‘Error 404 Rule Not Found’: linkrot in het recht

Verwijzingen naar niet langer bestaande of gewijzigde normatieve teksten

Wikipedia definiëert linkrot als “het fenomeen waarbij op een internetpagina met links na enige tijd steeds meer aangeklikte links niet werken, omdat de doelpagina uit de lucht is, een andere naam heeft gekregen of omdat de webpagina of site niet meer bestaat.” 

Ook in het recht kennen we linkrot: normatieve teksten (wetten, maar ook reglementen, statuten of overeenkomsten) die verwijzen naar andere normatieve teksten die niet langer bestaan of waarvan de inhoud is gewijzigd.

Continue reading “‘Error 404 Rule Not Found’: linkrot in het recht”

Vijf Jaar ‘Corporate Finance Lab’

Vijf jaar geleden verscheen de eerste post van deze blog, over de maatschap. Meteen een illustratie van de zeer ‘inclusieve’ opvatting die deze blog hanteert over corporate finance (al is de maatschap uitermate geschikt om te spreken over vermogensafscheiding, de derdeneffecten van een vennootschap of het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen).

Een strak plan was er niet, en dat is er nog altijd niet echt.

Continue reading “Vijf Jaar ‘Corporate Finance Lab’”

Beginselen van Organisatierecht (ed. 2021)

De herwerkte versie van Beginselen van Organisatierecht (313 blz) kan hier in pdf-vorm worden geconsulteerd:

We maakten deze syllabus voor het vak ‘Bepalingen gemeen aan alle rechtspersonen’ in de Master vennootschapsrecht (KU Leuven).

Continue reading “Beginselen van Organisatierecht (ed. 2021)”

Hoe de kwijting aan de kant schuiven of verhinderen bij een gewone ‘actio mandati’?

Een vorige post belichtte de grenzen aan het comfort van een kwijting, in het bijzonder als bij faillissement de curator vordert.

Als de curator de gewone contractuele aansprakelijkheidsvordering van de vennootschap zelf (actio mandati) instelt, is de rechtsgeldig vóór het faillissement verleende kwijting haar in beginsel we tegenwerpelijk. De curator oefent immers de interne aansprakelijkheidsvordering uit, met alle excepties die daaraan kleven, op grond van het collectief faillissementsbeslag ten behoeve van de gemeenschappelijke schuldeisers.

Zelfs bij de gewone actio mandati biedt de kwijting echter geen perfect comfort.

Continue reading “Hoe de kwijting aan de kant schuiven of verhinderen bij een gewone ‘actio mandati’?”

De relativiteit van de kwijting van bestuurders

Na de goedkeuring van de jaarrekening beslist de AV bij afzonderlijke stemming over de kwijting van bestuurders en leden van de raad van toezicht (art. 5:98, 6:83 en 7:149 WVV; voor de VZW: art. 9:20 WVV). Door een geldige kwijting doet de vennootschap afstand van de actio mandati.

Belgische bestuurders – en het belang van de kwijting lijkt toch echt wel typisch iets van het Belgisch vennootschapsrecht- overschatten wellicht het comfort dat een kwijting biedt. Het gisteren besproken cassatie-arrest van 18 juni 2021 herinnert er aan dat de kwijting de curator niet bindt indien zij namens de gezamenlijke schuldeisers vordert. Dit is ondermeer het geval indien de curator vordert op grond van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid voor kennelijke grove fout of voor wrongful trading.

Er zijn nog andere belangrijke grenzen aan het comfort dat een kwijting biedt:

Continue reading “De relativiteit van de kwijting van bestuurders”

Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?

Cass. 18 juni 2021 (C.19.0255.N)

Op 18 juni 2021 velde het Hof van Cassatie een arrest over de tegenwerpelijkheid van een kwijting van bestuurders. Het Hof stelt daarbij dat “de kwijting niet aan de curator kan worden tegengeworpen wanneer hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 528 Wetboek van Vennootschappen instelt”.

Dit artikel betrof de schendingen van het wetboek of van de statuten. Het equivalent van art. 528 W.Venn. is art. 2:56 al. 3 WVV. Voor doeleinden van de behandelde vraag zijn er geen wijziging aan deze bepaling, zodat het besproken arrest ook onder het WVV relevant is.

Continue reading “Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?”

Ook de enige aandeelhouder heeft altijd gezelschap

Cass. 9 juni 2021 over misbruik van vennootschapsgoederen

In een arrest van 9 juni 2021 verbreekt het Hof van Cassatie een arrest van het Hof van Beroep van Luik dat een arts vrijsprak voor het leeghalen via een rekening-courant van zijn professionele vennootschap, terwijl die vennootschap grote fiscale schulden opstapelde. De reden voor de vrijspraak was twijfel over het kwaadwillig opzet. Immers, aldus de beroepsrechter, als de eenpersoonsvennootschap wordt benadeeld, benadeelt de aandeelhouder ook zichtzelf. Belangrijk element daarbij was ook dat de arts, toen de fiscus deze vennootschapsschuld invorderde, zelf betaalde.

Het Hof van Cassatie volgt deze redenering niet:

“L’article 492bis du Code pénal, dont le moyen accuse la violation, sanctionne notamment le dirigeant d’une personne morale qui, frauduleusement, utilise les biens sociaux non dans l’intérêt de cette personne morale mais dans son propre intérêt.

L’intention frauduleuse caractérisant ce délit consiste à agir à des fins contraires à l’intérêt social, en étant conscient que l’usage fait des actifs de la personne morale infligera à celle-ci un préjudice significatif.

L’arrêt constate que le défendeur a manifestement géré la société de manière déplorable, et qu’il lui a causé un dommage, puisqu’en asséchant sa trésorerie, il a exposé la société à se voir taxée sur des revenus qu’elle n’avait pas, invitée à payer des intérêts et des majorations, frappée par des saisies-arrêts et des contraintes exécutées d’office.

De la circonstance qu’après coup, le gérant, producteur et bénéficiaire des rémunérations mises en société, s’est vu chargé de la dette d’impôt y afférente, il ne se déduit pas qu’une atteinte préjudiciable n’ait pas été portée au patrimoine distinct de la personne morale, ni que le défendeur ait pu en ignorer la réalité.

Les juges d’appel n’ont, dès lors, pas légalement justifié leur décision.”

Dit technisch arrest over het misdrijf van vennootschapsgoederen leert iets over een actueel, misschien filosofisch aandoende, vraag: moet de vennootschap enkel worden bestuurd in het belang van de aandeelhouders of ook in het belang van derden?

Continue reading “Ook de enige aandeelhouder heeft altijd gezelschap”

Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021
van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

Continue reading “Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?”

Omtrent de beschikking van de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van vandaag inzake het Corona-MB

De eigenaardige beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel (ORDONNANCE REFERE 31MARS2021) waarbij de Belgische Staat wordt veroordeeld tot … ja tot wat eigenlijk, zal ongetwijfeld veel commentaar oproepen, maar die verwacht u wellicht niet hier.

Toch stelt deze uitspraak een punt in het licht dat we eerder hier al belichtten: hoe de collectieve vordering van rechtspersonen tot bescherming van mensenrechten – ingevoerd in 2018 in art. 17 Ger.W. – de actieradius van de rechterlijke macht aanzienlijk heeft uitgebreid. Het komt me voor na een eerste snelle lezing dat zonder deze bepaling een natuurlijke persoon of rechtspersoon nooit het belang zou hebben om de verkregen maatregel te bekomen.

Het vereiste van een “eigen belang” als ontvankelijkheidsvereiste is één van de manieren waarop in ons bestel het domein van de rechterlijke macht wordt ingesnoerd ten voordele van de wetgevende en uitvoerende. Vooral de rechtspraak en doctrine in de VS brengt standing in verband met de scheiding der machten (zie bv. hier).

Fun fact: het wetsontwerp met deze uitbreiding van het ius standi m.b.t. mensenrechten door de Kamer op 20 december 2018 werd goedgekeurd zonder één tegenstem en met slechts vijf onthoudingen, op hetzelfde ogenblik dat het land in politieke crisis verzeilde omtrent de goedkeuring van een ‘pact’ waarvan werd gevreesd dat het de rechter te veel macht gaf om in te grijpen in het beleid.

Joeri Vananroye

VRG-alumnidag (KU Leuven): een ‘corporate finance’-graai in het aanbod

Vrijdag 12 maart 2021

Op vrijdag 12 maart 2021 organiseert VRG Alumni op de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven de 27ste alumnidag. De dag gaat online door aan aangepaste tarieven. Het volledige programma en een inschrijvingsformulier vindt u hier. Lezers van deze blog zullen in het veel ruimere aanbod misschien in het bijzonder geïnteresseerd zijn in:

Invoering van de jaarlijkse taks op effectenrekeningen, Fiscale stand van zaken “inbreng van arbeid”, Evoluties op het vlak van de successieplanning (kaasroute, duolegaat,…) door prof. Axel HAELTERMAN, Instituut voor Fiscaal Recht KU Leuven, advocaat

Actuele ontwikkelingen inzake koop door prof. Bernard TILLEMAN, Instituut voor Contractenrecht KU Leuven en drs. Frederik VAN DEN ABEELE, Instituut voor Contractenrecht KU Leuven

Schuldeiserbescherming bij vennootschappen: wettelijke specialiteit, vennootschapsbelang, actio pauliana, door prof. Joeri VANANROYE, Instituut voor Handels- en Insolventierecht KU Leuven, advocaat en dr. Gillis LINDEMANS , Instituut voor Handels- en Insolventierecht KU Leuven, advocaat

Alternatieven voor het proces van federale regeringsvorming door prof. Koen GEENS, Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel recht KU Leuven.

Aandelen in het nieuwe familiaal vermogensrecht door prof. Johan DU MONGH, rector Roger Dillemans Instituut voor Familiaal Vermogensrecht KU Leuven

De sanctieregeling in het Gerechtelijk Wetboek door prof. Benoît ALLEMEERSCH, Leuven Centre for Public Law Faculteit Rechtsgeleerdheid KU Leuven, advocaat

Onderwijs & Corona: in dialoog met de decaan door prof. Wouter DEVROE, decaan Faculteit Rechtsgeleerdheid KU Leuven.

Inschrijven kan hier.

Het optreden van de maatschap in het rechtsverkeer: wat als alle maten moeten ‘meetekenen’?

Een post vorige week zette uiteen hoe de maatschap een eigen vermogen heeft, afgescheiden van de vermogens van de maten. Dit houdt in dat de lotgevallen van de persoonlijke vermogens van de maten – zoals beslag, faillissement, minderjarigheid of andere gevallen van onbekwaamheid – niet het onverdeelde maatschapsvermogen treffen. De zaakvoerder kan zijn of haar statutaire bevoegdheid gebruiken, zonder belemmerd te worden voor een beschikkingsonbevoegdheid of handelingsonbekwaamheid die een individuele maat zou treffen.

Een tweede post eerder deze week zette dan weer uiteen hoe in het rechtsverkeer derden echter niet zomaar zullen vertrouwen op de bevoegdheid van de zaakvoerder en de actualiteit van de voorgelegde statuten. Derden zullen bij belangrijke transacties daarom vaak vragen dat de maten persoonlijk meetekenen met de zaakvoerder.

Ook bleek dat in de registers van de hypotheekbewaarder de identiteit van de maten als mede-eigenaars moeten worden vermeld. Ook een wisseling in het matenbestand (uittreding, toetreding, overdracht van aandelen) geldt als een overdracht van mede-eigendomsrechten die moet worden overgeschreven in het hypotheekregister. Het voorgaande betekent ook dat bij een notariële akte tot overdracht van een zakelijk recht van de maatschap alle maten persoon moeten verschijnen of een notariële volmacht moeten verlenen, ook in de hypothese dat de zaakvoerder volgens de statuten autonoom bevoegd is.

Enerzijds heeft de maatschap dus een verregaande vermogensrechtelijke autonomie: wettelijk door een afgescheiden vermogen en statutair door een zaakvoerder met een verregaande en autonome bevoegdheid. Anderzijds heeft die zaakvoeder dan weer regelmatig de maten nodig om de maatschap te laten deelnemen aan belangrijke transacties.

Hoe die twee vaststellingen verzoenen? Continue reading “Het optreden van de maatschap in het rechtsverkeer: wat als alle maten moeten ‘meetekenen’?”

Praktische problemen bij het optreden van een maatschap in het rechtsverkeer

Maatschap als ‘persona incerta’

De maatschap is niet onderworpen aan een formeel regime inzake oprichting en openbaarmaking (neerlegging van (een uittreksel uit) de oprichtingsakte en bekendmaking in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad), zoals dat wel geldt voor rechtspersonen. Daarmee hangt samen dat de maatschap geen regels kent zoals art. 2:18 – 2:19 WVV, die derden beschermen als die te goeder trouw hebben vertrouwd op de geopenbaarde gegevens.

