voor handelingen die de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden te bepalen dat de vennootschap niet verbonden is “indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn.” Een eerdere post wees erop dat deze uitzondering enkel gebruikt kan worden voor doeloverschrijdende handelingen; niet voor andere statutaire bevoegdheidsbeperkingen. Een andere post pleitte ervoor om de lege ferenda ook voor doeloverschrijdende handelingen terug te vallen op de basisregel van de Eerste Richtlijn: “De grenzen welke door de statuten of door een beslissing van de bevoegde organen aan de bevoegdheden van de organen van de vennootschap worden gesteld, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij openbaar zijn gemaakt.

Nergens stelt de Eerste Richtlijn (noch de Belgische vennootschapswetgever) dat de kwade trouw van derden i.v.m. een bevoegdheidsbeperking tot gevolg heeft dat de vennootschap er zich toch op kan beroepen t.a.v. die derde te kwader trouw. Niettemin neemt de Belgische rechtsleer aan dat de vennootschap toerekening kan vermijden door het bewijs te leveren van de kwade trouw van de mede-contractant van de vennootschap (J. Ronse, De Vennootschapswetgeving 1973, p. 171, nr. 326; L. Simont, ,,La loi du 6 mars 1973 modifiant la législation relative aux sociétés commerciales”, RPS 1979, p. 43, nr. 44; N. Geelhand, ,,De externe vertegenwoordigingsmacht van de organen van de vennootschap”, TRV 1994, p. 64, nr. 5; S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap, Roularta, Roeselare, 2016, 177, nr. 191). Er wordt hiervoor meestal een grondslag gezocht in het leerstuk van de derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk.

Is dit wel verzoenbaar met het systeem van de Eerste Richtlijn? Continue reading “‘Niet kennis van de onbevoegdheid, maar kennis van misbruik van bevoegdheid’”

Welke middelen heiligt het statutaire doel nog?

Pleidooi voor een verminderde tegenwerpelijkheid van het statutair doel

Een vorige post bracht in herinnering hoe de Eerste Richtlijn lidstaten de optie – maar niet de verplichting – geeft om voor handelingen die de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden – maar niet voor andere statutaire beperkingen – te bepalen dat de vennootschap niet verbonden is “indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan, gezien de omstandigheden, niet onkundig kon zijn. Openbaarmaking van de statuten alleen is hiertoe echter geen voldoende bewijs.

De Belgische wetgever heeft van deze optie gebruik gemaakt: zie de artikels 258 (BVBA), 407 (CVBA), 526 (NV), 859 (ESV), 897 en 903 (SE), 966 en 972 (SCE) W.Venn.

Het verdient volgens mij de voorkeur dat België niet langer van deze door de Europese wetgever toegelaten uitzondering gebruik maakt. Continue reading “Welke middelen heiligt het statutaire doel nog?”

Bijna 50, en nog alle tanden (over de Eerste Richtlijn)

Europese kapitaalvennootschappenrichtlijn (codificatie) gepubliceerd

In het Publicatieblad van de Europese Unie verscheen onlangs de codificatie van de Europse richtlijnen rond kapitaalvennootschappen: Richtlijn 2017/1132 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht. Dit is een mooie gelegenheid om te reflecteren over de betekenis daarvan, met name n.a.v. de voorgenomen modernisering van het Belgische vennootschapsrecht. Continue reading “Bijna 50, en nog alle tanden (over de Eerste Richtlijn)”

Grondwettelijk Hof spreekt zich uit over Arco (en bevestigt Hof van Justitie): garantie strijdig met art. 10 en 11 Gw.

In eerdere berichten werd reeds uitvoerig ingegaan over de strijdigheid van de Belgische Arco-garantie met het Unierecht.

Eergisteren was het aan het Grondwettelijk Hof om na een lange weg (zie eerder RvS 25 maart 2013, nr. 22.969 en GwH 5 februari 2015, nr. 15/2015) een einduitspraak te vellen over de prejudiciële vraag gesteld door de Raad van State: Continue reading “Grondwettelijk Hof spreekt zich uit over Arco (en bevestigt Hof van Justitie): garantie strijdig met art. 10 en 11 Gw.”

EU company law: public consultation on rules on digital solutions and efficient cross-border operations

The European Commission recently opened a public consultation to collect input from stakeholders on problems in company law, gather evidence of such problems and ask their views on possible solutions on how to address the problems at EU level. The consultation focuses on the use of online tools throughout the companies’ lifecycle, the cross-border mobility of companies (again) and (the need for) conflict-of-law rules for companies (a recent study on the law applicable to companies, can be consulted here). Continue reading “EU company law: public consultation on rules on digital solutions and efficient cross-border operations”

Hit me baby one more time: does ‘ne bis in idem’ apply when company and representative are sanctioned for same offence?

ECJ judgement of April 5th 2017

Two Italian companies did not pay their VAT debt which amounted to over a million euro. In addition to a tax penalty for the companies, their legal representatives were prosecuted in their personal capacity on the ground that they failed to fulfill their responsibility to pay the VAT. The representatives protested, arguing that this would breach the ne bis in idem-principle, guaranteed by article 50 of the Charter of Fundamental Rights of the EU.

Continue reading “Hit me baby one more time: does ‘ne bis in idem’ apply when company and representative are sanctioned for same offence?”