Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes

Cass. 25 juni 2020, C.18.0144.N/1

Of een bestuurder tijdens en vooral na de beëindiging van haar bestuursmandaat een verplichting heeft om geen met de vennootschap concurrerende activiteit uit te oefenen, is een in de praktijk belangrijke en in de theorie bediscussieerde vraag. Zie onder meer Zo zijn we niet getrouwd. Over de loyauteitsplicht van werknemer en bestuurder van De Dier en Van Bever.

In een arrest van 25 juni 2020 (C.18.0144.N/1) stelt het Hof van Cassatie hier heldere principes. Belangrijke les is dat een post-contractuele schending van een niet-mededingsplicht niet al te makkelijk mag worden aanvaard. Er dient sprake te zijn van een expliciete verbintenis in die zin of van oneerlijke mededinging.

Dit arrest verbreekt Antwerpen, 9 november 2017, TRV/RPS 2018, 425, noot N. Hallemeesch, “Concurrentie aan de vennootschap door ex-bestuurders en hun vaste vertegenwoordiger”.

De beslissing van het Hof luidt: Continue reading “Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes”

Wat is de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid?

M. Wyckaert m.m.v. D. Alper “Faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders”

Onlangs verscheen bij Intersentia Leerstukken Ondernemingsrecht (eds. J. Vananroye en D. Van Gerven), een overzicht van enkele belangrijke thema’s uit het ondernemingsrecht na de hervormingen van het WER, het WVV en het nieuw BW.  In de bijdrage “Faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders” bespreken Professor Marieke Wyckaert (KU Leuven) en meester Dogan Alper (Braeckmans Advocaten) de interactie tussen de nieuwe bepalingen inzake bestuursaansprakelijkheid in het WER en in het WVV. Onder de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid komt aan bod:

“De aanknopingsfactor om het toepasselijke insolventierecht af te bakenen wordt bepaald door het centrum van de voornaamste belangen (meestal aangeduid als het COMI of “centre of main interest”), waarbij voor rechtspersonen het COMI tot bewijs van het tegendeel wordt geacht zich te bevinden op de plaats van de statutaire zetel: dat bewijs moet worden geleverd aan de hand van een werkelijke zetelleer-benadering.[1] Daarnaast kan in elk land met een vestiging een secundaire, lokale procedure worden geopend.[2] Boek XX WER verandert niets aan deze rechtstreeks toepasselijke Europese regel. Continue reading “Wat is de IPR aanknopingsfactor voor bestuursaansprakelijkheid?”

Flattening the insolvency curve: Het voorkomen van onnodige coronafaillissementen door wijziging van het Nederlandse insolventierecht?

Een post door gastbloggers Jessie Pool (Universiteit Leiden) en Anne Mennens (Wijn en Stael Advocaten)

De coronacrisis heeft de economie wereldwijd in een diepe crisis gestort. Ondernemingen zagen van de ene op de andere dag hun inkomsten opdrogen. De Nederlandse overheid heeft – net zoals veel andere regeringen wereldwijd – in een recordtempo een ongekend pakket aan economische en financiële steunmaatregelen opgetuigd. Wat opvalt is dat in Nederland – in tegenstelling tot vele andere jurisdicties – nog geen aanpassing van insolventiewetgeving is gedaan.

De rol van het insolventierecht in de coronacrisis

Bij het beoordelen van de (mogelijke) rol van het insolventierecht in de coronacrisis is het van belang om onderscheid te maken tussen de huidige fase waarin ondernemingen de gevolgen ondervinden van de lockdown, waarin acute oplossingen voor het liquiditeitstekort en consensuele oplossingen centraal staan, en de periode waarin enig uitzicht op normalisering ontstaat, waarin levensvatbare ondernemingen – al dan niet met verdere overheidssteun – de ontstane schuldenlast efficiënt moeten kunnen saneren en niet-levensvatbare ondernemingen efficiënt en snel geliquideerd moeten kunnen worden. Continue reading “Flattening the insolvency curve: Het voorkomen van onnodige coronafaillissementen door wijziging van het Nederlandse insolventierecht?”

De uitoefening van collectieve aansprakelijkheidsvorderingen na faillissement van de vennootschap

Doctoraatsseminarie Roel Verheyden (KU Leuven)

Net als de gewone colleges gaat ook doctoraatsseminaries, waarbij een doctorandus zijn of haar werk in uitvoering voorstelt, online deze dagen. We maken van de gelegenheid gebruik om de presentatie door de doctorandus hier ook voor een ruimer publiek ter beschikking te stellen. Vandaag: Roel Verheyden over “De uitoefening van collectieve aansprakelijkheidsvorderingen na faillissement van de vennootschap”.

Op het menu onder meer een overzicht van de gevallen van collectieve en individuele schade, een rechtsvergelijkend overzicht van de rol van individuele schuldeisers bij de uitoefening van de vordering voor collectieve schade en een eigen voorstel voor een hertekening van het afgeleid vorderingsrecht ingevoerd in art. XX.225 WER. Continue reading “De uitoefening van collectieve aansprakelijkheidsvorderingen na faillissement van de vennootschap”

Bestuursaansprakelijkheid: een overzicht van wat nieuw is en wat bleef

We maakten voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven campus Brussel) een overzicht van de belangrijkste regels in verband met de (burgerrechtelijke) aansprakelijkheid van bestuurders. Daarbij werden de wijzigingen aangebracht door het WVV verwerkt. Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid: een overzicht van wat nieuw is en wat bleef”

Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden. Continue reading “Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?”

`Corporate social responsibility´ voorbij de mooie woorden

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (7)

In eerdere posts bespraken we enkele technieken die beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding voor de rechtsorde verteerbaar maken. De vierde techniek is misschien wel de meest miskende: bestuursaansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid van bestuurders wordt meestal gezien als een remedie in het belangenconflict tussen aandeelhouders en bestuurders. Toch heeft bestuursaansprakelijkheid ook en vooral een derdenbeschermende functie. Dit is krachtige remedie: in het goederenrecht is het onbekend dat een zakelijk recht zich keert tegen de rechthebbende. Hier wordt zeer duidelijk wat het voordeel is om het afgescheiden vermogen te personifiëren: het krijgt een eigen belang en eigen ius standi, waardoor het zich tegen de eigenaars kan keren.

Dat is duidelijk bij de externe bestuursaansprakelijkheid van bestuurders jegens individuele slachtoffers van een onrechtmatige daad. De omstandigheid dat de aansprakelijkheid ook wordt toegerekend aan een rechtspersoon ontheft de bestuurder niet van eigen aansprakelijkheid. Dit is een belangrijke rem op moral hazard en het opportunistisch spelen met vermogenssplitsing.

Ook interne bestuursaansprakelijkheid, de aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon zelf, beschermt externen. Als ik dit poneer slaan collega’s wel eens zuchtend de ogen ten hemel, verwonderd om zoveel onbegrip. Continue reading “`Corporate social responsibility´ voorbij de mooie woorden”

‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: de onderschatte rol van de pauliana in het vennootschapsrecht

G. Lindemans, Schuldeiser & Rechtspersoon: actio pauliana en aansprakelijkheid wegens ongeoorloofde benadeling van schuldeisers van vennootschappen en verenigingen, Intersentia, 2019, xx + 596 blz.

Schuldeiser & Rechtspersoon van dr. Gillis Lindemans zal voor de komende decennia het standaardwerk in België over de actio pauliana vormen. In het vennootschapsrecht en daarbuiten. Maar voor vele andere thema’s zal de praktijk en de doctrine hier niet omheen kunnen: toerekening van kennis, hindsight bias, corporate opportunities, groepsfinanciering, feniksvennootschappen, wrongful trading, kredietaansprakelijkheid, aandeelhoudersfinanciering,et j’en passe.

Indien een handeling de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers benadeelt, kan die handeling worden aangevochten door middel van de pauliaanse vordering (art. 1167 BW en art. XX.114 WER). Indien een actio pauliana gegrond wordt verklaard, bestaat de sanctie in de niet-tegenwerpelijkheid van de aangevochten rechtshandeling aan de benadeelde schuldeiser. De optredende schuldeiser moet geen rekening houden met de aangevochten rechtshandeling; hij kan uitvoeren op het vermogen van de schuldenaar, alsof het goed dat het voorwerp vormde van de benadelende rechtshandeling nooit het vermogen van de schuldenaar heeft verlaten. De actio pauliana stelt door middel van een ex post remedie een grens aan de vrije beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar. Vanuit een ex ante perspectief geeft de pauliaanse vordering gestalte aan de zorgplichten die een eigenaar in acht dient te nemen ten aanzien van zijn schuldeisers.

In zijn weldra bij Intersentia verkrijgbare Schuldeisers & Rechtspersoon: actio pauliana en aansprakelijkheid wegens ongeoorloofde benadeling van schuldeisers van vennootschappen en verenigingen illustreert Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat Quinz) overtuigend dat die zorgplichten groter zijn bij het beheer van het vermogen van een rechtspersoon dan bij dat van een natuurlijke persoon. Continue reading “‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: de onderschatte rol van de pauliana in het vennootschapsrecht”

Proefschrift A. Karapetian (Groningen) over bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bij noodlijdende onderneming

9200000105529340Mr. Arpi Karapetian promoveerde op 14 maart 2019 aan de Universiteit van Groningen cum laude op het proefschrift: ‘Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Civielrechtelijke en strafrechtelijke normen voor bestuurders van noodlijdende ondernemingen’. Deze post bespreekt het onderzoek en gaat in op enkele conclusies m.b.t. het verband tussen het civielrechtelijk en strafrechtelijk normenkader; de beoordeling van selectieve betalingen voorafgaand aan het faillissement; en de beoordeling van de rechtmatigheid van het gedrag van bestuurders bij reddingspogingen.

Het leerstuk van de bestuurdersaansprakelijkheid beslaat een veelheid aan wettelijke en niet-wettelijke regels en beginselen over een breed palet aan onderwerpen. Er zijn naar Nederlands recht (maar zeker ook in andere jurisdicties) verschillende grondslagen van aansprakelijkheid aan te wijzen voor de bestuurder van een vennootschap. Continue reading “Proefschrift A. Karapetian (Groningen) over bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bij noodlijdende onderneming”

Bestuurdersaansprakelijkheid, ernstig verwijt en de Belgische cap (vanuit Nederlands perspectief)

Een post door gastblogger O. Oost (Erasmus Universiteit Rotterdam)

1.

Een van de meest interessante wijzigingen in de huidige herziening van het Belgische vennootschapsrecht is de invoering van een wettelijke cap op de bestuurdersaansprakelijkheid. Afhankelijk van de grootte van de bestuurde vennootschap kunnen bestuurders slechts voor een bepaald bedrag aansprakelijk worden gesteld, welk maximumbedrag oploopt van 250.000 euro bij ‘kleine’ vennootschappen tot 12 miljoen euro bij grote en belangrijke vennootschappen. Zie voor meer hierover de verschillende eerdere posts op het Corporate Finance Lab.

2.

Over het algemeen wordt wel aanvaard dat het handelen van vennootschapsbestuurders beperkt moet worden getoetst, omdat de rechter niet op de stoel van de bestuurder moet plaatsnemen. Anders gezegd: een bestuurder moet niet te snel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die de vennootschap aanricht. Vaak wordt daartoe voorzien in een beperkte (marginale) toetsing van bestuurlijk gedrag, of een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid. Redenen daarvoor zijn de bestuursautonomie, de gevaren van hindsight bias en het voorkomen van te zeer risicomijdend gedrag van bestuurders. De bestuurder moet te goeder trouw kunnen ondernemen zonder angst voor aansprakelijkheid. De Rotterdamse hoogleraar Kroeze ging in zijn oratie getiteld Bange bestuurders (2005) uitgebreid op deze en andere argumenten voor een beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid in. Een van de dragende argumenten voor de Belgische cap was de constatering dat het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht in België ‘strenger’ is voor bestuurders dan in de omliggende landen, omdat bijvoorbeeld kennelijk geen business judgment rule geldt en geen ernstigverwijtmaatstaf, zoals in Nederland (waarop ik terugkom vanaf nr. 5). In die zin is de cap als een alternatief te beschouwen voor een marginale toets van bestuurshandelen of een hogere drempel voor aansprakelijkheid. Continue reading “Bestuurdersaansprakelijkheid, ernstig verwijt en de Belgische cap (vanuit Nederlands perspectief)”

Schuldeisers tegen uitkeringen en bevoordeling bij rechtspersonen

Lab rat Gillis Lindemans verdedigt op 29 oktober aan de KU Leuven zijn proefschrift: “Actio pauliana: remedie met toekomst voor schuldeisers van rechtspersonen”. Meer info vindt u hier. In deze post krijgt u alvast een voorsmaakje.

Als een schuldenaar zijn schuld niet betaalt, dan kan de schuldeiser beslag leggen op zijn goederen. Holt de schuldenaar zijn vermogen uit, dan dus ook het onderpand van zijn schuldeiser. De schuldeiser heeft daartegen een krachtige remedie: de actio pauliana. De schuldeiser kan daarmee rechtshandelingen aanvechten waarmee zijn schuldenaar hem bewust of bedrieglijk benadeelt.

Het lijkt daarbij van geen belang of de schuldenaar een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. Nochtans scheppen rechtspersonen een bijzonder risico.

Continue reading “Schuldeisers tegen uitkeringen en bevoordeling bij rechtspersonen”

‘Invoering van de samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zal leiden tot een explosie van aansprakelijkheids-vorderingen’

Professor Matthias Storme (KU Leuven) over hervorming van het verbintenissenrecht

In het meest recente nummer van de Juristenkrant analyseert Professor Storme in een prikkelend opiniestuk de hervorming van het burgerlijk wetboek, vooral het luik verbintenissenrecht (“Een nieuw verbintenissenrecht: oude wijn in oude zakken”,  Juristenkrant 2018, afl. 372, 17 – zonder paywall ook hier te lezen). Zijn uitgangspunt is dat de hoge aanpassingskost van een nieuw wetboek enkel verantwoord is indien dit opweegt tegen de verbeteringen die zo’n nieuw wetboek brengt. Zijn conclusie is dat dit niet het geval is in het voorliggende ontwerp.

Interessant is dat deze bijdrage ook aandacht besteedt aan de opheffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent, die eerder ook hier op deze blog aan bod kwam: Continue reading “‘Invoering van de samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zal leiden tot een explosie van aansprakelijkheids-vorderingen’”

Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?

Voorgestelde afschaffing van immuniteit van uitvoeringsagent heeft onvoorziene gevolgen voor handelsverkeer

Het in een vorige post besproken cassatie-arrest van  4 mei 2018 bevestigt nogmaals dat ook de bestuurder van een vennootschap kan genieten van de immuniteit van de uitvoeringsagent indien hij wordt aangesproken door een contractuele schuldeiser van de vennootschap voor de niet-uitvoering van de contractuele verbintenis van die vennootschap:

“Lorsqu’une personne morale agit par un organe pour l’exécution de son obligation contractuelle, celui-ci ne peut être déclaré responsable sur le plan extracontractuel que si le manquement qui lui est reproché a causé un dommage autre que celui résultant de la mauvaise exécution du contrat.

Le moyen, qui, en cette branche, repose sur le soutènement qu’il suffit, pour engager sa responsabilité, que l’organe ait manqué à l’obligation générale de prudence, manque en droit.”

Ik zelf werd, zoals zovelen, ingeleid in de regel van de immuniteit van de uitvoeringsagent door een bespreking van het zgn. “Stuwadoorsarrest” van 7 december 1973. Ik had, zoals zovelen, geen idee wat een stuwadoor of stevedore is. Het bleek “iets in de haven” te zijn. Als student stopte ik dit in het het mentale vakje van kennis die ik wellicht nooit nodig zou hebben. Misschien komt het door mijn koudwatervrees, maar havenwerk sprak me niet aan.

Het onderschatten van de immuniteit van de uitvoeringsagent was een zware vergissing. Continue reading “Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?”

Het Hof van Cassatie over het startpunt van de verjaringstermijn bij het niet-naleven van de alarmbelprocedure

Cass. 2 mei 2018: verjaringstermijn start bij verstrijken termijn van 2 maanden voor bijeenkomen AV

In een arrest van 4 mei 2018 oordeelde het Hof van Cassatie over het startpunt van de vijfjarige verjaringstermijn van bestuursaansprakelijkheid bij de niet-naleving van de alarmbelprocedure. Deze procedure bepaalt dat, wanneer ten gevolge van geleden verlies het netto-actief gedaald is tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal,  het bestuursorgaan er voor zorgt dat de algemene vergadering bijeenkomt binnen een termijn van ten hoogste twee maanden nadat het verlies is vastgesteld of krachtens wettelijke of statutaire bepalingen had moeten worden vastgesteld (art. 332 W.Venn. voor de NV). Het Hof oordeelt dat de verjaringstermijn begint te lopen op het einde van de termijn van 2 maanden binnen de welke de AV had moeten zijn bijeengekomen: Continue reading “Het Hof van Cassatie over het startpunt van de verjaringstermijn bij het niet-naleven van de alarmbelprocedure”

Breaking news: Wetboek Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd door ministerraad

De Ministerraad heeft zopas het ontwerp van Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd. Het gaat om wellicht de meest verregaande hervorming van het recht inzake vennootschappen, verenigingen en stichtingen die ons land ooit heeft gekend.

Continue reading “Breaking news: Wetboek Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd door ministerraad”