De inschrijvingsplicht in de KBO die de Wet Hervorming Ondernemings­recht invoerde voor maatschappen in art. III.49 § 1, 1° en 2° WER doet geen afbreuk aan de vorige vaststelling. Al bij al is de draagwijdte van de publiciteit in de KBO zeer beperkt. De KBO heeft als eerste roeping om een interne database voor de overheid te zijn, niet het informeren van derden. Met name krijgt een derde geen inzicht in de identiteit van de maten (tenminste als er een zaakvoerder is – zie hierna), de statuten of de financiële aspecten van een maatschap. De enige saillante informatie voor derden is de identiteit van de zaakvoerder. De vertegenwoordigings­bevoegdheid van de zaakvoerder wordt niet bekendgemaakt, laat staan dat de publicatie een grond vormt van vertegenwoordigingsmacht t.a.v. derden te goeder trouw.

Als we naar de juridische voorschriften kijken, lijkt het nog al mee te vallen met de rechtsgevolgen van de afwezigheid van vennootschapsrechtelijke publiciteit. Die situeren zich vooral bij ‘sterke’ registers zoals het hypotheekregister: daar moet de identiteit van de afzonderlijke maten worden vermeld en volstaat een identificatie onder de vennootschapsnaam dus niet. Bij het optreden in rechte – een ander klassiek domein met strenge identificatievereisten – trad de wetgever in 2018 op om een identificatie louter door de maatschapsnaam mogelijk maken (zie hier en hier).

Een analyse van deze in draagwijdte beperkte wettelijke gevolgen van de afwezigheid van een georganiseerde publiciteit, mist echter het belangrijkste gevolg in het rechtsverkeer: de contractuele tegenpartij van de maatschap die omwille van de afwezigheid van publiciteit er op zal staan dat alle maten mee instemmen met een rechtshandeling. Continue reading “Praktische problemen bij het optreden van een maatschap in het rechtsverkeer”

Het afgescheiden vermogen van de maatschap en de regels inzake het ouderlijk gezag bij minderjarige maten

De maatschap heeft een eigen vermogen, afgescheiden van de vermogens van de maten. Waar dit onder het W.Venn. door de meeste hedendaagse auteurs werd bepleit, blijkt dit sinds de invoering van het WVV duidelijk uit art. 1:1 en 4:13-4:15 WVV.

Het afgescheiden vermogen betekent dat voor vermogensrechtelijke doeleinden de onverdeelde maatschapsgoederen en de mede-eigendomsrechten in die goederen niet behoren tot het vermogen van de afzonderlijke maten. Het is het aandeel in de maatschap zelf dat in het vermogen van de maat valt.

Meestal wordt dit bekeken vanuit de verhaalsrechtelijke positie van schuldeisers:

  • Schuldeisers van de maatschap kunnen als enigen de maatschapsgoederen uitwinnen, met uitsluiting van de louter persoonlijke schuldeisers van de maten.
  • Daarenboven heeft de maatschapsschuldeiser een voorrang als hij de maatschapsgoederen uitwint: hij dient de persoonlijke schuldeisers niet te laten meedelen ten belope van het aandeel van debiteur/maat.
  • Louter persoonlijke schuldeisers kunnen in principe wel beslag leggen op het aandeel van hun schuldenaar in de ganse maatschap. Wel zal bijna altijd de uitwinning van een aandeel in een maatschap botsen op een andere juridische hinderpaal: de wettelijke en statutaire overdrachtsbeperkingen, die zakelijke werking hebben en die dan ook een executoriale verkoop kunnen frustreren.

Meer in het algemeen kan worden gesteld dat vermogensafscheiding impliceert dat enkel het aandeel in de ganse maatschap in de persoonlijke vermogens van de maten valt; niet de afzonderlijke maatschapsgoederen noch de mede-eigendom van de afzonderlijke goederen. De lotgevallen van het persoonlijk vermogen van een maat, zoals onbekwaamheid, overlijden of beschikkingsonbevoegdheid, treffen dan ook enkel het aandeel in de maatschap, niet de maatschapsgoederen.  Dit wordt elegant tot uitdrukking gebracht door art. 3.68 (nieuw) BW al. 2:

Indien de mede-eigendom betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, hebben de rechten van de mede-eigenaars enkel dat geheel tot voorwerp en niet de afzonderlijke goederen.

Vermogensafscheiding en onbekwaamheid van minderjarigen: de maatschapsactiva

De gevolgen van vermogens­afscheiding gaan verder dan de verhaalspositie van schuldeisers. Vermogensafscheiding impliceert dat enkel het aandeel in de ganse maatschap in de persoonlijke vermogens van de maten valt; niet de afzonderlijke maatschapsgoederen noch de mede-eigendom van de afzonderlijke goederen. De lotgevallen van het persoonlijk vermogen van een maat, zoals onbekwaamheid, overlijden of beschikkingsonbevoegdheid, treffen dan ook enkel het aandeel in de ganse maatschap, niet de maatschapsgoederen of de mede-eigendomsrechten in de afzonderlijke maatschapsgoederen.

Continue reading “Het afgescheiden vermogen van de maatschap en de regels inzake het ouderlijk gezag bij minderjarige maten”

Over de inbreng in genot

Voor een goed begrip van de tegenwerpelijkheid van de (maatschaps)overeenkomst

De maatschap heeft een eigen vermogen, afgescheiden van de vermogens van de maten. Waar dit onder het W.Venn. door de meeste hedendaagse auteurs werd bepleit, blijkt dit sinds de invoering van het WVV duidelijk uit art. 1:1 en 4:13-4:15 WVV.

Het WVV zegt niet wat het voorwerp is van deze vermogensafscheiding. Mij lijkt het duidelijk dat de maatschapsschuldeisers enkel een bevoorrechte positie hebben t.a.v. de goederen die in onverdeeldheid tussen de maten zijn (K. Geens, “De fundamenten van het vennootschapsrecht dooreengeschud voor de eeuwwende”, in De nieuwe vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, 29, nr. 23; J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, 262, nr. 354.). Anders gezegd: een goed dat een maat enkel in genot inbrengt, zonder overdracht van eigendom of een ander zakelijk recht, kan nog wel door de persoonlijke schuldeiser van die maat worden uitgewonnen. Het gebruiksrecht van de maatschap komt dan wel in onverdeeldheid toe aan de maten, maar dit heeft geen goederenrechtelijke gevolgen voor het goed waarop dit gebruiksrecht betrekking heeft.

Ten onrechte houdt een deel van de moderne (vooral Franstalige) rechtsleer voor dat de vermogensafscheiding ook geldt voor de goederen waarop een louter verbintenisrechtelijk gebruiksrecht is ingebracht. Continue reading “Over de inbreng in genot”

Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting

Cass. 11 januari 2021

Vroeger, toen art. 7 Hyp.W. nog onverdund van toepassing was, konden in principe alle tegenwoordige en toekomstige schulden worden verhaald op alle goederen van de debiteur, ongeacht het ogenblik waarop deze werden geacht te zijn ontstaan in zijn vermogen. (Zie wel M.E Storme, Zekerheden- en Insolventierecht, II, p. 561 e.v. voor een overzicht van hypotheses waarin het ogenblik van ‘ontstaan’ van een schuldvordering belangrijk is – bv. derdenbeslag, dat enkel bestaande vordering kan treffen).

Die simpele tijd is niet meer. De laatste 25 jaar trekt het insolventierecht steeds meer cesuren in de tijd, maakt het een onderscheid tussen oud en nieuw.

De kwijtschelding van de restschulden na faillissement, maakt een onderscheid tussen schulden van vóór of tijdens de faillissementsprocedure en nieuwe schulden.

Het nieuwe art. XX.110 § 3 WER trekt deze fresh start naar voren: “Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.” Nieuwe goederen vallen buiten de boedel, oude erin (zie eerder hier).

Schuldvorderingen in de opschorting zijn “de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen” (art I.22, 11° WER). Vóór of na het vonnis betekent het verschil tussen in of buiten de opschorting.

Al deze regels nopen tot criteria die bepalen wanneer een goed of een schuld ontstaat.

In een arrest van 11-januari-2021 (C.20.0195.N) moest het Hof van Cassatie oordelen of de schuld tot betaling van de gerechtskosten in of buiten de opschorting was. Het betrof de gerechtskosten voor een procedure opgestart vóór het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie opende, maar waarbij de veroordeling tot het eindvonnis plaats vond dat vonnis. Continue reading “Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting”