Experiments

Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen

Een post door gastblogger Tina Coen (aspirant FWO, VUB)

1. Met de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen werd ook het annulatiecontentieux van de ondernemingsrechtbanken hertekend. Tot voor kort beperkte art. 178 W.Venn. de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om besluiten van vennootschapsorganen nietig te verklaren, zich tot besluiten van de algemene vergadering. Voortaan bepaalt art. 2:44 W.V.V. in zijn eerste lid dat “[d]e ondernemingsrechtbank […] de nietigheid van een besluit uit[spreekt] op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen.”

In zuiver vennootschapsrechtelijke context brengt deze herformulering weinig zoden aan de dijk, nu de vennootschapswetgever in essentie niet meer heeft gedaan dan de jurisprudentiële praktijk om ook besluiten van de raad van bestuur per analogiam nietig te verklaren, te bevestigen. Hoogstens wordt de kring van vorderingsgerechtigden voortaan anders omschreven. Het annulatieberoep staat niet langer open voor elke belanghebbende maar enkel voor de vennootschap en personen die belang hebben bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen. Hoe die wijziging in de rechtspraak zal worden ontvangen, valt af te wachten, maar is voor deze blogpost minder van belang. Continue reading “Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen”

WHOA! Een eerste analyse van de voorgestelde Nederlandse reorganisatieprocedure

Inspiratie voor België?

Gisteren verscheen het Nederlandse voorstel van wet homologatie onderhands akkoord (hierna: WHOA). De WHOA komt er naar aanleiding van de versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven. Het akkoord dat onder de surseance van betaling kon worden aangeboden, bleek immers geen succesvol reorganisatie-instrument. Eén van de voornaamste redenen daarvoor is dat de surseance enkel werkt ten aanzien van concurrente schuldeisers, terwijl concurrente schuldeisers in een faillissement sowieso maar weinig tot niets meer krijgen. De schuldeisers met een voorrecht zoals werknemers, de fiscus en separatisten die in een faillissement het grootste deel van de koek krijgen, kunnen daarentegen ook tijdens de surseance hun zekerheidsrechten blijven uitwinnen.

De WHOA introduceert als het ware een échte reorganisatieprocedure in het Nederlandse recht, die kan worden aangewend zodra de schuldenaar verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan (art. 370, lid 1 Fw). De voorgestelde procedure is gebaseerd op de Engelse scheme of arrangement en de Amerikaanse Chapter 11. Daarenboven beoogt zij consistent te zijn met de recent gepubliceerde Europese richtlijn betreffende herstructurering en insolventie (hierna: de Europese richtlijn).

Een volledige artikelsgewijze bespreking van de WHOA gaat de opzet van een blogpost te buiten. We beperken ons dus tot een summiere bespreking van enkele van de voornaamste principes. Hier en daar plaatsen we enkele kanttekeningen. Continue reading “WHOA! Een eerste analyse van de voorgestelde Nederlandse reorganisatieprocedure”

Donkere wolken boven GROG: het arrest Plessers

In het jongste nummer van de Juristenkrant (nr. 391, 12 juni 2019) bespreken Stan Brijs en ik het arrest Plessers (zie hierover eerder op deze blog). Dit arrest stelt de verhouding tussen het insolventierecht en het arbeidsrecht op scherp. Continue reading “Donkere wolken boven GROG: het arrest Plessers”

Het lijden van de scheidende vennoot

Het scheidingsaandeel in CV en BV onder het WVV: ook aanvullend recht is bindend

In het editoriaal van het recentste nummer (2019/3, p. 343 e.v.) van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht bespreek ik de positie van de persoonlijke schuldeisers van een aandeelhouder als ondergeschoven kind van het vennootschapsrecht.

Het schoolvoorbeeld van een vennootschap is de beursgenoteerde vennootschap met één handelsfonds en ettelijke aandeelhouders. In zo’n voorbeeld is het evident dat de belangen van een persoonlijke schuldeiser van een vennoot weinig gewicht krijgen vergeleken met de voordelen van vermogensafscheiding en bescherming tegen vereffening. Bovendien worden de belangen van die schuldeiser gediend door de mogelijkheid van beslag op aandelen, waarbij er een reële markt bestaat. In de echte wereld wordt de vennootschapsvorm in veel andere contexten gebruikt, waar de positie van de persoonlijke schuldeiser problematischer wordt. Ze zijn de dan de schuldeisers van de holdingmaatschappij bekeken vanuit de dochtervennootschap waar de inkomsten binnenkomen; de schuldeisers van de familie die haar vermogen in een patrimoniumvennootschap heeft gestopt; of de schuldeisers van de ondernemer die haar ganse professionele activiteit via een eenpersoonsvennootschap uitoefent. Hun positie werd terecht bestempeld als de meest miskende uitdaging voor het organisatierecht (H. Hansmann, R. Kraakman en R. Squire, “Law and the rise of the firm”, Harvard Law Review 2006, 1403).

Eén van de in het editoriaal besproken regels is de berekening van het scheidingsaandeel  bij een uittreding uit een CV. Die mogelijkheid kan ook statutair worden voorzien in een BV. Hier verrast de nieuwe regel van aanvullend recht. Continue reading “Het lijden van de scheidende vennoot”

Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?

Kort antwoord: nooit voor de activiteit van de maatschap

Eén van de nieuwigheden van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, was dat ook maatschappen inschrijvingsplichtig werden. Maatschappen zijn immers een “organisatie zonder rechtspersoonlijk” in de zin van art. I.1, 1° eerste lid (c)  WER en vallen wegens hun uitkeringsoogmerk niet onder de uitsluiting van (c) van het tweede lid (a).

Zulke organisaties zijn op grond van art. III.49 § 1 WER inschrijvingsplichting indien ze zijn opricht naar Belgisch recht (1°) of in België beschikken over een zetel, een bijkantoor of een vestigingseenheid (2°).

Let op : de trigger voor de inschrijvingsplicht is niet de kwalificatie als maatschap, laat staan de door de vennoten zelf gekozen benaming van hun samenwerking. Het volstaat dus uiteraard niet om het samenwerkingsverband een andere kwalificatie te geven om aan inschrijvingsplicht te ontsnappen. Zelfs al zou een rechter die alternatieve kwalificatie volgen, dan sluit dit niet uit dat er sprake kan zijn van een “organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.”

Er bestaat wat onduidelijkheid over de draagwijdte van de inschrijvingsplicht. Geldt de inschrijvingsplicht vanof oprichting, naar analogie voor wat geldt bij rechtspersonen? Of: geldt de inschrijvingsplicht enkel voorafgaand aan het aanvatten van activiteiten, naar analogie voor wat geldt bij natuurlijke personen? Dit kwam eerder hier aan bod, maar is niet het onderwerp van deze post. Deze post behandelt de vraag: gegeven dat een maatschap inschrijvingsplichtig is, zijn ook de maten zelf inschrijvingsplichtig? Continue reading “Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?”

A bad construction job. The contractual nature of the actio pauliana under Brussels Ia

Readers of this blog will be familiar with the European Court of Justice’s Feniks v Azteca ruling [1] – on which we reported earlier. There, the Court held that the actio pauliana – a form of fraudulent conveyance action – was a ‘matter relating to a contract’ for the purpose of Art 7(1) Brussels Ia (Regulation 1215/2012).[2] The upshot of this ruling was that the third party who allegedly frustrated the claimant’s contractual interest could be sued in the court of the place of performance of the defrauded contract (cfr Art 7(1)(b) Brussels Ia).

In Norbert Reitbauer aors v Enrico Casamassima (Case C-722/17 ECLI:EU:C:2019:285), AG Tanchev carefully reconsidered and further analysed the contractual nature of the actio pauliana.

Continue reading “A bad construction job. The contractual nature of the actio pauliana under Brussels Ia”

Wanneer kan een maatschap een enkelvoudige boekhouding voeren?

Ontwerp-CBN-advies over boekhoudplichtige ondernemingen die een vereenvoudigde boekhouding kunnen voeren

De Wet van 15 april 2018 heeft voor maatschappen een boekhoudplicht ingevoerd. Art. III.82 6 bepaalt immers:

“De volgende ondernemingen zijn boekhoudplichtig :
1° iedere onderneming in de zin van artikel I.1. eerste lid, a), die in België zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
2° iedere onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1. eerste lid, b) en c);
3° iedere onderneming met in België gevestigde bijkantoren of centra van werkzaamheden;
[…]”

Een maatschap kan kan geviseerd worden door 2° (indien opgericht naar Belgische recht;- zelfs al zouden er geen activiteiten in België zijn) en/of 3° (indien werkelijk actief in België;- zelfs al zou de maatschap zijn opgericht naar buitenlands recht).

Art. III.85 WER geeft een maatschap de optie om een enkelvoudige boekhouding te voeren indien de omzet (exclusief BTW) EUR 500.000 niet overschrijdt. Diezelfde optie bestond reeds voor boekhoudplichtige natuurlijke personen en VOF’s en Comm.V’s.

In de praktijk bestond er wat onduidelijkheid hoe “omzet” moet worden begrepen, in het bijzondere bij maatschappen die worden gebruikt bij estate planning en die vaak louter aandelen of andere effecten aanhouden. Hun financiële inkomsten vallen niet onder hoe “omzet” normaal begrepen wordt, nl.  inkomsten van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening (zie art. 3:90, I.A. KB WVV). Continue reading “Wanneer kan een maatschap een enkelvoudige boekhouding voeren?”