Experiments

Verdient elke ondernemer een (tweede) kans?

Post door Mr. Marlies De Brabandere, gebaseerd op haar rede bij de opening van het gerechtlijke jaar bij de balie van West-Vlaanderen

“Startende ondernemers zijn een constante bron van vernieuwing, dynamiek en werkgelegenheid”.[1] Zo luidt een van de bevindingen uit de reguleringsimpactanalyse die de Vlaamse Overheid in 2017 liet uitvoeren naar aanleiding van de voorgenomen afschaffing van het attest basiskennis bedrijfsbeheer als vereiste om een zelfstandige activiteit te starten.

De conclusie van die analyse lijkt voor de hand te liggen: nieuw ondernemerschap verdient maximale stimulering. Dat uitgangspunt heeft de afgelopen decennia zijn weerslag gevonden in het beleid van de wetgever. De vereisten om als ondernemer te starten werden stelselmatig afgebouwd, onder meer door de afschaffing van het attest basiskennis bedrijfsbeheer en het minimumkapitaal in de BV. Tegelijk evolueerde het insolventierecht van een sanctionerend faillissementsrecht, met nadruk op de bescherming van schuldeisers, naar een doorgedreven tweedekansbeleid met meer aandacht voor de positie van de schuldenaar en het behoud van ondernemingswaarde.

De wetgever lijkt daarbij steevast door een roze bril naar het ondernemerschap te kijken. Nochtans brengt niet elke nieuwe onderneming de dynamiek met zich mee die hij voor ogen heeft. Laat mij een en ander illustreren aan de hand van twee fictieve voorbeelden.

Continue reading “Verdient elke ondernemer een (tweede) kans?”

Artikel 2:58 WVV verhindert niet dat de buitencontractuele aansprakelijkheid van bestuurders in het ‘hoofdcontract’ wordt beperkt

Een post door Jeroen Delvoie en Cyro Vangoidsenhoven

Sinds boek 6 BW de zogenaamde quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent afschafte, is het in de praktijk gebruikelijk dat partijen in het “hoofdcontract”[1] de buitencontractuele aansprakelijkheid van hulppersonen voor contractuele wanprestatie uitsluiten.

Recent werd de geldigheid van die exoneratiebedingen door een aantal auteurs specifiek voor bestuurders in vraag gesteld.[2] De kritiek steunt op artikel 2:58 WVV, dat beperkingen oplegt aan de mogelijkheid om de aansprakelijkheid van bestuurders contractueel in te perken (of althans: verder in te perken dan de wettelijke cap als ondergrens). Onze analyse wijst uit dat die kritiek onterecht is: artikel 2:58 WVV verhindert geenszins dat de buitencontractuele aansprakelijkheid van bestuurders in het hoofdcontract wordt beperkt.[3]

Continue reading “Artikel 2:58 WVV verhindert niet dat de buitencontractuele aansprakelijkheid van bestuurders in het ‘hoofdcontract’ wordt beperkt”

Begrotings- en informatierechten van het parlement bij de redding van banken en overheden

Constitutionele regels

De Belgische grondwetgever wilde een einde maken aan het verlicht despotisme dat de bevolking onder Willem I had moeten verduren. Doorn in het oog van de zuidelijke oppositie was de beperkte democratische controle over de staatsmacht in het algemeen en over de staatsfinanciën in het bijzonder. Zowel de gehate tienjarige begroting als de gebudgetteerde uitgaven – verricht via het Amortisatiesyndicaat – wensten de opstandelingen dan ook achter zich te laten.

Het Nationaal Congres koos bijgevolg voor (i) de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het parlement en (ii) een jaarlijkse goedkeuring door het parlement van elke ontvangst en uitgave van de staat, van elke belasting en van elke rekening. Deze regels vormen tot op vandaag de basis voor de informatierechten en begrotingsbevoegdheden van het parlement.

Om de begrotingsbevoegdheid daadwerkelijk te kunnen afdwingen, riep het Nationaal Congres het Rekenhof in het leven. Dankzij deze paraparlementaire instelling konden er geen uitgaven meer worden verricht door de uitvoerende macht dan nadat het Rekenhof had gecontroleerd of het parlement haar daartoe wel voorafgaandelijk had gemachtigd. Het Hof keek tevens de rekeningen na en verevende ze. Ambtenaren die uitgaven verrichtten werden aan zijn rechtsmacht onderworpen en de door de regering opgestelde begrotingsontwerpen en rekeningen werden door het Rekenhof becommentarieerd.

Praktijk in het algemeen

Principes zijn echter makkelijker af te kondigen dan te operationaliseren. De macht probeert immers steeds opnieuw te ontsnappen aan de regels die haar trachten te kanaliseren.

Algemeen

Een wildgroei aan parastatale, privaatrechtelijke, Europese en internationale overheidsinstellingen – vergezeld met de rechtsopvatting dat de constitutioneel bepaalde regels er niet (volledig) op van toepassing zijn – heeft ertoe geleid dat de overheidsmacht veelal niet langer wordt uitgeoefend overeenkomstig de constitutionele normen. Dat wil zeggen dat de bevoegdheden niet langer worden uitgeoefend door de in de Grondwet aangeduide organen, met de in de Grondwet bepaalde samenstelling, die op de in de Grondwet bepaalde wijze zijn verkozen of benoemd, met de in de Grondwet bepaalde bevoegdheden en volgens de in de Grondwet bepaalde procedures. De verantwoordingsmechanismes die in de plaats kwamen – zoals europromotoren, regeringscommissarissen of vrijblijvende besprekingen in het parlement naar aanleiding van Europese toppen – kunnen bezwaarlijk worden beschouwd als een volwaardig substituut voor de uitoefening van de democratische controle zoals onze Grondwet die voorziet.

Het resultaat van dit alles is dat de overheidsmacht op het grondgebied steeds vaker niet meer volgens de in de Grondwet voorziene regels wordt uitgeoefend en daardoor niet aan de daarin zo zorgvuldig uitgewerkte checks-and-balances onderworpen is. Het Amortisatiesyndicaat is dood, maar de techniek erachter is springlevend. De macht wordt daardoor meerdere schakels van de volksvertegenwoordigers verwijderd uitgeoefend en niet langer gecontroleerd door elk concreet voorstel voor de voorgenomen machtsuitoefening aan het parlement voor te leggen, zodat het daar voor het oog van het publiek en de pers – in aanwezigheid van de meerderheid – bekritiseerd kan worden door de oppositie, vooraleer de meerderheid middels een stemming de verantwoordelijkheid voor het bekritiseerde beleid op zich neemt.

Begrotingsbevoegdheid

Voor de begroting zijn de klachten vergelijkbaar. Die bevat – in weerwil van het specialiteitsbeginsel – enorme enveloppes, tot 20 miljard euro dik, die de regering dan aan de meest uiteenlopende doelen kan besteden. Andere uitgaven worden gewoon gedebudgetteerd, via nevenbegrotingen, die niet worden goedgekeurd door het parlement of die na de goedkeuring van het parlement niet eens bindend zijn voor de betrokken dienst. Daarnaast worden de veelvuldige waarschuwingen van de Inspectie van Financiën, de Raad van State en het Rekenhof over het onwettig en ongrondwettig gebruik van bepaalde rekeningen eenvoudigweg genegeerd door de beleidsmakers. Tot slot wordt ook de macht van het Rekenhof systematisch verzwakt, o.a. doordat niet langer een voorafgaand visum van het Rekenhof vereist is om tot een betaling over te gaan en doordat zijn rechtsmacht over de ambtenaren die betalingen voor de overheid verrichten werd uitgehold door het Hof van Cassatie en de wetgever.

De heffingen die werden geheven voor het spijzen van de fondsen die instaan voor de afwikkeling van financiële instellingen of de beschermingsregelingen, krijgen steevast de vorm van een retributie, waardoor niet alle essentiële elementen bij wetskrachtige norm worden vastgelegd en ze bijvoorbeeld door een Circulaire van het Afwikkelingscollege van de Nationale Bank van België worden bepaald, terwijl die heffingen in de regel nochtans niet voldoen aan de voorwaarde om te kwalificeren als een retributie. De wettelijke bepalingen die de vergoeding regelen die betaald moet worden voor de verleende waarborgen, voldoen veelal evenmin aan de vereisten om te kwalificeren als retributie of verhaalbelasting.

Het is evenwel niet allemaal kommer en kwel. Doorheen diezelfde periode zijn er ook enkele innovaties gebeurd die de grip van het parlement op de staatsfinanciën hebben versterkt. Zo is het begrotingsrecht gaan focussen op hetgeen financiële verplichtingen doet ontstaan, met name de verbintenissen, eerder dan enkel op de uitvoering van die verplichtingen, namelijk de betaling. Daarnaast is er recent ook meer aandacht voor het begrotingsevenwicht – waar de Staten-Generaal in de Hollandse periode ooit eveneens naar hunkerden –, wat de vrijheidsgraden in de begrotingsbevoegdheid van toekomstige parlementen helpt te bewaren. Het systeem van de vastleggingskredieten en de begrotingsdoelstellingen is voorlopig evenwel nog erg lacuneus. Zo worden het toekennen van toekomstige sociale rechten en het verlenen van waarborgen grotendeels als extrabudgettair behandeld en zijn de begrotingsdoelstellingen thans feitelijk onafdwingbaar.

Informatierechten

Ook op het vlak van de ministeriële verantwoordelijkheid werden er stappen gezet door (i) een geleidelijke uitbreiding van de rechten van de individuele parlementsleden, met o.a. de mogelijkheid om schriftelijke vragen te stellen, en (ii) de meest verreikende interpretatie van de bevoegdheden van een onderzoekscommissie. Die voor de oppositie gunstige evolutie werd door de adviespraktijk van de Raad van State gestopt, doordat deze zich verzette tegen de pogingen om het Duitse voorbeeld te volgen en het mogelijk te maken met één derde van de parlementsleden een onderzoekscommissie in te stellen of de onderzoeksbevoegdheden van de individuele parlementsleden uit te breiden.

Afdwinging

De informatierechten van de parlementsleden behoren grotendeels tot het parlementair recht dat in reglementen vervat ligt en waarbij de parlementsvoorzitter waakt over de naleving. Ze zijn onafdwingbaar voor de rechter.

Daarnaast zijn de schendingen van wetskrachtige en constitutionele regels inzake de begroting moeilijk te identificeren omdat bepaalde handelingen – in tegenstelling tot de begrotingswetten – niet worden gepubliceerd (en daardoor wat doen denken aan de geheime besluiten van Willem I), zoals (i) de begrotingsberaadslagingen waarbij de regering zichzelf machtigt om uitgaven te doen, (ii) de beslissingen en omissies van het overlegcomité en (iii) de boekingen in de orde- en thesaurierekeningen, klasse 1- en klasse 4-rekeningen of op de virtuele organieke fondsen. Het Rekenhof beschikt tevens niet over de dwangmiddelen om ambtenaren tot hun wettelijk verplichte medewerkingsplicht aan te zetten. De regels op de openbaarheid van bestuur worden ook niet loyaal nageleefd door de administratie.

Indien een rechtsonderhorige of een parlementslid dan toch kennis krijgt van deze handelingen of omissies, is het niet eens duidelijk welk rechtscollege bevoegd is en dreigt hij geen voldoende persoonlijk belang te hebben om op ontvankelijke wijze een procedure aanhangig te maken. Individuele parlementsleden kunnen immers slechts opkomen ter bescherming van de prerogatieven die eigen zijn aan de individuele uitoefening van hun mandaat en niet tegen de schending van de aan het parlement voorbehouden bevoegdheden door de regering.

Als de rechtscolleges zich dan al uitspreken, verlenen ze ruime discretionaire bevoegdheden in budgettaire aangelegenheden en hanteert het Grondwettelijk Hof zelfs een feitenvrije benadering van het recht.

Dat alles maakt de wetskrachtige en constitutionele regels inzake de begrotingsbevoegdheid en de informatierechten van het parlement in vele gevallen praktisch juridisch onafdwingbaar.

Prakijk bij reddingsoperaties

Bij de redding van banken en overheden werden de in de constitutionele normen voorziene begrotingsbevoegdheden en informatierechten van het parlement veelal omzeild.

De reddingen werden o.a. doorgevoerd

  1. via de afwending van een begrotingsruiter, terwijl die helemaal niet toeliet om voor dat soort doeleinden “voorschotten” te verrichten,
  2. via orde- en thesaurierekeningen die eigenlijk begrotingsneutraal moeten zijn, terwijl deze betaling perfect via een wettelijk voorziene procedure voor dringende of spoedeisende betalingen – of zelfs via een goedkeuring door het parlement – had kunnen gebeuren,
  3. via klasse 4-rekeningen die bedoeld zijn voor derdengelden, terwijl de ontvangsten en uitgaven betrekking hebben op rechten en verplichtingen in hoofde van de staat,
  4. doordat de regering zichzelf begrotingskredieten verstrekt door een bijzondere macht uit te oefenen, terwijl er nochtans voldoende tijd was om de uitgave door het parlement te laten goedkeuren,
  5. door kredieten verstrekt via deze noodmachtigingen te gebruiken vooraleer die uitvoerbaar waren, terwijl de uitvoerbaarheid de dag zelf nog verkregen kon worden door een wetsontwerp in te dienen bij het parlement,
  6. door een bijzondere macht te gebruiken voor een voorstel, terwijl het parlement bij de goedkeuring van de bijzondere macht dat voorstel had verworpen,
  7. door een bijzondere macht te gebruiken voor een regeling voor coöperanten, terwijl die reeds drie jaar eerder was beloofd, waardoor er meer dan voldoende tijd beschikbaar was geweest om die via de parlementaire procedure te verstrekken,
  8. door in een bijzondere macht het voorafgaand toezicht van het Rekenhof uit te schakelen, terwijl zulks niet vereist was voor het nagestreefde doel,
  9. door de Nationale Bank van België de bevoegdheid te verlenen om onbeperkt in de tijd en onbeperkt in volume leningen te verstrekken op risico van de Belgische begroting zonder enige goedkeuring van het parlement of de minister en in het grootste geheim, terwijl het buitenland aantoont dat een goedkeuring door een persoon die politieke verantwoordelijkheid draagt het verlenen van noodliquiditeiten geenszins verhindert,
  10. door niet-volgestort kapitaal toe te zeggen aan het ESM, dat vervolgens reddingsoperaties kan goedkeuren zonder dat het parlement er nog enige vat op heeft,
  11. door het uitgavenplafond ingesteld door het meerjarig financieel kader te omzeilen door leningen als waarborgen te kwalificeren,
  12. door zonder enige wettelijke grondslag per brief waarborgen te verstrekken,
  13. door de essentiële elementen van een waarborg niet (nauwkeurig) bij wet vast te stellen en de bevoegdheid niet jaarlijks via de begroting te vernieuwen, terwijl de waarborgen wel verbintenissen zijn waarvoor beter een vastleggingskrediet zou worden voorzien in de begroting en
  14. door uitgaven buiten de begroting om te maken, bijvoorbeeld via het Toekomstfonds of onder het mom van een thesauriebelegging van een participatiemaatschappij.

Telkens werd het parlement en in het bijzonder de oppositie niet de kans geboden om voorafgaand – op het moment dat de actualiteitswaarde en de interesse van het publiek het grootst was – een concreet voorstel te bediscussiëren. Het parlement werd (net als het Rekenhof) buitenspel gezet en verwerd tot een afstempelmachine van voldongen feiten, een vervelende administratieve nagedachte zowaar.

De eindrekeningen bleven in die jaren ook zo lang liggen bij opeenvolgende ministers van Financiën dat het federaal parlement twee keer werd vernieuwd vooraleer het parlement de kans had om zich erover uit te spreken. Op het moment dat die rekeningen dan eindelijk werden ingediend, hadden ze dan ook geen actualiteitswaarde, ontlokten ze geen parlementair debat en waren de politieke consequenties praktisch gesproken onbestaande.

Suggesties

Hoewel begrip gepast is voor de imperfecties die voortvloeien uit het haastwerk dat soms geleverd moest worden, (i) valt dat begrip niet op te brengen wanneer die gebrekkige handelwijze ondanks waarschuwingen keer op keer herhaald wordt en (ii) strekt deze praktijk in elk geval niet tot voorbeeld als we voornemens maken over hoe we in de toekomst gelijkaardige problemen willen aanpakken.

In het grondwettelijk recht geldt hetzelfde als voor de Rode Koningin in Alice in Wonderland: ze moet zo snel lopen als ze kan om niet achteruit te gaan. De constitutionele orde kan haar eigen achteruitgang maar verhinderen en hetzelfde niveau van bescherming bieden als degene die haar afdwingen – in de regel de rechtscolleges – even snel kunnen hollen als de politieke praktijk die steeds nieuwe methoden zal uitproberen om de weg van de minste weerstand op te zoeken en de constitutionele normen te omzeilen.

Mijns inziens kan enkel een verbod op omzeiling toelaten dat de constitutionele regels even snel evolueren als de praktijken die deze regels proberen te omzeilen. Enkel een waakzame bevolking, bevoegde rechtscolleges en onafhankelijke rechters die in de bestaande constitutionele orde geloven en haar willen behouden, laten toe om dergelijk verbod werkelijk ook af te dwingen.

Op dat vlak lijkt het Grondwettelijk Hof van Duitsland in het algemeen tot voorbeeld te strekken. Daar werd het parlement door het Hof verplicht om zich voorafgaandelijk uit te spreken over de redding van overheden, ongeacht of die redding gebeurde door bilaterale leningen, privaatrechtelijke vehikels of internationaalrechtelijke organisaties; en werd de regering aan een zeer verregaande (actieve) informatieplicht onderworpen ten aanzien van het parlement, waar ook de individuele parlementsleden uitgebreide informatierechten hebben omdat ze in principe in alle geheimen van de uitvoerende macht moet kunnen delen om die uitvoerende macht werkelijk te kunnen controleren. Om dit praktisch uitvoerbaar te maken, kunnen er onder bepaalde voorwaarden beslissings-, informatie- en controlerechten van het parlement worden toebedeeld aan een (sub)commissie binnen het parlement. Het Duits Grondwettelijk Hof voorziet in een volle toetsing van de juridische voorwaarden van de schuldenrem en een strikte motiveringsplicht voor de niet-juridische voorwaarden. Het Hof handhaaft die constitutionele regels doordat het via verschillende procedures kan worden geadieerd en ruime bevoegdheden heeft om ongrondwettige overheidshandelingen een halt toe te roepen, ongeacht hun vorm, zelfs als het omissies betreft.

Het Duits Grondwettelijk Hof blijkt vastbesloten om de rechten van het parlement en het democratisch zelfbestuur assertief te verdedigen tegen de geleidelijke uitholling. De vraag is of dat in België ook niet wat meer dient te gebeuren.

Een rechterlijke controle hoeft niet gevreesd te worden. In zowat alle grote reddingsoperaties kwam het gerecht reeds tussen zonder dat dit het onmogelijk maakte om reddingsoperaties uit te voeren. Het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Hof van Justitie hebben zij aan zij de waarborgen vernietigd die waren verstrekt aan de Arco-coöperanten in het kader van de redding van Dexia. De rechterlijke macht legde voorlopige maatregelen op in de Fortis-zaak. Het Grondwettelijk Hof vernietigde ook de bijdrage die kredietinstellingen in het kader van de depositobeschermingsregeling moesten betalen.

Ook meer openheid over de reddingsoperaties naar het parlement toe moet mogelijk zijn. We hebben nu immers reeds waarborgen voor de parlementsleden die zich bezighouden met veel gevoeligere informatie, zoals die voor de aankoop van militair materiaal en de controle op de veiligheidsdiensten. Wat goed genoeg is voor de bescherming van onze territoriale integriteit en politieke orde, zal ook wel volstaan voor de redding van banken en overheden.

Deze post is gebaseerd op het gelijknamig doctoraal proefschrift dat op vrijdag 23 oktober 2026 aan de KU Leuven werd verdedigd. Zie hier voor de video van de verdediging.

Dr. Jitte Akkermans
Instituut voor Insolventierecht (KU Leuven)
vrijwillig wetenschappelijk medewerker

Continue reading “Begrotings- en informatierechten van het parlement bij de redding van banken en overheden”

Gradaties in onzorgvuldig gedrag en phishing – Cassatie 29 juni 2026

Een gastblog van Mr Bastiaan Insel (Roosendaal Keyzer Advocaten)

Inleiding

De wetgever verbindt soms verstrekkende rechtsgevolgen aan het bestaan van een meer dan gewone fout. Zo kan een werknemer in beginsel slechts aansprakelijk worden gesteld voor zijn zware schuld. Ook in het verzekeringsrecht en het betalingsrecht verbindt de wetgever bijzondere gevolgen aan begrippen zoals zware fout, grove schuld en grove nalatigheid.

Maar wanneer wordt een gewone fout eigenlijk een zware fout? Die vraag stond centraal in een opmerkelijk cassatiearrest van 29 juni 2026, dat op de nodige (pers)aandacht heeft mogen rekenen.

Arrest

In deze zaak had het hof van beroep te Brussel geoordeeld dat een slachtoffer van phishing grof nalatig had gehandeld, zodat hij op grond van artikel VII.44, §1, laatste lid WER geen aanspraak kon maken op terugbetaling. Het hof oordeelde dat het slachtoffer meerdere voor de hand liggende voorzichtigheidsmaatregelen had miskend.

Het slachtoffer stelde cassatieberoep in. Volgens hem kon uit de vaststelling van verschillende onvoorzichtige gedragingen niet worden afgeleid dat sprake was van grove nalatigheid, nu de appelrechters niet hadden vastgesteld dat een redelijk en normaal zorgvuldig betaler in dezelfde omstandigheden aldus nooit zou hebben gehandeld.

Het Hof volgt het slachtoffer en vernietigt het arrest. Na onder meer te hebben overwogen dat grove nalatigheid “een gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht” vereist, oordeelt het dat de appelrechters op grond van hun vaststellingen niet wettig konden besluiten dat het slachtoffer blijk gegeven had van grove nalatigheid.

In navolging van de eiser in zijn middel omschrijft het Hof grove nalatigheid als een gedraging of nalatigheid die een redelijk en normaal zorgvuldig betaler nooit zou hebben gesteld of begaan. Het Hof lijkt daarmee aan te sluiten bij de bekende omschrijving van De Page, die een zware fout definieerde als « une faute tellement grossière, tellement excessive, qu’elle ne se comprend pas de la part d’une personne raisonnable »[1].

Maar lost die formule het probleem werkelijk op? Want waarin verschilt de zware fout precies van de gewone fout?

Wanneer handelt iemand onzorgvuldig?

Artikel 6.6, §2, eerste alinea van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de algemene zorgvuldigheidsnorm een gedrag vereist dat overeenstemt met dat van een redelijk en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden.

Maar verschillende redelijke en zorgvuldige personen kunnen in dezelfde omstandigheden andere keuzes maken. Dat achteraf blijkt dat iemand een slechte keuze heeft gemaakt, betekent nog niet dat hij onzorgvuldig handelde. Wie over een stoeprand struikelt, heeft niet noodzakelijkerwijze een fout begaan. Het was vanzelfsprekend beter geweest naar zijn voeten te kijken en zo de val te vermijden. De vraag is echter niet of een andere, betere keuze mogelijk was, maar of de gemaakte keuze buiten de marge van zorgvuldig handelen viel.[2]

Dat verschillende, ook minder goede, beslissingen nog binnen de marge van zorgvuldig handelen kunnen vallen, blijkt ook uit meer specifieke regels. Zo bepaalt artikel 2:56 WVV dat bestuurders enkel aansprakelijk zijn voor gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal zorgvuldige bestuurders redelijkerwijze van mening kunnen verschillen. Dit is in wezen een alternatieve, en wellicht betere, omschrijving van de gewone zorgvuldigheidsnorm.[3]

Ook in de rechtspraak over overheidsaansprakelijkheid voor de rechterlijke macht volstaat het niet dat een beslissing later wordt hervormd of vernietigd. Een onjuiste toepassing van de wet vormt nog geen onzorgvuldigheid, hoewel een juiste toepassing van de wet uiteraard ook zorgvuldig was geweest. Enkel wanneer geen normaal zorgvuldig magistraat dezelfde beslissing zou hebben genomen en de beslissing dus buiten de marge van zorgvuldig rechterlijk handelen valt, is sprake van een fout.[4]

Precies daar wringt het arrest van 29 juni 2026. Een gedraging die buiten de marge valt waarbinnen redelijke en voorzichtige personen zich anders kunnen gedragen, is gewoon onzorgvuldig. Maar welke bijkomende normatieve stap maakt van die gewone fout een grove nalatigheid?

Een heilige graal?

Het probleem is niet nieuw. De doctrine en rechtspraak worstelen van oudsher met de ontwikkeling van een operationeel criterium. Als al sprake is van een gewone fout zodra iemand handelt zoals een redelijk en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden niet zou hebben gehandeld, hoe kan een grove of zware fout dan nog worden omschreven als een gedraging die nóg verder van diezelfde maatstaf afwijkt?[5]

Het arrest van 29 juni 2026 illustreert deze moeilijkheid eens te meer. De door het Hof gehanteerde definitie lijkt niet zozeer een criterium voor grove nalatigheid, maar eerder een alternatieve omschrijving van onzorgvuldig handelen zelf. Wie handelt op een wijze waarop een redelijk en zorgvuldig persoon nooit zou hebben gehandeld, handelt buiten de marge van zorgvuldig handelen en is daarom (gewoon) onzorgvuldig. De omschrijving van een gewone onzorgvuldigheid kan niet tezelfdertijd de omschrijving van de overtreffende trap van grove nalatigheid vormen.

Bovendien rijst een tweede vraag. De eiser voerde in zijn cassatiemiddel aan dat de feitenrechter niet had vastgesteld dat een redelijk en normaal zorgvuldig betaler nooit zou hebben gehandeld, zoals de eiser had gehandeld. Als het cassatiearrest zo moet worden begrepen dat dit verzuim inderdaad onwettig was, dreigt de door het Hof geformuleerde maatstaf te verworden tot een louter formele vereiste. In dat geval had het Brusselse hof van beroep precies dezelfde beslissing kunnen wettigen door toe te voegen dat geen enkele redelijke en voorzichtige betaler zich zo gedragen had in dezelfde omstandigheden.

Als het Hof méér heeft bedoeld, blijft onduidelijk welke bijkomende analyse de feitenrechter concreet had moeten verrichten. Het arrest preciseert niet welke omstandigheden een gewone onzorgvuldigheid tot grove nalatigheid verheffen, noch welke vaststellingen een beslissing op dat punt cassatiebestendig maken. Vanuit het perspectief van de feitenrechter biedt het arrest daardoor slechts beperkte houvast. Maar wat heeft een feitenrechter aan een hogere aansprakelijkheidsdrempel als niet kan worden aangegeven wat hij méér moet vaststellen dan voor een gewone fout?

Een denkbeeldige bescherming?

Dat het Belgisch recht er niet in slaagt een hanteerbaar onderscheid tussen de gewone fout en de zware fout te maken, is niet louter een theoretisch probleem. Het ontbreken van een duidelijk criterium dreigt de bijzondere bescherming die de wetgever in bepaalde gevallen heeft willen bieden grotendeels denkbeeldig te maken. Als vooraf niet kan worden aangegeven welke bijkomende elementen een gewone fout tot grove nalatigheid maken, komt het in belangrijke mate aan de feitenrechter toe om achteraf te bepalen wie de gevolgen van een schadegeval moet dragen. De kwalificatie dreigt dan minder het resultaat te zijn van een toetsing aan vooraf identificeerbare criteria dan van een moeilijk controleerbaar normatief waardeoordeel over wie uiteindelijk het verlies moet dragen.

Specifiek voor niet-toegestane betalingstransacties rijst bovendien een Unierechtelijk probleem. Zoals het Hof van Cassatie in het besproken arrest in herinnering brengt, bepaalt overweging 72 van de tweede Betalingsdienstrichtlijn dat grove nalatigheid meer veronderstelt dan loutere nalatigheid en een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid vereist. De concrete invulling van dat onderscheid wordt aan de nationale rechtssystemen overgelaten.

Het Europees recht verlangt dus alleszins dat een verhoogde zorgvuldigheidsdrempel wordt overschreden voordat het slachtoffer van een niet-toegestane betalingstransactie zelf zijn verlies moet dragen. Maar wordt die hogere drempel in België werkelijk gewaarborgd? Als niet kan worden afgebakend wat grove nalatigheid van een gewone nalatigheid onderscheidt, valt daaraan ernstig te twijfelen.

Gebrek aan concrete aanknopingspunten

Dat dezelfde moeilijkheid zich ook elders voordoet, blijkt uit een arrest van het Bundesgerichtshof van 22 juli 2025.[6] Ook daar wordt grove nalatigheid omschreven aan de hand van abstracte formules. Het Hof vereist een objectief ernstige schending van de vereiste zorgvuldigheid en een subjectief niet-verschoonbare fout, waarbij de betrokkene de vereiste zorgvuldigheid in uitzonderlijk hoge mate moet hebben veronachtzaamd en genegeerd wat zich in de gegeven omstandigheden aan iedereen had moeten opdringen.

Opvallend is echter dat het Bundesgerichtshof daarnaast aandacht besteedt aan meer concrete beoordelingsfactoren. Zo betrekt het het begrip Augenblicksversagen in zijn beoordeling. Dat begrip vertrekt van het onderscheid tussen een onmiddellijke en kortstondige misinschatting enerzijds en een beslissing die wordt genomen na enige bedenktijd anderzijds.

Het Hof hechtte in de zaak die tot dit arrest leidde een doorslaggevend belang aan de tijd die het slachtoffer had om de fraude te herkennen. Het overweegt dat het slachtoffer haar TAN-codes verspreid over twee dagen had doorgegeven, zodat zij na het eerste contact voldoende gelegenheid had om argwaan te koesteren. Impliciet volgt hieruit dat in de meer gebruikelijke phishingzaken, waarin het slachtoffer onder hoge tijdsdruk handelt, bijvoorbeeld omdat de fraudeur hem wijsmaakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen om een frauduleuze transactie te voorkomen, veel moeilijker tot grove nalatigheid kan worden besloten, zelfs als achteraf blijkt dat het slachtoffer duidelijk de verkeerde keuze heeft gemaakt.

Een sluitend onderscheidingscriterium levert dat nog altijd niet op. Ook de beschikbare bedenktijd is immers een omstandigheid die al een rol kan spelen bij de voorafgaande vraag óf iemand onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij verklaart dus evenmin waarom een onzorgvuldige gedraging niet gewoon, maar grof nalatig is. Wel maakt zij duidelijk dat een fout die het gevolg is van een onmiddellijke en kortstondige misinschatting slechts uitzonderlijk als grove nalatigheid kan worden aangemerkt. De benadering van het Bundesgerichtshof lost het begripsmatige probleem dus zeker niet op. Wel biedt zij de feitenrechter ten minste een concreet aanknopingspunt bij de beoordeling van de ernst van de onzorgvuldigheid.

Het besproken cassatiearrest reikt zulke aanknopingspunten niet aan, zodat de kwalificatie als grove nalatigheid vooral een moeilijk controleerbaar waardeoordeel van de feitenrechter blijft. Ondanks de uitgesproken cassatie lijkt het arrest van 29 juni 2026 daarin geen wezenlijke verandering te brengen.

Transcendental nonsense

De aanhoudende moeilijkheid om operationele beoordelingsfactoren te identificeren verklaart waarom de discussie over grove nalatigheid al decennialang in dezelfde begripsmatige cirkels blijft draaien. De zoektocht naar een omschrijving van de zware fout of grove nalatigheid begint zo steeds meer weg te hebben van wat Felix Cohen “transcendental nonsense” noemde: een juridisch debat waarin wordt gegoocheld met juridische begrippen en sub-begrippen. Daarbij wordt uit het oog verloren dat positief recht betrekking heeft op een maatschappelijke realiteit.[7]

Misschien is het daarom zinvoller een stap terug te nemen en stil te staan bij de functie en de fundamentele kenmerken van de zware fout. Wat een grove nalatigheid of zware fout ook precies moge zijn, zij moet alleszins heel uitzonderlijk blijven. Het Belgische recht legt de drempel voor het aannemen van een gewone fout immers al erg hoog. Dat achteraf blijkt dat een schadegeval had kunnen worden vermeden met een andere keuze, volstaat niet.

Wanneer de wetgever niet de gewone fout, maar een zware fout of grove nalatigheid vereist, impliceert dit dat zelfs een gedraging die buiten de grenzen van normaal zorgvuldig handelen valt, niet volstaat om het bijzondere rechtsgevolg teweeg te brengen. Een concreet aanknopingspunt kan liggen in het creëren van een zo evident en uitzonderlijk risico dat van normale veiligheidsmaatregelen redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat zij de gevolgen ervan ondervangen. In het betalingsrecht zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan het publiek delen van een pincode. Ook in andere domeinen kan het bewust creëren van een evident en uitzonderlijk risico, zoals spelen met vuur, in die richting wijzen.

Die verhoogde drempel mag dus slechts uitzonderlijk worden overschreden. Misschien is dat precies wat het Hof van Cassatie feitenrechters duidelijk tracht te maken met zijn arrest van 29 juni 2026. Zo ja, valt dit enkel toe te juichen. Maar het fundamentele probleem blijft bestaan. Zolang geen positieve criteria worden aangereikt, dreigen de abstracte omschrijvingen van begrippen als grove nalatigheid en zware fout weinig meer te zijn dan transcendental nonsense. Een juridische taal waarmee een rechter achteraf kan verantwoorden waarom hij de gevolgen van een schadeverwekkende handeling bij de ene dan wel de andere partij legt.

De vraag is dus misschien niet langer hoe we grove nalatigheid nóg abstracter kunnen definiëren. De betere vraag is welke concrete omstandigheden moeten rechtvaardigen dat iemand die de grens van zorgvuldig handelen heeft overschreden, ook de veel hogere drempel van grove nalatigheid heeft overschreden. Precies daarop biedt het arrest geen duidelijk antwoord. Het bevestigt dat grove nalatigheid méér is dan gewone nalatigheid, maar zegt uiteindelijk nauwelijks waarin dat méér bestaat.


[1] H. De Page,Traité élémentaire de droit civil belge II, Brussel, Bruylant,1964, nr.591bis, 585; Zie ook recenter Brussel 11 april 2024, TBH 2025, 45. Zie ook P. Berger en M. Goossens, ‘Elektronisch online betalen’, Recht en elektronische handel, Intersentia, 2021, 329 en R. Steennot, “Betaalfraude: a never ending story?’ noot onder Orb. Antwerpen 3 juni 2024, TBH 2025, 99;

[2]   P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge. Tome II. Les obligations. Volume 2, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 834, 1225; L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Maklu, Antwerpen, 1989, nr. 36, 54;

[3] Zie in dezelfde zin T. Vansweevelt en B. Weyts, Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht in Boek 6 BW, TPR 2026, nr. 193, 151; R. Tas, “Het foutbegrip inzake bestuursaansprakelijkheid: enkele korte bedenkingen over het overmatig gebruik van het woord ‘kennelijk’ en de zgn. marginale toetsing”, in Gouvernance et responsabilité. Mélanges à la mémoire de Didier Willermain, Brussel, Larcier 2023, 1135-1138;

[4] Cass. 8 december 1994, Arr.Cass. 1994, 1074. Zie hierover B. Dubuisson, “L’erreur du juge est-elle fatale?”, RDC/TBH 2013, 1128; A. Van Oevelen, “Staatsaansprakelijkheid voor ambtsfouten van handelsrechters”, TBH 2013, 1099;

[5] Zie in gelijkaardige zin T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2025, nr. 454, 344; P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge. Tome II. Les obligations. Volume 2, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 835, 1229; L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Maklu, 1989, nr. 93, 163;

[6] BGH 22 juli 2025, XI ZR 107/24, ECLI:DE:BGH:2025:220725UXIZR107.24.0;

[7] Zie F.S. Cohen, “Transcendental Nonsense and the Functional Approach”, Colum. L. Rev. 1935, 809-849;

Achterstallige RSVZ-bedragen als knipperlicht bij faillissement: parlementaire vraag en antwoord

Een eerder blogbijdrage maakte de vaststelling dat het knipperlicht van de onbetaalde RSVZ-bijdragen niet werkt. Hoewel artikel XX.23, §2, 3de lid WER sinds 1 mei 2018 aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) de verplichting oplegt om elk kwartaal een lijst van schuldenaren met minstens één onbetaalde verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen mee te delen aan de ondernemingsrechtbanken, gebeurt dit blijkbaar niet. Niet vandaag, niet de voorbije acht jaar. Voormelde blogbijdrage stelt: “Waarom deze RSVZ-gegevens niet worden meegedeeld, is niet gekend. Het is ook niet passend daarover gissingen te doen”.

Deze blogpost heeft evident geleid tot enige beweging. Zo werd onder meer door volksvertegenwoordiger Raskin verschillende parlementaire vragen gesteld aan de Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s.

Continue reading “Achterstallige RSVZ-bedragen als knipperlicht bij faillissement: parlementaire vraag en antwoord”

From Outrage to Regulation: 300 Years of Corporate Scandals and their Legal Aftermath – Holger Fleischer.

George Sarton (1884-1956) was an alumnus of UGent and one of the founding fathers of history of science as an academic discipline. In 1984, Ghent University established the Sarton Chair in History of Science. Every year, the Sarton Committee selects a chair holder and several medal holders. The Sarton Chair for History of Science 2026-27 was awarded to Prof. dr. Holger Fleischer.

Holger Fleischer is a Director of the Max Planck Institute for Comparative and International Private Law in Hamburg, a position he has held since 2009. He ranks among the most distinguished scholars of corporate law in Europe and internationally. His academic standing is reflected in the two honorary doctorates he has received, from Paris Descartes University and Radboud University Nijmegen, as well as in the prestigious German Leibniz Prize, sometimes referred to as the “German Nobel Prize,” which was awarded to him in 2008. At the Max Planck Institute, he has developed and led ambitious multi-year research programmes addressing fundamental questions in corporate law.

Drawing on Holger Fleischer’s research programme on 300 years of corporate scandals, his inaugural lecture examines how spectacular corporate failures become catalysts for legal and regulatory change around the globe. From early financial crises to modern accounting and banking scandals, it identifies recurring patterns of misconduct, public outrage, investigation, and reform. The lecture asks why some scandals trigger lasting legal change while others fade without major consequences, and what this reveals about the dynamics – and limits – of scandal-driven regulation.

When? Thursday, October 22, at 5 p.m.

Where? Kapittelzaal, Meeting Centre De Abt (Lange Kruisstraat 4, 9000 Gent)

Bonus? The lecture will be followed by a reception.

Register here

Professor Fleischer was nominated for the Sarton Chair by the Faculty of Law and Criminology (collega proximus: prof. dr. Hans De Wulf)

Ook de hoofdelijk aansprakelijke bestuurder heeft recht op verweer

Hof van Justitie 16 juli 2026, C-158/25

1. In een arrest van 16 juli 2026[1] heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor niet-betaalde btw schulden van een vennootschap en, meer bepaald, over de vraag in welke mate die bestuurder nog kan opkomen tegen de definitief vastgestelde belasting in hoofde van de vennootschap. Het arrest is interessant omdat het een aantal principes herhaalt die ook op andere vlakken van bestuurdersaansprakelijkheid relevant – of niet relevant – kunnen zijn (zie verder randnummer 6). Bovendien is dit arrest een aanleiding tot reflectie over de doeltreffendheid van de bestaande regel (zie randnummer 8).

Continue reading “Ook de hoofdelijk aansprakelijke bestuurder heeft recht op verweer”

Meer dan de helft van de faillissementen eindigt met ontoereikend actief: nieuwe cijfers over lege boedels

Een post door Gauthier Vandenbossche (UGent)

Uit het antwoord op een recente parlementaire vraag van Koen Van den Heuvel (cd&v) blijkt dat meer dan de helft van alle afgesloten faillissementen in België eindigt wegens ontoereikend actief. In 2025 liep dat aandeel zelfs op tot bijna 60% en betaalde de Belgische Staat ruim 4,6 miljoen euro aan forfaitaire curatorvergoedingen in lege boedels. De nieuwe cijfers maken de omvang van de problematiek voor het eerst concreet en vormen tegelijk een aanleiding om breder na te denken over de functie en financiering van het faillissement, het alternatief van de gerechtelijke ontbinding en de bijzondere positie van natuurlijke personen voor wie het faillissement ook de toegangspoort tot kwijtschelding vormt.

De problematiek van lege boedels in het insolventierecht is bekend. De klassieke faillissementsprocedure vertrekt van een vermogen dat door de curator wordt beheerd en vereffend, waarna de opbrengst onder de schuldeisers wordt verdeeld. Wanneer nauwelijks of geen actief aanwezig is, valt precies die klassieke vereffenings- en verdeellogica grotendeels weg.

Eén manier om de omvang van de legeboedelproblematiek te benaderen, is door faillissementen die worden afgesloten wegens ontoereikend actief als proxy te gebruiken. Wanneer de curator vaststelt dat het actief ontoereikend is om de vermoedelijke kosten van beheer en vereffening te dekken, kan hij de rechtbank verzoeken het faillissement wegens ontoereikend actief te sluiten (art. XX.135 WER).[1]

Over het aandeel van faillissementen dat wegens ontoereikend actief wordt afgesloten, was tot dusver weinig publieke informatie beschikbaar. Dat is opmerkelijk, aangezien in beleidsdocumenten al werd gesteld dat dergelijke dossiers het “leeuwendeel van de faillissementen[2]” uitmaken. Het antwoord op een recente parlementaire vraag maakt het nu mogelijk om daar concrete cijfers op te kleven.[3]

Algemeen beeld

Meer bepaald blijkt dat meer dan de helft van alle afgesloten faillissementen eindigt wegens ontoereikend actief. Tussen 2021 en juni 2026 werden volgens de meegedeelde cijfers 48.012 faillissementen afgesloten. Daarvan eindigden er 26.592, of 55,39%, wegens ontoereikend actief.[4]

Niet alleen vormen de faillissementen die wegens ontoereikend actief worden beëindigd in elk afzonderlijk jaar de meerderheid, ook neemt hun relatieve belang duidelijk toe. Het aandeel stijgt van 51,99% in 2021 tot 59,70% in 2025, of bijna zes op de tien afgesloten faillissementen. Dat is een stijging met 7,71 procentpunt. Lege boedels lijken in de faillissementspraktijk dus steeds meer gewicht te krijgen.

De klassieke verdeelfunctie van het faillissement kan in een bijzonder groot deel van de dossiers dus slechts beperkt worden gerealiseerd. Dat roept minstens drie vragen op: wie betaalt de curator, welke controle blijft noodzakelijk en wanneer is een eenvoudiger alternatief voor het faillissement aangewezen?

In de analyse van die vraagstukken is het nuttig om een onderscheid te maken tussen rechtspersonen en natuurlijke personen.

Rechtspersonen

Voor rechtspersonen is het beeld in wezen hetzelfde als bij de totale cijfers. Ook hier blijkt dat meer dan de helft (54,62%) van de afgesloten faillissementen eindigt wegens ontoereikend actief. Rechtspersonen maken in absolute aantallen veruit het grootste deel van de waargenomen faillissementen uit, waardoor zij in belangrijke mate het algemene patroon bepalen.

Wie betaalt de curator?

Een faillissement dat wegens ontoereikend actief wordt afgesloten, leidt doorgaans niet of nauwelijks tot een uitdeling aan schuldeisers. Tegelijk vereist ook zo’n procedure de aanstelling van een curator, die op zijn beurt moet worden vergoed.

Het ereloon van de curator wordt in beginsel gedragen door de boedel. Wanneer het actief daarvoor echter ontoereikend is, geldt een forfaitaire vergoeding (zie art. 9 KB 26 april 2018). Eventuele beschikbare netto-opbrengsten worden daarop aangerekend. Het resterende tekort wordt door de Belgische Staat gedragen. Dat verklaart waarom legeboedelfaillissementen in het beleidsdebat geregeld als “kostelijk” of “te duur” worden voorgesteld.[5]

Ook over de omvang van die staatsfinanciering waren nauwelijks concrete cijfers voorhanden. De parlementaire vraag brengt daar voor het eerst meer duidelijkheid in. In 2025 verrichtte de Belgische Staat 3.713 overschrijvingen in het kader van deze forfaitaire vergoeding, voor een totaal van 4.662.066,74 euro. In de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2026 ging het al om 2.062 overschrijvingen, samen goed voor 2.735.442,48 euro.

Gedeeld door het aantal overschrijvingen komt dat neer op gemiddeld ongeveer 1.255,61 euro in 2025 en 1.326,60 euro in de eerste helft van 2026 – hetgeen te verklaren is door de indexatie van de forfaitaire vergoeding. Die bedragen illustreren dat de resterende bijdrage uit de boedel in veel gevallen zeer beperkt moet zijn.[6]

Hier kan ook een voorzichtige vergelijking gemaakt worden met voormelde sluitingscijfers. In 2025 werden 5.295 faillissementen wegens ontoereikend actief afgesloten, terwijl datzelfde jaar 3.713 overschrijvingen voor forfaitaire curatorvergoedingen plaatsvonden. Dit illustreert mooi het verschil tussen de legeboedelproblematiek in brede zin (d.i. onvoldoende actief om de vermoedelijke procedurekosten te dragen) en de engere categorie waarin de resterende boedel zelfs onvoldoende is voor het forfaitaire curatorereloon.

Een dure procedure?

Daarmee is zeker nog niet gezegd dat het faillissement voor zulke boedels te duur is, laat staan dat de uitgaven nutteloos zouden zijn.

In eerder empirisch onderzoek heb ik geprobeerd om die vraag vanuit het perspectief van de curator te benaderen. Aan de hand van een Time-Driven Activity-Based Costing-model werd voor 145 legeboedelfaillissementen van rechtspersonen geraamd welke kost de standaardwerkzaamheden van de curator daadwerkelijk meebrengen. De mediane geraamde kost bedroeg 1.620,78 euro (voor 11,35 uur). In 131 van de 145 dossiers, of 90,34%, lag de geraamde kost hoger dan het toen toepasselijke forfait.

De tussenkomst van de Staat is vanuit dat perspectief dus niet eenvoudigweg een “betaling voor niets”. Ook zonder betekenisvolle uitdelingswaarde moeten curatoren in principe onder meer een inventaris opmaken, schuldvorderingen verifiëren en het faillissementsdossier samenstellen. Die drie activiteiten alleen vertegenwoordigden in het kostenmodel bijna de helft van de gemiddelde kost.

Bovendien mag een andere kernfunctie van het faillissement niet vergeten worden: informatie en controle. Juist bij rechtspersonen krijgt dat een bijzondere dimensie door de vermogensafscheiding. De curator kan nagaan of de boedel werkelijk leeg is, de boekhouding onderzoeken, mogelijke verdwenen activa opsporen, de oorzaken van het faillissement reconstrueren en signalen van onregelmatigheden of mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid detecteren. Dat het beschikbare actief uiteindelijk ontoereikend blijkt, betekent niet dat die werkzaamheden zonder waarde zijn. Het kan relevant blijven te onderzoeken waarom een rechtspersoon zonder actief achterblijft.

Als de wetgever van oordeel is dat ook bij lege boedels een dergelijke onafhankelijke controle moet plaatsvinden en dat de curator daarvoor de geschikte actor is, dan hebben dergelijke dossiers wel degelijk een plaats binnen het faillissement en is ook een gegarandeerde basisvergoeding te verantwoorden.

Maar wie hoort voor die controle te betalen?

Een andere vraag is wie de kost van die controlefunctie uiteindelijk moet dragen.

Dat de Belgische Staat tussenkomt, is op zichzelf verdedigbaar wanneer bepaalde curatorwerkzaamheden vooral een maatschappelijk controlebelang dienen. Maar het huidige model roept ook vragen op. Voor zover curatorvergoedingen tevens door andere dossiers (rijkere boedels) worden gedragen, financieren schuldeisers daar indirect de werking van het systeem. En vooral valt op dat net de bestuurders van leeg achtergelaten boedels niet (noodzakelijk) bijdragen aan de kost van het curatoronderzoek.

Een essentiële ontbrekende schakel is evenwel dat we voorlopig de maatschappelijke opbrengst van de controlefunctie niet kennen. Mijn kostenonderzoek meet welke werkzaamheden worden verricht en wat zij kosten, maar niet hoeveel onregelmatigheden worden ontdekt, hoeveel aansprakelijkheidsvorderingen worden ingesteld, hoeveel activa daardoor worden gerecupereerd, hoeveel strafrechtelijke meldingen volgen of welk preventief effect de controle heeft. Dat is een belangrijke piste voor verder empirisch onderzoek.

Gerechtelijke ontbinding: goedkoper, maar wanneer?

Die onzekerheid maakt ook duidelijk waarom voorzichtig moet worden omgesprongen met de gerechtelijke ontbinding in faillissementstoestand.[7]

Het zou bijzonder interessant zijn om te weten hoe vaak artikel XX.100 WER daadwerkelijk wordt gebruikt als alternatief voor een faillissement. Net daar loopt de parlementaire vraag echter ‘vast’ op een gebrek aan gegevens. Volgens het antwoord is het “wegens de huidige staat van de statistieken en het beschikbare detailniveau” niet mogelijk betrouwbare cijfers te geven over het aantal verzoeken of inwilligingen.

Een dergelijk gegevensgebrek is jammerlijk. Een recent Graydon-rapport toont wel dat de gerechtelijke ontbinding als algemene procedure een hoge vlucht heeft genomen: van 979 uitspraken in 2018 naar 5.329 in 2024 en 4.714 in 2025.[8]

Natuurlijke personen

Bij natuurlijke personen-ondernemers is het aandeel faillissementen dat wordt afgesloten wegens ontoereikend actief nog iets hoger (57,86%) dan in de algemene cijfers en bij rechtspersonen. Hoewel natuurlijke personen in absolute aantallen een veel kleinere groep vertegenwoordigen, is de legeboedelproblematiek er proportioneel duidelijk nog uitgesprokener.

Rol van kwijtschelding

Bij natuurlijke personen ligt de functie van het faillissement deels anders. Zij verdwijnen na de sluiting niet uit het rechtsverkeer, maar de afsluiting van het faillissement gaat in beginsel gepaard met de kwijtschelding van hun restschulden (art. XX.173 WER). Naar Belgisch recht is de fresh start van de natuurlijke persoon-ondernemer daardoor rechtstreeks in de faillissementsprocedure ingebouwd. Het faillissement krijgt voor natuurlijke personen daardoor een hybride karakter. Het is niet alleen een liquidatieprocedure waarin het bestaande vermogen wordt afgewikkeld, maar tegelijk de ‘toegangspoort’ tot schuldbevrijding en een nieuwe start. De geringe omvang van het aanwezige vermogen maakt die tweede functie niet minder relevant – integendeel.

Waar de controlefunctie bij rechtspersonen vooral retrospectief is, zou deze voor natuurlijke personen eerder toekomstgericht moeten zijn, met name gericht op de vraag of er reële aflossingscapaciteit bestaat. Dat het Belgische faillissementsrecht daarbij van de natuurlijke persoon-ondernemer geen enkele bijdrage verwacht vanuit zijn toekomstige inkomsten[9], is op zich opmerkelijk en contrasteert niet alleen met de consument, maar ook met Nederland en Duitsland.

Nederland organiseert de ‘schone lei’ via de afzonderlijke Wsnp, die voor natuurlijke personen een gestandaardiseerd saneringstraject vormt. Daar moeten ook inkomsten boven het vrij te laten bedrag ten behoeve van schuldeisers worden afgedragen (achttien maanden). Duitsland koppelt de Restschuldbefreiung aan de insolventieprocedure, maar laat na de liquidatiefase eveneens een periode van inkomstenafdracht doorlopen (drie jaar). In beide systemen staat dus niet alleen het reeds aanwezige vermogen, maar ook de toekomstige aflossingscapaciteit gedurende een begrensde periode centraal.

De recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof toont bovendien een nadeel van de zeer nauwe koppeling tussen faillissement(safsluiting) en kwijtschelding. In arrest nr. 55/2026 oordeelde het Hof dat een gefailleerde niet noodzakelijk tot de formele sluiting mag blijven wachten wanneer de termijn waarbinnen nog weigering van de kwijtschelding kan worden gevorderd reeds verstreken is. Dit arrest illustreert dat beide functies niet noodzakelijk hetzelfde tijdspad hoeven te volgen.

Een mogelijke hervormingsrichting is daarom om de liquidatie van het bestaande vermogen en het traject naar kwijtschelding conceptueel sterker van elkaar te onderscheiden. Het faillissement kan dan doen waarvoor een faillissement in de eerste plaats geschikt is (d.i. activa lokaliseren, controleren en vereffenen), terwijl de kwijtschelding volgens een afzonderlijke, wettelijk genormeerde saneringslogica kan verlopen.

Ook relevant voor de consument

De problematiek van schuldenaren zonder betekenisvol vermogen of aflossingscapaciteit is uiteraard niet beperkt tot ondernemers. Natuurlijke personen die geen ondernemer zijn, vallen in België onder de collectieve schuldenregeling. Die procedure gaat uit van een (minnelijke) aanzuiveringsregeling.

Mijn empirisch onderzoek naar 118 minnelijke aanzuiveringsregelingen bij de arbeidsrechtbank Gent maakt de heterogeniteit van deze dossiers zichtbaar. Van de 78 regelmatig beëindigde regelingen duurden 32 dossiers zeven jaar of langer. Slechts één van die 32 leidde tot volledige terugbetaling. In 11 van de 78 beëindigde regelingen (14,1%) lag de gemiddelde jaarlijkse vergoeding van de schuldbemiddelaar zelfs hoger dan het gemiddelde jaarlijkse bedrag dat aan de schuldeisers werd uitgekeerd.

Naar een uniforme(re) kwijtscheldingslogica

Het lijkt mij weinig overtuigend om de kwijtschelding van natuurlijke personen fundamenteel verschillend te blijven organiseren louter naargelang zij op het relevante ogenblik al dan niet ondernemer zijn.

Een uniformere kwijtscheldingslogica betekent niet dat ondernemers en consumenten noodzakelijk in exact dezelfde insolventieprocedure moeten worden ondergebracht. Evenmin betekent zij onmiddellijke of onvoorwaardelijke kwijtschelding. Wel zouden voor alle natuurlijke personen dezelfde fundamentele parameters kunnen gelden: structurele insolventie, eerlijke en loyale medewerking, correcte informatieverstrekking, bescherming van een menswaardig bestaansminimum en een redelijke bijdrage uit de reële aflossingscapaciteit gedurende een beperkte, wettelijk genormeerde periode.

Onder andere deze vraagstukken komen aan bod in mijn proefschrift “Het toepassingsgebied van Belgische insolventieprocedures getoetst aan hun doelstellingen en kenmerken. Een juridisch en empirisch onderzoek”. De publieke verdediging gaat door op donderdag 24 september 2026 (om 17 uur in de Foyer van NTGent). Inschrijven kan hier.

Gauthier Vandenbossche


[1] Een belangrijke nuance is dat “ontoereikend actief” niet hetzelfde betekent als “geen actief”. Ook een boedel waarin nog bepaalde activa (potentieel) aanwezig of gerealiseerd zijn, kan ontoereikend zijn zodra die middelen onvoldoende zijn om de vermoedelijke beheers- en vereffeningskosten te dragen. In mijn onderzoek gebruik ik daarom ook een enger begrip van de lege boedel: de categorie waarin zelfs het wettelijke forfaitaire ereloon van de curator niet uit de netto-opbrengst kan worden gefinancierd en de bijzondere forfaitaire vergoedingsregeling speelt.

[2] MvT, wetsvoorstel houdende diverse wijzigingen inzake insolventie van ondernemingen, Parl.St. Kamer 2020- 21, nr. 55-1591/001, 4.

[3] Zie https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=qrva&language=nl&cfm=qrvaXml.cfm?legislat=56&dossierID=56-Bxxx-1446-1184-2025202611041.xml. De statistieken zijn gebaseerd op een data-extractie van 20 juni 2026. Het jaar 2026 betreft bijgevolg geen volledig kalenderjaar. De aantallen “afgesloten wegens ontoereikend actief” omvatten zowel afsluitingen op grond van art. XX.135 WER als dossiers die nog op grond van de vroegere Faillissementswet werden afgesloten. Volgens het antwoord zijn de statistieken afkomstig uit de gegevens ingevoerd in EEOU (TCKH); de cel Statistieken ontvangt geen gegevens uit RegSol.

[4] Tijdens deze periode werden er ook nog faillissementen afgesloten wegens ontoereikend actief op basis van de Fw.

[5] Zie MvT, Wetsontwerp omzetting Insolventierichtlijn, KAMER, 2022-2023, 20 maart

2023, nr. 55-3231/001, 10. Zie ook Verslag van de eerste lezing, Wetsontwerp omzetting Insolventierichtlijn,

KAMER, 2022- 2023, 27 april 2023, nr. 55-3231/004, 34.

[6] Voorzichtigheid blijft wel nodig: het antwoord spreekt over overschrijvingen, zodat zonder bijkomende gegevens niet kan worden aangenomen dat elke overschrijving met exact één uniek faillissementsdossier overeenstemt.

