Experiments

Uitkeringen in moedervennootschappen: een apart verhaal

Een post door gastblogger Dr. Louis De Meulemeester (UGent)

“De mate waarin de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van elkaar afwijken, en de invloed daarvan op de vermogensbescherming, is tot op heden een blinde vlek gebleven in de juridische literatuur”

Dr. Louis De Meulemeester

In vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid houden uitkeringen aan de aandeelhouders (bijvoorbeeld de betaling van dividenden) steeds bijzondere risico’s in voor de vennootschapsschuldeisers. Door het verrichten van uitkeringen zal immers het vennootschapsvermogen, en dus ook het onderpand voor schuldeisers, afnemen.

Om een evenwicht te bereiken tussen de belangen van de aandeelhouders en de vennootschapsschuldeisers, voorziet het vennootschapsrecht van oudsher in regels om uitkeringen te omkaderen. Voor vennootschappen van het NV-type bepaalt de nettoactieftest (art. 7:212 WVV) het maximale toegelaten uitkeerbare bedrag. Deze test komt samengevat neer op een boekhoudkundige rekensom waarbij het eventuele positieve verschil tussen het nettoactief en het niet-uitkeerbare vermogen van de vennootschap mag worden uitgekeerd aan de aandeelhouders.

In de BV is deze test in principe eenvoudiger, omdat volgens de balanstest enkel een positief boekhoudkundig vermogen moet overblijven na het verrichten van uitkeringen (art. 5:142 WVV). Bijkomend moet het bestuursorgaan volgens de liquiditeitstest echter een beoordeling maken over de invloed van een geplande uitkering op de liquiditeitspositie van de vennootschap (art. 5:143 WVV).

Probleemstelling in moedervennootschappen

De effectiviteit van de nettoactieftest als beschermingsmechanisme voor schuldeisers wordt in de Europese literatuur steeds meer bekritiseerd, in het bijzonder wegens de strikte band met de jaarrekening. Dit vormde dan ook een van de centrale drijfveren voor de Belgische wetgever bij de invoering van het WVV, waarbij de vermogensbescherming in de BV grondig werd aangepast.

Zoals verder uitvoerig zal blijken, krijgt de uitkeringsproblematiek (en de nettoactieftest in het bijzonder) een bijzondere dimensie in moedervennootschappen. De centrale nettoactieftest (resp. balanstest) wordt immers berekend op basis van de enkelvoudige jaarrekening van de moedervennootschap. Moedervennootschappen zijn in principe echter verplicht om ook een geconsolideerde jaarrekening op te stellen. In de geconsolideerde jaarrekening wordt abstractie gemaakt van de juridische onderverdeling van de vennootschapsgroep waarvan de moedervennootschap aan het hoofd staat. In de geconsolideerde jaarrekening worden immers het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de gehele groep opgenomen alsof het om één enkele vennootschap gaat (art. 3:123 KB WVV).

In het algemeen wordt aangenomen dat de enkelvoudige jaarrekening van moedervennootschappen niet het meest volledige beeld verschaft omtrent de werkelijke bedrijfseconomische toestand van de moedervennootschap (en de groep als zodanig), maar dat doorgaans enkel de geconsolideerde cijfers daarover uitsluitsel kunnen geven.[1] Vanuit een ruimer perspectief is het daarom opmerkelijk dat aan deze groepsdimensie voorbij wordt gegaan, zeker gezien het feitelijke en economische belang van de geconsolideerde jaarrekening voor de buitenwereld (en voor de moedervennootschap en -bestuur).

De mate waarin de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van elkaar afwijken, en de invloed daarvan op de vermogensbescherming, is tot op heden echter een blinde vlek gebleven in de juridische literatuur, niettegenstaande anekdotisch soms wordt gewag gemaakt van duidelijke discrepanties inzake de financiële situatie zoals die blijkt uit de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van de moedervennootschap.[2]

Continue reading “Uitkeringen in moedervennootschappen: een apart verhaal”

Tien modules insolventierecht: opleiding Curatoren & Vereffenaars nu ook online en per module te volgen

De avondopleiding Curator-Vereffenaar van KU Leuven en UAntwerpen in nauw overleg met de Ondernemingsrechtbanken is intussen een vaste waarde. Deze week start een nieuwe editie van deze postuniversitaire opleiding.

Het betreft opnieuw een dubbele editie: de 10 modules kunnen dit jaar, naar keuze van de deelnemer, zowel in Kortrijk (KULAK) als in Leuven (College De Valk) worden gevolg.

Nieuw is dat ook voor modules afzonderlijk kan worden ingeschreven. Dit maakt de opleiding ook interessant voor ervaren insolventiefunctionarissen of juristen die niet de ambitie hebben om curator of vereffenaar te worden, maar die wel regelmatig met insolventie worden geconfronteerd.

De modules kunnen ook online worden gevolgd.

Zie hier voor meer info en om in te schrijven. De tien modules zijn:

Continue reading “Tien modules insolventierecht: opleiding Curatoren & Vereffenaars nu ook online en per module te volgen”

Kapitaalverhoging en soorten van aandelen

Problemen voor private equity en venture capital

Het is welbekend dat flexibilisering één van de krachtlijnen van het WVV was. Sinds het WVV bestaat er een bijna onbegrensde vrijheid in de BV en niet-genoteerde NV om af te wijken van de basisregels met betrekking tot de allocatie van stemrechten en vermogensrechten aan aandelen. Het is ook al opgemerkt dat dergelijk “spelen met stemrechten en vermogensrechten” aanleiding kan geven tot problemen door de strenge en breed toepasselijke procedure voor de wijziging van soortrechten (artikel 5:102 en 7:155 WVV).[1] Deze blogpost bekijkt deze problemen in wat meer detail voor kapitaalverhogingen in de private equity en venture capital context, en geeft ook een aantal mogelijke oplossingen onder het huidige Belgisch recht.

Continue reading “Kapitaalverhoging en soorten van aandelen”

Ligt de weg open voor de rechter-wetgever?

In mijn eerste kandidatuur leerde ik het volgende: “[t].a.v. de wetgevende macht bevindt de rechterlijke macht zich in zekere zin in een ondergeschikte positie.” (J. Vande Lanotte en G. Goedertier, Overzicht publiekrecht, Brugge, die Keure, 2003, p. 856, nr. 1340). Vandaag, bijna twintig jaar later, liggen de kaarten wel wat anders.

Op 15 december 2022 heeft het Hof van Cassatie een nieuwe stap gezet inzake de overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de wetgever (zie voor een recent overzichtsartikel, F. Bouhon, “La responsabilité civile pour faute du législateur anno 2020″, JT 2020, 745-749). De centrale overweging van dit arrest luidt als volgt.

“La faute du législateur pouvant, sur la base des articles 1382 et 1383 de l’ancien Code civil, engager la responsabilité de l’État consiste en un comportement qui, ou bien s’analyse en une erreur de conduite devant être appréciée suivant le critère du législateur normalement soigneux et prudent, placé dans les mêmes conditions, ou bien, sous réserve d’une erreur invincible ou d’une autre cause d’exonération de la responsabilité, viole une norme de droit national ou de droit international ayant des effets directs dans l’ordre interne qui lui impose de s’abstenir ou d’agir d’une manière déterminée.”

Het principe inzake overheidsaansprakelijkheid voor wetgevende fouten was reeds gevestigd in een aantal eerdere arresten (zie, T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 233-258. Tevens kan worden verwezen naar de uitgebreide analyse in het bestreden arrest, die in schril contrast staat met de kenmerkende beknoptheid van het Hof van Cassatie). Het klassieke (tegen)argument dat een dergelijke aansprakelijkheid strijdig zou zijn met de scheiding der machten was reeds verworpen.

Het arrest van 15 december 2022 gaat echter een belangrijke stap verder. Tot op heden was er immers grote onzekerheid (zowel in rechtspraak als rechtsleer) over de precieze invulling van het foutbegrip in verhouding tot de wetgever. Meer bepaald was het onduidelijk of de rechter het doen én laten van de wetgever kan toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm (dus los van de schending door de wetgever van een hogere rechtsnorm die een welbepaald gedrag oplegt). Pierre Van Ommeslaghe kon het zich dertig jaar geleden maar moeilijk voorstellen (“La responsabilité des pouvoirs publics en droit interne” in Recht halen uit aansprakelijkheid, XIX PUC Willy Delva, Gent, Mys & Breesch, 1993, (412) 431).

“Sans doute est-il difficilement imaginable que l’ on apprécie la responsabilité du législateur selon le critère du “bonus pater familias”, compte tenu de la mission qui lui est constitutionnellement impartie. On voit mal, dans notre régime de droit public, le pouvoir judiciaire censurer la négligence ou l’incompétence du pouvoir législatif considéré comme l’ expression première de la souveraineté de la nation.”

Met het arrest van 15 december 2022 laat het Hof van Cassatie hierover echter geen twijfel meer bestaan. De overheidsrechter kan het wetgevend optreden (ook) toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm (zie reeds in die zin, L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De onrechtmatige daad, Antwerpen, Maklu, 1989, p. 216, nr. 124. Zie ook, met de nodige nuanceringen, E. De Kezel, “Het risico op aansprakelijkheid van de overheid voor fouten van de wetgever”, RW 2009-10, 130-148). En “da’s gene kattenpis”.  

Op vraag van het parlement analyseerden Mr. Pierre Van Ommeslaghe en Mr. Johan Verbist in 2008 de situatie als volgt (dit advies bevat ook een omstandige analyse van de rechtspraak op dat ogenblik):

“In de studie werd verdedigd dat het niet aan de rechterlijke macht toekomt om het handelen van de wetgever (of het gebrek aan handelen van deze laatste) te toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsverplichting en, dienvolgens, de concrete gedragingen van de wetgever te vergelijken met hetgeen betamelijk is voor een normale en gemiddelde wetgever, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden. Een dergelijke controle, die in de rechtsleer niet onomstreden is, druist onder meer in tegen het beginsel van de scheiding der machten en staat bovendien haaks op de bijzondere rol die in ons constitutioneel bestel aan de wetgever toekomt.” (p. 47)

“Een dergelijk rechterlijk toezicht op de beoordelingsvrijheid van de wetgever, ook al is dit toezicht dan enkel middellijk en marginaal, kan niet overtuigen. Het
brengt immers het fragiele evenwicht in gevaar tussen het individuele en het algemene belang dat de wetgever wil bewerkstelligen en lijkt bovendien weinig aangepast aan situaties waarin de wetgever, op grond juist van de beoordelingsbevoegdheid die hem toekomt, een lange termijn strategie uitzet teneinde aan bestaande onvolkomenheden te remediëren.”
(p. 48-49)

Eenzelfde terughoudendheid kan bij andere specialisten worden vastgesteld (F. Bouhon, “La responsabilité civile pour faute du législateur anno 2020, JT 2020, (745) p. 749, nr. 16). De door Marc Uyttendaele gevreesde “juge législateur” (M. Uyttendaele, “Du réflexe salutaire à l’ivresse du pouvoir – Premières réflexions sur les arrêts de la Cour de cassation Eglise universelle du Royaume de Dieu et F. J” (noot onder Cassatie 28 september 2006), JLMB 2006, 1554-1564) komt hiermee een stap dichterbij.

Het kan vermoed worden dat deze rechtspraak op twee manieren onthaald zal worden.

Voor sommigen zal deze rechtspraak kaderen in de voltooiing van de rechtsstaat (vgl., W. van Gerven en S. Lierman, Algemeen Deel. Veertig jaar later. Privaat-en publiekrecht in een meergelaagd kader van regelgeving, rechtsvorming en regeltoepassing, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 238, nr. 84: “Rechterlijke toetsing van overheidshandelen in de ruime zin van het woord is een centraal gegeven in een democratische staat die ook een rechtsstaat is (…). In een voltooide rechtsstaat omvat zij niet alleen de toetsing van administratief maar ook van wetgevend handelen.”).

Anderen – en ik vermijd bewust al te grote uitspraken – zullen in dit arrest de voltooiing van een machtsgreep van de rechterlijke macht zien. Via het aansprakelijkheidsrecht (en binnen de voorwaarden van dit aansprakelijkheidsrecht) ligt de weg open voor de rechter om de rechter van de wetgever, en zo de finale wetgever, te worden. Een (anticipatief) voorbeeld hiervan wordt reeds geboden door het vonnis in de Belgische Klimaatzaak (zie, p. 57 e.v.).

Waarom wordt dit arrest besproken op deze blog, die zich in essentie richt op het privaatrecht? Omdat dit arrest ook voor het privaatrecht van zeer groot belang zal zijn. De wetgever ordent de maatschappij middels een afweging van alle relevante belangen. Dit gaat met de nodige opportuniteitskeuzen gepaard. Het resultaat van deze oefening kan (voortaan) door elke individuele rechter in vraag worden gesteld in het kader van een aansprakelijkheidsdebat. In principe met de nodige terughoudendheid, maar de mate van terughoudendheid (in woord én in daad) durft nogal eens te verschillen van rechter tot rechter.

Net zoals burgers en ondernemingen zal nu ook de wetgever geconfronteerd worden met de open norm die de algemene zorgvuldigheidsnorm in essentie is. Cynici zullen hierin een bepaalde rechtvaardigheid vinden.

In zijn boek Revolutie met recht sprak de Nederlandse advocaat Roger Cox over “een vrijwillige ondercuratelestelling van regeringen en parlementen door de rechterlijke macht” (p. 232). Met het arrest van 15 december 2022 lijkt deze ondercuratelestelling een feit naar Belgisch recht. Vrijwillig is ze echter niet. Benieuwd hoe dit arrest onthaald zal worden te Natieplein 2, 1008 Brussel.

Webinar-reeks ‘WVV Vraagstukken’

In deze webinar-reeks van KMO Campus stellen 7 academici en experts scherp op 5 actuele vraagstukken uit het vennootschapsrecht die de praktijk bezig houden, en brengen zij een analyse van de praktijkervaringen en adders onder het gras.

In de jaargang 2023 komen de volgende nieuwe onderwerpen aan bod:

Zie hier voor meer info en om in te schrijven.

Verlies van hoedanigheid en automatische uittreding in CV(BA): Cassatie bevestigt geldigheid

In een arrest van 2 december 2022 (zie hier) sprak het Hof van Cassatie zich expliciet uit over de automatische uittreding van een vennoot in een CVBA wegens verlies van hoedanigheid.

Het Hof oordeelde in het, overigens zeer beknopt, arrest dat de bepalingen omtrent de uittreding en uitsluiting van vennoten in een CVBA onder het W. Venn. niet in de weg staan aan een statutaire clausule die een automatische uittreding wegens verlies van hoedanigheid inschrijft.

Dit arrest is minder vanzelfsprekend dan het op het eerste zicht lijkt. De vraag stond onder het W.Venn. immers erg ter discussie in de rechtsleer. De geldigheid van zo’n statutaire clausule voor de CV werd voor het nieuwe vennootschapsrecht expliciet bevestigd in artikel 6:122 WVV. Het Hof hanteert dezelfde oplossing voor het oude recht.

Niettegenstaande de nieuwe duidelijke wetsbepaling, is de oude discussie voor het vigerend recht nog relevant. Daar bij komt dat zulke clausules nu ook kunnen worden ingeschreven in de statuten van een BV (art. 5:156,§2 WVV).

Continue reading “Verlies van hoedanigheid en automatische uittreding in CV(BA): Cassatie bevestigt geldigheid”

Gratis Studieavond UA – Europees insolventierecht: opportuniteiten en uitdagingen – Programma

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen.

Het thema van de (reeds) vijftiende editie van deze studieavond is opnieuw bijzonder actueel: “Europees insolventierecht: opportuniteiten en uitdagingen“.

Het programma is als volgt:

Jasmine Singatoulina – Het Europees insolventierecht: een utopie?

Demi Smekens – De 20%–regel: een must bij de implementatie van de Herstructureringsrichtlijn?

Noa Janssens – Moet de Belgische wetgever voor de APR of de RPR kiezen bij de implementatie van de categorie-overschrijdende cram-down?

Charlie Neeus – Wenselijkheid van het uitzonderingsstatuut in de Herstructureringsrichtlijn voor kmo’s inzake klassenstemming

Jelle Schuermans – De bestuurder en het insolventierecht: (eindelijk) duidelijkheid onder de Herstructureringsrichtlijn?

Arie Van Hoe (VBO) – Afsluitende bedenkingen

De studieavond gaat door op woensdag 21 december 2022 om 19u (tot ong. 20u30), en dit in lokaal R001 (Stadscampus Antwerpen). Deelname is gratis en inschrijven is verplicht.

Call for Applications: 5th PhD Workshop on European/International Insolvency Law

Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection

PhD students from Europe and beyond are invited to present their research ideas in the area of European/International Insolvency Law, and also discuss the challenges and questions they face. The two-day workshop is to be held on Wednesday-Thursday 19-20 April 2023 at Leiden University, which will also mark the first lustrum of the workshop. 

Objectives of the PhD Workshop

The workshop aims at achieving two main goals. First, it provides PhD students in the area of European/International Insolvency Law, from Europe and beyond a chance to connect with peers who are at more or less the same stage of their academic career. They can meet, exchange experiences and create a network. Second, the workshop will allow each participant to present, test and discuss its (developing) ideas in front of fellow colleagues as well as experienced professors.

Participating in the PhD Workshop

This years’ conference will take place in Leiden (The Netherlands). The workshop is sponsored by the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection which supports the international and European insolvency law section in the library of the Leiden Law School (Leiden University). BWILC will provide one night of accommodation in Leiden and (if not otherwise reimbursed) a maximum of 50% of the travel expenses up to EUR 250,- for those invited to give a presentation of their research.

PhD students may apply to present (1) their research proposal, (2) interim results, or (3) a (draft) chapter/article. Apply by filling in this electronic form (see annex with more information) 31 January 2023, midnight CET. Participation in the workshop is limited to invited PhD students.

See below for more information:

Continue reading “Call for Applications: 5th PhD Workshop on European/International Insolvency Law”

Corporate Sustainability Reporting Directive: nieuwe stap richting uitgebreidere duurzaamheidsverslaggeving in de EU

Een post door gastbloggers Joris De Wolf en Bert Antonissen (Eubelius)

Inleiding. De Raad van de Europese Unie heeft op 28 november 2022 de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) aangenomen. Hiermee is de laatste horde genomen richting meer gedetailleerde duurzaamheidsverslaggeving in de Europese Unie. Door de richtlijn zullen grote Europese ondernemingen, genoteerde Europese ondernemingen en bepaalde niet-Europese groepen in hun jaarverslag uitgebreid moeten rapporteren over duurzaamheidskwesties zoals milieurisico’s, sociale rechten, mensenrechten en governance.

De goedgekeurde tekst is hier raadpleegbaar.

Van NFRD naar CSRD. De Europese Commissie presenteerde in juli 2021 haar Green Deal, een pakket aan maatregelen dat Europa tegen 2050 klimaatneutraal moet maken. In dit kader werd ook een actieplan “Sustainable Finance” opgesteld, dat erop gericht is financiële stromen te kanaliseren naar duurzame investeringen met een minimale impact op klimaat en milieu. Om dit doel te bereiken, is het volgens de Europese Commissie noodzakelijk dat ondernemingen relevante, vergelijkbare en betrouwbare informatie over hun ESG-beleid ter beschikking stellen aan beleggers, kredietverstrekkers, NGO’s en andere belanghebbenden.

Continue reading “Corporate Sustainability Reporting Directive: nieuwe stap richting uitgebreidere duurzaamheidsverslaggeving in de EU”

Implementation of the UTP Directive – Third UTP Roundtable at KU Leuven

Leuven (Belgium) and online, 13 January 2023

The issue of unfair trading practices (‘UTPs’) between businesses in the agricultural and food supply chain has been on the European Union (‘EU’) policy agenda for a long time. On 17 April 2019, Directive (EU) 2019/633 on unfair trading practices in business-to-business relationships in the agricultural and food supply chain (‘UTP Directive’) was adopted. The UTP Directive aims to introduce a minimum standard of protection against UTPs across the EU by outlawing certain practices imposed by stronger buyers on small, medium and mid-range sized suppliers of agri-food products. The Directive also requires each Member State to designate an authority (either a new or an existing authority) which enforces the prohibitions.

Member States were required to transpose the Directive by 1 May 2021 and apply it as of 1 November 2021. Due to the minimum harmonisation approach chosen, Member States can provide for stricter rules than the Directive. Member States could, for example, choose to broaden the scope of application or to expand the list of prohibited UTPs. Accordingly, the regulatory regimes of EU Member States in the field of UTPs could diverge significantly.

As a follow-up to its First UTP Roundtable (15 June 2016) and its Second UTP Roundtable (21 June 2018), the Consumer Competition and Market research institute of KU Leuven is organizing its Third UTP Roundtable on 13 January 2023 with a view to critically assessing the national implementations of UTP Directive in all EU Member States and examine the similarities and differences of these regimes, based on a questionnaire-based evaluation of the current state of play in the field of UTPs.

Continue reading “Implementation of the UTP Directive – Third UTP Roundtable at KU Leuven”

Proposal for a Directive harmonising certain aspects of insolvency law

Today the European Commission presented a new proposal for a directive to harmonise certain aspects of insolvency law. The proposal can be consulted here.

According to the Commission, the very divergent insolvency rules in the EU are often mentioned as a significant obstacle to the further development of the Capital Markets Union. They deliver different outcomes across Member States, and in particular they have different degrees of efficiency in terms of the time it takes to liquidate a company and the value that can eventually be recovered.

The proposal aims at encouraging cross border investment within the single market through targeted harmonisation of insolvency proceedings. It targets the three key dimensions of insolvency law: (i) the recovery of assets from the liquidated insolvency estate; (ii) the efficiency of procedures; and (iii) the predictable and fair distribution of recovered value among creditors. It provides for:

  • Minimum set of harmonised conditions for exercising avoidance actions;
  • Strengthening asset traceability through improved access by insolvency practitioners to asset registers, including in a cross-border setting;
  • Provisions to introduce so called ‘pre-pack’ liquidation procedures.
    Provisions on a duty of directors to timely file for insolvency to avoid potential asset value losses for creditors;
  • Simplified liquidation procedure for insolvent microenterprises;
  • Requirements for improving the representation of creditors’ interests in the proceedings through creditors’ committees;
  • Enhanced transparency for creditors on the key features of national insolvency regimes, including on the rules governing insolvency triggers and the ranking of claims.

A more detailed analysis of this proposal will follow shortly.

Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden

Proefschrift UUtrecht in open access

Bedrijfsmatige milieucriminaliteit is een structureel probleem met ernstige gevolgen. Als zich in bedrijfscontext een milieuovertreding voordoet, wordt meestal alleen de rechtspersoon hiervoor aansprakelijk gesteld. Natuurlijke personen binnen de onderneming blijven dan buiten schot.

De rechtspersoon schrijft echter niet zijn eigen milieubeleid en verricht niet zelf milieubelastende activiteiten: de milieuovertredingen worden feitelijk begaan door mensen binnen het bedrijf. Uiteindelijk is het aan leidinggevende functionarissen om toezicht te houden op de naleving van milieuvoorschriften. Daarom kan het in de rede liggen om naast of in plaats van rechtspersonen ook leidinggevenden persoonlijk aansprakelijk te stellen voor milieuovertredingen.

Het proefschrift van dr. T.R. Bleeker, Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, (Dissertatie Universiteit Utrecht, Kluwer 2021) [open access] gaat over de strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke mogelijkheden om een leidinggevende te sanctioneren voor een milieuovertreding in bedrijfscontext.

Continue reading “Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden”

The unfair terms prohibition in Article 5.52 of the new Civil Code and financial services in a B2B context: balancing fairness with legal certainty

A post by guest blogger Els Janssens (Linklaters)

The new Civil Code now contains a general prohibition on unfair terms in contracts. Before that, the B2B and B2C legislation had already introduced a similar prohibition, but financial services had been (partially) exempted. Such exemption for financial services, however, does not appear in the new Civil Code. This leaves the question as to what extent contracts on financial services (international corporate lending in particular) are now caught by the general prohibition on unfair terms in the new Civil Code.

This contribution looks into the arguments and attempts to create some clarity in a blurry picture.

Continue reading “The unfair terms prohibition in Article 5.52 of the new Civil Code and financial services in a B2B context: balancing fairness with legal certainty”

Wat is een bijkantoor?

CBN-advies 2022/14 en CBN-advies 2022/15

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) heeft als wettelijke opdracht de regering en het parlement op hun verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen en door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding. De CBN-adviezen zijn een door veel juristen miskende gezaghebbende bron van recht. Nochtans bevatten de adviezen vaak nuttige informatie die het boekhoudrecht in enge zin overstijgt.

Een voorbeeld daarvan is de recente update van twee adviezen met betrekking tot Belgische bijkantoren van buitenlandse vennootschappen: CBN-advies 2022/14 ter actualisatie van CBN-advies 2019/02 over de publicatieplicht en het begrip ‘bijkantoor’ en CBN-advies 2022/15 ter actualisatie van CBN-advies 2019/02 over de eigen boekhoudkundige verplichtingen.

CBN-advies 2022/14 behandelt o.m. de vraag wat een bijkantoor van een buitenlandse vennootschap is. Een belangrijke vraag omdat dit de trigger is van heel wat Belgische verplichtingen en regels. De CBN vat de Belgische rechtspraak als volgt samen:

Continue reading “Wat is een bijkantoor?”

Prix Coppens – oproep

In 2023 wordt de Prix Coppens opnieuw uitgereikt, ter waarde van 15.000 €. Deze prijs bekroont een doctoraatsproefschrift dat een originele bijdrage levert aan het vennootschapsrecht of aan een aan het vennootschapsrecht verwant thema.

Alle doctores in de rechtsgeleerdheid aan een Europese universiteit die niet meer dan 40 jaar oud zijn, komen voor de prijs in aanmerking.

U moet uw kandidatuur ten laatste op 15 december 2022 indienen. Zie hier voor alle relevante informatie.

%d bloggers like this: