Waarom is er een bijzondere schuldeisersbescherming nodig bij rechtspersonen?

Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon | 15 oktober 2020 via livestream

Aandeelhouders van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid genieten van beperkte aansprakelijkheid. De vennootschap zelf kan uiteraard wel aansprakelijk gesteld worden zoals elk ander rechtssubject. Daardoor kan de verleiding bestaan om te denken dat het “niet-vennootschapsrecht” dan maar de bescherming van externe stakeholders volledig op zich moet nemen. Het milieurecht beschermt slachtoffers van verontreiniging, het arbeidsrecht werknemers, het consumentenrecht consumenten… Heeft het vennootschapsrecht daar nog wel een rol?

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen over het beheer van zijn vermogen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is nog altijd naar de formulering van art. 544 Code civil “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Tussen de activa en passiva van de rechtspersoon en die van de aandeelhouders staat de muur van de rechtspersoonstechniek, die niet-aansprakelijkheid en vermogensafscheiding met zich meebrengt. De leden hebben aldus volledige controle over het vermogen van de rechtspersoon, genieten bij een vennootschap van eventuele winst, maar dragen slechts beperkt de negatieve gevolgen van hun beheer: deze zijn beperkt tot het verlies in waarde van hun aandelen. Deze rechtspersoonstechniek vergroot daardoor aanzienlijk het risico op opportunistisch handelen ten nadele van schuldeisers.

Aansprakelijkheidsremedies botsen zowel bij natuurlijke als bij rechtspersonen op de grens van de insolvabiliteit. Het verschil is dat bij een rechtspersoon het risico veel groter is dat deze insolvabiliteit onderdeel is van een bewuste strategie.

Interne vermogenssplitsing en artificiële vermogenssplitsing: beperkte aansprakelijkheid op steroïden

Het rechtspersoonstypisch risico op opportunistisch gedrag verergert nog veel meer door de mogelijkheid van verdere vermogenssplitsing zoals bij een vennootschapsgroep waarbij een onderneming verspreid is over meerdere rechtspersonen. De insolvabiliteit van één onderdeel van de groep heeft brengt dan maar een beperkt verlies van ondernemingswaarde voor de aandeelhouders met zich.

Beperkte aansprakelijkheid wordt daardoor erg beperkt: bij insolvabiliteit van een onderdeel verliezen de aandeelhouder slechts een stuk van de ondernemingswaarde.

Helemaal mooi wordt het voor de aandeelhouders als er binnen een groep strategisch aan artificiële vermogenssplitsing werd gedaan. Zie daarover de bijdragen van A. Karapetian en F. Verstijlen, R. Squire en J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, Reports to to the Netherlands Association for Comparative and International Insolvency Law (2018). Te consultereren via http://www.naciil.org/activiteiten/nieuws/kopie-documents-nvriinaciil-annual-conference–members-meeting-15-november-2018/

Bepaalde goederen die essentieel zijn voor de going concern waarde van de onderneming worden dan ondergebracht in een entiteit die buiten de insolvabiliteit wordt gehouden. Een type voorbeeld zijn intellectuele eigendomsrecht van de groep. Bij de insolvabiliteit van de andere groepsvennootschappen maakt dit dat de insiders de enige realistische bieders zijn voor de ondernemingsgoederen, die ze daardoor aan een prikje kunnen verwerven.

Hierdoor neigt beperkte aansprakelijkheid naar de afwezigheid van aan aansprakelijkheid. Het faillissement van de onderneming belet immers niet dat de aandeelhouders nog een groot stuk van de ondernemingswaarde kunnen behouden.

Dit opportunistisch insolventierisico typisch voor entiteiten met beperkte aansprakelijkheid en afgescheiden vermogen, brengt met zich een nood aan een rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming.

Technieken van rechtspersoonstypische schuldeisersbescherming komen uitgebreid aan bod in de studiemiddag via livestreaam aan de KU Leuven op 15 oktober 2020 over schuldeisersbescherming bij vennootschappen en andere rechtspersonen onder voorzitterschap van Professor Eric Dirix. Komen onder meer aan bod : dr. Lindemans over de pauliana, Professor Cools over de aanloop naar insolventie, Professor Wyckaert over bestuursaansprakelijkheid, Professor Tas over uitkeringen, Mr. Poesen over het IPR en Mr. Van Hoe over de vennootschapsgroep.

Inschrijven kan via deze link. Meer info vindt u hier.

Joeri Vananroye

‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: studiemiddag via livestream op 15 okt 2020

De kapitaalbescherming werd voor de BV afgeschaft. Het toepasselijk vennootschapsrecht kan vrij worden gekozen. Bestuursaansprakelijkheid is beperkt tot een maximumbedrag. Is na de flexibilisering van het vennootschapsrecht de vennootschapsschuldeiser onder het WVV nog voldoende beschermd?

Experten behandelen onder voorzitterschap van Prof. Dr. Eric Dirix op een studiemiddag te Leuven op 15 oktober 2020 de interactie tussen de nieuwe regels in het vennootschaps- en verenigingsrecht en bescherming uit het insolventierecht. Hieronder worden de verschillende presentaties kort samengevat. Rode draad doorheen deze presentaties is het proefschrift Schuldeiser & Rechtspersoon (Intersentia, 2020) van dr. Gillis Lindemans.

Erkenningen bij OVB (4u), IGO (3.5 u), IBJ, Nationale Kamer van Notarissen (4u)

De inschrijvingsprijs van EUR 175 omvat het boek Schuldeiser & Rechtspersoon, dat op de studiemiddag zelf wordt overhandigd. De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld aan deelnemers.

Inschrijven kan via deze link. Wie ingeschreven was voor de afgelaste studiemiddag in maart hoeft verder niets meer te doen.

Programma

13u30  |  Onthaal

13u50  |  Verwelkoming door de voorzitter  |  prof. dr. Eric Dirix


14u00  |  Waarom schuldeisersbescherming nijpender is bij rechtspersonen dan bij natuurlijke personen  |  prof. dr. Joeri Vananroye

Rechtspersonen zijn risicovol voor schuldeisers. Controlerende insiders (aandeelhouders of leden, bestuurders enz.) kunnen goederen en schulden opportunistisch verschuiven van het vermogen van de rechtspersoon onder hun controle naar hun privévermogen, en omgekeerd. Op die manier kunnen insiders de schuldeisers van de rechtspersoon benadelen zonder daardoor zelf geschaad te worden (en zelfs in hun eigen voordeel).


14u20  |  De actio pauliana als onderschatte remedie voor schuldeisers van rechtspersonen  |  dr. Gillis Lindemans

De actio pauliana is een krachtige remedie waarmee schuldeisers van vennootschappen, en bij uitbreiding van zowat elke entiteit met een afgescheiden vermogen, hun verhaalspositie kunnen veiligstellen. Zo kan de pauliana schuldeisers beschermen tegen excessieve uitkeringen, benadelende fusies en splitsingen, onrechtmatige financiering enz.


14u50  |  Bestuursaansprakelijkheid bij nakende insolventie  |  prof. dr. Marieke Wyckaert

Het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders wordt des te nijpender in de schemerzone voor insolventie. De kans neemt dan immers aanzienlijk toe dat schuldeisers (of een faillissementscurator namens hen) de bestuurders persoonlijk verantwoordelijk zullen stellen voor het ontstane tekort. In hoeverre moeten bestuurders werkelijk aansprakelijkheid vrezen voor bv. wrongful trading, onrechtmatige selectieve betaling of kennelijk grove fout?


15u20  |  Het vennootschapsbelang in de aanloop van insolventie  |  prof. dr. Sofie Cools

In de aanloop van insolventie verschuift het economische risico in de vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid van de aandeelhouders naar de schuldeisers. De aandeelhouders zijn eventueel hun inbreng kwijt, maar hebben verder niets meer te verliezen. De schuldeisers daarentegen zien hun kans op terugbetaling steeds kleiner worden. Deze presentatie onderzoekt hoe het vennootschapsbelang het gedrag van de verschillende belanghebbenden in de vennootschap reguleert bij nakende insolventie, en hoe die norm kan worden afgedwongen.


15u50  |  koffiepauze


16u20  |  Het belang van internationaal privaatrecht bij schuldeisersbescherming bij vennootschappen  |  dhr. Michiel Poesen

Het internationaal privaatrecht is het onderschatte sluitstuk van schuldeisersbescherming. Het zijn immers de IPR-regels die bepalen of schuldenaars dwingende regels kunnen “wegbedingen”, ten nadele van hun schuldeisers, door keuze voor een rechtstelsel dat die regel niet kent. Zo laat ons land sinds kort de insiders van de vennootschap volledig vrije keuze van het toepasselijke vennootschapsrecht. In welke mate beperken andere rechtsdomeinen, zoals het insolventierecht, de rechtskeuze ter bescherming van de schuldeisers?


16u45  |  Grenzen aan uitkeringen in het vennootschaps- en insolventierecht  |  prof. dr. Robbie Tas

Uitkeringen zijn in zekere zin intrinsiek controversieel: ze laten toe dat aandeelhouders, die nochtans achtergesteld zijn ten opzichte van de schuldeisers, toch al een vermogensvoordeel ontvangen zonder dat alle schulden van de vennootschap moeten zijn betaald. Welke grenzen stelt het nieuwe WVV daaraan? En hoe verhouden die beperkingen zich tot de remedies uit het insolventierecht?


17u15  |  De actio pauliana en de vennootschapsgroep: studie van tegenstellingen  |  mr. Arie Van Hoe

De actio pauliana beschermt schuldeisers van rechtspersonen tegen opportunistisch gedrag van insiders. Het risico op opportunistisch gedrag is nadrukkelijk aanwezig in de context van (grensoverschrijdende) vennootschapsgroepen. Immers, vennootschapsgroepen worden gekenmerkt door voortdurende vermogensverschuivingen, in de meest diverse vormen en gradaties. Wat betekent de pauliaanse vordering voor de vennootschapsgroep? Wat betekent de vennootschapsgroep voor de pauliaanse vordering?


17u40  |  Q&A en Paneldiscussie

18u20  |  Einde

Inschrijven kan via deze link.

Beginselen van Organisatierecht

We maakten voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven) een syllabus met enkele beginselen van het recht voor rechtspersonen, vennootschappen en andere ondernemingsvormen.

Het gaat hier zeker niet om een overzicht van alle of zelfs maar de belangrijkste regels. Het werk dat voorligt heeft de ambitie als een medische scan te zijn. Het wil niet de oppervlakte beschrijven, maar de interne samenhang van regels reveleren en inzoomen op essentiële details, die het systeem dragen dan wel zorgen voor pathologieën.

Dit werk (310 blz), dat nog in aanbouw is, kan hier (Beginselen van Organisatierecht) in pdf-vorm worden geconsulteerd.

Hoofdstuk 1 kijkt naar de concrete juridische gevolgen van de rechtspersoonstechniek. We doen dat door de positie van de eigenaar van een handelszaak te contrasteren met die van de aandeelhouder in een vennootschap. In hoofdstuk 2 worden de vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid en de vennootschappen met onvolkomen rechtspersoonlijkheid (VOF, CommV) aan de vergelijking toegevoegd. Aandachtspunten voor de contractspraktijk krijgen een aparte plek in hoofdstuk 4.

De titel van het eerste hoofdstuk is “Je n’ai jamais déjeuné avec une personne morale”, naar de Franse jurist – de meningen verschillen wie – die hiermee de rechtspersoon als een fictie wegzette. (In het Frans wordt de rechtspersoon meestal ‘zedelijke persoon’ genoemd. De student die op het examen antwoordde dat zijn moeder een rechtspersoon is, zou in het Frans dan nog het voordeel van de twijfel gekregen kunnen hebben).

Dit kaderde in een versleten debat tussen de fictieleer en de realiteitsleer. De fictieleer zag de rechtspersoon als een creatie van het recht en zag daarin de verantwoording voor een strenge regulering. De realiteitsleer zag de rechtspersoon als een realiteit die door het recht enkel werd erkend. Dit gold als verantwoording voor een liberale regulering.

Ik noem dit debat versleten omdat elke jurist hopelijk inziet dat een begrip als rechtspersoon, maar ook andere begrippen als rechtssubject, vordering, schuld, …ficties zijn, die niet in rerum natura worden teruggevonden. Ze bevinden zich niet in de zichtbare of onzichtbare schepping, maar in het hoofd van mensen. Het verschil met literaire fictie is dat de juridische fictie met overheidsgeweld wordt afgedwongen.

We kiezen dus resoluut, en verder onuitgesproken, voor een opvatting van de rechtspersoon als een juridische techniek. Daar op zichzelf leiden we geen normatieve stellingnames uit af. Dit kan zowel gecombineerd worden met een restrictieve of liberale benadering.

Wel kijken we met een normatieve blik naar de concrete gevolgen van de techniek, in het bijzonder beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding in hoofdstuk 3. Wat zijn de redenen voor deze gevolgen? Wat zijn de risico’s ervan? En welke remedies voor deze risico’s zitten of zouden er moeten zitten in de gereedschapskist van de het organisatierecht?

Het motto van hoofdstuk 5 is een antwoord op de hiervóór geciteerd Franse jurist door een collega: “Moi non plus, mais je l’ai souvent vue payer l’addition”. Als juridische techniek creëert de rechtspersoon een fictief subject waaraan rechten en verplichtingen worden toegerekend. Hoe deze toerekening gebeurt, is essentieel voor het optreden van een organisatie in het rechtsverkeer. Het gaat hier om vertegenwoordiging, onrechtmatige daden, misdrijven en subjectieve gesteldheden. Ook de rechtsbekwaamheid en algemene grenzen als wettelijke specialiteit, statutaire specialiteit en vennootschapsbelang komen hier aan bod. Hoewel geschreven op maat van de rechtspersoon, gelden de besproken principes ook voor andere organisaties.

Hoofdstuk 7 kijkt naar de structuur van het Belgische organisatierecht. Hoe is het WVV georganiseerd? Welke vormen zitten bij het WVV? Wat karakteriseert een vennootschap en een vereniging? Hoe passen organisaties in het formele en het functionele ondernemingsbegrip van het ondernemingsrecht?

Hoofdstuk 8 kijkt naar wat de rechtspersoon onderscheidt van andere organisatievormen: oprichtingsformaliteiten en publiciteitsvoorschrift. Ook het handelen namens de rechtspersoon in oprichting wordt hier besproken.

Hoofdstuk 9 bespreekt uitgebreid één van de belangrijkste remedies tegen de risico’s van de rechtspersoonstechniek: bestuursaansprakelijkheid, zoals in het WVV, het gemeen aansprakelijkheidsrecht en het insolventierecht.

Drie hoofdstukken blijven onafgewerkt en werden niet opgenomen: hoofdstuk 5 over het IPR (keuze van en verandering van het toepasselijk recht), hoofdstuk 10 over liquiditeit en liquidatie (ontbinding, overdracht van aandelen, beslag op aandelen, uittredingsregelingen) en hoofdstuk 11 over twee modellen van vermogensovergang (vereffening en overdracht onder algemene titel).

Joeri Vananroye

foto : Regentschapsstraat, Brussel, 6 mei 2020

Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator

Als de curator besluit tot niet-uitvoeren is de overeenkomst met de gefailleerde wel degelijk beëindigd

Op 4 september jl. sprak het Hof van Cassatie een belangwekkend arrest (C.20.0011.N) uit over een miskend principe: het verbod op uitvoering in natura van een contractuele verbintenis van de gefailleerde tegen de faillissementsboedel. Tegelijk kon het Hof die regel aanvullen met een regel over de omvang van de schadevergoeding die ten gevolge van  de niet-uitvoering een verbreking door de curator een schuld in de boedel zal zijn.

Eerst een stap terug naar de principes van samenloop bij faillissement.

Een gevolg van de samenloop is dat de onderlinge rang van de samenlopende schuldeisers wordt “gefixeerd” op het ogenblik van het faillissementsvonnis. Hun onderlinge rang wordt bepaald op basis van de toestand op het ogenblik van faillietverklaring.

Dit “fixatiebeginsel” (vaak – maar verwarrend – ook “gelijkheidsbeginsel” genoemd) verzet zich ook tegen een gedwongen uitvoering in natura tegen de boedel, in ieder geval waar het een verbintenis tot overdracht (“dare”) of tot doen (“facere”) zou betreffen (E. Dirix, “Faillissement en lopende overeenkomsten”, RW 2003-04, 204, nr. 9).

Wellicht zijn er weinig regels van privaatrecht die tegelijk zo onbekend en zo fundamenteel zijn. Continue reading “Het Hof van Cassatie over de gevolgen van de verbreking van een overeenkomst door de curator”

Heeft het Hof van Cassatie de drempel verlaagd voor het faillissement van een vennootschap in vereffening?

Cass. 5 juni 2020 (C.19.0550.F)

Ook na haar ontbinding blijft de vennootschap in vereffening een onderneming; ze blijft dus onderworpen aan de verplichting om desgevallend aangifte van staking van betaling te doen (zie onder het oude faillissementsrecht: Cass. 17 juni 1994, AC 1994, 637).

Wel krijgen de faillissementsvoorwaarden een andere invulling in geval van een vennootschap in vereffening. Het Hof van Cassatie oordeelde immers dat het feit dat een belangrijk deel van de schuldeisers het vertrouwen behoudt in de vereffening, een element is waarop de rechter zijn oordeel kan steunen dat de vennootschap nog haar krediet behoudt (geen “geschokt krediet”, één van de faillissementsvoorwaarden) en dus niet in staat van faillissement is (o.a. Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429). Dit geldt zelfs wanneer het waarschijnlijk is dat de vereffening deficitair zal zijn.

Vanzelfsprekend is deze rechtspraak niet, omdat een vereffening niet dezelfde waarborgen biedt als een faillissement. Een curator is anders dan een vereffenaar een neutrale bewindvoerder aangesteld door de rechtbank.

De curator heeft ook bevoegdheden die verder gaan dan die van een vereffenaar. Zo heeft de curator de mogelijkheid om de actio pauliana in te stellen, kan hij handelingen tijdens de verdachte periode aanvechten van de ‘vereenvoudigde pauliana’ en kan hij de bijzondere faillissementsaansprakelijkheden van art. XX.224 e.v. WER instellen.

Met een arrest van 5 juni 2020 (C.19.0550.F) lijkt het Hof van Cassatie de drempel voor het faillissement van een vennootschap in vereffening te verlagen. De vordering in faillissement van een ‘minderheidsschuldeiser’ kan gegrond worden verklaard, zelfs bij afwezigheid van fraude, zelfs indien de vereffenaar geen verwijt treft, indien er aanwijzingen zijn dat de beslissing van de algemene vergadering om te kiezen voor een vrijwllige vereffening nadelig is voor de schuldeisers doordat die het voordeel van de actiemogelijkheden van een curator ontneemt. Continue reading “Heeft het Hof van Cassatie de drempel verlaagd voor het faillissement van een vennootschap in vereffening?”

Overgangsonrecht

Over enkele verrassende gevolgen van het (gebrek aan) overgangsregime in het WVV

Onder het W.Venn. kon een statutaire zaakvoerder van een BVBA enkel worden ontslagen met unanimiteit. Een kleine participatie in handen van die zaakvoerder volstond met ander woorden om het eigen ontslag te kunnen vetoën.

Bij het ontkurken van de champagne bij nieuwjaar 2020 stond deze statutaire zaakvoerder aan het hoofd van een BV. Als deze zaakvoerder geen participatie heeft van méér dan 25% van de stemmen zou er echter wel eens weinig reden tot vieren kunnen zijn. Onder het WVV kan een statutaire zaakvoerder immers worden afgezet met een meerderheid van 75%.

Dit is slecht één frappant voorbeeld van hoe de onmiddellijke toepassing van het WVV partijen de bescherming die ze hadden bedongen en cours de route kan ontnemen. Continue reading “Overgangsonrecht”

Twee jaar Wet Hervorming Ondernemingsrecht: vereenvoudigen is niet simpel

Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht

De Wet Hervorming Ondernemingsrecht werd twee jaar geleden afgekondigd (zie hier voor een overzicht van de belangrijkste wijzigingen). Deze wet schafte de handelaar af als aanknopingspunt en stelde een formeel ondernemingsbegrip (art. I.1,1° WER) in de plaats. Daarbij stond vereenvoudiging voorop. Tijd voor een evaluatie van deze peuter. Continue reading “Twee jaar Wet Hervorming Ondernemingsrecht: vereenvoudigen is niet simpel”

Vertegenwoordiging: ABC en WVV

Presentatie over basisprincipes van vertegenwoordiging

Ter gelegenheid van de alumnidag van de Leuvense rechtsfaculteit gaven we een presentatie over de basisprincipes van vertegenwoordiging, met bijzondere aandacht voor de bijzondere uitdaging van vertegenwoordiging van rechtspersonen en andere organisaties. Hier vindt u de slides en de presentatie zelf: Continue reading “Vertegenwoordiging: ABC en WVV”

Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV

Editoriaal in TRV/RPS, 2020, p. 3 e.v.

Wikipedia, zoals bekend een autoriteit op vlak van juridisch redeneren, stelt over de redenering a contrario:

“Vooral onder juristen zijn a contrario redeneringen populair. Als er een wettelijke regel is “indien A, dan B” (implicatie), dan kan daar de conclusie uit worden getrokken: “indien niet A, dan niet B”. Maar een dergelijke gevolgtrekking in deze vorm is onjuist, hoewel de conclusie (dat niet B) wel juist kan zijn. Slechts als eerstgenoemde regel luidde:(1) “alléén indien A, dan B” (replicatie) , of (2) “Als en slechts als A, dan B” (equivalentie) is deze omkering toelaatbaar volgens de wetten van de logica. Bij een beroep op een argumentatie a contrario moet dus altijd een lampje gaan branden.”

Ook in het ondernemingsrecht zijn a contrario redeneringen verdacht (zie ook Koen Geens over  “vermoeiende a contrarioconclusies” in zijn boekbespreking van Asser-Maeijer 5-V, TPR 1998, 1149).

De a contrario redenering leidt conclusies af uit het stilzwijgen van de wetgever: “als een rechtgevolg wordt vastgeknoopt aan A, en er niets gezegd wordt over B, dan zal de wetgever wel gewenst hebben hebben dat het rechtsgevolg niet geldt voor B.”

Dat miskent dat de wetgever meestal slechts een beperkte focus heeft bij het opstellen van een tekst. Als in de Wet betreffende Olifanten staat dat olifanten vier poten moeten hebben, dan kan daar niets over giraffen worden uit afgeleid. Dat was gewoon niet de focus van de wetgever op dat ogenblik.

De zaak wordt anders indien er een Wetboek betreffende Alle Dieren wordt geschreven. Indien het hoofdstuk voor de olifant bepaalt dat de olifant twee grote oren en korte dikke nek moet hebben, komt men wel in de verleiding gevolgen te trekken uit de afwezigheid van gelijkaardige regels in het hoofdstuk over de giraffen. De focus van een codificatie is net systematisch na te denken over wat gelijk moet zijn en verschillen tussen de verschillende behandelde figuren.

In een editoriaal in het laatste nummer van het TRV/RPS (“Wat zegt de wetgever als hij zwijgt?”) geef ik enkele voorbeelden van hoe ook in het WVV a contrario redeneringen niet altijd opgaan: Continue reading “Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV”

Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon – Leuven 19 maart 2020

Aula Zeger van Hee, KU Leuven, 19 maart 2020, vanaf 13u50

Rechtspersonen zijn risicovol voor schuldeisers. Controlerende insiders (aandeelhouders of leden, bestuurders enz.) kunnen goederen en schulden opportunistisch verschuiven van het vermogen van de rechtspersoon onder hun controle naar hun privévermogen, en omgekeerd. Op die manier kunnen insiders de schuldeisers van de rechtspersoon benadelen zonder daardoor zelf geschaad te worden (en zelfs in hun eigen voordeel).