[7] Sinds 1 september 2023 kan een rechtspersoon die aan de faillissementsvoorwaarden voldoet onder de voorwaarden van artikel XX.100 WER gerechtelijk worden ontbonden in plaats van failliet te worden verklaard. De rechtbank spreekt de ontbinding uit wanneer geen significante activa voorhanden zijn en het algemeen belang dat vereist. Er wordt dan geen klassieke faillissementsprocedure geopend en dus ook geen curator aangesteld om het gebruikelijke faillissementsonderzoek te voeren.

[8] Dat rapport kan de ontbrekende statistieken over artikel XX.100 WER evenwel niet vervangen. Niet elke gerechtelijke ontbinding betreft immers een insolvente vennootschap of toepassing van artikel XX.100.

[9] Opbrengsten van bijvoorbeeld arbeidsprestaties geleverd na de opening van het faillissement blijven buiten de boedel, zie ook Cass. 31 maart 2022, AR C.21.0160.N.

Continue reading “Meer dan de helft van de faillissementen eindigt met ontoereikend actief: nieuwe cijfers over lege boedels”

Net verschenen: Beginselen van Insolventierecht (Owl, 568 p.)

Beginselen voor insolventierecht is ontwikkeld voor onderwijs aan studenten in de masters Rechten in Leuven en Hasselt en Economie, Recht en Bedrijfskunde in Leuven. De focus ligt op het begrip van essentiële concepten en inzicht in de context waarin het insolventierecht functioneert, met aandacht voor de economische analyse van insolventie(recht). Als studieboek beoogt het niet alleen kennisoverdracht, maar ook het stimuleren van een kritische houding ten opzichte van het insolventierecht en de onderliggende beleidsmatige overwegingen.

Dit boek aspireert daarmee uitdrukkelijk niet een exhaustief handboek voor de praktijk te zijn. Dat belet niet dat wij hopen dat dit ook een waardevolle bron kan zijn voor praktijkjuristen, net door een academische focus op het essentiële – minstens toch wat wij essentieel vonden – zonder uit te weiden over practicalia zoals kosten, termijnen of pleegvormen die elders beter behandeld worden.

Het uitgangspunt van het boek is de insolventie van rechtspersonen (‘corporate insolvency’), in een duidelijke breuk met traditionelere benaderingen waarbij de twee soorten investeerders, de schuldeiser (‘debt’) en de aandeelhouder (‘equity’), niet met mekaar in verband gebracht werden. Er is hierdoor uitgebreide aandacht voor de interactie tussen vennootschapsrecht en insolventierecht, zoals de positie van aandeelhouders binnen procedures, de uitdagingen van groepsstructuren en de relevantie van verschillen in internationaal privaatrecht. Andere organisatievormen zoals maatschappen komen aan bod in specifieke excursies.

Referenties zijn tot een minimum beperkt om de leesbaarheid te verhogen (en om de auteurs tot discipline te dwingen). In plaats daarvan wordt aan het begin van elk hoofdstuk een gecureerde bibliografie aangeboden. Deze bevat een persoonlijke selectie van belangrijke en inspirerende bronnen.

Door het hele boek zijn ‘vignettes’ opgenomen die dienen om bepaalde onderwerpen te verdiepen of te illustreren. Dit kunnen casestudy’s zijn van rechtspraak die de regels tot leven brengen, maar ook historische toelichtingen, rechtsvergelijkende analyses of opiniërende beschouwingen.

*   *
*

Dit boek is een collectief werk. Joeri Vananroye zorgde voor het concept, het eerste en derde hoofdstuk en de integratie van de verschillende delen. Marc Van de Looverbosch (advocaat, DLA Piper) schreef over vermogenspubliciteit, een belangrijk thema in het proefschrift dat hij in 2024 verdedigde. Karen Paridaen (FSMA) behandelde executie en beslag. Angélique Daponte (NBB) nam de persoonlijke zekerheiden voor haar rekening en, samen met Lene Verhaegen en Jari Vermeulen van het Instituut voor Insolventierecht de zakelijke zekerheden. Marlies De Brabandere (advocaat, Crivits Legal) herwerkte de persoonlijke zekerheden n.a.v. de invoering van Boek 9.1 BW. Olivier Roodhooft (advocaat, Intui) en Caro Van den Broeck (advocaat, Loyens & Loeff) namen de impact op de verhaalsrechten en op hun rangschikking voor hun rekening, respectievelijk voor faillissement en gerechtelijke reorganisatie. Dioni Heymans schreef (tijdens het schrijven als student onderzoeksmaster, nu assistent aan het Instituut voor Fiscaal Recht) over boedelschulden. Gangmaker van het eerste uur Arie Van Hoe (advocaat, Cresco) schreef over de impact van insolventieprocedures op overeenkomsten. Gillis Lindemans (advocaat, Quinz) behandelde het thema van zijn proefschrift, de wedersamenstelling van de boedel door de pauliana en verwante actiemogelijkheden. Dit werd aangevuld door Stijn De Dier (advocaat, Quinz) met specifieke vennootschapsrechtelijke remedies. Frederik De Leo (gastprofessor KU Leuven and advocaat, NautaDutilh) schrijft over de overdracht van de onderneming in de context van faillissement. Zijn proefschrift over Schuldeiser en behoorlijk insolventiebestuur (Intersentia, 2021, xxii + 1140 blz.) inspireerde vele andere hoofdstukken. Nathan Willems (tijdens het schrijven als student onderzoeksmaster, nu student in Edinburgh) schreef de rechtsvergelijkende vignettes. Lene Verhaegen en Jari Vermeulen, later aangevuld met Jane Smolderen – die als studente de eerste versie van Beginselen onderging –, van het Instituut voor Insolventierecht waren verder onmisbaar bij de integratie van de stukken, het nazicht en als noodzakelijke zwervende krachten.

Joeri Vananroye

Over business angels, B-bestuurders en bestuurdersaansprakelijkheid

Ook tijdens de vakantieperiode vergast de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent de geïnteresseerde lezer met de regelmaat van de klok op interessante uitspraken. Vorige week werd een vonnis op Juportal geplaatst (ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260805.1) dat verplichte lectuur vormt voor wie een bestuursmandaat opneemt als “vertegenwoordiger” van een aandeelhouder (denk bv. aan venture capital, maar ook wel private equity).

De aan het vonnis onderliggende relevante feiten laten zich kort als volgt samenvatten: eind 2014 wordt een vennootschap opgericht. In 2022 verwerven 6 externe investeerders 25% van de aandelen, welke het statuut van B-aandelen krijgen. Eén van de investeerders – komende uit een netwerk van zgn. “business angels” wordt op dat ogenblik bestuurder. Tegelijk wordt een derde bestuurder benoemd, die geen aandeelhouder is en als onafhankelijk wordt beschouwd. Samen maken de drie bestuurders (A: oprichter; B: vertegenwoordiger B-aandeelhouders; C: onafhankelijk) een collegiaal bestuursorgaan uit.

De zaak zou niet voor de insolventierechter belanden mocht alles goed zijn blijven gaan. In augustus 2024 doet de vennootschap aangifte van staking van betaling. Enige tijd later stelt de curator een vordering bestuurdersaansprakelijkheid in tegen alle bestuurders (A, B en C).

Lezing van het vonnis maakt zeer duidelijk dat de oprichter-bestuurder weinig correct heeft gehandeld jegens de vennootschap én zijn collega-bestuurders. Belangrijke informatie werd stelselmatig achter gehouden of verkeerd voorgesteld. For the sake of the argument kan er vanuit worden gegaan dat A een weinig betrouwbaar sujet was.

Het vonnis bevat twee relevante lessen voor toekomstige bestuurders B.

Initieel bedrog is geen permanente verdediging

Bestuurder B bevond zich in een weinig benijdenswaardige situatie. Samen met andere bestuurders heeft hij geïnvesteerd in een vennootschap, waarvan nadien blijkt dat de oprichter-bestuurder voor geen haar te vertrouwen is. De rechtbank erkent deze situatie, maar maakt tegelijk kristalhelder dat deze pijnlijke vaststelling geen permanente verdediging biedt tegen een latere bestuurdersaansprakelijkheid. Eens de realiteit inzinkt, dienen de bestuurders te handelen op basis van de informatie waarover zij op dat ogenblik beschikken (overweging 5.10.7.: “Aanvankelijk konden tweede en derde verweerder wijzen naar eerste verweerder die kennelijk correcte informatie achterhield, doch dit is eindig.”).

Bestuurders die desondanks verderzetten, mede gelet op hun positie als aandeelhouder, riskeren aansprakelijk te worden gesteld, ook al werden zij initieel misleid (overweging  5.3: “Begin 2024 maakten nieuwe tegenvallende resultaten en de reeds bestaande schuldenlast evenwel duidelijk dat de insolventie van de vennootschap onafwendbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank had het uitzichtloos karakter op dat ogenblik voor iedere zorgvuldig handelende bestuurder gekend moeten zijn. Enkel de derde verweerder, als enige bestuurder zonder aandeelhoudersbelang, heeft deze realiteit tijdig onderkend en zijn bestuursmandaat neergelegd op 23 januari 2024, nadat hij op 16 januari 2024 de onverbloemde financiële rapportage ontving. Tweede verweerster heeft de onderneming wel verder gezet omdat zij als investeerder tegen beter weten in, te lang de hoop heeft gekoesterd om haar investering niet te verliezen en heeft kennelijk niet meer rationeel gehandeld.”).  

B-bestuurder maakt geen B-verantwoordelijkheid    

Bestuurder B maakt deel uit van een collegiaal bestuursorgaan, waarin bestuurder A buiten de lijntjes kleurt. Biedt het “statuut” als B-bestuurder, ter vertegenwoordiging van B-aandeelhouders, enige bescherming aan B? De centrale overweging (overweging 5.10.6) van de rechtbank ter zake verdient volledig geciteerd te worden.

“In conclusie stelt tweede verweerster onder meer nog dat zij “uiteindelijk een rol opnam als investeerder-bestuurder (enig B-bestuurder)”. Tweede verweerster lijkt zich onvoldoende rekenschap te hebben gegeven dat zij deel uitmaakte van een collegiaal bestuur en dat zij net zoals de “founder” (oprichter) een eigen verantwoordelijkheid had als bestuurder. Ongeacht of men A-bestuurder of B-bestuurder was. Het uitgangspunt dat eerste verweerder als “founder” of oprichter een andere bestuurstaak of verantwoordelijkheid zou hebben gehad dan tweede en derde verweerder, kan niet worden gevolgd. Binnen een collegiaal bestuursorgaan rust niet alleen op iedere bestuurder een eigen verantwoordelijkheid voor het bestuur van de vennootschap. De collegialiteit verplicht de individuele bestuurder toezicht te houden op de medebestuurders. Tweede verweerder bouwt een argumentatie op alsof eerste verweerder een gedelegeerd bestuurder zou zijn, wat geenszins het geval was. Het bestuur van [SPEL] werd toevertrouwd aan een collegiaal bestuursorgaan. Er werd geen gedelegeerd bestuurder aangesteld of dagelijks bestuur geïnstalleerd. Conform de statuten had een zogenoemde “B-bestuurder” dezelfde bevoegdheden en verantwoordelijkheden als de overige bestuurders. Uit de stukken blijkt dat tweede verweerster zich overwegend als afgevaardigde van de investeerders heeft gedragen, eerder dan als bestuurder. Als een zogenoemde ‘business angel’ na haar inbreng toetreedt tot een collegiaal bestuur, dan is zij volwaardig bestuurder met alle daarbij horende verantwoordelijkheden. Van een bestuurder mag worden verwacht dat zij zich actief informeert over de toestand van de vennootschap. Zij kan zich niet beperken tot het passief afwachten van de informatie die door een medebestuurder of ‘founder’ wordt verstrekt. Zeker niet wanneer eerdere anomalieën werden vastgesteld en wanneer duidelijk is dat de mede-bestuurder onbetrouwbaar blijkt. De curator stelt dan ook volkomen terecht dat het bestuur “te licht over de precaire situatie [ging]”.

Besluit

Bestuurders kunnen om diverse redenen aan boord komen van een vennootschap. Wanneer zij deel uitmaken van een collegiaal bestuursorgaan is er geen plaats voor A, B, C, … bestuurders, althans niet wanneer het aankomt op het bepalen van de aansprakelijkheid ervan betreft. Bestuurder is bestuurder. Wanneer een overige bestuurder het spel niet correct speelt, kan dit niet als permanent excuus dienen (uit het uiteindelijke “resultaat” van het vonnis kan wel worden afgeleid dat de rechter enige “sympathie” had voor het lot van bestuurder B, m.n. bij de begroting van de concrete schadevergoeding – desalnniettemin blijven voorgaande principes hoogst relevant). Op dat ogenblik dienen onmiddellijk de maatregelen worden getroffen die zich opdringen, redenerend vanuit het vennootschapsbelang. In die zin is de ene bestuurder de andere wel (speling op L. Cornelis, “De ene bestuurder is de andere niet, ook niet in vennootschappen”, Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, 239- 258, die afsluit met volgende woorden: “Net zoals het sturen op openbare weg is het besturen van een vennootschap een risicovolle activiteit.”)

Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER

GwH 9 juli 2026, nr. 85/2026

1. In een arrest van 9 juli 2026 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel XX.3, tweede lid  WER de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat artikel 55 Ger.W. niet van toepassing is op het hoger beroep dat wordt ingesteld op grond van artikel XX.232 WER.

2. Op grond van artikel XX.229, §1 WER kan de insolventierechtbank een zogenoemd beroepsverbod opleggen indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement.

Het tussengekomen vonnis waarbij een beroepsverbod wordt opgelegd, wordt met toepassing van artikel XX.231 WER bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en de griffier geeft er kennis van bij gerechtsbrief aan de gefailleerde.

De gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. Krachtens artikel XX.232,eerste lid loopt de termijn van hoger beroep vanaf de kennisgeving.

Boek XX WER voorziet geen specifieke beroepstermijn, zodat voor deze vonnissen de gemeenrechtelijke beroepstermijn van artikel 1051, eerste lid Ger.W. geldt, namelijk één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving.

Tot hier geen probleem.

3. Volgens artikel 1051, vierde en vijfde lid Ger.W. wordt de termijn van hoger beroep echter verlengd overeenkomstig artikel 55 Ger.W. wanneer de partij aan wie het vonnis ter kennis is gebracht, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft.

Continue reading “Het Grondwettelijk Hof ziet een schending van de Grondwet in art. XX.3 WER”

Exit Faillissement? Een juridische denkoefening over de afwikkeling van lege doos vennootschappen

Een blogpost door Andreas De Fonseca

De wetgever heeft met de wet van 7 juni 2023 de gerechtelijke ontbinding verder verruimd. Het is vanaf nu een volwaardig alternatief voor het faillissement van bepaalde rechtspersonen. Dit kan gezien worden als een verderzetting van de trend die ten grondslag ligt aan de wet van 17 mei 2017. Hiermee werd het nog eenvoudiger om inactieve vennootschappen, die het economisch verkeer kunnen ‘besmetten’, op te ruimen via gerechtelijke ontbinding. De wetgever wenst deze ‘lege dozen’ tegen zo laag mogelijke kosten te verwijderen. De gerechtelijke ontbinding lijkt hiervoor het uitgelezen instrument aangezien er, in tegenstelling tot het faillissement, niet steeds een vereffenaar moet worden aangesteld.  Vele lege dozen kwamen echter alsnog terecht in de faillissementsprocedure, die de Staat opzadelde met allerlei kosten. Vooral de pro deo forfaitaire vergoeding voor de curator werd door de wetgever bestempeld als een inefficiënte aanwending van algemene middelen.  De wet van 7 juni 2023 moet het mogelijk maken om die besparingen te realiseren, door de gerechtelijke ontbinding onder bepaalde omstandigheden mogelijk te maken.

In deze blogpost is het de bedoeling om een denkoefening uit te voeren over dit thema. In het eerste deel van de blogpost gaan we ervan uit dat de wetgever moet gevolgd worden. Lege dozen ontbinden zonder aanstelling van een vereffenaar is de correcte piste. Hierbij wordt nagegaan hoe de wetgever dit nu heeft ingevuld met de wet van 7 juni 2023 en hoe dit anders/beter had kunnen worden vormgegeven. Het tweede deel gaat ervan uit dat de wetgever niet moet gevolgd worden. Dat de gerechtelijke ontbinding geen alternatief mag worden voor het faillissement. Hoe kan men er dan alsnog voor zorgen dat het verwijderen van lege dozen geen buitensporig dure operatie wordt, die geen baten oplevert voor stakeholders, waaronder de overheid? Voor beide pistes zal gebruik gemaakt worden van rechtsvergelijkende aspecten om alternatieven binnen de piste aan te dragen

Continue reading “Exit Faillissement? Een juridische denkoefening over de afwikkeling van lege doos vennootschappen”

Wat als niet alle knipperlichten knipperen

Statistiek over onbetaalde RSVZ-bijdragen bij faillissement

1. Inleiding en wat geschiedenis

1.1. De ondernemingsrechtbank vervult, binnen de grenzen van haar insolventiebevoegdheid, onder meer de taak van economische politie ter bescherming tegen de impact en de schadelijke maatschappelijke gevolgen die een faillissement met zich kan meebrengen.[1]

Deze taak wordt onder meer uitgeoefend door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden (KOIM) in de ondernemingsrechtbank die belast is met het opvolgen van de toestand van ondernemingen in moeilijkheden. De KOIM tracht tijdig dreigende insolventie op te sporen. In haar onderzoek daartoe baseert zij zich onder meer op wettelijke indicatoren die mogelijk wijzen op financiële moeilijkheden, de zogenoemde ‘knipperlichten’.

Continue reading “Wat als niet alle knipperlichten knipperen”

Position Paper from the Belgian Centre of Company Law on the EU Inc. Proposal

The Belgian Centre of Company Law (BCV/CDS) published a position paper on the proposal for a EU Inc. The paper can be consulted here.

From the executive summary:

Oproep TRV-RPS-prijs

Trad u dit academiejaar op als promotor of auteur van een masterproef in het (brede) vennootschapsrecht? 

In dat geval wijzen wij u graag op de TRV-RPS-prijs, die in 2027 voor de zeventiende keer wordt uitgereikt.

Deze jaarlijkse prijs beloont het beste eindwerk over vennootschapsrecht, financieel recht of vennootschapsbelastingrecht. Het eindwerk dient voor publicatie in aanmerking te komen, en moet dit academiejaar zijn tot stand gekomen in het kader van een (aanvullende) opleiding tot meester in de rechten aan een Belgische universiteit of georganiseerd in samenwerking met een Belgische universiteit.

De prijs bestaat uit €1.500 en de publicatie van een herwerkte versie van het eindwerk in het TRV-RPS.

Kandidaten worden met een korte motivatie voorgedragen door de promotor of kunnen zelf hun masterproef (in Word-versie), behaalde resultaat en een korte motivatiebrief indienen vóór 30 september 2026 aan pieterjan.heynen@kuleuven.be.

Wie hierbij nog vragen of opmerkingen zou hebben, kan steeds contact opnemen met Pieterjan Heynen (pieterjan.heynen@kuleuven.be).