Experiments

Oei kijk nu… foutjes in de (insolventie)wet

Een post door gastblogger meester V. Verlaeckt

Dat de “nieuwe” insolventiewet niet de prijs zal winnen voor het best wetgevend werk van het laatste decennia, is voor de meeste beoefenaars van de insolventiesport ondertussen duidelijk. De wetgever heeft kansen laten liggen om bepaalde onzekerheden weg te nemen en heeft er extra gecreëerd. Ook de noodzakelijke “handleiding” (i.e. parlementaire voorbereiding) is weinig dienstig en soms gewoonweg tegenstrijdig met de uiteindelijk wettekst. De “wil van de wetgever” moet niet enkel duidelijk zijn voor de auteurs van de wettekst, maar ook voor diegene die de wet alle dagen moeten gebruiken. De gezaghebbende (lezenswaardige) handboeken over insolventierecht zouden misschien niet de omvang hebben die zij nu hebben, mocht de insolventiewet (en dan vooral op procedureel vlak) zorgvuldig zijn opgesteld.

Voor zij die ondertussen vinden dat ik te streng, hovaardig of een muggenzifter ben, wijs ik U even naar het ogenschijnlijk onschuldig artikel XX.106 WER.  Blijkbaar vindt niemand – nu na meer dan twee jaar na de inwerkingtreding ervan  – de tekst van dit wetsartikel wat “vreemd”. De tekst luidt:

Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend.. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.107 en XX.108, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.145 en XX.165.

Welnu, de verwijzingen naar artikel XX.107,  XX.108,  XX.145 én XX.165 WER zijn volstrekt foutief, zoals in “verkeerd” en “onjuist”. Continue reading “Oei kijk nu… foutjes in de (insolventie)wet”

Het “Erfolgsort” als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid bij collectieve onrechtmatige daadsvordering wegens paulianeuze verhaalsbenadeling

Vervolguitspraak Hoge Raad 3 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1223) na arrest HvJ EU in zaak C-535/17

Op 6 februari 2019 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese EU (HvJ EU) dat een Peeters/Gatzen-vordering (PGV) die een Nederlandse curator instelt tegen een derde die betrokken is bij de paulianeuze verhaalsbenadeling van de schuldeisers van een failliete vennootschap moet worden aangemerkt als vordering tot schadevergoeding die onder de verwijzingsregels van de Brussel I (bis)-Verordening valt. De Hoge Raad, die het prejudiciële verzoek had ingediend, beantwoordt in een arrest van 3 juli 2020 zelf de vraag of hij op grond van Brussel I (bis) bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

Continue reading “Het “Erfolgsort” als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid bij collectieve onrechtmatige daadsvordering wegens paulianeuze verhaalsbenadeling”

De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden

Aansprakelijkheid kan worden gereduceerd tot 1 EUR (Cass. 18 juni 2020, C.19.0258.N)

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de RSZ-schulden in hoofde van een bestuurder van een failliete onderneming die in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring (feitelijk) bestuurder is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen met openstaande RSZ-schulden (huidig art. XX.226 WER) zorgt al enige tijd voor controverse. Uit het recente aanbod van het Hof van Cassatie omtrent de invulling van die – in vergelijking met naburige rechtsstelsels – ongewone aansprakelijkheidsgrond konden we alvast thema’s selecteren, met een recent arrest van vorige maand als  blikvangen:

Continue reading “De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden”

Ceci n’est pas un dualisme?

Een post door gastblogger Professor J. Delvoie (VUB)

In een bijdrage voor het recentste TPR-nummer, verwonder ik mij over het feit dat het nieuwe duale bestuursmodel in de NV wat de bevoegdheidsverdeling tussen raad van toezicht en directieraad betreft, statutair net zo à la carte kan worden ingevuld als het oude regime “524bis”.

Dat is merkwaardig, omdat het oude regime op dat punt nu net met alle zonden Israëls was overladen door de pleitbezorgers van het dualisme, minister Geens op kop. Het is nog merkwaardiger dat de memorie van toelichting op dit punt de lezer volledig op het verkeerde been zet. Hij insinueert dat in het dualistische model de bevoegdheden van beide organen voortaan enkel bij wet worden vastgelegd (MvT WVV, 14, 236).

De wettekst zelf bepaalt nochtans uitdrukkelijk het tegendeel: “De statuten kunnen de bevoegdheid van de directieraad beperken” (art. 7:110, eerste lid, tweede zin WVV). Duidelijker kan niet. De bevoegdheden van de directieraad nu zijn even à la carte als die van het directiecomité vroeger. Voeg daarbij alle andere vroegere wezenskenmerken van de NV die voortaan à la carte zijn (exclusief winstoogmerk, aantal stemmen per aandeel, collegialiteit van het bestuur, soepel ontslag van het bestuur, ja zelfs beperkte aansprakelijkheid van het bestuur, en ga zo maar door), en je stelt vast dat de NV een waar Chinees eetfestijn werd. Mij niet gelaten, maar ik zou hier drie vaststellingen aan koppelen: Continue reading “Ceci n’est pas un dualisme?”

Heeft het Hof van Cassatie de drempel verlaagd voor het faillissement van een vennootschap in vereffening?

Cass. 5 juni 2020 (C.19.0550.F)

Ook na haar ontbinding blijft de vennootschap in vereffening een onderneming; ze blijft dus onderworpen aan de verplichting om desgevallend aangifte van staking van betaling te doen (zie onder het oude faillissementsrecht: Cass. 17 juni 1994, AC 1994, 637).

Wel krijgen de faillissementsvoorwaarden een andere invulling in geval van een vennootschap in vereffening. Het Hof van Cassatie oordeelde immers dat het feit dat een belangrijk deel van de schuldeisers het vertrouwen behoudt in de vereffening, een element is waarop de rechter zijn oordeel kan steunen dat de vennootschap nog haar krediet behoudt (geen “geschokt krediet”, één van de faillissementsvoorwaarden) en dus niet in staat van faillissement is (o.a. Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429). Dit geldt zelfs wanneer het waarschijnlijk is dat de vereffening deficitair zal zijn.

Vanzelfsprekend is deze rechtspraak niet, omdat een vereffening niet dezelfde waarborgen biedt als een faillissement. Een curator is anders dan een vereffenaar een neutrale bewindvoerder aangesteld door de rechtbank.

De curator heeft ook bevoegdheden die verder gaan dan die van een vereffenaar. Zo heeft de curator de mogelijkheid om de actio pauliana in te stellen, kan hij handelingen tijdens de verdachte periode aanvechten van de ‘vereenvoudigde pauliana’ en kan hij de bijzondere faillissementsaansprakelijkheden van art. XX.224 e.v. WER instellen.

Met een arrest van 5 juni 2020 (C.19.0550.F) lijkt het Hof van Cassatie de drempel voor het faillissement van een vennootschap in vereffening te verlagen. De vordering in faillissement van een ‘minderheidsschuldeiser’ kan gegrond worden verklaard, zelfs bij afwezigheid van fraude, zelfs indien de vereffenaar geen verwijt treft, indien er aanwijzingen zijn dat de beslissing van de algemene vergadering om te kiezen voor een vrijwllige vereffening nadelig is voor de schuldeisers doordat die het voordeel van de actiemogelijkheden van een curator ontneemt. Continue reading “Heeft het Hof van Cassatie de drempel verlaagd voor het faillissement van een vennootschap in vereffening?”

De actio pauliana: maakt méér dan ongedaan

Cassatie over omvang aansprakelijkheid van derde-wederpartij bij paulianeuze overdracht

In een recent arrest (zie hier) preciseert het Hof van Cassatie de omvang van aansprakelijkheid gebaseerd op een actio pauliana of pauliaanse rechtsvordering (art. 1167 BW).

Continue reading “De actio pauliana: maakt méér dan ongedaan”

Van kapitaal naar vermogen in de BV: van ‘bright line rules’ naar ‘open standards’?

Een post door gastblogger Lize Van Looy

De Amerikaanse rechtseconomische literatuur maakt een onderscheid tussen enerzijds regelgeving door ex ante bright line rules en anderzijds door ex post open standards.

Het onderscheid is eenvoudig aan te tonen. Door welke gedragsnorm is een bestuurder die bij een onbewaakte spoorwegovergang terecht komt gebonden? Is de bestuurder gebonden door een duidelijke regel, met name stoppen en uitkijken (de bright line rule)? Of dient hij eerder een open norm na te leven, met name redelijk en voorzichtig te werk gaan (de open standard)?

De kapitaalbeschermingsregels zoals we die voorheen ook toepasten in de BV zijn duidelijk een voorbeeld van dit eerste. De idee leeft dat de gebreken van kapitaalbeschermingsregels kunnen worden verholpen door deze formele regels te vervangen door open normen, bijvoorbeeld met behulp van aansprakelijkheidsprocedures. Open standards zijn in vergelijking met bright line rules beduidend flexibeler en bieden de mogelijkheid om rekening te houden met de eigenheid situatie. Meer flexibiliteit gaat echter hand in hand met minder (rechts)zekerheid Dergelijke open normen worden ex post door de rechter getoetst, die zich vaak in een ex ante perspectief zal moeten (proberen te) plaatsen en zich zal moeten behoeden voor hindsight bias. Continue reading “Van kapitaal naar vermogen in de BV: van ‘bright line rules’ naar ‘open standards’?”

Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes

Cass. 25 juni 2020, C.18.0144.N/1

Of een bestuurder tijdens en vooral na de beëindiging van haar bestuursmandaat een verplichting heeft om geen met de vennootschap concurrerende activiteit uit te oefenen, is een in de praktijk belangrijke en in de theorie bediscussieerde vraag. Zie onder meer Zo zijn we niet getrouwd. Over de loyauteitsplicht van werknemer en bestuurder van De Dier en Van Bever.

In een arrest van 25 juni 2020 (C.18.0144.N/1) stelt het Hof van Cassatie hier heldere principes. Belangrijke les is dat een post-contractuele schending van een niet-mededingsplicht niet al te makkelijk mag worden aanvaard. Er dient sprake te zijn van een expliciete verbintenis in die zin of van oneerlijke mededinging.

Dit arrest verbreekt Antwerpen, 9 november 2017, TRV/RPS 2018, 425, noot N. Hallemeesch, “Concurrentie aan de vennootschap door ex-bestuurders en hun vaste vertegenwoordiger”.

De beslissing van het Hof luidt: Continue reading “Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes”

Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation

Funds that took due account of environmental, social and governance (ESG) factors in their investment strategies generally outperformed their conventional counterparts during the Corona pandemic (FT, 3 April 2020). At the same time there is an omnipresent call to align the economic recovery in Europe with the ‘green transition’ (FT, 18 June 2020). In sharp contrast to this emphasis on the importance for investors to take ESG factors on board when making investment decisions stands the uncertainty about the requirements an investment must meet to be actually sustainable.

On 18 June 2020 the European Parliament decided to remedy the lack of clarity by adopting the Taxonomy Regulation[1] which defines an environmentally sustainable economic activity. More specifically, it sets out the broader framework within which the European Commission will have to come up with the technical criteria an economic activity must adhere to in order to be considered environmentally sustainable. This contribution will give an overview of the key changes brought by the Taxonomy Regulation.

The definition of what makes an economic activity sustainable will lie at the center of an emerging legal framework for sustainable finance. Creating  such a legal framework pioneered as a priority in the Action Plan on Building a Capital Markets Union of 2015 and was translated in more concrete policy in the Action Plan: Financing Sustainable Growth of 2018 based on a blueprint designed by the High-Level Expert Group on Sustainable Finance. In particular the latter Action Plan’s goal to reorient capital flows towards sustainable investments justified the adoption of a detailed EU classification system – or taxonomy – to make it clear for investors which activities qualify as ‘green’ or ‘sustainable’.[2] Continue reading “Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation”

De schaduw van het W.Venn.

Een post door gastblogger Dr. Thijs Vancoppernolle

De zomer staat voor de deur. Misschien overweegt u grote kuis te houden in uw boekenkast en heeft u uw geannoteerde exemplaren van het oude W.Venn in gedachten al tot het oud papier veroordeeld. Het nieuwe WVV is immers al meer dan een jaar in werking; wat zouden die oude vodden u dus nog kunnen opleveren?

Minute papillon, u vergeet het overgangsrecht. Continue reading “De schaduw van het W.Venn.”

Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming

W. Vandenbussche en M. Van De Looverbosch, “Het nieuwe ondernemingsbewijsrecht”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreken Dr. W. Vandenbussche (Linklaters) en Mr. M. Van de Looverbosch (KU Leuven, DLA) wat er wijzigde in het ondernemingsbewijsrecht met het gewijzigde WER en boek 8 BW. Daarbij komt onder meer de bewijswaarde aan bod van een factuur die door een onderneming in formele zin werd ontvangen:

“Wanneer een leverancier, aannemer of dienstverlener via een factuur wil bewijzen tegen een onderneming, zal de eerste vraag zijn of de factuur al dan niet aanvaard is. […]

Het is voor de verzender niet voldoende dat een geadresseerde de factuur ontvangen heeft om er bewijswaarde aan te ontlenen. De ontvanger moet de factuur ook hebben aanvaard. De aanvaarding van een factuur is de veruitwendiging door de schuldenaar van zijn akkoord met betrekking tot de in de factuur uitgedrukte schuldvordering en de modaliteiten ervan.[1] Soms is er sprake van een uitdrukkelijke aanvaarding. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de ondertekening van de factuur voor akkoord, bij een brief die de goede ontvangst en nazicht vermeldt of bij de mededeling dat de factuur werd nagekeken en zal worden betaald.[2] De aanvaarding van de factuur kan ook impliciet gebeuren. Dit betekent dat de rechter de aanvaarding redelijkerwijze uit de handelwijze van de schuldenaar mag afleiden (zoals door de betaling van het gevorderde bedrag zonder enig voorbehoud, door het gebruik van de factuur voor de btw-aangifte, door de doorverkoop, de verwerking van de gefactureerde goederen of door het aannemen van een kredietnota).[3] Continue reading “Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming”

Art. 703 § 2 Ger.W. : een geval van wettelijke vertegenwoordigingsmacht bij het optreden in rechte van vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid

Sven Sobrie, “Het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid”

Het optreden in recht van maatschappen en feitelijke verenigingen kwam eerder al hier en hier aan bod. Dr. Sven Sobrie (Omega Law) bespreekt het ook in zijn bijdrage in  Leerstukken Ondernemingsrecht dat net verscheen bij Intersentia. Zo bepreekt hij onder meer hoe het nieuwe art. 703 § 2 Ger.W. tegemoet komt aan de uitdaging om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gedaagde vertegenwoordiger van de organisatie te bewijzen:

“Artikel 703, § 2, tweede lid Ger.W. pakt het probleem van de bevoegde vertegenwoordiger aan. Indien de inschrijving in de KBO tevens de identificatiegegevens omvat van een algemeen lasthebber, kan de groepering in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen door tussenkomst van die lasthebber.

In wezen wordt op die manier een onweerlegbaar wettelijk vermoeden gecreëerd dat de algemeen lasthebber die in de KBO wordt vermeld, daadwerkelijk bevoegd is om namens de leden proceshandelingen te stellen en betekeningen te ontvangen. Zijn mandaat kan niet meer ter discussie worden gesteld en hoeft niet meer te worden bewezen. Indien de in de KBO vermelde lasthebber om een of andere reden niet vertegenwoordigingsbevoegd is, kan dat de tegenpartij niet verontrusten. Hoogstens komt dan de aansprakelijkheid van de lasthebber jegens de leden in het gedrang. De analogie met het Prokura-regime dringt zich op.

Het wettelijk onweerlegbaar vermoeden van de algemeen lasthebber geldt evenwel enkel voor de vertegenwoordiging in rechte. Het kan niet worden ingeroepen wanneer de lasthebber materiële rechtshandelingen stelt (bv. de aankoop van goederen voor rekening van de groepering). Toch kan de vermelding van een algemeen lasthebber in de KBO doorwerken naar de materieelrechtelijke sfeer. Wanneer de algemeen lasthebber materiële rechtshandelingen stelt voor rekening van de groepering, en nadien ontstaat er discussie over zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid, dan kan de contractpartij de vermelding in de KBO gebruiken om minstens een schijnmandaat aan te tonen in hoofde van de algemeen lasthebber met wie hij heeft gecontracteerd. Wie (wettelijk) vermoed wordt een procesmandaat te hebben, door een vermelding in de KBO, mag ook (feitelijk) vermoed worden een mandaat te hebben om materiële rechtshandelingen te stellen.

De lasthebber hoeft niet per se lid te zijn van de groepering, al zal dat natuurlijk doorgaans wel het geval zijn. Evenmin is het uitgesloten dat er meerdere lasthebbers worden vermeld in de KBO. In dat geval wordt elk van hen geacht volledig vertegenwoordigingsbevoegd te zijn om in rechte op te treden. Eventuele meerhandtekeningsclausules zijn niet tegenstelbaar aan de tegenpartij.

De algemeen lasthebber dient overigens niet per se als ‘algemeen lasthebber’ in de KBO te zijn vermeld. Wanneer de KBO de gegevens bevat van de ‘zaakvoerder’, ‘bestuurder’, ‘voorzitter’ … van de groepering, dan geldt deze persoon als algemeen lasthebber in de zin van artikel 703, § 2, tweede lid Ger.W.

De vermelding van een algemeen lasthebber in de KBO is geen verplichting. Dat is op zich niet problematisch. M.i. zal de niet-vermelding van een algemeen lasthebber weinig praktische consequenties hebben voor de procesvoering. De oplossing van het identificatieprobleem heeft immers ook het vertegenwoordigingsprobleem grotendeels ontmijnd. Aangezien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid voortaan geïdentificeerd kan worden aan de hand van haar benaming en zetel, en aangezien voortaan ook betekend kan worden aan de zetel, heeft de tegenpartij geen lasthebber meer nodig om zijn proceshandelingen tegen te richten. Hij kan zijn proceshandelingen rechtstreeks, en op eenvoudige wijze, richten tegen (en betekenen aan) de groepering, geïdentificeerd a.d.h.v. groepsnaam en zetel. De praktische beslommeringen die het gebruik van een lasthebber noodzakelijk maakten, zijn m.a.w. weggevallen, zodat meteen ook de identiteit van de bevoegde lasthebber veel minder relevant is geworden.

Andermaal dringt de analogie met de rechtspersoon zich hier op. Net zoals rechtspersonen weliswaar in rechte treden door tussenkomst van hun bevoegde organen, maar zonder dat deze organen vermeld moeten worden en zonder dat de tegenpartij per se hun identiteit moet kennen, treden groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid weliswaar in rechte door tussenkomst van een bevoegde lasthebber, maar zonder dat deze lasthebber nog vermeld moet worden en zonder dat de tegenpartij per se zijn identiteit moet kennen. Vanuit procesrechtelijk oogpunt zijn het orgaan en de lasthebber een grotendeels overbodige schakel geworden in de toerekening van proceshandelingen aan de rechtspersoon resp. de (leden van de) groepering.

Daaruit vloeit ook voort dat de groepering zonder rechtspersoonlijkheid die optreedt via een advocaat, net zoals de rechtspersoon, kan genieten van het vermoeden van artikel 440, tweede lid Ger.W. De tegenpartij kan niet vragen om een bewijs dat de beslissing om in rechte op te treden op de juiste manier werd genomen. De advocaat wordt in dit geval vermoed hiertoe een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen van de daartoe bevoegde vertegenwoordiger.[1]

Bij een optreden in rechte van rechtspersonen kan de tegenpartij in elke stand van het geding eisen dat de rechtspersoon haar de identiteit meedeelt van de natuurlijke personen die zijn organen zijn (art. 703, § 1, derde lid Ger.W.). Het achterliggende idee daarbij is dat de tegenpartij dan kan nagaan of het juiste orgaan tot het optreden in rechte heeft besloten, en desgevallend een exceptie dienaangaande kan opwerpen. De wetgever heeft niet in een dergelijke mogelijkheid voorzien ten aanzien van groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid die geen algemeen lasthebber hebben laten opnemen in de KBO. Dat lijkt evenwel slechts een beperkt gemis, nu de mogelijkheid van artikel 703, § 1, derde lid Ger.W. hoe dan ook weinig zoden aan de dijk zet en bijgevolg weinig populair is in de praktijk.[2]

M.i. is de identiteit van de bevoegde lasthebber enkel nog relevant wanneer de groepering zonder rechtspersoonlijkheid beslist om persoonlijk in rechte te verschijnen, dus zonder tussenkomst van een advocaat. In dat geval verschijnen alle leden samen, hetgeen uiteraard weinig praktisch is, ofwel verschijnt een bevoegde lasthebber namens hen.[3] De verschijnende lasthebber zal dan zijn mandaat op eenvoudige wijze kunnen bewijzen door te verwijzen naar de vermelding in de KBO.

Eens te meer kan verwezen worden naar de situatie bij rechtspersonen. Ook zij kunnen in persoon verschijnen, door tussenkomst van het bevoegde orgaan, al is dat ook daar eerder uitzonderlijk.[4]

Voor het overige bevestigt artikel 703, § 2, tweede lid Ger.W. het wettelijk wederkerig mandaat van artikel 36, 1° W.Venn. krachtens hetwelk vennoten elkaar als verweerder in rechte kunnen vertegenwoordigen (supra randnr. 7). Om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet, heeft ook dit wederkerig mandaat om in rechte op te treden veel van zijn relevantie verloren. Een eiser hoeft zich niet meer te richten tot een natuurlijke persoon als vertegenwoordiger van de vennoten; hij kan immers rechtstreeks de vennootschap aanspreken via vermelding van de benaming en de zetel, en hij kan betekenen aan de zetel.”

[1] Vgl. J. VANANROYE, Onverdeelde boedel en rechtspersoon: technieken van vermogensafscheiding, vermogensovergang en vermogensvereffening in het burgerlijk en ondernemingsrecht, Antwerpen, Biblo, 2014, 326-327, nr. 428; K. MORTIER, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NjW 2008, 814, nr. 44.

[2] In hoofdorde omdat de loutere kennisname van de identiteit van de organen van een rechtspersoon op zich niet voldoende is. Men dient (ook) te weten wie daadwerkelijk opdracht heeft gegeven tot de proceshandeling, hetgeen evenwel niet onder de mededelingsplicht van art. 703, § 1 Ger.W. valt. De kennisgeving is dan ook vaak een maat voor niets. Zie P. DAUW, “Het optreden in rechte van de rechtspersoon”, CABG 2006/2, 39; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 33; R. TAS, “De identificatie van een rechtspersoon bij proceshandelingen” (noot onder Cass. 11 juni 1998), R.Cass. 1999, 55-56.

[3] H. BOULARBAH, A. BERTHE en B. BIEMAR, “Le contrat de mandat et la procédure civile : questions choisies” in B. KOHL (ed.), Le mandat dans la pratique, Brussel, Larcier, 2014, 106; K. MORTIER, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NjW 2008, 814, nr. 43; P. TAELMAN, “Het optreden van (privaatrechtelijke) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciële rechtscolleges” in W. VAN EECKHOUTTE (ed.), Rechtspersonenrecht: postuniversitaire cyclus Willy Delva, Gent, Mys & Breesch, 1999, 51, nr. 15.

[4] D. VAN GERVEN, Handboek vennootschappen. Algemeen deel, Gent, Larcier, 2016, 653; P. DAUW, “Het optreden in rechte van de rechtspersoon”, CABG 2006/2, 39; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 279-282.

Aansprakelijkheid van moedervennootschappen in het Europees mededingingsrecht

W. Devroe, L. Michaux en B. Beems, “Het onderdernemingsberip in het mededingingsrecht, het marktprakijkenrecht en het consumentenrecht”

Onlangs verscheen bij Intersentia Leerstukken Ondernemingsrecht (eds. J. Vananroye en D. Van Gerven), een overzicht van enkele belangrijke thema’s uit het ondernemingsrecht na de hervormingen van het WER, het WVV en het nieuw BW.

Decaan-elect Devroe, Michaux en Beems bespreken in hun bijdrage het ondernemingsbegrip in het mededigingingsrecht, het marktpraktijkenrecht en het consumentenrecht. Daarbij komt onder meer de aansprakelijkheid van moedervennootschappen aan bod:

“De invulling van het entiteitsbegrip in functie van de economische realiteit komt tegenwoordig aan bod in bijna elk voor het Gerecht (en in beroep, voor het Hof van Justitie) ingesteld beroep tot nietigverklaring tegen boetebesluiten van de Europese Commissie. Er ontstaat immers zeer regelmatig betwisting omtrent de aansprakelijkheid van moedervennootschappen voor het gedrag van hun dochteronderneming (parent company liability), of nog, over de aansprakelijkheid van overnemende ondernemingen voor het mededingingsrechtelijke gedrag in het verleden van de overgenomen onderneming. Aan de orde is de mate waarin mededingingsinbreuken van dochterondernemingen toegerekend kunnen worden aan moeder- en zelfs zusterondernemingen.[1] De vraag is hoofdzakelijk relevant in het kader van het mededingingsrechtelijke boetebeleid, aangezien bij de berekening van boetes de omzet van de beboete ‘onderneming’ een doorslaggevende rol speelt.[2] Het in aanmerking nemen van de omzet van een hele ondernemingsgroep, dan wel van één dochter alleen, leidt zeker in tijden van exponentieel gestegen boetes tot enorme verschillen. Daarbij komt dat de Commissierichtsnoeren voor de berekening van geldboeten het mogelijk maken om boetes te verhogen voor ondernemingen met een bijzonder hoge omzet.[3]

Continue reading “Aansprakelijkheid van moedervennootschappen in het Europees mededingingsrecht”

Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip

D. Van Gerven: “Wat wijzigt er voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders?”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreekt stafhouder Dirk Van Gerven wat er wijzigt voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders. Over de maatschap en de feitelijke vereniging in het licht van het formeel ondernemingsbegrip schrijft hij onder meer:

“Uit (c) [van art. I.1,1° WER] volgt dat de maatschap een onderneming is. Zij is een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Kenmerkend is haar afgescheiden vermogen dat gepaard gaat met een eigen bestuur en dus organogram; zij vormt een afzonderlijke organisatie, ook al heeft ze geen rechtspersoonlijkheid.[1] De maatschap kan overigens strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen (art. 5, derde lid Sw.). Wat geldt voor de maatschap geldt ook voor de stille vennootschap en de tijdelijke vennootschap, die in wezen varianten zijn op de maatschap. De tijdelijke vennootschap wordt afgeschaft in het WVV (de maatschap kan daarvoor dienen) en de stille vennootschap zal  door het leven gaan als de stille maatschap, een bijzondere vorm van maatschap.[2]

Wordt uitgesloten: “iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie” (art. I.1, 1°, tweede lid, (a) WER). Continue reading “Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip”

Het functionele ondernemingsbegrip: spoort het WER met het Europese recht?

J. Stuyck, “Het nieuwe ondernemingsrecht . Kritische evaluatie en vooruitblik”

De functionele definitie van onderneming als: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen” werd behouden als aanknopingspunt voor regels in afzonderlijke Boeken, zoals mededinging en marktpraktijken. Professor Jules Stuyck schrijft hierover:

“Afgezien van het merkwaardige staartje “alsmede zijn verenigingen[1], was deze definitie ontleend aan het Belgische mededingingsrecht (thans Boek IV WER). De definitie is een variante op deze die het Hof van Justitie voor de toepassing van de EU-mededingingsregels heeft ontwikkeld.

Volgens het Hof van Justitie, in een constante rechtspraak, omvat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke eenheid (…) die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.[2] Het Hof preciseerde dat op het gebied van de sociale zekerheid bepaalde instellingen belast met het beheer van wettelijke stelsels van ziektekosten- en ouderdomsverzekering een zuiver sociaal doel hebben en geen economische activiteit uitoefenen.[3] In latere arresten[4] oordeelde het Hof dat een orgaan dat een aanvullende ouderdomsverzekering beheerde, volgens het kapitalisatiebeginsel, een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met de levensverzekeringsmaatschappijen, en dat de belanghebbenden de oplossing konden kiezen die de beste belegging garandeerde. Organen die een wettelijke taak vervullen in het kader van de sociale zekerheid zijn bijgevolg als zodanig geen ondernemingen. Het ondernemingsbegrip is evenwel een functioneel begrip. Het betrokken orgaan dat, los van de (in overeenstemming met het solidariteitsbeginsel uitgevoerde) taak van sociale zekerheid, een taak die geen economische activiteit uitmaakt, en uit dien hoofde geen onderneming is, ook andere (bijkomende) activiteiten ontplooit die wel economisch van aard zijn, zal voor laatstgenoemde activiteiten als onderneming in de zin van het mededingingsrecht worden gekwalificeerd. Dit blijkt uit het arrest AOK Bundesverband[5], waarin het Hof de Höfner-rechtspraak bevestigt en eraan toevoegt dat het niet uit te sluiten is dat de ziekenfondsen en de organisaties die hen vertegenwoordigen, naast hun uitsluitend sociale taken in het kader van het beheer van het Duitse socialezekerheidsstelsel, ook handelingen verrichten die geen sociaal doel hebben, maar economisch van aard zijn. In dat geval zouden de beslissingen die zij in dat kader nemen, eventueel als afspraken tussen ondernemingen of besluiten van ondernemersverenigingen kunnen worden aangemerkt. Continue reading “Het functionele ondernemingsbegrip: spoort het WER met het Europese recht?”