Onbekwaamheid van een maat en de wetgever: het bizarre gewijzigde art. 2003 BW over het einde van de lastgeving

De burgerlijke maatschap opnieuw ingevoerd in art. 2003 BW?

Misschien bekruipt u soms het gevoel dat u niet meer kan volgen met de snelle wetgevende evoluties? Als het een troost kan wezen: de wetgever zelf volgt ook niet altijd.

Sinds de Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie verwijst art. 2003 BW – bepaling over het einde van de lastgeving – naar de “burgerlijke maatschap”. Diezelfde burgerlijke maatschap was door diezelfde wetgever acht maanden eerder afgeschaft door de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, in werking getreden op 1 november 2018. En dit is dan nog niet eens het ergste dat er mis is met deze nieuwe bepaling. Continue reading “Onbekwaamheid van een maat en de wetgever: het bizarre gewijzigde art. 2003 BW over het einde van de lastgeving”

Moet een tijdelijke maatschap van aannemers zich inschrijven in het KBO vóór de gunning van een opdracht?

Commissie voor Justitie van woensdag 18 september 2019 – namiddag

Sinds de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Ondernemingsrecht moeten maatschappen zich in principe inschrijven in het KBO. In de Commissie voor Justitie van 18 september j.l. kreeg Vice-Premier Koen Geens de kans om de draagwijdte van deze inschrijvingsplicht te verduidelijken (zie Integraal Verslag):

“04.01  Egbert Lachaert (Open Vld): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag betreft een interpretatiekwestie bij de hervorming van het vennootschapsrecht, waarbij het aantal vennootschapsvormen werd verminderd. Wij weten dat in de bouwsector regelmatig de vennootschapsvorm tijdelijke handelsvennootschap werd aangewend, terwijl nu de vennootschapsvorm tijdelijke maatschap moet worden gebruikt.

Mijnheer de minister, u las wellicht de schriftelijke versie van mijn vraag. Mijn concrete vraag is wanneer precies de activiteiten kunnen aanvangen conform het Wetboek van economisch recht, aangezien men zich dan moet inschrijven in de KBO. Inzake de tijdelijke maatschappen, voorheen tijdelijke handelsvennootschappen, heerst er momenteel inderdaad wat onduidelijkheid omtrent de aanvang van de activiteiten. Is dat zodra men daadwerkelijk activiteiten start inzake uitvoering van bouwwerken of is dat, volgens een tweede interpretatie, bij de aanvang van de voorbereidende werkzaamheden om eventueel in te schrijven voor een dergelijk project?

Als de tweede interpretatie geldt, dan betekent dit dat er heel wat administratieve plichtplegingen moeten gebeuren in de KBO en de boekhouding, terwijl men niet eens zeker is dat de maatschap later effectief een reële activiteit zal ontwikkelen. Vandaar het gevoel van onduidelijk dat op dat vlak heerst in de sector.

Wat is volgens u de aanvang van activiteiten van een tijdelijke maatschap in dit soort scenario’s? Continue reading “Moet een tijdelijke maatschap van aannemers zich inschrijven in het KBO vóór de gunning van een opdracht?”

De maatschap: enkele praktische knelpunten na ruim 2000 jaar

Studienamiddag donderdag 24 oktober 2019, KU Leuven Campus Brussel (Leerstoel Constant Matheeussen)

De maatschap is onze oudste vennootschapsvorm en nog steeds de vennootschap ‘van gemeen recht’. Zij is polyvalent, flexibel, discreet, fiscaalvriendelijk en daarom vooral  sinds de jaren ’90 een zeer ‘gewild’ instrument van successieplanning.

Maar blijft dit wel zo?

Continue reading “De maatschap: enkele praktische knelpunten na ruim 2000 jaar”

Wanneer kan een maatschap een enkelvoudige boekhouding voeren?

Ontwerp-CBN-advies over boekhoudplichtige ondernemingen die een vereenvoudigde boekhouding kunnen voeren

De Wet van 15 april 2018 heeft voor maatschappen een boekhoudplicht ingevoerd. Art. III.82 6 bepaalt immers:

“De volgende ondernemingen zijn boekhoudplichtig :
1° iedere onderneming in de zin van artikel I.1. eerste lid, a), die in België zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
2° iedere onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1. eerste lid, b) en c);
3° iedere onderneming met in België gevestigde bijkantoren of centra van werkzaamheden;
[…]”

Een maatschap kan kan geviseerd worden door 2° (indien opgericht naar Belgische recht;- zelfs al zouden er geen activiteiten in België zijn) en/of 3° (indien werkelijk actief in België;- zelfs al zou de maatschap zijn opgericht naar buitenlands recht).

Art. III.85 WER geeft een maatschap de optie om een enkelvoudige boekhouding te voeren indien de omzet (exclusief BTW) EUR 500.000 niet overschrijdt. Diezelfde optie bestond reeds voor boekhoudplichtige natuurlijke personen en VOF’s en Comm.V’s.

In de praktijk bestond er wat onduidelijkheid hoe “omzet” moet worden begrepen, in het bijzondere bij maatschappen die worden gebruikt bij estate planning en die vaak louter aandelen of andere effecten aanhouden. Hun financiële inkomsten vallen niet onder hoe “omzet” normaal begrepen wordt, nl.  inkomsten van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening (zie art. 3:90, I.A. KB WVV). Continue reading “Wanneer kan een maatschap een enkelvoudige boekhouding voeren?”

Een stille maatschap: de georganiseerde afwezigheid van publiciteit en tóch een afgescheiden vermogen?

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (4)

Vermogenssplitsing d.m.v. beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding komt met evidente nadelen en gevaren (hier). Gelukkig bestaat rond de vennootschap en de rechtspersoon een reeks juridische technologieën die de nadelen van van vermogenssplitsing verzachten. Deze technologieën zijn in het vennootschapsrecht meer ontwikkeld dan in het zakenrechten en zijn de laatste 200 jaar significant verbeterd. De eerste technologie is: publiciteit. We besteden daarbij bijzondere aandacht aan een afgescheiden vermogen zonder publiciteit: de stille maatschap.

Beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding zijn kenmerken van de rechtspersoon die zich aan derden opdringen. Vanuit het standpunt van de aandeelhouders, bestuurders en andere insiders lijkt een vennootschap misschien sterk op een contract. Vanuit het standpunt van derden is het echter meer een zakenrechtelijke figuur. Net als zakenrecht is vennootschapsrecht derdenrecht. De vennootschap heeft kenmerken die derden nolens volens moeten ondergaan.

De absolute minimumvoorwaarde daarvoor lijkt me dat die derden daarvan op de hoogte moeten worden gesteld door middel van publiciteit. Een publiciteisregime is in de regel iets dat geen grote opwinding veroorzaakt bij rechtsgeleerden. Continue reading “Een stille maatschap: de georganiseerde afwezigheid van publiciteit en tóch een afgescheiden vermogen?”

De gewaagde positie van de zaakvoerder van een CommV die geen vennoot is: Cassatie, WVV en het Nederlandse Wetsvoorstel Modernisering Personenvennootschappen

Bespreking van Cass. 2 februari 2018

Vorig jaar las u hier over het merkwaardige arrest van het Hof van Cassatie dd. 2 februari 2018 (“New Super Marché de la Remorque”) over aansprakelijkheid als aandeelhouder van een zaakvoerder in een Comm.V.

Inmiddels werd bij dit arrest een noot gepubliceerd in het TRV-RPS door Joris Lannoy (“De gewaagde positie van een externe zaakvoerder in de gewone commanditaire vennootschap”, noot onder Cass. 2 februari 2018), TRV-RPS 2018, 900 e.v.).

De auteur verdedigt dat een Comm.V. geldig kan worden opgericht met een structuur waarbij de beherende en stille vennoot zelf vennootschappen zijn, en met een zaakvoerder-natuurlijke persoon die zelf geen vennoot is maar wel controle uitoefent over beide vennoten-rechtspersonen.

Hij stelt echter vast dat zulke structuur in geval van financiële moeilijkheden een uitnodiging in zich draagt voor schuldeisers of curator om, de onbeperkte aansprakelijkheid van een beherend vennoot indachtig, te pogen aan te tonen dat de schijnbaar externe zaakvoerder ook als (beherend) vennoot van de Comm.V. moet worden beschouwd. Continue reading “De gewaagde positie van de zaakvoerder van een CommV die geen vennoot is: Cassatie, WVV en het Nederlandse Wetsvoorstel Modernisering Personenvennootschappen”

Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER

In het Belgisch Staatsblad van 29 oktober j.l. verscheen het Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek van Economisch recht.  De strekking van dit KB wordt toegelicht in het Verslag aan de KoningContinue reading “Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER”