The principal-cost theory: a revolution in the debate on corporate law and governance?

Zohar Goshen and Richard Squire develop a new model for corporate governance in the Columbia Law Review

In a recently published papaer (here and here), commented on the Oxford Business Law Blog, a new theory of corporate governance is offered, referred to as the principal-cost theory. The theory challenges the theoretical foundations of the traditional agency-cost theory, in particular their one-size-fits-all policy recommendations.

The authors claim that the principal-cost theory demonstrates that the governance structure reducing control costs varies by firm. Lawmakers therefore should avoid one-size-fits all solutions. Rather they should seek to grow the menu of governance-structure. Accordingly, each firm could establish a governance mechanism adapted to its specific needs.

Does that mean that the agency-cost theory should be neglected from now on? Not necessarily. According to the authors, agent costs and principal costs are two sides of the same coin:

Any reallocation of control rights between shareholders and managers decreases one type of bust, but will  increase the other,  The rate of substitution is firm-specific, driven by factors such as business strategy, industry, and the personal characteristics of the key parties.”

Only time will tell whether this theory of principal costs marks the end of an era dominated by a uniform  theory of “good” corporate governance.

 

Roel Verheyden

The Anatomy of Corporate Law

vesalius

This week the (already) third edition of the influential book The Anatomy of Corporate Law was published by Oxford University Press. The book provides the reader with a solid framework to understand corporate law from a comparative perspective. The following key jurisdictions are covered: US, UK, Brazil, Italy, France, Germany, and Japan. The general structure of the previous editions is maintained. The quality of the authors guarantees the quality of the work.

Continue reading “The Anatomy of Corporate Law”

Are “common rules for all corporate forms” desirable or feasible?

Book II of the Belgian Company Code and the dangers of recycling antique legislative material

1.

Art. 1832 – 1873  of the Code civil (Title IX of Book III) dealt with the “contract of partnership” (du contrat de société). The articles outlined the rules for the unincorporated partnership.

In Belgium this type of partnership is currently known as “société de droit common” or “maatschap”. Continue reading “Are “common rules for all corporate forms” desirable or feasible?”

Aansprakelijkheid van commanditaire vennoot bij schending inmengingsverbod: nieuw arrest Hoge Raad

Sanctie in Belgisch recht, meer dan in Nederland, punitief karakter

Eerder kwam hier aan bod hoe in vele continentale systemen aan de “stille” of commanditaire vennoot een verbod wordt opgelegd om zich te mengen in het beheer van de vennootschap. Art. 20 al. 1 en 2 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel (WvK) stellen over de commanditaire vennoot (“vennoot bij wijze van geldschieting”):

“Behoudens de uitzondering, in het tweede lid van art. 30 voorkomende, mag de naam van den vennoot bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd.
Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht eener volmagt.”

Continue reading “Aansprakelijkheid van commanditaire vennoot bij schending inmengingsverbod: nieuw arrest Hoge Raad”

Morele wezens en wetsontduikende monniken

Een longread in kerstsfeer over de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid

Wetsontduikende witheren

2 mei 1845. In Averbode wisselt de Norbertijn Jan-Zacharie Carleer, provisor van de Abdij, het tijdelijke voor het eeuwige. Zoals dat hoort bij een overleden geestelijke zijn er geen kinderen of  langstlevende echtgenoot noch andere reservataire erfgenamen. Bij testament had Carleer een andere Norbertijn van dezelfde abdij als algemeen erfgenaam aangesteld.

Er duikt echter een minder piëteitsvolle neef op, Jean-François Mertens, die de geldigheid van het legaat aanvecht en de erfenis opeist. Continue reading “Morele wezens en wetsontduikende monniken”

Cass. 21 oktober 2016: een beding van aanwas is geen verboden beding over een toekomstige nalatenschap

Regels rond conventionele (familiale) onverdeeldheid volgen steeds meer die van maatschap

1.

Een dame  had met haar toenmalige partner  in 2000 een woning aankocht te Mortsel. Beiden kochten dit pand aan in “onderverdeeldheid met een beding van aanwas voor het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de overledene, op voorwaarde van blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden”. De partner overleed in 2009. De dame dagvaardt in 2011 de dochter van haar overleden partner (en diens enige reservataire erfgenaam) ten einde te horen zeggen voor recht dat zij het volledige vruchtgebruik heeft op het onroerend goed. De dochter vorderde de nietigheid of niet-tegenwerpelijkheid van het beding van aanwas en vorderde verder de verdeling van de onverdeeldheden. Continue reading “Cass. 21 oktober 2016: een beding van aanwas is geen verboden beding over een toekomstige nalatenschap”

‘You can’t dance at two weddings with one behind’ (Yiddish proverb)

The uneasy dual role of creditor and shareholder

1.

A previous post mentioned the rudimentary rule on distributions in the ‘partnership en commandite’ (limited liability partnership) in article 206 of the Belgian Company Code (‘BCC’), dating back to 1873:

“Third parties can force [the limited partner] to return any interest or dividends distributed to him, if such distributions are not taken from the non-fictitious profits of the partnership. The unlimited partner has recourse against the manager for any distributions he had to return, in case of fraud, bad faith or serious negligence by the manager.”

Today we discuss how one word in this antique (yet inspiring) rule foreshadows a topical subject: Continue reading “‘You can’t dance at two weddings with one behind’ (Yiddish proverb)”