Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip

D. Van Gerven: “Wat wijzigt er voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders?”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreekt stafhouder Dirk Van Gerven wat er wijzigt voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders. Over de maatschap en de feitelijke vereniging in het licht van het formeel ondernemingsbegrip schrijft hij onder meer:

“Uit (c) [van art. I.1,1° WER] volgt dat de maatschap een onderneming is. Zij is een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Kenmerkend is haar afgescheiden vermogen dat gepaard gaat met een eigen bestuur en dus organogram; zij vormt een afzonderlijke organisatie, ook al heeft ze geen rechtspersoonlijkheid.[1] De maatschap kan overigens strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen (art. 5, derde lid Sw.). Wat geldt voor de maatschap geldt ook voor de stille vennootschap en de tijdelijke vennootschap, die in wezen varianten zijn op de maatschap. De tijdelijke vennootschap wordt afgeschaft in het WVV (de maatschap kan daarvoor dienen) en de stille vennootschap zal  door het leven gaan als de stille maatschap, een bijzondere vorm van maatschap.[2]

Wordt uitgesloten: “iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie” (art. I.1, 1°, tweede lid, (a) WER). Continue reading “Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip”

Het functionele ondernemingsbegrip: spoort het WER met het Europese recht?

J. Stuyck, “Het nieuwe ondernemingsrecht . Kritische evaluatie en vooruitblik”

De functionele definitie van onderneming als: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen” werd behouden als aanknopingspunt voor regels in afzonderlijke Boeken, zoals mededinging en marktpraktijken. Professor Jules Stuyck schrijft hierover:

“Afgezien van het merkwaardige staartje “alsmede zijn verenigingen[1], was deze definitie ontleend aan het Belgische mededingingsrecht (thans Boek IV WER). De definitie is een variante op deze die het Hof van Justitie voor de toepassing van de EU-mededingingsregels heeft ontwikkeld.

Volgens het Hof van Justitie, in een constante rechtspraak, omvat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke eenheid (…) die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.[2] Het Hof preciseerde dat op het gebied van de sociale zekerheid bepaalde instellingen belast met het beheer van wettelijke stelsels van ziektekosten- en ouderdomsverzekering een zuiver sociaal doel hebben en geen economische activiteit uitoefenen.[3] In latere arresten[4] oordeelde het Hof dat een orgaan dat een aanvullende ouderdomsverzekering beheerde, volgens het kapitalisatiebeginsel, een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met de levensverzekeringsmaatschappijen, en dat de belanghebbenden de oplossing konden kiezen die de beste belegging garandeerde. Organen die een wettelijke taak vervullen in het kader van de sociale zekerheid zijn bijgevolg als zodanig geen ondernemingen. Het ondernemingsbegrip is evenwel een functioneel begrip. Het betrokken orgaan dat, los van de (in overeenstemming met het solidariteitsbeginsel uitgevoerde) taak van sociale zekerheid, een taak die geen economische activiteit uitmaakt, en uit dien hoofde geen onderneming is, ook andere (bijkomende) activiteiten ontplooit die wel economisch van aard zijn, zal voor laatstgenoemde activiteiten als onderneming in de zin van het mededingingsrecht worden gekwalificeerd. Dit blijkt uit het arrest AOK Bundesverband[5], waarin het Hof de Höfner-rechtspraak bevestigt en eraan toevoegt dat het niet uit te sluiten is dat de ziekenfondsen en de organisaties die hen vertegenwoordigen, naast hun uitsluitend sociale taken in het kader van het beheer van het Duitse socialezekerheidsstelsel, ook handelingen verrichten die geen sociaal doel hebben, maar economisch van aard zijn. In dat geval zouden de beslissingen die zij in dat kader nemen, eventueel als afspraken tussen ondernemingen of besluiten van ondernemersverenigingen kunnen worden aangemerkt. Continue reading “Het functionele ondernemingsbegrip: spoort het WER met het Europese recht?”

Twee jaar Wet Hervorming Ondernemingsrecht: vereenvoudigen is niet simpel

Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht

De Wet Hervorming Ondernemingsrecht werd twee jaar geleden afgekondigd (zie hier voor een overzicht van de belangrijkste wijzigingen). Deze wet schafte de handelaar af als aanknopingspunt en stelde een formeel ondernemingsbegrip (art. I.1,1° WER) in de plaats. Daarbij stond vereenvoudiging voorop. Tijd voor een evaluatie van deze peuter. Continue reading “Twee jaar Wet Hervorming Ondernemingsrecht: vereenvoudigen is niet simpel”

Hoe vlak is het speelveld tussen vennootschappen en verenigingen?

Is er nood aan oprichtersaansprakelijkheid in een VZW?

De VZW was volgens art. 1 al. 3 VZW-Wet een vereniging “welke niet nijverheids- of handelszaken drijft”.  Art. 1 al. 3 VZW-Wet was eigenaardig descriptief geformuleerd. Dit moest ondanks die formulering als een verbod worden gelezen.

Het WVV herneemt deze beperking niet langer voor VZW’s. Deze post argumenteert dat dit een goede zaak is, maar stelt de vraag of het vennootschapsrecht, anders dan het ondernemingsrecht, de consequenties van deze keuze wel heeft doorgetrokken. Continue reading “Hoe vlak is het speelveld tussen vennootschappen en verenigingen?”

De tocht is moeilijk, de gids ervaren: wegwijs in het ondernemingsrecht

Oude(re) lezers van deze blog herkennen misschien nog de slogan waarmee Jean-Luc Dehaene zich in 1995 succesvol aan de kiezer presenteerde. Met dezelfde slogan kan de (ondertussen reeds) 11de editie van Ondernemingsrecht in hoofdlijnen aangekondigd worden. Het ondernemingsrecht heeft de voorbije jaren fundamentele veranderingen ondergaan: de onderneming heeft de koopman vervangen, een nieuw vennootschapsrecht heeft het licht gezien, het insolventierecht is grondig hervormd, B2B-relaties zijn niet meer wat ze geweest zijn, et j’en passe. Continue reading “De tocht is moeilijk, de gids ervaren: wegwijs in het ondernemingsrecht”

Nieuw economisch recht in B2B relaties: mededinging, misbruik van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke handelspraktijken

Studiemiddag KU Leuven | 17 oktober 2019

Eerder schreef hier Professor Evelyne Terryn over de verregaande inperking van de contractsvrijheid in de “B2B”-context: door de Wet van 4 april 2019:

“Tot hiertoe liet het Belgisch recht enkel een controle toe van onrechtmatige bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen en consumenten. Na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zullen de rechters ook controle kunnen uitoefenen over overeenkomsten tussen ondernemingen.

De regeling krijgt een bijzonder ruim toepassingsgebied. Het gaat om alle overeenkomsten tussen ondernemingen (in de ruime zin van Boek VI). Er is geen beperking wat de grootte van de ondernemingen betreft. Alleen voor ‘financiële diensten’ en voor ‘overheidsopdrachten en contracten die daaruit voortvloeien’ geldt een uitzondering.  Men kan zich afvragen of en hoe dit onderscheid te rechtvaardigen valt. Kernbedingen blijven uitgezonderd van controle maar alleen als ze ‘duidelijk en begrijpelijk’ zijn opgesteld. Anders dan bijv. in Nederland, is de Belgische regeling evenmin beperkt tot standaardcontracten.

De controle zal gebeuren aan de hand van een ‘zwarte’ lijst (in alle omstandigheden onrechtmatig) van vier clausules; een ‘grijze’ lijst (vermoeden van onrechtmatigheid) van acht clausules en een algemene norm die, net als bij consumenten, bedingen verbiedt die, ‘alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen’.  Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheden bij het sluiten van het contract, de algemene economie van het contract, ‘alle geldende handelsgebruiken’ en de andere bedingen van het contract of een samenhangend contract. Ook de duidelijkheid en begrijpelijkheid is een element bij de beoordeling.

Net als in de B2C verhouding, bestaat de sanctie ook hier uit de nietigheid van de clausule. Het gaat in de regel om een partiële nietigheid. Enkel indien de overeenkomst zonder deze clausule niet kan voortbestaan, kan de nietigheid van een clausule leiden tot de nietigheid van de volledige overeenkomst.

De invulling van dergelijke algemene norm in een B2B context zal allicht aanleiding geven tot discussie en clausules die onrechtmatig zijn in een B2C context kunnen niet zonder meer onrechtmatig worden bevonden in een B2B context.”

Over deze verboden bedingen, maar ook over misbruik van economisch afhankelijkheid,  de nieuwe regels inzake marktpraktijken en de nieuwe regels inzake handhaving van het mededingingsrecht (Wet van 2 mei 2019) organiseert de KU Leuven op 17 oktober 2019 een studiemiddag: Continue reading “Nieuw economisch recht in B2B relaties: mededinging, misbruik van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke handelspraktijken”

Zijn vennootschapsbestuurders ook ondernemingen?

A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH/RDC 2019, 494-503.

Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe ondernemingsrecht op 1 november 2018 heeft het de Belgische wetgever het verouderde handelaarsbegrip definitief ten grave gedragen en vervangen door een meer hedendaags ondernemingsbegrip. Enkele maanden vóór datum trad overigens ook het nieuwe insolventierecht (Boek XX WER) in werking. De gevolgen voor de rechtspraktijk zijn groot.

In de kielzog van deze wetgevende omwenteling rijzen echter verschillende vragen. Eén van deze vragen betreft de positie van de vennootschapsbestuurder[1] binnen het nieuwe ondernemingsrecht. Is de vennootschapsbestuurder ook een onderneming? En welke juridische gevolgen zou het kleven van het juridisch etiket op het voorhoofd van de vennootschapsbestuurder hebben? Kan een vennootschapsbestuurder dan ook failliet worden verklaard? Deze vragen hebben inmiddels reeds aanleiding gegeven tot uiteenlopende rechtspraak.[2]

Belang

Het antwoord op deze vragen is voor de rechtspraktijk niet zonder belang. Hoewel men op het eerste gezicht zou kunnen denken dat een vennootschapsbestuurder het faillissement te allen prijzen zou willen vermijden, gaat deze redenering in de brave new world van het ondernemingsrecht niet meer steeds op. Continue reading “Zijn vennootschapsbestuurders ook ondernemingen?”

Wanneer ben je een onderneming?

Ben je een ondernemer wanneer je online oude fietsen verkoopt? En hoe zit dat dan fiscaal? Continue reading “Wanneer ben je een onderneming?”

Belgische wetgever maakt verregaande controle mogelijk van overeenkomsten en praktijken tussen ondernemingen

Een post door gastblogger professor Evelyne Terryn (KU Leuven)

Op 21 maart 2019 heeft de voltallige Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van het WER met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken goedgekeurd. Deze wet is onder de radar gebleven hoewel hij een ingrijpende hervorming inhoudt van het ondernemingsrecht en het verbintenissenrecht en een verregaande controle toelaat van praktijken en overeenkomsten tussen ondernemingen. Continue reading “Belgische wetgever maakt verregaande controle mogelijk van overeenkomsten en praktijken tussen ondernemingen”

Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER

In het Belgisch Staatsblad van 29 oktober j.l. verscheen het Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek van Economisch recht.  De strekking van dit KB wordt toegelicht in het Verslag aan de KoningContinue reading “Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER”

Huil niet om het handelsrecht

Elegie voor een levende

Rond het ogenblik waarop deze blogpost verschijnt sluiten de griffies van de Belgische rechtbanken van koophandel voor altijd hun deuren.  Na Allerheiligen zullen de ondernemingsrechtbanken open gaan. Vannacht om middernacht verdwijnt het begrip ‘koopman’ uit het Belgisch recht en daarmee ook het handelsrecht.

Vergis u niet. Dit is de ultieme triomf van het handelsrecht. Het handelsrecht is niet overbodig geworden. Integendeel, het handelsrecht heeft gezegevierd en het burgerlijk recht overgenomen. Daarmee is het als aparte discipline niet meer nodig.  Continue reading “Huil niet om het handelsrecht”

Impact van de afschaffing van het begrip handelaar op de onverenigbaarheden van vrije beroepers

Communicatie van het IBR

Op 1 november worden de noties ‘handelaar’, ‘koopman’ of ‘handelsvennootschap’ opgeheven. Art. 254 al. 1 van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht bevat in dit verband een legistieke “zoek-en-vervang”-bepaling: vanaf 1 november dienen in alle wetten in principe de begrippen ‘handelaar’ of ‘koopman’ in de zin van artikel 1 van het W.Kh. te worden gelezen als ‘onderneming’ in de zin van het gewijzigde art. I.1 WER.

Hierop voorziet het tweede lid van art. 254 een uitzondering: de Wet van 15 april 2018 laat de toepassing onverlet van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die met verwijzing naar ‘handelaar’, ‘koopman’ of afgeleide begrippen beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen. Continue reading “Impact van de afschaffing van het begrip handelaar op de onverenigbaarheden van vrije beroepers”

Geschillen over transacties in aandelen of lidmaatschapsrechten nu ook voor ondernemingsrechtbank (art. 574, 1° Ger.W.)

De Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, die op 1 november in werking zal treden, wil het economisch recht moderniseren. Dat gebeurt vooral door het aanknopingspunt voor dat economisch recht, met name het ondernemingsbegrip, uit te breiden. Een belangrijk spoor van die modernisering is de transitie van rechtbank van koophandel naar een echte ondernemingsrechtbank. Artikel 573, 1° Gerechtelijk Wetboek zal in de zeer nabije toekomst ook het formele ondernemingsbegrip hanteren, zoals dat nu reeds bestaat voor Boek XX WER. De Wet van 15 april 2018 neemt zo de draad op waar de Wet Natuurlijke Rechter (van 26 maart 2014) die had achtergelaten.

Schijnbaar minder aandacht gaat naar artikel 574,1° Gerechtelijk Wetboek, dat ook wordt gewijzigd. Die bepaling is nochtans lange tijd bepalend geweest voor de poging om de rechtbank van koophandel (soon to be: ondernemingsrechtbank) de natuurlijke rechter te maken voor het vennootschapscontentieux. Continue reading “Geschillen over transacties in aandelen of lidmaatschapsrechten nu ook voor ondernemingsrechtbank (art. 574, 1° Ger.W.)”

Kan de zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap persoonlijk failliet worden verklaard?

Rb. Kh. Antwerpen Afd. Turnhout: “zaakvoerder is geen ‘onderneming’ voor de doeleinden van Boek XX WER”

Sinds 1 mei 2018 staan de insolventieprocedures open voor elke ‘onderneming’ in de zin van art. XX.1 WER. Na 1 november verhuist die ondernemingsdefinitie naar art. I.1, 1° WER, zonder dat dit iets zal wijzigen aan het toepassingsgebied zoals dat sinds 1 mei geldt.

Als onderneming geldt o.m. elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent. Dit doet de vraag rijzen of ook bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen, verenigingen of stichtingen als een ‘onderneming’ in de zin van het insolventierecht gelden.

De Rechtbank van Antwerpen, afdeling Turnhout, velde op 26 juni 2018 in dit verband een opmerkelijk vonnis (rolnummer: 0/18/00038). Continue reading “Kan de zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap persoonlijk failliet worden verklaard?”

Imperium delinquere potest

Artikel 5 Sw. gewijzigd

In het Staatsblad van 20 juli 2018 (eerste editie) verscheen de Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft (zie hier voor de parlementaire fiche). Na inwerkingtreding zal artikel 5 Sw. als volgt luiden:

“Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld:
1° tijdelijke handelsvennootschappen en stille handelsvennootschappen;
2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 4, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.”

Vergeleken met de huidige tekst houdt dit twee belangrijke wijzigingen in. Continue reading “Imperium delinquere potest”