De maatschap en de vereffening van haar onderneming – Cass. 30 september 2021

Cass. 30 september 2021 (C.210045.N)

Het Rechtskundig Weekblad nr. 23 van 5 februari 2022 (RW 2021-22, p. 900) publiceert een arrest van het Hof van Cassatie dd 30 september 2021 over de vereffening van een maatschap van Limburgse gerechtsdeurwaarders. (Voor zover ik kan nagaan werd dit arrest niet gepubliceerd in Juportal.)

Inzet van het geschil ten grond was de vraag of er door de rechtbank een vereffenaar diende te worden aangesteld voor de afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de maten.

Het arrest a quo van het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde dat er een maatschap was tussen de natuurlijke personen gerechtsdeurwaarders die hun arbeid inbrachten, waarbij het saldo van de winsten na betaling van de werkingskosten en de vergoedingen van gerechtsdeurwaarder 1 en 2 werden gereserveerd bij de BV van gerechtsdeurwaarder drie. Het Hof van Beroep oordeelde dat, omdat er geen sprake was van een onderneming in mede-eigendom tussen de maten, er geen vereffenaar diende te worden aangesteld bij afwezigheid van gezamenlijke eigendom. Het Hof van Cassatie vond dit in de geschetste omstandigheden geen verantwoording naar recht.

Dit is de eerste uitspraak die ik tegenkom met toepassing van art. 4:21 WVV: “Het vennootschapsvermogen wordt na ontbinding geacht voort te bestaan voor de vereffening tot aan de sluiting daarvan. Elke belanghebbende kan de aanstelling van één of meer vereffenaars vorderen voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap zitting houdend zoals in kort geding. Artikel 2:97, §§ 1 en 3, eerste lid, is van toepassing.

Dit artikel wijkt af van de oude regel (art. 55 W.Venn., art. 1871 Code civil) die verwees naar de onverdeelde nalatenschap en niet voorzag in de mogelijkheid van de aanstelling van een vereffenaar. Deze regel, die gelukkig door de rechtspraak contra legem werd genegeerd, werd op suggestie van deze blog niet hernomen maar gewijzigd in wat nu art. 4:21 WVV is.

Uit het besproken cassatie-arrest durf ik zonder te beschikken over het bestreden arrest en de cassatiemiddelen geen grote conclusies te trekken, maar ik wil de oplossing wel bijvallen: de afwezigheid van een onderneming in mede-eigendom was hier geen goede reden om geen vereffenaar aan te stellen.

Op grond van de summiere info in het arrest is hier wel degelijk sprake van een (ter ziele gegane) onderneming, in de zin van een rechtsobject. Er is immer sprake van het inbrengen van de activiteiten van gerechtsdeurwaarden van het delen van winst en verlies.

Doorslaggevend is de (impliciete) afspraak dat de waarde gemeenschappelijk verdeeld zal worden, niet dat de fysieke ondernemingsgoederen in natura onverdeeld zijn. Vaak zal het onverdeeld zijn van de belangrijkste lichamelijke goederen die relevant zijn voor de exploitatie van de onderneming en het aantrekken van clientèle, hand in hand gaan met een gezamenlijk recht op de waarde van de onderneming en daarvan een zeer belangrijke indicatie zijn. Er is echter geen noodzakelijke band tussen een gezamenlijk recht op de ondernemingswaarde en de onverdeeldheid van de ondernemingsgoederen.

Dat in de besproken casus de gereserveerde winsten zich blijkbaar situeren op het niveau van de BV van één van de maten – waarbij vermoed kan worden dat de twee andere maten op basis hiervan een vergoeding wensen – verandert niets aan de analyse. Er is ook dan wel degelijk sprake van minstens één gemeenschappelijk goed: nl. de vergoedingsvordering van de maatschap op de BV van maat 3. Een vereffenaar kan als taak hebben deze vordering in te stellen tegen de BV en die opbrengst te verdelen onder de maten.

Elders hebben we uiteengezet dat de praktische inzet van de kwalificatievraag tussen de deelgenoten bij een samenwerking zich vooral stelt bij de beëindiging van de samenwerking (J. Vananroye en R. Foriers, “Een juridische zombie: de maatschap als kwalificatie voor een onbenoemde of feitelijke samenwerking”, TRV 2015, 762 e.v.). Het besproken arrest illustreert dit opnieuw. De inzet van de vraag naar de kwalificatie van een maatschap bij het einde van een samenwerking is dan ook meestal shorthand voor een andere vraag: is er een onderneming en is de waarde van deze onderneming “mede-eigendom” tussen de maten? De vraag is niet zozeer of er een maatschap is – dat zal er meestal wel zijn – maar wel wat het voorwerp van die maatschap is.

Met “onderneming” bedoelen we hier het geheel van goederen dat wordt bestemd voor een concrete economische activiteit. Het begrip “onderneming” valt voor een commerciële uitbating samen met het begrip “handelszaak”. Omdat ook economische activiteiten die geen handelsdaden betreffen (bv. landbouw, vrije beroepen) een “handelszaak” hebben verkiezen we de term onderneming. Met “onderneming” bedoelen we hier met name niet de organisatie die drager is van deze goederen; dat is de betekenis die onderneming onder meer heeft in art. I.1,1° WER. Een onderneming (handelszaak) is een feitelijke algemeenheid: een verzameling van goederen die in het economisch verkeer als een eenheid worden beschouwd en waarbij het geheel een winstvermogen heeft dat in de regel meer waard is dan de som der delen. Die meerwaarde wordt gevat in het begrippen als clientèle of goodwill. Het gaat om dat gedeelte van de waarde van een onderneming dat niet direct toewijsbaar is aan de activa.

In de praktijk van de gepubliceerde rechtspraak blijkt meestal deze situatie: twee of meerdere partners werken samen in een onderneming; de samenwerking loopt spaak; één van de partners zet de onderneming feitelijk verder en/of werft de gezamenlijke klanten af; en een andere partner stelt een vordering in waarbij wordt geclaimd dat de samenwerking een maatschap was en dat deze maatschap moeten worden vereffend waarbij de eisende partner zijn deel krijgt van de going concern-waarde van de gezamenlijke onderneming. De kwalificatie als maatschap is in dat opzicht een juridische zombie: een reeds overleden samenwerkingsverband wordt tot leven gewekt voor de doeleinden van een vereffening.

Dit zal vaak het makkelijkst gebeuren door het aanstellen van een vereffenaar. Dit is echter geen noodzaak, ook niet al de maatschap wel degelijk een onderneming heeft of had. In de hoger vermelde bijdrage, bespreken we alternatieve wijzen om de gemeenschappelijke waarde te verdelen.

Ook het besproken arrest zegt niet dat het nodig is om bij een gemeenschappelijke onderneming een vereffenaar aan te stellen. Wel dat de beslissing om dat niet te doen, correct moet worden gemotiveerd.

Evenmin kan uit het arrest worden afgeleid dat een vereffenaar per definitie nooit moet of kan worden aangesteld als de maatschap geen onderneming had.

Zie J. Vananroye, Beginselen van Organisatierecht, p. 185-189.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: