Sustainable finance en de retailbelegger (1/3)

Misschien heeft u recent een bericht ontvangen van uw financiële instelling, of zal u er in de toekomst één ontvangen, over de mogelijkheid om uw “duurzaamheidsvoorkeuren” aan te geven. Sinds 2 augustus 2022 vereist de beruchte MiFID-regelgeving[1] namelijk dat wanneer uw financiële instelling u beleggingsadvies geeft, of uw beleggingsportefeuille beheert, ze rekening moet houden met uw visie op mens en maatschappij.

In de praktijk zal het niet zo snel gaan, het gaat immers om nieuwe en bijzonder complexe wetgeving die op een relatief korte termijn diende geïmplementeerd te worden. Op vandaag is er waarschijnlijk bij de grote meerderheid van de spelers op de markt nog geen volledige integratie van de duurzaamheidvoorkeuren van de cliënt in het beleggingsadvies- en vermogensbeheerproces, minstens niet op de wijze die MiFID voorschrijft. De verwachting is dat dit het komende jaar sterk zal evolueren en dat uw financiële instelling u meer en meer zal bevragen naar uw duurzaamheidsvoorkeuren.

De inwerkingtreding van de nieuwe MiFID regels leek mij evenwel een goed moment om even stil te staan bij deze en een aantal andere recente regelgevende initiatieven in de financiële sector inzake duurzaamheid die de “gewone” of “retail”-belegger rechtstreeks of onrechtstreeks impacteren.

Duurzaamheid, het streven naar een toekomstbestendige en harmonieuze samenleving, is de laatste jaren een centraal thema geworden in onze maatschappij. De uitdagingen waar de mensheid voor staat op onder meer klimatologisch en sociaal vlak zijn dan ook niet min.

Ook een groot deel van de financiële sector zet zich al geruime tijd sterk in voor duurzame ontwikkeling. Eén element daarvan is “duurzame financiering” (“sustainable finance”).

De idee achter sustainable finance is dat kapitaalstromen idealiter vloeien naar projecten die bijdragen aan een meer duurzame maatschappij. Het financieren van een windmolenpark is een typisch voorbeeld van een “sustainable investment”.[2]

De economie achter sustainable finance is dat hoe meer schaarse financieringsmiddelen stromen naar een duurzaam project, hoe goedkoper dit project kan gefinancierd worden (bv. lagere interest op een obligatie) en hoe sneller het dus rendabel zal zijn voor degene die het onderneemt. De beoogde uitkomst is dat er meer duurzame projecten zullen kunnen worden ondernomen en dat de maatschappij daardoor ook duurzamer zal worden.

Veel beleggers halen nut uit bijdragen aan een duurzamere maatschappij. Ze investeren dan ook met plezier in duurzame financiële producten (green bonds, ESG-fondsen, groene Tak 23-producten, etc.), zelfs als hun dat financieel rendement zou kunnen kosten[3] – wat niet per se zo hoeft te zijn (zie evenwel deel 3 van deze reeks)[4].

Ook de financiële sector speelt daar – om financiële en morele redenen – op in. De duurzame financiële producten (soms ook “groene” producten genoemd) schieten al een aantal jaren als paddenstoelen uit de grond.

Een groot probleem bij sustainable finance is greenwashing. Hieronder wordt begrepen  het duurzamer voorstellen van een financieel product dan het in werkelijkheid is. Dit geeft de uitgever van een dergelijk product een concurrentieel voordeel.

Zonder moeite te doen (en dus kosten te maken) om duurzame elementen te integreren kan de uitgever of adviseur van het financieel product beleggers aantrekken die waarde hechten aan duurzaamheid. Het directe gevolg daarvan is dat er minder kapitaal stroomt naar werkelijk duurzame projecten dan geanticipeerd door de investeerders, waardoor er minder wordt bijgedragen aan een duurzamere maatschappij dan beoogd.

Het grotere probleem is dat investeerders die vrezen bedrogen te worden misschien niet langer in (duurdere?) duurzame producten zullen willen investeren aangezien ze geen (of slechts tegen een grote kostprijs) onderscheid kunnen maken tussen werkelijk duurzame en niet-duurzame producten.[5]

Ook de retailbeleggers spelen in dit verhaal een rol. In Europa vertegenwoordigen alle “kleinere” beleggers samen een gigantisch kapitaal waardoor hun collectieve maatschappelijke impact wanneer ze investeren in duurzame beleggingen niet kan onderschat worden.

Om retailbeleggers ertoe aan te zetten te investeren in duurzame projecten, en hen tegen greenwashing te beschermen, heeft de Europese Commissie een aantal initiatieven genomen. Ze doet dit voornamelijk via de invoering van de Sustainable Finance Disclosure Verordening (SFDR)[6] en de Taxonomie-verordening[7] gecombineerd met, zoals hoger reeds aangegeven, een aantal amendementen aan de MiFID-regelgeving. De vraag die in deze reeks wordt gesteld is in welke mate deze wettelijke initiatieven hun doel treffen.

Hieronder wordt ingegaan op problematiek van de “labeling” door de SFDR en het gevaar voor greenwashing dat daardoor ontstaat. In deel 2 van deze reeks wordt stilgestaan bij de effectiviteit van de MiFID-amendementen die duurzaamheid in het beleggingsadvies-proces integreren. In deel 3 wordt dieper ingegaan op de meer fundamentele vraag wat de gevolgen zijn van het promoten via wetgevende initiatieven van duurzame producten bij retailbeleggers.

SFDR en labeling

De SFDR verplicht financiële spelers duidelijkheid te verschaffen over hoe ze duurzaamheid integreren in hun bedrijfsprocessen, producten en diensten. Dit gebeurt via verplichte en gestandaardiseerde disclosures (o.a. via informatie op de website, precontractuele informatie, etc.). De SFDR is nu al in werking getreden, maar zal vanaf 1 januari 2023 het sterkst voelbaar worden wanneer de gedetailleerde “Level 2” wetgeving van toepassing wordt.[8]

Waarschijnlijk de meest impactvolle verplichting uit de SFDR is de disclosure van duurzaamheidskenmerken op productniveau (bv. in het prospectus van een fonds). Op productniveau maakt de SFDR een onderscheid tussen drie “categorieën”.

  • De artikel 6 producten die niet pretenderen duurzaamheidsfactoren te integreren;
  • De artikel 8 producten die ecologische of sociale kenmerken promoten (soms “lichtgroen” genoemd); en
  • De artikel 9 producten die duurzame beleggingen tot doel hebben (soms “donkergroen” genoemd).

Elk van deze categorieën is onderworpen aan een ander niveau van informatieverschaffing inzake duurzaamheid.

De kern van het  probleem hier is dat een product zeer snel kwalificeert als “lichtgroen” (artikel 8), terwijl de lat hoog ligt om te kwalificeren als donkergroen (artikel 9). In praktijk kan er dan ook een wereld van verschil bestaan tussen de duurzaamheid van twee artikel 8 producten. Zo kan het ene artikel 8 product, bij wijze van karikatuur, enkel investeringen in clustermunitie uitsluiten, terwijl het andere artikel 8 product voor 90% moet investeren in het bouwen van windmolenparken en het produceren van elektrische wagens.

Gedreven door de markt voegen sommige financiële spelers in praktijk “iets” duurzaam toe aan voor het overige weinig duurzame producten en classificeren deze dan als “groene” artikel 8 producten.

De Europese wetgever dacht misschien dat dit geen probleem was, via de disclosures kan iedereen ontdekken hoe duurzaam het artikel 8 product werkelijk is. Immers, er is een uitgebreide verplichte template ontwikkeld waar zeer granulair moet uitgelegd worden hoe duurzaamheid in het product wordt geïntegreerd.

Deze template is op zich, zonder specifieke productinformatie, al 5 pagina’s lang en staat vol met complex jargon. De kans dat de gemiddelde retailbelegger (i) dit gaat lezen, en (ii) genoeg begrip heeft om vergelijkingen uit te voeren, is nihil.[9]

Wat is er gebeurd? Artikel 6, 8 en 9 zijn in belangrijke mate de facto labels geworden om duurzaamheid te signaleren. De (licht geïnteresseerde) retailbelegger ziet ergens artikel 8 staan, en denkt dat het steeds om een (erg) duurzaam product gaat. Aangezien de lat voor artikel 8 producten laag ligt, is het zeer goed mogelijk dat de belegger iets koopt dat veel minder groen is dan hij denkt te verwerven.

Dit probleem is zelfs in die mate aanwezig dat de markt zichzelf begint te reguleren om greenwashing tegen te gaan. Zo heeft de verstrekker van financiële data Morningstar heel wat artikel 8 fondsen verwijderd uit haar overzicht van duurzame fondsen omdat de duurzaamheidsgraad van sommige van deze fondsen gewoon niet hoog genoeg lag, ondanks het feit dat ze voldeden aan de wettelijke definitie van artikel 8.[10]

Om deze ongelukkige toestand op te lossen gaan er dan ook stemmen op om op Europees niveau te aanvaarden dat artikel 6, 8 en 9 labels zijn geworden en zeker artikel 8 producten te onderwerpen aan strengere minimumvoorwaarden. Dat neemt niet weg dat op vandaag de Europese wetgeving de facto waarschijnlijk het risico op greenwashing  groter heeft gemaakt dan voorafgaand aan de invoering van de SFDR, en dus het omgekeerde van haar doelstelling heeft bereikt. Dit is een pijnlijke vaststelling gelet op de immense kosten die met dit alles gepaard gaan.

Simon Landuyt


[1] Gedelegeerde verordening (EU) 2021/1253 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren, -risico’s en -voorkeuren in bepaalde organisatorische vereisten en voorwaarden voor de bedrijfsvoering voor beleggingsondernemingen. Gelijkaardige bepalingen bestaan onder de “IDD” voor beleggingsverzekeringen. Zie Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1257 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2017/2358 en Verordening (EU) 2017/2359 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren, -risico’s en -voorkeuren in de vereisten inzake producttoezicht en -governance voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs en in de regels inzake bedrijfsvoering en beleggingsadvies voor verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten.

[2] Uiteraard is het ook mogelijk dat een windmolenpark op zodanige wijze wordt aangelegd of beheerd dat het project niet langer gemeenzaam als duurzaam kan worden beschouwd. Of omgekeerd, in een “vervuilende” sector kan een onderneming op zodanige wijze maatregelen nemen om haar ecologische voetafdruk te beperken dat de onderneming als duurzaam kan worden beschouwd.

[3] Zie bv. L. Pástor, R. Stambaugh, en L. Taylor, “Sustainable investing in equilibrium”, Journal of Financial Economics 142, 2021, 550–571, https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0304405X20303512; B. Barber, A. Morse en A. Yasuda, “Impact investing”, Journal of Financial Economics 139, 2021, 162–185. Zie ook zeer instructief: H. Liang en L. Renneboog, “Corporate Social Responsibility and Sustainable Finance: A review of the Literature”, ECGI Working Paper 701/2020, 43 p., https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=3698631.

[4] Volgens het laatste rapport van ESMA over prestaties van de Europese retail-fondsen scoorden de duurzame fondsen op financieel vlak beter dan niet-duurzame fondsen. Zie https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/esma_50-165-1677_asr_performance_and_costs_of_eu_retail_investment_products.pdf, p. 22 e.v.

[5] Dit is het bekende “Lemons-probleem”. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/The_Market_for_Lemons.

[6] Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector.

[7] Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088.

[8] Gedelegeerde verordening 2022/1288 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de inhoud en presentatie van de informatie met betrekking tot het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, en tot nadere bepaling van de inhoud, methoden en presentatie van informatie met betrekking tot duurzaamheidsindicatoren en ongunstige effecten op de duurzaamheid en van de inhoud en presentatie van de informatie met betrekking tot het promoten van ecologische of sociale kenmerken en doelstellingen voor duurzaamheidsbeleggingen in precontractuele documenten, op websites en in periodieke verslagen.

[9] Prospectussen worden over het algemeen ook niet gelezen noch begrepen door retailbeleggers. Maar daar wordt de retailbelegger beschermd door de professionele beleggers die de prospectus wel lezen en finaal ervoor zorgen dat deze informatie geïncorporeerd is in de prijs die ook door de retailbelegger wordt betaald. Zie T. Van Dyck, De geharmoniseerde prospectusplicht, Die Keure, 2009, p. 122. Deze bescherming is er niet voor duurzame producten omdat er geen mechanisme bestaat om duurzaamheid te meten zoals er wel een beurskoers bestaat om de financiële waarde van een beleggingsproduct te bepalen.

[10] https://www.responsible-investor.com/sfdr-reclassifications-raise-legitimate-greenwashing-concerns-warns-morningstar/.

One thought on “Sustainable finance en de retailbelegger (1/3)”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: