Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation

Funds that took due account of environmental, social and governance (ESG) factors in their investment strategies generally outperformed their conventional counterparts during the Corona pandemic (FT, 3 April 2020). At the same time there is an omnipresent call to align the economic recovery in Europe with the ‘green transition’ (FT, 18 June 2020). In sharp contrast to this emphasis on the importance for investors to take ESG factors on board when making investment decisions stands the uncertainty about the requirements an investment must meet to be actually sustainable.

On 18 June 2020 the European Parliament decided to remedy the lack of clarity by adopting the Taxonomy Regulation[1] which defines an environmentally sustainable economic activity. More specifically, it sets out the broader framework within which the European Commission will have to come up with the technical criteria an economic activity must adhere to in order to be considered environmentally sustainable. This contribution will give an overview of the key changes brought by the Taxonomy Regulation.

The definition of what makes an economic activity sustainable will lie at the center of an emerging legal framework for sustainable finance. Creating  such a legal framework pioneered as a priority in the Action Plan on Building a Capital Markets Union of 2015 and was translated in more concrete policy in the Action Plan: Financing Sustainable Growth of 2018 based on a blueprint designed by the High-Level Expert Group on Sustainable Finance. In particular the latter Action Plan’s goal to reorient capital flows towards sustainable investments justified the adoption of a detailed EU classification system – or taxonomy – to make it clear for investors which activities qualify as ‘green’ or ‘sustainable’.[2] Continue reading “Sustainability is no longer in the eye of the beholder: an overview of the Taxonomy Regulation”

Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming

W. Vandenbussche en M. Van De Looverbosch, “Het nieuwe ondernemingsbewijsrecht”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreken Dr. W. Vandenbussche (Linklaters) en Mr. M. Van de Looverbosch (KU Leuven, DLA) wat er wijzigde in het ondernemingsbewijsrecht met het gewijzigde WER en boek 8 BW. Daarbij komt onder meer de bewijswaarde aan bod van een factuur die door een onderneming in formele zin werd ontvangen:

“Wanneer een leverancier, aannemer of dienstverlener via een factuur wil bewijzen tegen een onderneming, zal de eerste vraag zijn of de factuur al dan niet aanvaard is. […]

Het is voor de verzender niet voldoende dat een geadresseerde de factuur ontvangen heeft om er bewijswaarde aan te ontlenen. De ontvanger moet de factuur ook hebben aanvaard. De aanvaarding van een factuur is de veruitwendiging door de schuldenaar van zijn akkoord met betrekking tot de in de factuur uitgedrukte schuldvordering en de modaliteiten ervan.[1] Soms is er sprake van een uitdrukkelijke aanvaarding. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de ondertekening van de factuur voor akkoord, bij een brief die de goede ontvangst en nazicht vermeldt of bij de mededeling dat de factuur werd nagekeken en zal worden betaald.[2] De aanvaarding van de factuur kan ook impliciet gebeuren. Dit betekent dat de rechter de aanvaarding redelijkerwijze uit de handelwijze van de schuldenaar mag afleiden (zoals door de betaling van het gevorderde bedrag zonder enig voorbehoud, door het gebruik van de factuur voor de btw-aangifte, door de doorverkoop, de verwerking van de gefactureerde goederen of door het aannemen van een kredietnota).[3] Continue reading “Bewijswaarde van een factuur tegen de ontvangende onderneming”

Five remarks on the ruling of the Bundesverfassungsgericht in the PSPP-case

On May 5th the Bundesverfassungsgericht (Federal Constitutional Court of Germany; BVerfG) ruled that both (1) the ruling of the Court of Justice of the European Union (ECJ) in Weiss (C-493/17) and (2) the public sector purchase program (PSPP) of the European Central Bank (ECB) – in the context of which 2 trillion in government debt was bought – were ultra vires; and that the Bundesbank (Federal Central Bank of Germany) could only continue its participation in the PSPP after a transitional period of 3 months, if the ECB would undertake a more substantiated proportionality assessment in a new decision (initial decision) of the Governing Council.

This might sound impressive, but it is not. In essence, the BVerfG only requires the Governing Council of the ECB and ECJ to substantiate their decisions so that those decisions would become intelligible to the BVerfG. If this requirement is not fulfilled, the Bundesbank will not be allowed to implement the PSPP and the BVerfG will not abide by the ECJ’s ruling. As the demand for further clarification by the BVerfG is rather modest and easy to satisfy, there seems to be no reason to believe, as some commentators argued, that this judgement undermines the European legal order.

This is even more true since the judgement contains – from a legal point of view – nothing unprecedented. The judgement of the BVerfG

  1. is not the first to declare an ECJ’s ruling ultra vires;
  2. adheres to constitutional safeguards that
    2.1 have been endorsed by the majority of constitutional courts within the EU,
    2.2 have been part of the BVerfG’s case law for more than half a century, and
    2.3 did not undermine the position of EU law in those member states and that time period;
  3. contains criticism of the ECJ’s approach that
    3.1 was already included in the OMT-case,
    3.2 less substantive than in its older ‘Solange I’-criticism, and
    3.3 might improve the functioning of the EU legal order;
  4. contains conditions regarding the participation of the Bundesbank in the ECB program which
    4.1 are not unprecedented, and
    4.2 are less substantial that in the OMT-case;
  5. is part of the checks and balances of a multilevel legal order.

This blog discusses each of these points in more detail below.

Continue reading “Five remarks on the ruling of the Bundesverfassungsgericht in the PSPP-case”

Dankzij corona tijdelijk geen verrassingen? KB nr. 15 legt bewarend roerend beslag vergaand aan banden

Een post door gastblogger mr. Cedric Haspeslagh

Het volmachten-KB nr. 15 van 24 april 2020 (zie eerder hier) voert een tijdelijke opschorting in voor ondernemingen. Een van de maatregelen is een verbod op zowel bewarend als uitvoerend beslag op roerende goederen en onder derden. Het verbod geldt vanaf 24 april 2020 tot en met 17 mei 2020. Die periode is verlengbaar bij Koninklijk Besluit. Bewarend en uitvoerend onroerend beslag blijft mogelijk. Bewarend beslag op zee- en binnenschepen eveneens.

Het verbod geldt enkel voor ondernemingen waarvan de continuïteit bedreigd is door de verspreiding van de COVID-19 epidemie of pandemie en haar gevolgen, en die niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020 (art. 1, eerste lid van het KB nr. 15).

Gezien dit beperkte toepassingsgebied moet op het eerste gezicht niet gevreesd worden voor uitwassen. Schuldeisers die geconfronteerd worden met een schuldenaar die reeds maanden zonder gegronde reden niet betaalt, dus wiens continuïteit en solvabiliteit reeds bedreigd was voor de coronacrisis, en dringend beslag willen leggen omdat zij vrezen dat hun schuldenaar zijn onvermogen organiseert of onvermogend zal worden, worden niet getroffen door de opschorting. Voor hen blijft het mogelijk om bewarend beslag te leggen.

Echter, het Verslag aan de Koning bij het KB bepaalt dat het niet aan de individuele schuldeiser behoort “om zelf te oordelen dat een schuldenaar niet geniet van de opschorting omdat deze buiten het toepassingsgebied valt (bv. geen impact van de COVID-19 epidemie of pandemie of reeds in staking van betaling op 18 maart 2020) of om enige andere reden (bv. rechtsmisbruik).”

Een schuldeiser die bewarend beslag wil leggen moet zijn schuldenaar dagvaarden voor de Voorzitter van de ondernemingsrechtbank om een uitzondering te bekomen op het beslagverbod (art. 1, tweede lid van het KB nr. 15). Volgens de afdeling Wetgeving van de Raad van State bood de (aanvankelijk in het ontwerp van het KB voorziene) procedure op eenzijdig verzoekschrift onvoldoende waarborgen voor de rechten van verdediging van de schuldenaar. Een afwijking van het recht op tegenspraak zou niet verantwoord zijn “aangezien dat beroep (op de Voorzitter van de ondernemingsrechtbank) geen verrassingseffect moet hebben om doeltreffend te zijn.”

De ratio van een bewarend beslag lijkt daarmee uit het oog te zijn verloren. Dat wordt immers gekenmerkt door een verrassingseffect[1]. Continue reading “Dankzij corona tijdelijk geen verrassingen? KB nr. 15 legt bewarend roerend beslag vergaand aan banden”

Faillissement: het Hof van Cassatie redt de hypothecaire schuldeisers die vergeten een aangifte van schuldvordering te doen

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

In zijn arrest van 12 maart 2020 (Nr. C.19.0437.N) heeft het Hof een einde gemaakt aan een jarenlange discussie in de rechtsleer en rechtspraak over de gevolgen voor een hypothecaire schuldeiser die heeft nagelaten tijdig een aangifte van schuldvordering te doen in het passief van zijn gefailleerde schuldenaar. Continue reading “Faillissement: het Hof van Cassatie redt de hypothecaire schuldeisers die vergeten een aangifte van schuldvordering te doen”

Verwachte Covid-19 solvabiliteitsproblemen nopen fiscus tot soepelere positie bij vrijstelling waardevermindering op handelsvorderingen

Een post door gastblogger mr. Elien Van Malder

De fiscale administratie verwacht dat de uitzonderlijke situatie die werd veroorzaakt door de verspreiding van Covid-19 en de opgelegde maatregelen nadelige gevolgen zullen hebben voor de solvabiliteit van sommige ondernemingen. De fiscus legt daarom enige soepelheid aan de dag bij de analyse van de vrijstellingsvoorwaarden van de waardeverminderingen op handelsvorderingen in haar circulaire 2020/C/45 van 23 maart 2020. Continue reading “Verwachte Covid-19 solvabiliteitsproblemen nopen fiscus tot soepelere positie bij vrijstelling waardevermindering op handelsvorderingen”

Algorithm-Driven Information Gatekeepers: Legal and Regulatory Aspects

A presentation by Professor Aline Darbellay (Centre for Banking and Finance Law at the University of Geneva)

Prof. Aline Darbellay (Centre for Banking and Finance Law at the University of Geneva) discusses “Algorithm-Driven Information Gatekeepers: Legal and Regulatory Aspects” in a presentation of 15′.

She argues that information gatekeepers manage the flow of information from issuers to investors. The focus of securities regulation was traditionally laid on mandatory disclosure requirements. In modern financial markets, information production is no longer the core issue. Concern has increasingly been raised about the role of information intermediaries as screeners of relevant information. Continue reading “Algorithm-Driven Information Gatekeepers: Legal and Regulatory Aspects”

Public interest and data governance of financial market infrastructures

A presentation by Dr Joseph Lee (University of Exeter)

Dr Joseph Lee, Co-Director of Centre for Corporate and Commercial Law and  Senior lecturer in law,  University of Exeter , discusses in a slidecast the  role of financial market infrastructures (“FMI”), such as stock exchanges, in generating public goods in the age of digitalisation of data.

He identifies what public goods FMIs can produce, discusses what public interests can be achieved through these public goods and analyses the legal and regulatory implications for FMI’s data management, data policies, and data governance. Continue reading “Public interest and data governance of financial market infrastructures”

Sustainable Finance

A presentation by Arnaud Van Caenegem, PhD Researcher (KU Leuven)

Two years have passed since the European Commission published its Action Plan: Financing Sustainable Growth to mainstream sustainability into the financial system. A presentation (16′) by Mr. Arnaud Van Caenegem, PhD Researcher (KU Leuven) covers the coming about of the action plan, its objectives and the progress made, with a particular focus on the Taxonomy Regulation and the Regulation on Sustainability-related Disclosures. It also highlights the major implications of the European Green Deal for the financial sector and elaborates on the next steps in its transformation. Continue reading “Sustainable Finance”

Who owns your Bitcoins?

Recent case law from France and England

In a video  (15′), I discuss two recent judgements, one French and one English, that deal with property law aspects of Bitcoins. These precedents matter for the proprietary protection of the holder of Bitcoins and the question who is entitled to the fruits of Bitcoins. Continue reading “Who owns your Bitcoins?”

The FSMA prohibition of Short Selling in the Wake of Coronavirus

A guestpost by Fahad Al-Sadoon (student KU Leuven and University Zurich)

Short selling is an investment strategy, where an investor will borrow a security (typically from a broker-dealer or an institutional investor, such as a mutual fund), at current price and will immediately sell it. Later on, when the security’s price (hopefully) has declined, the investor will buy it back at the new price. The difference between the two prices is the profit of the investor[i]. In other words, it is a practice used by investors to speculate on the decline in a stock or other securities prices. If generalized, it will concretely induce a price decline of a security. Some might argue that the fact that an important number of investors are shorting a stock is only the genuine indication that the latter is overvalued, while for others massively shorting a stock can turn into a self-fulfilling prophecy on the stock exchange.

Unbridled short selling has been blamed by governments and some economists for exacerbating volatility during times of stress. Indeed, some would say that it can contribute to price declines in the securities of financial institutions, in a manner that is unrelated to the true price valuation[ii]. Some extreme forms of short selling can even use false rumours in order to manipulate the market and obtain the targeted (reduced) price[iii]. As a consequence, during the financial turmoil of 2008 a plethora of regulators in several countries temporarily banned short selling on certain stocks in order to improve investor confidence and reduce volatility[iv].

*     *
*

According to the FSMA, the outbreak of Covid-19 pandemic is at the source of substantial selling pressure and unusual volatility in the price of shares of financial institutions. As a consequence, some investors might be tempted to take new positions in order to profit from a future price decrease, which might in turn accelerate the falls already experienced in the past days and aggravate the current economic disturbance seriously. Thus, the FSMA has decided to take the following measures in a specific timeline: Continue reading “The FSMA prohibition of Short Selling in the Wake of Coronavirus”

CERIL Executive Statement on COVID-19 – Call to Action

On 20 March 2020, the Executive of CERIL (Conference of European Restructuring and Insolvency Law) expressed its deep concern with the ability of existing (European) insolvency legislation to provide adequate responses to the extremely difficult situation in which many companies find themselves as a result of the spread of the COVID-19 (corona) virus. It therefore calls upon EU and European national legislators to take immediate action and adapt insolvency legislations, in order to prevent unnecessary bankruptcies of entrepreneurs. Continue reading “CERIL Executive Statement on COVID-19 – Call to Action”

Het intern reglement in het WVV: ingrijpende wijzigingen, maar niet voor de CV

Een post door gastbloggers Evariest Callens en Louis De Meulemeester (UGent)

Vennootschappen draaien in essentie om samenwerking. De spelregels van deze samenwerking tussen de verschillende aandeelhouders worden in principe in de statuten vastgelegd en kunnen slechts met bijzondere meerderheid worden gewijzigd. Toch zijn het niet enkel de statuten waarin afspraken worden gemaakt omtrent de rechten van aandeelhouders en de werking van de vennootschap. In de praktijk wordt voor dezelfde doeleinden bijvoorbeeld frequent gebruik gemaakt van een intern reglement (soms ook wel ‘huishoudelijk reglement’ of ‘reglement van inwendige orde’ genoemd). Met de introductie van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) heeft de wetgever het gebruik van het intern reglement aan een aantal beperkende voorwaarden onderworpen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in boek 2 WVV en gelden dus in principe voor alle rechtspersonen geregeld in het WVV. Voor wat betreft de coöperatieve vennootschap voorziet het WVV evenwel in een, voor de praktijk niet onbelangrijke, afwijkende regeling. Continue reading “Het intern reglement in het WVV: ingrijpende wijzigingen, maar niet voor de CV”

Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV

Editoriaal in TRV/RPS, 2020, p. 3 e.v.

Wikipedia, zoals bekend een autoriteit op vlak van juridisch redeneren, stelt over de redenering a contrario:

“Vooral onder juristen zijn a contrario redeneringen populair. Als er een wettelijke regel is “indien A, dan B” (implicatie), dan kan daar de conclusie uit worden getrokken: “indien niet A, dan niet B”. Maar een dergelijke gevolgtrekking in deze vorm is onjuist, hoewel de conclusie (dat niet B) wel juist kan zijn. Slechts als eerstgenoemde regel luidde:(1) “alléén indien A, dan B” (replicatie) , of (2) “Als en slechts als A, dan B” (equivalentie) is deze omkering toelaatbaar volgens de wetten van de logica. Bij een beroep op een argumentatie a contrario moet dus altijd een lampje gaan branden.”

Ook in het ondernemingsrecht zijn a contrario redeneringen verdacht (zie ook Koen Geens over  “vermoeiende a contrarioconclusies” in zijn boekbespreking van Asser-Maeijer 5-V, TPR 1998, 1149).

De a contrario redenering leidt conclusies af uit het stilzwijgen van de wetgever: “als een rechtgevolg wordt vastgeknoopt aan A, en er niets gezegd wordt over B, dan zal de wetgever wel gewenst hebben hebben dat het rechtsgevolg niet geldt voor B.”

Dat miskent dat de wetgever meestal slechts een beperkte focus heeft bij het opstellen van een tekst. Als in de Wet betreffende Olifanten staat dat olifanten vier poten moeten hebben, dan kan daar niets over giraffen worden uit afgeleid. Dat was gewoon niet de focus van de wetgever op dat ogenblik.

De zaak wordt anders indien er een Wetboek betreffende Alle Dieren wordt geschreven. Indien het hoofdstuk voor de olifant bepaalt dat de olifant twee grote oren en korte dikke nek moet hebben, komt men wel in de verleiding gevolgen te trekken uit de afwezigheid van gelijkaardige regels in het hoofdstuk over de giraffen. De focus van een codificatie is net systematisch na te denken over wat gelijk moet zijn en verschillen tussen de verschillende behandelde figuren.

In een editoriaal in het laatste nummer van het TRV/RPS (“Wat zegt de wetgever als hij zwijgt?”) geef ik enkele voorbeelden van hoe ook in het WVV a contrario redeneringen niet altijd opgaan: Continue reading “Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV”

The new Code of Companies and Associations of Belgium through the eyes of its neighbours

Symposium in Leuven, Belgium, March 20th 2020

The Belgian Centre for Company law organizes on March 20th 2020 (14h00-18h00) at the law faculty of KU Leuven (Belgium) a symposium on the recent Belgian company law reform with four distinguished academics from The Netherlands, France, Germany and Luxembourg. The following topics will be discussed: Continue reading “The new Code of Companies and Associations of Belgium through the eyes of its neighbours”