‘Vergeten’ activa en passiva in het kader van een vereffeningsprocedure: rechtszekerheid op komst?

Post door gastblogger Arne Weemaes (student UA)

De regelgeving inzake de ontbinding en vereffening van vennootschappen is sinds 1995 meermaals gewijzigd. Aangezien de wetgever zich hierbij steeds beperkte tot specifieke onderdelen, bleven heel wat fundamentele aspecten onduidelijk of zelfs onbehandeld. Het gaat met name over de problematiek betreffende de sluiting van de vereffening en haar rechtsgevolgen. De bestaansreden van deze problematiek kan worden teruggebracht tot de formalistische opvatting van de sluiting van de vereffening door het Hof van Cassatie (Cass. 22 maart 1962, Pas. 1962, 80). Volgens die opvatting wordt de vereffening afgesloten door een formeel besluit van de algemene vergadering, ongeacht of de vereffening ook effectief inhoudelijk werd voltooid.

Het belangrijkste gevolg van deze formalistische opvatting is dat de mogelijkheid bestaat dat er bepaalde activa of passiva niet in de vereffeningsprocedure werden opgenomen en deze aldus ‘vergeten’ bestanddelen pas na de afsluiting van de vereffening worden opgemerkt. Gelet op het feit dat de (actieve) rechtspersoonlijkheid van de vennootschap reeds na de sluiting van de vereffening is uitgedoofd, vormt de hypothese van ‘vergeten’ activa en passiva een aanzienlijk probleem. In dat verband rijst nl. de vraag in welke mate de vennootschap, de vennoten en de schuldeisers ten opzichte van elkaar nog rechten kunnen laten gelden. Daar waar het huidige recht ter zake geen adequaat antwoord biedt, bevat het ontwerp-WVV een gloednieuwe regeling inzake deze kwestie.

Deze blogpost zal eerst stilstaan bij de mogelijkheden die vandaag bestaan wanneer men na de sluiting van de vereffening wordt geconfronteerd met ‘vergeten’ vermogensbestanddelen. Daarna volgt een analyse van de toekomstige regelgeving die de aangehaalde problematiek het hoofd tracht te bieden. Teneinde de relevante principes helder weer te geven, wordt een opdeling gemaakt tussen enerzijds ‘vergeten’ activa en anderzijds ‘vergeten’ passiva. Continue reading “‘Vergeten’ activa en passiva in het kader van een vereffeningsprocedure: rechtszekerheid op komst?”

De vereffening van de maatschap in W.Venn en ontwerp-WVV: over de gevaren van recyclage

Lees maar, er staat niet wat er staat (Nijhoff)

UPDATE: art. 4:421 WVV  werd geamendeerd in de zin van het voorstel in deze post.

De vereffening van de maatschap wordt door het W.Venn. laconiek geregeld in art. 55:

“De regels betreffende de verdeling van de nalatenschappen, de vorm van die verdeling en de verplichtingen die daaruit tussen de mede-erfgenamen ontstaan, zijn toepasselijk op de vereffening tussen vennoten van vennootschappen bedoeld in dit boek.”

Dit een herneming van oud art. 1871 van het Burgelijk Wetboek van 1804.

Dit is een verwijzing die problematischer is dan het lijkt. Bij de onverdeelde nalatenschap is er geen vereffening zoals de vennootschapsjurist die kent, waarbij eerst de gemeenschappelijke schuldeisers worden voldaan alvorens het actief “netto” wordt overgedragen. De vereffening van de nalatenschap gebeurt in het belang van de erfgenamen en de positie van de nalatenschapsschuldeiser is soms erg onbeschermd. Je hebt in de nalatenschap drie verschillende soorten nalatenschapsschuldeisers:

  • Boedelschuldeisers met een uitvoerbare titel kunnen de boedelgoederen uitwinnen en genieten daarbij een preferentie.
  • Boedelschuldeisers zonder uitvoerbare titel kunnen de nalatenschapsgoederen niet uitwinnen en dienen een bruto-verdeling te ondergaan. Ze verliezen daarbij hun voorrang.
  • Boedelschuldeisers die toevoelig ook erfgenaam zijn, genieten door de figuur van de “inbreng van schulden” altijd van een vereffening in hun voordeel, ongeacht of ze een uitvoerbare titel hebben.

Voor een vennootschapsjurist zou dit verschil in behandeling, met een voortrekken van de insiders, choquerend moeten zijn. Dit is net de reden waarom in de loop van de 19de eeuw het concept van concursus werd uitgevonden voor vereffeningen. Continue reading “De vereffening van de maatschap in W.Venn en ontwerp-WVV: over de gevaren van recyclage”

Het hoog “nu-of-nooit”-gehalte van de vereffening en het vergeten agency-conflict

In een eerdere blogpost werd de minderheidsvordering reeds omschreven als een heilig doel zonder middelen. In een recente bijdrage in TRV-RPS stelden we vast dat deze minderheidsvordering ontbreekt na de ontbinding van een vennootschap en stelden we een elegant alternatief voor, ter bescherming van de minderheidsvennoten tijdens de vereffening.   Continue reading “Het hoog “nu-of-nooit”-gehalte van de vereffening en het vergeten agency-conflict”

Het einde van de slapende vennootschappen

Publicatie van Wet van 17 mei 2017 tot wijziging van diverse wetten met het oog op de aanvulling van de gerechtelijke ontbindingsprocedure van vennootschappen

De wetswijziging van 17 mei 2017, die maandag werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad,[1] luidt het einde in van de zgn. ‘slapende vennootschappen’. De wetgever wijzigt hiermee de gerechtelijke ontbindingsprocedure vervat in art. 182 W.Venn. krachtens dewelke vennootschappen die gedurende drie opeenvolgende jaren geen jaarrekening hebben neergelegd gerechtelijk kunnen worden ontbonden. Continue reading “Het einde van de slapende vennootschappen”

De Maatschap mag failliet

Vijf bouwstenen voor een modernisering

Vandaag wordt het meestal niet in vraag gesteld dat een maatschap niet het voorwerp uit kan maken van een insolventieprocedure. Is het niet logisch dat enkel natuurlijke personen en rechtspersonen failliet kunnen gaan? En dus niet niet een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid? Zo luidt het.

Een Onderneming met een Afgescheiden Vermogen Verdient het Insolventierecht

Een moderne insolventiewetgeving stelt de insolventieprocedure nochtans ook open voor een maatschap. Continue reading “De Maatschap mag failliet”