Experten behandelen onder voorzitterschap van Prof. Dr. Eric Dirix op een studiemiddag te Leuven op 19 maart 2020 de talrijke uitdagingen waarmee schuldeisers van rechtspersonen worden geconfronteerd. Ze bespreken welke remedies het vennootschaps-, verenigings- en insolventierecht aanreikt, en wat daarvan de mogelijkheden en beperkingen zijn. Komen onder meer aan bod: excessieve dividenden en verkapte uitkeringen, bestuursaansprakelijkheid bij faillissement, de actio pauliana als onderschatte remedie, schuldeisersbenadeling bij vennootschapsgroepen enz. Rode draad doorheen deze studiemiddag is het proefschrift Schuldeiser & Rechtspersoon van dr. Gillis Lindemans. Een exemplaar van dit boek (met handelsprijs van 165 EUR) is in het inschrijvingsgeld van 175 EUR inbegrepen. Inschrijven kan via deze link.

Programma Continue reading “Studiemiddag Schuldeiser & Rechtspersoon – Leuven 19 maart 2020”

Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen

Art. 39 Invoeringswet WVV

Gisteren, 1 januari 2020, werd het WVV van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen.

Soms wordt wel eens gehoord dat enkel de dwingende bepalingen op 1 jan. van toepassing zouden worden. Dat is een verkeerde lezing van (het eigenaardig geformuleerde) art 39 § 2 van de invoeringswet: Continue reading “Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen”

Mee met het WVV?

Meer dan 70 posts over het WVV

Op 1 januari 2020 wordt het WVV ook van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen. Hier vindt u de tekst van de invoeringswet, de Concordantietabel W.Venn. – WVV en het ontwerp van de belangrijkste reparatiewet.

De posts over het WVV op deze blog  – meer dan 70, samen toch een virtueel boek van pakweg 300 blz –  waren: Continue reading “Mee met het WVV?”

Bestuursaansprakelijkheid: een overzicht van wat nieuw is en wat bleef

We maakten voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven campus Brussel) een overzicht van de belangrijkste regels in verband met de (burgerrechtelijke) aansprakelijkheid van bestuurders. Daarbij werden de wijzigingen aangebracht door het WVV verwerkt. Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid: een overzicht van wat nieuw is en wat bleef”

Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden. Continue reading “Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?”

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn

Over de tegenwerpelijkheid van beperkingen aan de bevoegdheid van het bestuur

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV bepalen voor BV, CV, en NV dat de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen uitbreiden. Zulke uitbreiding van de bevoegdheid van de algemene vergadering zal in de regel een inperking van de bevoegdheid van het bestuursorgaan vormen.

Problematisch is de regeling van de tegenwerpelijkheid van zulke inperking. De voornoemde bepalingen stellen hierover: “Zodanige uitbreiding kan niet aan derden worden tegengeworpen, tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs.

Dit is onverzoenbaar met het vertegenwoordigingsregime van de Eerste Richtlijn (van toepassing op NV en BV, al zou er over de BV discussie kunnen zijn).

Het uitgangspunt van de Eerste Richtlijn is dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordigingsregime niet tegenwerpelijk zijn. Kennis is daarbij geen uitzondering. De Richtlijn staat lidstaten toe dat ze voor het “voorwerp” (vennootschapsdoel) een uitzondering maken op deze regel van niet-tegenwerpelijkheid van statutaire beperkingen tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs. België heeft van deze optie altijd gebruik gemaakt, maar breidt die uitzondering nu in strijd met het Europees recht uit naar andere statutaire bepalingen.

Voor elk van de drie vennootschapsvormen is deze regel bovendien niet te verzoenen met de regel in het spiegelbeeldbepalingen over het bestuursorgaan (art. 5:73, 6:61, 7:93 WVV). Zie bv. voor de NV art. 7:93  § 1:

“De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is.  De statuten kunnen de bevoegdheden van de raad van bestuur beperken. Zodanige beperking kan niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is ze openbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor een onderlinge taakverdeling onder de bestuurders.”

Bij de regels over het bestuursorgaan wordt dus richtlijnconform, zonder kwalificatie of uitzondering, gesteld dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van het vertegenwoordigingsorgaan niet tegenwerpelijk zijn.

De tunnel gegraven vanuit Dover en die vanuit Calais ontmoeten mekaar niet onder zee.

Continue reading “Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn”