Over ‘lege dozen’ en andere verwante insolventietopics: een denkoefening van een eenvoudig curator-sterveling (zonder roze bril)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Beoefenaars van de insolventiesport herinneren zich wellicht de aankondiging van een wetsvoorstel ter bestrijding van de zogenaamde lege-dozen-faillissementen, uitgaande van volksvertegenwoordiger dhr. Geens  (Parl.St. Kamer, 2020-21, 1591/001, p. 1-19).

Dit wetsvoorstel werd als ‘dringend’ omschreven gelet op de stortvloed aan faillissementen die komende was ten gevolge de corona-crisis. Het wetsvoorstel zou zelfs “gedicteerd worden door de economische openbare orde”.

De samenvatting van de memorie van toelichting, gegoten in een persmededeling werd gretig gecopy-pastet op juridische websites en nieuwsbrieven allerhande. Bijna iedereen vond het blijkbaar een goed idee. Eindelijk een oplossing voor de lege dozen.

Hoewel de mogelijke invloed van het wetvoorstel eerder beperkt is (gelet op het reeds bestaande problematische artikel 2:74 WVV), heb ik na een eerste lezing van het wetsvoorstel onmiddellijk op kantoor gedeclareerd dat ik te voet naar Scherpenheuvel zou trekken als dit voorstel ooit wet zou worden. Omdat het aantal aanwezigen in een eenmanskantoor eerder beperkt is, werd mij aangeraden mijn standpunt over dit wetsvoorstel schriftelijk uiteen te zetten voor een breder publiek.

In het document onderaan deze post kan u het resultaat hiervan lezen.

Met mijn denkoefening zal ik proberen u te overtuigen van de noodzaak aan controle door een onafhankelijk vereffeningsbewind in geval van insolventie, ook bij de zgn. “lege dozen”. Men lost geen probleem op door te doen alsof er geen probleem is en het onmiddellijk onder de mat te vegen. Ik zal uiteenzetten waarom het wetsvoorstel los tegen de openbare orde ingaat.

Met statistiek zal ik ook proberen aanschouwelijk te maken dat de Staat (publieke middelen) wel degelijk gebaat is met de aanstellingen van curatoren in geval van definitieve discontinuïteit. De Belgische Staat schiet vaak in eigen voet.

Tenslotte geef ik nog even aandacht aan de deficitaire vereffening onder het hoofdstuk “Huidige deficitaire vereffening is het failliet van de insolventieafwikkeling”. Al jaren roep ik ergens in een woestijn dat de deficitaire vereffening een kunstmatig in stand gehouden ontsnappingsalibi is. Nu heb ik het ook neergeschreven. Over dit onderwerp zullen wij ongetwijfeld veel wijzer worden tijdens de geplande “disputatio” op 1 juni 2022 ter ere van het lustrum van Corporate Finance Lab.

Of in mijn denkoefening alles even academisch werd verwoord, laat ik in het midden. Doch een genuanceerde, wollige noodrem werkt niet. Een slappe stok in een hoenderhok ook niet.

Inschrijven voor de ‘disputatio’ van 1 juni 2022 kan hier.

Vincent Verlaeckt
Advocaat

Heiploeg: Europees Hof van Justitie geeft groen licht voor een wettelijk vastgelegde pre-pack of stil faillissement

In een eerdere post kondigden we aan dat de Nederlandse Hoge Raad in de context van de pre-pack van de Heiploeg-concern twee prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof van Justitie heeft deze vragen vandaag beantwoord. Het arrest vormt een nieuw hoogtepunt in de saga Estro – Plessers – Heiploeg.

Continue reading “Heiploeg: Europees Hof van Justitie geeft groen licht voor een wettelijk vastgelegde pre-pack of stil faillissement”

De IPR-ontwikkeling van de paulianeuze onrechtmatige daadsvordering na het faillissement van een vennootschap

Hof van Justitie schept in arrest van 10 maart 2022 (C-498/20) duidelijkheid over toepassing art. 7 Brussel I bis-Verordening (rechtsmacht) en art. 4 Rome II-Verordening (toepasselijk recht)

Er was eens… een curator van een failliete vennootschap gevestigd in Nederland die een aansprakelijkheidsvordering instelde tegen de grootmoedervennootschap, met statutaire zetel te Duitsland, wegens schending van de op haar rustende zorgplicht jegens de gezamenlijke schuldeisers van de failliete vennootschap. De rechtbank Midden-Nederland had zich bij tussenvonnis in 2018 bevoegd verklaard op grond van de Europese Insolventieverordening, omdat het centrum van de voornaamste belangen van de failliete vennootschap in Nederland lag.[1]  

In 2019 had de Nederlandse rechtbank een verzoek van de Stichting Belangenbehartiging Crediteuren om te mogen tussenkomen in het hoofgeding ingewilligd op grond van artikel 8, tweede lid van de Brussel I bis-Verordening. De stichting betoogt onder meer dat de indirect aandeelhouder ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de failliete vennootschap en vordert namens die schuldeisers schadevergoeding via een collectieve actie (art. 3:305a NBW). De grondslag van de vorderingen van de Stichting is dezelfde als die van de curator. Anders dan in België is de bevoegdheid van de curator over de Peeters/Gatzen-vordering immers niet exclusief. Volgens de curator moet de indirecte aandeelhouder schadevergoeding betalen aan de boedel voor de onbetaalde schulden van de failliete vennootschap. Volgens de stichting moeten de schulden rechtstreeks aan de individuele schuldeisers worden betaald.[2]

Doordat het Hof van Justitie in het arrest van 6 februari 2019 had geoordeeld dat de rechtsmacht over een zgn. Peeters/Gatzen-vordering (het equivalent van onze collectieve paulianeuze onrechtmatige daadsvordering) wordt bepaald aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, vroeg de rechtbank zich af (i) of zij nog bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van de curator en de vordering tot tussenkomst van de stichting en (ii) of zij dan het Nederlandse recht kon toepassen. De rechtbank stelde talloze prejudiciële vragen, die het Hof van Justitie in het hierna besproken arrest van 10 maart 2022 reduceerde tot een kwartet.

Continue reading “De IPR-ontwikkeling van de paulianeuze onrechtmatige daadsvordering na het faillissement van een vennootschap”

Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt

Cass. 18 maart 2022 (C.21.0006.F)

Mario D. was zaakvoerder van een BVBA, een immovennootschap. De vrederechter stelt een bewindvoerder aan over de persoon en de goederen van Mario. Deze bewindvoerder q.q. doet aangifte van het faillissement van de BVBA en van Mario zelf. Zoals bekend veronderstelt dit dat Mario een ‘onderneming’ is in de zin van art. XX.1, 1° al. 1 WER (zie definitie van ‘schuldenaar’ in art. XX.99 al. 1 WER). Het gaat hier om het zgn. ondernemingsbegrip in formele zin.

Er is geen andere activiteit waarop voor Mario de kwalificatie als onderneming wordt gesteund dan zijn (bezoldigde) bestuurstaak bij de immo-BVBA. (Parenthesis: dat een voorlopig bewindvoerder over een natuurlijke persoon ook de bevoegdheden van die natuurlijke natuurlijke persoon als vennootschapsbestuurder uitoefent, werd blijkbaar niet geproblematiseerd. Vanzelfsprekend is dit nochtans niet, al is het een pragmatische oplossing bij een vennootschap met wellicht één vennoot en één bestuurder.)

De Ondernemingsrechtbank te Henegouwen (25 november 2019) weigert het faillissement van Mario uit te spreken met als argument dat hij geen onderneming is. Dit wordt in beroep bevestigd door het Hof van Beroep te Bergen (14 juli 2020).

Uit het arrest blijken heel wat bijzondere omstandigheden: de gezondheidstoestand van de bestuurder liet al lang geen activiteiten toe, de bestuursvergoeding was minimaal, de vennootschap zelf leek een slapende vennootschap, ….

Daarmee werd een bekende discussie aan de orde gesteld, nl. of elke bestuurder van een vennootschap een onderneming in formele zin is. Zie eerder hier en verder o.a. A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH 2019, 494 e.v.; P. Moineau en F. Ernotte, “Les gérants et administrateurs personnes physiques face au nouveau droit de la faillite”, JLMB 2019, 697 e.v.; M. Roelants, “De kwalificatie van de natuurlijke persoon-bestuurder als onderneming na de Wet Hervorming Ondernemingsrecht”, TRV-RPS 2019, 104 e.v.; J. De Smet, “Het faillissement van zaakvoerders en bestuurders na de inwerkingtreding van Boek XX WER: moet er nog (drijf)zand zijn?”, TIBR 2019, 80 e.v..

Merk op dat, zoals in de meeste uitspraken waar dit een discussiepunt vormt, de vraag om de toepassing van de faillissementsprocedure uitgaat van de schuldenaar zelf (zij het hier middels een bewindvoerder). Het is niet een schuldeiser of het OM die een debiteur tegen zijn wil in de faillissementsprocedure wil trekken. Dit is een symptoom een insolventierecht voor ondernemingen dat grosso modo vriendelijker is voor natuurlijke personen-ondernemingen dan voor andere natuurlijke personen.

In een verrassende uitspraak van vorige vrijdag verwerpt het Hof van Cassatie het cassatieberoep tegen het Bergens arrest met een motivatie die veel verder gaat dan enkel de vennootschapsbestuurder en die verder gaat dan de zeer specifieke omstandigheden van het betrokken geschil:

Continue reading “Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt”

BOEK XX WER wordt (een beetje) menselijker, sneller en straffer gemaakt … maar toch niet volledig.

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

Bij wet van 28 november 2021 met de niet zo bescheiden benaming “Wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken“ werden twee aanpassingen aan boek XX WER doorgevoerd. Vroeger zou men dit eerder lezen in een reparatiewet of – als men liever geen aandacht erop wou vestigen – in een programmawet. Alles evolueert.

Continue reading “BOEK XX WER wordt (een beetje) menselijker, sneller en straffer gemaakt … maar toch niet volledig.”

The impact of the EU Restructuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator

A post by guest blogger Jente Dengler

The official deadline for the implementation of the Directive (EU) 2019/1023 on restructuring and insolvency was scheduled for 17 July 2021. Like many other Member States, Belgium availed itself of the possibility foreseen in the Directive to benefit from an extension of the implementation period by a maximum of one year. The Directive introduces the obligation to separate creditors into different classes for the purpose of voting on restructuring plans in order to prevent vulnerable creditors from being treated unfairly in business restructurings. Such class formation for the approval of a restructuring plan is unprecedented in Belgian insolvency law and could completely upset the bargaining dynamics between stakeholders in Belgian restructurings.

In his article “The impact of the EU Restrucuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator” (available here), guest blogger Jente Dengler discusses the potential impact of the Directive’s voting model on the Belgian restructuring practice.

A summary of the full article published in INSOL International’s Collection of Short Papers can be found below:

Continue reading “The impact of the EU Restructuring Directive on the Belgian collective plan: “To class or not to class?” – that’s the question for the Belgian legislator”

De niet-bevoorrechte minderheidsschuldeiser: onbekend is onbemind?!

‘PhD teaser’ door gastblogger Dennis Cardinaels

Inleiding – Probleemstelling

De analogie tussen corporate governance van solvabele en insolvency governance van insolvabele ondernemingen biedt nader inzicht in de reorganisatie en/of vereffening-verdeling van zulke insolvabele ondernemingen en de desbetreffende rechten van de betrokken actoren.[1]

Meer in het bijzonder nemen niet-bevoorrechte schuldeisers in dit kader de positie van aandeelhouders economisch gezien over op het moment dat de onderneming (of debiteur) weet of behoort te weten dat de onderneming insolvabel is of waarschijnlijk zal worden.[2] Dit is omdat vanaf dat moment niet langer de aandeelhouders de residual risk-bearers zijn maar de niet-bevoorrechte schuldeisers.[3] Er zijn immers onvoldoende activa aanwezig in de onderneming om alle schuldeisers (laat staan de aandeelhouders die een langere rang bekleden) uit te betalen, dus zij dragen vanaf dat moment o.a. het risico van eventueel slecht bestuur door ofwel het zittend bestuur en/of de curator.

Het risico op wanbeheer door de bestuurders/curator is echter niet het enige risico waaraan niet-bevoorrechte schuldeisers worden blootgesteld. Gelet op de economische gelijkenis tussen aandeelhouders en niet-bevoorrechte schuldeisers, rijst de vraag of op niveau van de niet-bevoorrechte schuldeisers (of, tijdens faillissement/vereffening, de algemene boedel), de niet-bevoorrechte schuldeiser ook onderhevig kan zijn aan een conflict gelijkaardig aan het agency conflict tussen meerderheids- en minderheidsaandeelhouders (i.e. aandeelhouders met v. aandeelhouders zonder controlepositie).

Continue reading “De niet-bevoorrechte minderheidsschuldeiser: onbekend is onbemind?!”

IEAF Call for Papers: The Emerging New Landscape of European Restructuring and Insolvency

2-3 March 2022 in Dublin (Ireland)

The INSOL Europe Academic Forum (IEAF) is inviting submission for its 17th annual conference, taking place from 2-3 March 2022 in Dublin (Ireland). Expressions of interest are invited for the delivery of research papers within the overall academic conference’s theme: “The Emerging New Landscape of European Restructuring and Insolvency

The theme is intended to focus on, inter alia, the following overall topics:

Continue reading “IEAF Call for Papers: The Emerging New Landscape of European Restructuring and Insolvency”

De gemeenrechtelijke beperkingen inzake derdenverzet zijn niet van toepassing op het derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis (Cass. 9 september 2021)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Met het arrest van 9 september 2021 (C.21.0043.N) heeft het Hof van Cassatie nogmaals de processuele autonomie en specialiteit van de insolventiewetgeving bevestigd.

Het Hof diende zich uit te spreken over de toepasselijkheid van artikel 1122, 2de lid, 3° Ger.W. op een ingesteld derdenverzet tegen het faillietverklarend vonnis. Dit artikel bevat een opsomming van partijen die volgens gemeenrecht geen derdenverzet kunnen aantekenen.

Continue reading “De gemeenrechtelijke beperkingen inzake derdenverzet zijn niet van toepassing op het derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis (Cass. 9 september 2021)”

De positie van kleine, concurrente schuldeisers in faillissement

In een eerdere blogpost werd reeds gewezen op het trieste lot van de chirografaire schuldeiser. Nadat de boedelschuldeisers en de zekergestelde schuldeisers gepasseerd zijn, is het vet van de soep. Wat overblijft, is een klein doekje voor het bloeden. Deze vaststelling treft voornamelijk kleine schuldeisers, veelal uit het KMO-segment, die zich onderaan de pikorde van de schuldeisers bevinden.

Een recent Nederlands onderzoek heeft de positie van (mkb-)schuldeisers (het equivalent van KMO-schuldeisers) in faillissement in kaart proberen brengen, evenals maatregelen om de positie van deze schuldeisers te verbeteren. Daartoe werd gekeken naar bijzondere regelingen in andere landen (niet in België, wat een goede beslissing was van de onderzoekers, aangezien dergelijke bijzondere regelingen niet bestaan in België).

Zoals de onderzoekers zelf aangeven, was het empirische luik van het onderzoek zeer beperkt, en om die reden onvoldoende representatief. De rechtsvergelijkende beschrijving geeft wel een goed overzicht van de mogelijke maatregelen (en de beperkingen ervan) ter verbetering van de positie van concurrente schuldeisers.

De onderzoekers hebben (terecht) veel aandacht voor de herverdelende gevolgen van eventuele wijzigingen. Het is immers zeer simpel in faillissementszaken: wat de ene schuldeisers krijgt, verliest de andere schuldeiser.

Het onderzoek leest vlot en is een nuttige aanzet tot reflectie over het Belgische faillissementsrecht (en ook het reorganisatierecht, in het kader van de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn).

Tot slot volgende boodschap, ook voor de Belgische wetgever:

In breder verband kan gesteld worden dat de wetgever bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1992 een rangorde heeft gecreëerd op grond van een afweging van de belangen van de verschillende betrokkenen bij een faillissement. Die rangorde is niet in beton gegoten. Maatschappelijke ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn voor de wetgever om die rangorde te
heroverwegen.

De Europese Commissie bevestigt: Ook de Belgische Staat moet tijdig curatoren betalen

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

In het kader van een eerder blogbericht over de onwettigheid van de taxatiebevoegdheid van het zogenaamde “taxatiebureau”, had ik in een voetnoot reeds een zijsprongetje gemaakt naar de discussie of gerechtelijke mandaten nu al dan niet worden gevat door de richtlijn 2011/7/EU betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.[1]

Niet veel later is deze discussie toevallig op de tafel van de Europese Commissie terecht gekomen.

Concreet: wanneer de Belgische Staat (rechterlijke macht) een curator aanstelt over een failliete onderneming en de kosten van de curator worden wegens gebrek aan actief vervolgens in een justitiële uitspraak ten laste van de Belgische staat gelegd (“pro-deo faillissement”), welke betalingstermijn heeft de Belgische Staat dan om deze prestaties te betalen ?

Onder de voormelde Richtlijn kan de betalingstermijn in hoofde van een overheid in beginsel maar 30 dagen zijn, met een maximum van 60 dagen.

Continue reading “De Europese Commissie bevestigt: Ook de Belgische Staat moet tijdig curatoren betalen”

Studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 19 mei 2021 – programma

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen.

Het thema van de (reeds) dertiende editie van deze studieavond is bijzonder actueel. De coronapandemie stelt met name de rol van het insolventierecht in vraag. Niet alleen worden wetgevers gedwongen om allerlei maatregelen in te voeren, al dan niet rechtstreeks het gevolg van de strijd tegen covid-19. De insolventiejurist moet ook over de horizon kijken: elke crisis is een opportuniteit, en zo dringt een grondige reflectie over de rol van het insolventierecht zich op. De studenten neme u hierin graag mee.

De studieavond gaat door op woensdag 19 mei 2021 om 19 u, en dit virtueel. Deelname is gratis en iedereen is welkom.

Wie de studieavond graag meemaakt (en achteraf een documentatiebundel ontvangt), dient zich wel op voorhand te registreren: dat kan hier.

Het progamma is als volgt:

  • Femke Van Duyse – Het moratorium op faillissementen in tijden van crisis: de voorwaarde gelinkt aan staking van betaling als vlucht vooruit dan wel als hindernis voor economische groei
  • Fabian Dierckx – De impact van de tijdelijke steunmaatregelen op de procedure van gerechtelijke reorganisatie
  • Siebe Vinckx – De herlanceringsprocedure: een waardig alternatief voor het faillissementenmoratorium of een fata morgana voor de feitelijk failliete schuldenaar ?
  • Willem Peeters – Wrongful trading in coronatijd: een huzarenstuk voor de curator
  • Nette Buyens – Verruiming van de mogelijkheid tot het aanstellen van een gerechtsmandataris ten gevolge van Covid-19: top or flop ?
  • Tom Maes – De Vlaamse handelshuurlening

Rechtzetting artikel XX.106 WER: verwarring uitklaren met een nog meer verwarrend antwoord

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

1. Eerder had ik (hier) gewezen op enkele foutjes in artikel XX.106 WER dat luidt:

Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend.. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.107 en XX.108, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.145 en XX.165.

De aldaar opgenomen artikelen XX.107,  XX.108,  XX.145 en XX.165 WER zijn foutief.

In het eerdere blogbericht legde ik uit dat de artikelen XX.107 en XX.108 moesten “gelezen” worden als XX.108 en XX.109. Verder motiveerde ik dat art. XX.145 diende te worden vervangen door art. XX.146.  Over de correcte “vervanging “ van artikel XX.165 WER bestond minder duidelijkheid. Dit kon zowel artikel XX.166 dan wel XX.167 zijn.

2. Volksvertegenwoordiger Florence Reuter heeft over voormelde vaststelling een parlementaire vraag gesteld aan de Minister van Justitie.  (Vr. en Antw. Kamer 2020-2021, 18 februari 2021,  nr. 55/039, 185, Vr. nr. 292  F. REUTER).

Over de foutieve artikelen XX.107, XX.108 en XX.145 vraagt de volksvertegenwoordiger “ Betreft het een vergetelheid en moeten de vermeldingen in de artikelen XX.109 et XX. 148 toch in de exploten opgenomen worden (en zal die fout dus rechtgezet worden)? ”

Met betrekking tot art. XX.165 (zijnde een extra vermelding in vergelijking met het vroegere artikel  13 Fail.W.) wordt aan de minister gevraagd : “Kunt u daarnaast bevestigen dat de wetgever wel degelijk de intentie had om nieuwe vermeldingen aan de exploten toe te voegen ?”

Continue reading “Rechtzetting artikel XX.106 WER: verwarring uitklaren met een nog meer verwarrend antwoord”

Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021
van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

Continue reading “Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?”

Bestuurdersaansprakelijkheid voor fouten uit het verleden: et alors ?

Indien een rechtspersoon zich in slecht weer bevindt, worden wel eens nieuwe bestuurders aangetrokken. De hoop is dan dat zij, als crisismanagers, het tij nog kunnen keren of behoeden voor erger. Nieuwe (kandidaat-)bestuurders worden al snel nerveus als ze handelingen uit het verleden ontdekken die mogelijk een bestuursfout uitmaken. Terecht? Hieronder brengen we enkele principes in herinnering, zonder exhaustief te willen zijn.

Continue reading “Bestuurdersaansprakelijkheid voor fouten uit het verleden: et alors ?”
%d bloggers like this: