Experiments

Frankrijk: nieuw zekerhedenrecht en omzetting van de Herstructureringsrichtlijn

Frankrijk heeft de voorbije week belangrijke stappen gezet in het zekerhedenrecht en in het insolventierecht. Het is evident dat beide hand in hand gaan.

Ordonnance n° 2021-1192 du 15 septembre 2021 portant réforme du droit des sûretés wijzigt het zekerhedenrecht. De nieuwe regels beogen bij te dragen tot de rechtszekerheid, de effectiviteit van het zekerhedenrecht versterken en het Franse zekerhedenrecht internationaal aantrekkelijk maken. Voor de registratie van zekerheden zal gewerkt worden met een elektronisch register, iets waar België ondertussen goede ervaringen mee heeft.

Ordonnance n° 2021-1193 du 15 septembre 2021 portant modification du livre VI du code de commerce zet de Herstructureringsrichtlijn om in Frans recht. De nieuwe regels treden reeds in werking op 1 oktober 2021. Frankrijk kan de herfst dus induiken met nieuwe regels om ondernemingen in moeilijkheden te ondersteunen.

Een synthese van de belangrijkste wijzigingen kan hier gelezen worden.

De positie van kleine, concurrente schuldeisers in faillissement

In een eerdere blogpost werd reeds gewezen op het trieste lot van de chirografaire schuldeiser. Nadat de boedelschuldeisers en de zekergestelde schuldeisers gepasseerd zijn, is het vet van de soep. Wat overblijft, is een klein doekje voor het bloeden. Deze vaststelling treft voornamelijk kleine schuldeisers, veelal uit het KMO-segment, die zich onderaan de pikorde van de schuldeisers bevinden.

Een recent Nederlands onderzoek heeft de positie van (mkb-)schuldeisers (het equivalent van KMO-schuldeisers) in faillissement in kaart proberen brengen, evenals maatregelen om de positie van deze schuldeisers te verbeteren. Daartoe werd gekeken naar bijzondere regelingen in andere landen (niet in België, wat een goede beslissing was van de onderzoekers, aangezien dergelijke bijzondere regelingen niet bestaan in België).

Zoals de onderzoekers zelf aangeven, was het empirische luik van het onderzoek zeer beperkt, en om die reden onvoldoende representatief. De rechtsvergelijkende beschrijving geeft wel een goed overzicht van de mogelijke maatregelen (en de beperkingen ervan) ter verbetering van de positie van concurrente schuldeisers.

De onderzoekers hebben (terecht) veel aandacht voor de herverdelende gevolgen van eventuele wijzigingen. Het is immers zeer simpel in faillissementszaken: wat de ene schuldeisers krijgt, verliest de andere schuldeiser.

Het onderzoek leest vlot en is een nuttige aanzet tot reflectie over het Belgische faillissementsrecht (en ook het reorganisatierecht, in het kader van de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn).

Tot slot volgende boodschap, ook voor de Belgische wetgever:

In breder verband kan gesteld worden dat de wetgever bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1992 een rangorde heeft gecreëerd op grond van een afweging van de belangen van de verschillende betrokkenen bij een faillissement. Die rangorde is niet in beton gegoten. Maatschappelijke ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn voor de wetgever om die rangorde te
heroverwegen.

Duurzame waardecreatie: de Commissie Corporate Governance licht toe

De Belgische Corporate Governance Code 2020 stelt het concept duurzame waardecreatie centraal. Dit concept behelst een expliciete nadruk op de lange termijn, op verantwoord gedrag van alle geledingen van de vennootschap en een permanente aandacht voor de legitieme belangen van de stakeholders.

Nadere toelichting bij dit concept kan gevonden worden in de recent gepubliceerde toelichtende nota inzake het begrip duurzame waardecreatie. Deze nota is opgebouwd rond zes elementen:

  1. Prioriteit geven aan de lange termijn
  2. De maatschappelijke doelen passend omschrijven
  3. Duurzaamheid integreren in de strategie van de onderneming
  4. Duurzaamheid integreren in de activiteiten van de onderneming
  5. Gestructureerd en gecontroleerd rapporteren over ESG-aangelegenheden
  6. Gestructureerd engagement van de Raad

Thomas Leysen, voorzitter van de Commissie Corporate Governance, onderstreept het belang van duurzame waardecreatie als volgt:

De uitdagingen van duurzame ontwikkeling gaan ons allemaal aan. Geen enkele onderneming kan zich eraan onttrekken. De beursgenoteerde ondernemingen moeten een voorbeeldrol spelen. Ik moedig alle ondernemingen die zich nog niet hebben vastgebeten in duurzaamheid aan om dat voortaan te doen. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat de kwaliteit van de strategische denkoefening rond duurzaamheid een beslissende factor zal zijn van hun succes op de lange termijn.

De coöperatieve vennootschappen onder het WVV: wie zijn ze, wat doen ze, wat drijft hen?°

Een post door gastblogger Maxime Verheyden (doctoraatsbursaal KU Leuven)

“De coöperatieve vennootschap (“CV”) is onder het WVV voorbehouden aan de ‘eigenlijke coöperatieve vennootschappen’” en “de BV is aangepast om de ondernemingen te ontvangen die voorheen om flexibiliteitsredenen voor de CVBA kozen, zoals vrije beroepers”.

Het zijn centrale krachtlijnen van de hervorming van het CV-recht door het WVV, die meermaals worden aangehaald in de memorie van toelichting en klassiek werden overgenomen in de meeste eerste rechtsleer. Recentere bijdragen toonden echter aan dat de CV en de BV nog meer verschillen dan bovenstaande tweede stelling doet vermoeden,[1] zodat de vraag naar de grenzen en afdwingbaarheid van het voorbehoud van de CV voor eigenlijke coöperatieven aan belang wint. De ruime libellering van de wettelijke definitie laat echter veel ruimte voor interpretatie, al is volgens een deel van de rechtsleer en de minister van justitie bij de rechtsvormkeuze[2] (minstens voorzichtigheidshalve) rekening te houden met de meermaals in de memorie van toelichting aangehaalde coöperatieve beginselen van de International Co-operatieve Alliance (“ICA-beginselen”). Maar wat betekenen die zeven logischerwijze eerder algemeen geformuleerde beginselen nu concreet voor de organisatie van een vennootschap naar Belgisch recht? En welke adelbrieven biedt de CV dan überhaupt nog in vergelijking met de veiligere keuze, de BV? En, ten slotte, welke rechtsvormkeuze maken de voormalige CVBA’s en, meer algemeen, wat voor vennootschappen kiest onder het WVV nog voor de coöperatieve rechtsvorm? Deze drie vragen, waarop het antwoord kan bijdragen tot een weloverwogen afweging van risico’s, nadelen en voordelen van de keuze voor de CV, staan centraal in mijn bijdrage in het laatste nummer van het Notarieel en Fiscaal maandblad.[3] In deze blogpost sta ik stil bij een aantal bevindingen van dat onderzoek.

Continue reading “De coöperatieve vennootschappen onder het WVV: wie zijn ze, wat doen ze, wat drijft hen?°”

De digitalisering van het vennootschapsrecht: online oprichting en statutaire “mandatendatabank”

Een post door gastblogger Alexander Snyers (UAntwerpen)

Op 15 juli 2021 werd de Wet van 12 juli 2021 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt en houdende diverse bepalingen ingevolge de omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (hierna de “Wet Digitalisering Vennootschapsrecht”) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De Wet Digitalisering Vennootschapsrecht zorgt voor een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht, die in 2019 door de Europese wetgever werd aangenomen, en tegen 1 augustus 2021 moest worden omgezet in nationale wetgeving. Zij loodst het Belgische vennootschapsrecht verder het digitale tijdperk in.

Pro memorie: de Wet Digitalisering Vennootschapsrecht zorgt voor een gedeeltelijke, en niet voor een volledige, omzetting van Richtlijn 2019/1151, omdat het WVV en haar uitvoeringsbesluit reeds in een aantal in Richtlijn 2019/1151 voorziene mogelijkheden voorziet.

In essentie brengt de Wet Digitalisering Vennootschapsrecht de volgende wijzigingen met zich mee:

Continue reading “De digitalisering van het vennootschapsrecht: online oprichting en statutaire “mandatendatabank””

De Europese Commissie bevestigt: Ook de Belgische Staat moet tijdig curatoren betalen

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

In het kader van een eerder blogbericht over de onwettigheid van de taxatiebevoegdheid van het zogenaamde “taxatiebureau”, had ik in een voetnoot reeds een zijsprongetje gemaakt naar de discussie of gerechtelijke mandaten nu al dan niet worden gevat door de richtlijn 2011/7/EU betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.[1]

Niet veel later is deze discussie toevallig op de tafel van de Europese Commissie terecht gekomen.

Concreet: wanneer de Belgische Staat (rechterlijke macht) een curator aanstelt over een failliete onderneming en de kosten van de curator worden wegens gebrek aan actief vervolgens in een justitiële uitspraak ten laste van de Belgische staat gelegd (“pro-deo faillissement”), welke betalingstermijn heeft de Belgische Staat dan om deze prestaties te betalen ?

Onder de voormelde Richtlijn kan de betalingstermijn in hoofde van een overheid in beginsel maar 30 dagen zijn, met een maximum van 60 dagen.

Continue reading “De Europese Commissie bevestigt: Ook de Belgische Staat moet tijdig curatoren betalen”

Aansprakelijkheid van bestuurders in het WVV

S. De Dier en J. Vananroye, Working Paper No. 2021/1, Jan Ronse Instituut

De paper die Stijn De Dier en Joeri Vananroye schreven over de aansprakelijkheid van bestuurders in het WVV voor de studienamiddag Lessen na twee jaar WVV (28 mei 2021) van het Leuvense Jan Ronse Instituut is hier te consulteren.

Deze bijdrage zal ook verschijnen in het verslagboek dat zal worden uitgegeven bij Roularta in de Reeks Vennootschaps- en Financieel Recht.

Over statuten en vakantie.

Statuten zijn voor een vennootschap wat de Grondwet is voor een Natie. Toch maken statuten maar zelden het voorwerp uit van doorgedreven wetenschappelijk onderzoek. Niet zo bij onze oosterburen. Daar verscheen recent een uitermate interessant werk dat de (27 om precies te zijn) statuten van enkele van de belangrijkste ondernemingen ontsluit. Van De’ Medici en de Vereenigde Oostindische Compagnie tot Fifa en Google/Alphabet. Alle statuten worden hierbij vergezeld door een begeleidend essay dat de ontwikkeling ervan beschrijft. 1379 pagina’s over statuten, in het Duits. De vakantie kan beginnen.

Hoe de kwijting aan de kant schuiven of verhinderen bij een gewone ‘actio mandati’?

Een vorige post belichtte de grenzen aan het comfort van een kwijting, in het bijzonder als bij faillissement de curator vordert.

Als de curator de gewone contractuele aansprakelijkheidsvordering van de vennootschap zelf (actio mandati) instelt, is de rechtsgeldig vóór het faillissement verleende kwijting haar in beginsel we tegenwerpelijk. De curator oefent immers de interne aansprakelijkheidsvordering uit, met alle excepties die daaraan kleven, op grond van het collectief faillissementsbeslag ten behoeve van de gemeenschappelijke schuldeisers.

Zelfs bij de gewone actio mandati biedt de kwijting echter geen perfect comfort.

Continue reading “Hoe de kwijting aan de kant schuiven of verhinderen bij een gewone ‘actio mandati’?”

De relativiteit van de kwijting van bestuurders

Na de goedkeuring van de jaarrekening beslist de AV bij afzonderlijke stemming over de kwijting van bestuurders en leden van de raad van toezicht (art. 5:98, 6:83 en 7:149 WVV; voor de VZW: art. 9:20 WVV). Door een geldige kwijting doet de vennootschap afstand van de actio mandati.

Belgische bestuurders – en het belang van de kwijting lijkt toch echt wel typisch iets van het Belgisch vennootschapsrecht- overschatten wellicht het comfort dat een kwijting biedt. Het gisteren besproken cassatie-arrest van 18 juni 2021 herinnert er aan dat de kwijting de curator niet bindt indien zij namens de gezamenlijke schuldeisers vordert. Dit is ondermeer het geval indien de curator vordert op grond van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid voor kennelijke grove fout of voor wrongful trading.

Er zijn nog andere belangrijke grenzen aan het comfort dat een kwijting biedt:

Continue reading “De relativiteit van de kwijting van bestuurders”

Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?

Cass. 18 juni 2021 (C.19.0255.N)

Op 18 juni 2021 velde het Hof van Cassatie een arrest over de tegenwerpelijkheid van een kwijting van bestuurders. Het Hof stelt daarbij dat “de kwijting niet aan de curator kan worden tegengeworpen wanneer hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 528 Wetboek van Vennootschappen instelt”.

Dit artikel betrof de schendingen van het wetboek of van de statuten. Het equivalent van art. 528 W.Venn. is art. 2:56 al. 3 WVV. Voor doeleinden van de behandelde vraag zijn er geen wijziging aan deze bepaling, zodat het besproken arrest ook onder het WVV relevant is.

Continue reading “Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?”

Wiskunde voor gevorderden: aandachtspunten voor schade bij post-acquisitiegeschillen

De variaties op feiten die in de praktijk aanleiding geven tot post-acquisitiegeschillen zijn eindeloos. Zo kan worden gedacht aan niet-concurrentieverplichtingen, het opduiken van latente schulden, een verkeerde voorstelling van het vennootschapsvermogen in de referentiebala.ns, etc. Hoewel ze feitelijk verschillen, zijn al deze variaties gebaseerd op eenzelfde basisprincipe.

Een begin van analyse start namelijk vanuit het principe dat het voorwerp van de SPA de aandelen van de doelvennootschap zijn en dus niet de concrete vermogensbestanddelen van de vennootschap: het juridische en economische voorwerp van de overeenkomst is niet hetzelfde. De remedies uit het gemeen kooprecht (zoals vrijwaring voor uitwinning of de bescherming tegen verborgen gebreken) zijn dan ook onvoldoende aangezien deze enkel betrekking hebben op de aandelen zelf en niet de onderliggende vermogensbestanddelen van de vennootschap.

Nochtans zullen eventuele geschillen ná de overname tussen de koper en verkoper in het overgrote merendeel van de gevallen concrete vermogensbestanddelen van de doelvennootschap als voorwerp hebben. Zo zal de koper van de aandelen van de doelvennootschap die bijvoorbeeld plots geconfronteerd wordt met een verkoper die concurrerende activiteiten uitoefent, zich niet kunnen beroepen op de vrijwaring voor uitwinning aangezien de handelszaak een concreet vermogensbestanddeel van de vennootschap is. Uiteraard kent de contractuele praktijk verklaringen en waarborgen om aan deze problematiek tegemoet te komen. In vrijwel elke SPA zullen de partijen (en voornamelijk de koper) via deze clausules de brug proberen te slaan tussen het vennootschapsvermogen en de aandelen. De koper krijgt onder de overeenkomst op die manier een kapstok toegereikt om een schadevergoeding te vorderen wanneer er na de overname een lijk uit de kast valt.

Wat echter regelmatig uit het oog verloren wordt in dit type van overeenkomsten, is dat ook voor die schadevergoeding de nodige contractuele bepalingen dienen te worden opgenomen om remedies op basis van de verklaringen en waarborgen in een later geschil tanden te geven. Ook op het niveau van de schade heeft het verschil tussen het economische en juridische voorwerp van de overnameovereenkomst namelijk gevolgen. Bij gebrek aan aan contractuele bepalingen zien we in grote lijnen een drietal problemen:

Continue reading “Wiskunde voor gevorderden: aandachtspunten voor schade bij post-acquisitiegeschillen”

Ook de enige aandeelhouder heeft altijd gezelschap

Cass. 9 juni 2021 over misbruik van vennootschapsgoederen

In een arrest van 9 juni 2021 verbreekt het Hof van Cassatie een arrest van het Hof van Beroep van Luik dat een arts vrijsprak voor het leeghalen via een rekening-courant van zijn professionele vennootschap, terwijl die vennootschap grote fiscale schulden opstapelde. De reden voor de vrijspraak was twijfel over het kwaadwillig opzet. Immers, aldus de beroepsrechter, als de eenpersoonsvennootschap wordt benadeeld, benadeelt de aandeelhouder ook zichtzelf. Belangrijk element daarbij was ook dat de arts, toen de fiscus deze vennootschapsschuld invorderde, zelf betaalde.

Het Hof van Cassatie volgt deze redenering niet:

“L’article 492bis du Code pénal, dont le moyen accuse la violation, sanctionne notamment le dirigeant d’une personne morale qui, frauduleusement, utilise les biens sociaux non dans l’intérêt de cette personne morale mais dans son propre intérêt.

L’intention frauduleuse caractérisant ce délit consiste à agir à des fins contraires à l’intérêt social, en étant conscient que l’usage fait des actifs de la personne morale infligera à celle-ci un préjudice significatif.

L’arrêt constate que le défendeur a manifestement géré la société de manière déplorable, et qu’il lui a causé un dommage, puisqu’en asséchant sa trésorerie, il a exposé la société à se voir taxée sur des revenus qu’elle n’avait pas, invitée à payer des intérêts et des majorations, frappée par des saisies-arrêts et des contraintes exécutées d’office.

De la circonstance qu’après coup, le gérant, producteur et bénéficiaire des rémunérations mises en société, s’est vu chargé de la dette d’impôt y afférente, il ne se déduit pas qu’une atteinte préjudiciable n’ait pas été portée au patrimoine distinct de la personne morale, ni que le défendeur ait pu en ignorer la réalité.

Les juges d’appel n’ont, dès lors, pas légalement justifié leur décision.”

Dit technisch arrest over het misdrijf van vennootschapsgoederen leert iets over een actueel, misschien filosofisch aandoende, vraag: moet de vennootschap enkel worden bestuurd in het belang van de aandeelhouders of ook in het belang van derden?

Continue reading “Ook de enige aandeelhouder heeft altijd gezelschap”

Groepsfinanciering: bezint eer ge begint

Een post door gastblogger Louis De Meulemeester (UGent)

In het kader van het FNG-debacle raakte onlangs bekend dat een aantal obligatiehouders van de (gedeeltelijk) teloorgegane groep de oprichters en de moedervennootschap hebben gedagvaard, omdat zij meenden te zijn misleid omtrent de identiteit van de vennootschap waaraan zij krediet hadden verstrekt. In de Standaard van 25 mei stond te lezen dat “[de obligatiehouders] zeggen dat ze op verschillende manieren misleid werden, in de eerste plaats al bij de uitgifte. De naam FNG Groep liet vermoeden dat ze in de topholding investeerden en als onderliggende zekerheid alle bezittingen van FNG hadden. De realiteit was wel even anders. FNG Groep zat helemaal onderaan in de structuur. Het was een achterkleindochter van het beursgenoteerde FNG en omvatte dus maar een stukje van het FNG-imperium.” FNG bezat tal van mode- en schoenenmerken, zoals het inmiddels gefailleerde Brantano.

Zonder in detail op deze zaak in te gaan, is het interessant om naar aanleiding hiervan enkele bijzondere aspecten te duiden die optreden wanneer schuldeisers krediet verlenen aan een vennootschap die deel uitmaakt van een vennootschapsgroep. Aan kredietverlening aan een vennootschapsgroep zijn immers bijzondere valkuilen verbonden in vergelijking met de financiering van een individuele vennootschap.

Continue reading “Groepsfinanciering: bezint eer ge begint”

Stilzwijgende afstand van recht

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 12 : Stilzwijgende afstand van recht)

1.         Afstand van recht Artikel 1.12. Het voorgestelde artikel 1.12 neemt letterlijk de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake afstand van recht over: “Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn”. De toelichting bij dit artikel is wellicht daarom bijzonder bondig.

Over afstand van recht is meer te zeggen dan dat hij niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn of, zoals uit de toelichting blijkt, dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd en een eenzijdige rechtshandeling is die niet door een wederpartij moet worden aanvaard, tenzij de wet anders bepaalt. [1]

Dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd, valt overigens niet in artikel 1.12 te lezen.

Continue reading “Stilzwijgende afstand van recht”