Cassatie over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen

In een belangrijk arrest van 17 december 2019 (P.19.0845.N/7) heeft het Hof van Cassatie toelichting gegeven bij de materiële en morele toerekenbaarheid van misdrijven aan rechtspersonen. Artikel 5, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. De invulling van deze voorwaarden in de onstoffelijke context van rechtspersonen staat garant voor aangename discussies en uitgebreide conclusies. Continue reading “Cassatie over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen”

Mee met het WVV?

Meer dan 70 posts over het WVV

Op 1 januari 2020 wordt het WVV ook van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen. Hier vindt u de tekst van de invoeringswet, de Concordantietabel W.Venn. – WVV en het ontwerp van de belangrijkste reparatiewet.

De posts over het WVV op deze blog  – meer dan 70, samen toch een virtueel boek van pakweg 300 blz –  waren: Continue reading “Mee met het WVV?”

Diversiteit in de Nederlandse en Belgische bestuurskamers

Symposium te Amsterdam op 6 februari 2020

Sinds 28 juli 2011 zijn in België quota ingevoerd teneinde te garanderen dat vrouwen zitting hebben in de raad van bestuur van de genoteerde vennootschappen. Beursgenoteerde ondernemingen moeten het aantal bestuursleden van het andere geslacht verplicht uitbreiden tot minstens 1/3. Art. 7:86 van het WVV luidt:

“In genoteerde vennootschappen en de organisaties van openbaar belang bedoeld in artikel 1:12, 2°, is ten minste één derde van de leden van de raad van bestuur van een ander geslacht dan de overige leden, waarbij het vereiste minimum aantal wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal. Is de bestuurder een rechtspersoon, dan wordt zijn geslacht bepaald door dat van zijn vaste vertegenwoordiger.
Voldoet de samenstelling van de raad van bestuur om welke reden dan ook niet of niet langer aan de vereisten gesteld in het eerste lid, dan stelt de eerstvolgende algemene vergadering een raad van bestuur samen die wel aan deze vereisten voldoet, zonder dat dit afbreuk doet aan de regelmatigheid van de samenstelling van de raad van bestuur tot op dat ogenblik. Elke andere benoeming is nietig.
Ingeval de raad van bestuur na de algemene vergadering bedoeld in het tweede lid niet is samengesteld overeenkomstig het eerste en het tweede lid, dan wordt elk financieel of ander voordeel dat aan de bestuurders toekomt op grond van hun mandaat vanaf dat ogenblik geschorst, tot op het ogenblik waarop terug ten minste één derde van de leden van de raad van bestuur van een ander geslacht is dan de overige leden.
De raad van bestuur van vennootschappen waarvan de aandelen voor het eerst worden genoteerd, moet zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid met ingang van de eerste dag van het zesde jaar volgend op de notering.”

België heeft daarmee een hardere regeling dan Nederland. Daar bevat art. 2:166/276 BW een streefcijferbepaling, met een minimumnorm van 30%, maar deze bepaling ontbeert een sanctie. Een groot bedrijf – groot in de zin van art. 2:397 lid 1 BW – dat het minimum van 30% mannen of vrouwen in bestuur of raad van commissarissen niet haalde, moest uitleggen wat er aan schortte. ‘Moest’ en ‘schortte’, want de wettelijke regeling in art. 2:166/276 BW is een zgn. horizonbepaling (sunset clause). Vanaf 1 januari 2020 bestaat zij niet meer. De gedachte in Den Haag was dat aan het eind van 2019 ieder groot bedrijf de norm zou halen. Dat is niet het geval.

Op 3 december 2019 nam de  Nederlands Tweede Kamer daarom een motie aan. In de motie wordt de regering verzocht om de maatregelen uit het SER-advies 19/12 ‘Diversiteit in de top’ van september 2019 integraal over te nemen. De SER noemt een aantal maatregelen die genomen moet worden om het aandeel vrouwen in de top van het bedrijfsleven te vergroten. De meest bekende is het verplichte quotum: de raad van commissarissen van een beursgenoteerde vennootschap zou voor (minimaal) 30% uit vrouwen moeten bestaan.

Het einde van de streefcijferbepaling is ook de aanleiding voor de verschijning van een boek. Het boek wordt gepresenteerd tijdens een symposium van het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht (Radboud Universiteit) op donderdag 6 februari 2020 ten kantore van Loyens & Loeff  te Amsterdam. De redactie is in handen van Claartje Bulten, Mijke Sinninghe Damsté, Charlotte Perquin-Deelen en Koen Bakker.

Deelname aan het seminar is kosteloos. Continue reading “Diversiteit in de Nederlandse en Belgische bestuurskamers”

Bestuursaansprakelijkheid: een overzicht van wat nieuw is en wat bleef

We maakten voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven campus Brussel) een overzicht van de belangrijkste regels in verband met de (burgerrechtelijke) aansprakelijkheid van bestuurders. Daarbij werden de wijzigingen aangebracht door het WVV verwerkt. Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid: een overzicht van wat nieuw is en wat bleef”

Reparatie van de cap – bis

In een eerdere post wees dr. Gillis Lindemans op een bug in de cap. Zoals bekend, geldt de cap enkel nog voor toevallige lichte fouten (art. 2:57, § 3, 1°), hetgeen het revolutionair karakter ervan sterk uitholt. Evenwel voorziet art. 2:57, § 1 WVV vandaag nog steeds uitdrukkelijk dat de cap van toepassing is op de faillissementsaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout (art. XX.225 WER) en de faillissementsaansprakelijkheid wegens wrongful trading (art. XX.227 WER). Volgens dr. Lindemans kan een kennelijk grove fout echter nooit een toevallige lichte fout zijn en staat ook de voortzetting van een reddeloze onderneming op gespannen voet met het concept toevallige lichte fout. Continue reading “Reparatie van de cap – bis”

Studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 18 december 2019 – programma

Zoals eerder aangekondigd, organiseren de studenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen. Op de (reeds) twaalfde editie van deze studieavond worden specifieke thema’s belicht binnen het ruime speelveld van zekerheden in het insolventierecht.

De studieavond gaat door op woensdag 18 december 2019 om 19 u in aula R002 Stadscampus UA, Rodestraat 14, Antwerpen, gebouw R. Deelname is gratis en iedereen is welkom.

Wie achteraf een documentatiebundel wil ontvangen, kan dat hier melden.

Het programma is als volgt:

  • Maxime Liebaert – Voorrechten en de nieuwe Pandwet: nu voor echt?
  • Sacha Klajnfeld – De kwaliteitsrekening als vermogenssplitsing binnen het insolventierecht
  • Andreas Depoortere – De borgtocht op eerste verzoek. Een juridisch monster?
  • Matthijs Troch – Conventionele schuldvergelijking na samenloop: waarom de wetgever een mooie kans laat liggen
  • Justine Heureux – Conventionele compensatie na een collectieve schuldenregeling in het raam van de WFZ toch niet helemaal onmogelijk
  • Louis Van de Wyer – De restitutieschuldeiser en het faillissement: concurrente faillissementsschuldeiser, (bevoorrechte) boedelschuldeiser of boedelseparatist?
  • Ellen Timmermans – Het verzachten van het in-naturavereiste bij eigendomsvoorbehoud: een sterker eigendomsvoorbehoud?
  • Shannon Van Eyck – Het ontstaan en de tegenstelbaarheid van het zekerheidsrecht van de rechtstreekse vordering van de onderaannemer: ab initio aanwezig of ontstaan op het ogenblik van de kennisgeving?
  • Enya Van Moer – Geld lenen als hypothecaire schuldeiser: zekerheid of risico bij strafrechtelijk beslag?
  • Yaisa Beyers – Zakelijke zekerheden bij cross-border insolvency: (br)exit?

Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden. Continue reading “Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?”

Suggesties voor onder de kerstboom

Het is de tijd van het jaar om pakjes onder de kerstboom te leggen. Wie familieleden of vrienden met bijzondere interesse in het insolventierecht heeft (innige deelneming), weet zich dit jaar van keuzestress bespaart. Zeer recent zijn immers twee indrukwekkende boeken verschenen die het famielilid/de vriend(in) in kwestie de volledige kerstvakantie zoet zullen houden. Beide werken, en hun auteurs, verdienen het even in de spotlights geplaatst te worden. Continue reading “Suggesties voor onder de kerstboom”

Reminder: studiedag 1 jaar nieuw ondernemingsrecht

Studiedag – 20 december – UHasselt

Zoals reeds aangekondigd in een vorige blogpost wordt op vrijdag 20 december aan de UHasselt de studienamiddag ‘1 jaar nieuw ondernemingsrecht’ georganiseerd.

Inschrijven kan nog steeds, via link !

Continue reading “Reminder: studiedag 1 jaar nieuw ondernemingsrecht”

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn

Over de tegenwerpelijkheid van beperkingen aan de bevoegdheid van het bestuur

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV bepalen voor BV, CV, en NV dat de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen uitbreiden. Zulke uitbreiding van de bevoegdheid van de algemene vergadering zal in de regel een inperking van de bevoegdheid van het bestuursorgaan vormen.

Problematisch is de regeling van de tegenwerpelijkheid van zulke inperking. De voornoemde bepalingen stellen hierover: “Zodanige uitbreiding kan niet aan derden worden tegengeworpen, tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs.

Dit is onverzoenbaar met het vertegenwoordigingsregime van de Eerste Richtlijn (van toepassing op NV en BV, al zou er over de BV discussie kunnen zijn).

Het uitgangspunt van de Eerste Richtlijn is dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordigingsregime niet tegenwerpelijk zijn. Kennis is daarbij geen uitzondering. De Richtlijn staat lidstaten toe dat ze voor het “voorwerp” (vennootschapsdoel) een uitzondering maken op deze regel van niet-tegenwerpelijkheid van statutaire beperkingen tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs. België heeft van deze optie altijd gebruik gemaakt, maar breidt die uitzondering nu in strijd met het Europees recht uit naar andere statutaire bepalingen.

Voor elk van de drie vennootschapsvormen is deze regel bovendien niet te verzoenen met de regel in het spiegelbeeldbepalingen over het bestuursorgaan (art. 5:73, 6:61, 7:93 WVV). Zie bv. voor de NV art. 7:93  § 1:

“De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is.  De statuten kunnen de bevoegdheden van de raad van bestuur beperken. Zodanige beperking kan niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is ze openbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor een onderlinge taakverdeling onder de bestuurders.”

Bij de regels over het bestuursorgaan wordt dus richtlijnconform, zonder kwalificatie of uitzondering, gesteld dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van het vertegenwoordigingsorgaan niet tegenwerpelijk zijn.

De tunnel gegraven vanuit Dover en die vanuit Calais ontmoeten mekaar niet onder zee.

Continue reading “Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn”

Towards harmonisation of bank insolvency laws

The harmonisation of insolvency rules for European banks was recently put on the table by Germany’s finance minister Olaf Scholz, together with other measures (such as a European deposit insurance scheme) destined to advance the banking union (see his position paper on the goals of the banking union).  According to Minister Scholz:

The lack of harmonisation in this area complicates the resolution of banks with cross-border operations. This becomes particularly problematic when banks and creditors are better placed in proceedings under national insolvency legislation than they would be with a resolution in accordance with the Bank Recovery and Resolution Directive. When this happens, national insolvency legislation undercuts the provisions that are tailored to fit the specific set of interests at play when a bank is wound down.

What is more, the SRB also needs to take into account 19 different national insolvency regimes when performing a resolution due to the no-creditor-worse-off principle, which stipulates that no creditor may incur greater losses as a result of a resolution than they would have in national insolvency proceedings. This is complex, increases legal and compensation risks and results in groups of creditors receiving different treatment despite being fundamentally the same.

For this reason, we need a single European set of laws on bank insolvency.

Coincidentally (or not), a study on the differences between bank insolvency laws and on their potential harmonisation was recently published (the report and the executive summary can be found here). The abstract from the executive summary reads as follows:

 The resolution framework set out under Directive 2014/59/EU (‘BRRD’) provides EU Member States with comprehensive and harmonised arrangements to deal with failing banks at a national level, and is complemented in the euro area by the Single Resolution Mechanism Regulation (SRMR) that sets out a euro-area-wide resolution framework. But under EU law, unlike in the United States, resolution does not function as a standalone substitute for national insolvency proceedings. This study identifies the national insolvency procedures applicable to banks and analyses key differences between them, notably concerning the circumstances according to which the application of reorganisation or winding-up procedures is triggered, the ranking of liabilities, and the available tools to manage bank crises. By highlighting the differences that can be found in the legislative regimes applicable at national level and determining how these national insolvency regimes differ from the resolution regime as set out in the BRRD and SRMR, the study assesses the potential disadvantages that result from the lack of harmonisation of these bank insolvency regimes. Taking these disadvantages into account, policy options are outlined to address these divergences. The feasibility, benefits, obstacles and impact of these options are discussed. In terms of future revision of the current framework, more clarity and predictability of the applicable regime should be sought, particularly for medium-sized banks, with a holistic approach to reform that also takes into account related policies such as those on state aid control and deposit insurance.

 

 

Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?

Art. 5:73 WVV

Vertegenwoordigingsclausules (één- of meerhandtekeningsclausules) in de BV worden geregeld door art. 5:73 WVV (tekst onderaan hernomen).

De memorie van toelichting bij het WVV (p. 157) stelt bij dit artikel dat het ‘grotendeels’ een herneming is van art. 257 W.Venn. De tekst dat art. 5:73 doet echter de vraag rijzen of dit wel het geval is.

Meer bepaald is er een onduidelijkheid in een BV met meerdere bestuurders die concurrentieel bevoegdheid zijn en waar er een meerhandtekeningsclausule is die geldt vanaf een bepaalde grens (bv. “voor transancties vanaf € 50.000 moeten twee bestuurders optreden“).

Continue reading “Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?”

Wordt de ongerechtigheid der vaderen gestraft in de kinderen en de kindskinderen? (Exodus 34:7)

‘Successor liability’ naar Belgisch recht

1.
Art. 2:2 WVV (voorheen art. 60 W.Venn.) voorziet voor alle rechtspersonen van het WVV een regel voor het optreden namens een rechtspersoon in oprichting, waarbij de promotoren persoonlijk aansprakelijk zijn, behoudens bij een overname door de rechtspersoon na oprichting. Deze regeling werd in 1973 ingevoerd vanuit de Eerste Richtlijn. Zie nu art. 7.2 van Richtlijn 2017/1132 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht.

Art. 2:2 spreek enkel over verbintenissen en aansprakelijkheden. De Richtlijn spreekt over “rechtshandelingen”. Dit betekent echter niet dat de overnemende rechtspersoon geen buitencontractuele aansprakelijkheid kan oplopen voor fouten van vóór haar oprichting.

Een makkelijk voorbeeld is een promotor die bedrog pleegt bij het aangaan van een overeenkomst namens een rechtspersoon in oprichting. De overnemende rechtspersoon zal ook buitencontractueel aansprakelijk zijn voor dat bedrog na overname van die overeenkomst. Het is een verbintenis “voorvloeiende uit” die overgenomen handeling. Een overname van een rechtshandeling moet slaan op alle verbintenissen voortvloeiend uit die overeenkomst. Continue reading “Wordt de ongerechtigheid der vaderen gestraft in de kinderen en de kindskinderen? (Exodus 34:7)”

KB 26 april 2018 inzake de berekening van ereloon en kosten van insolventiefunctionarissen onder vuur

Raad van State verwerpt de middelen tot vernietiging, maar stelt ook prejudiciële vraag aan Grondwettelijk Hof

In arrest nr. 246.083 van 14 november 2019 verwerpt de Franstalige afdeling van de Raad van State een beroep tot vernietiging van het reeds op dit forum besproken KB van 26 april 2018 betreffende de barema’s en de regels voor de berekening van erelonen en kosten van de insolventiefunctionarissen. Er moet daarbij wel worden benadrukt dat er nog een tweede annulatieberoep tegen het KB hangende is bij de Nederlandstalige afdeling van de Raad van State, dat bovendien steunt op andere middelen dan degene die werden aangevoerd in arrest nr. 246.083 dat hier wordt besproken.

Continue reading “KB 26 april 2018 inzake de berekening van ereloon en kosten van insolventiefunctionarissen onder vuur”

Save the date – Colloquium insolventierecht op 7 februari 2020

Op 7 februari 2020 wordt in Brussel een studienamiddag georganiseerd over actuele knelpunten en tendensen in insolventie. Het initiatief daartoe wordt genomen door de rechters in ondernemingszaken van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, in samenwerking met de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel en de Unie der Rechters in Ondernemingszaken van België. Volgende onderwerpen staan op het programma Continue reading “Save the date – Colloquium insolventierecht op 7 februari 2020”