Begrotings- en informatierechten van het parlement bij de redding van banken en overheden

Constitutionele regels

De Belgische grondwetgever wilde een einde maken aan het verlicht despotisme dat de bevolking onder Willem I had moeten verduren. Doorn in het oog van de zuidelijke oppositie was de beperkte democratische controle over de staatsmacht in het algemeen en over de staatsfinanciën in het bijzonder. Zowel de gehate tienjarige begroting als de gebudgetteerde uitgaven – verricht via het Amortisatiesyndicaat – wensten de opstandelingen dan ook achter zich te laten.

Het Nationaal Congres koos bijgevolg voor (i) de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het parlement en (ii) een jaarlijkse goedkeuring door het parlement van elke ontvangst en uitgave van de staat, van elke belasting en van elke rekening. Deze regels vormen tot op vandaag de basis voor de informatierechten en begrotingsbevoegdheden van het parlement.

Om de begrotingsbevoegdheid daadwerkelijk te kunnen afdwingen, riep het Nationaal Congres het Rekenhof in het leven. Dankzij deze paraparlementaire instelling konden er geen uitgaven meer worden verricht door de uitvoerende macht dan nadat het Rekenhof had gecontroleerd of het parlement haar daartoe wel voorafgaandelijk had gemachtigd. Het Hof keek tevens de rekeningen na en verevende ze. Ambtenaren die uitgaven verrichtten werden aan zijn rechtsmacht onderworpen en de door de regering opgestelde begrotingsontwerpen en rekeningen werden door het Rekenhof becommentarieerd.

Praktijk in het algemeen

Principes zijn echter makkelijker af te kondigen dan te operationaliseren. De macht probeert immers steeds opnieuw te ontsnappen aan de regels die haar trachten te kanaliseren.

Algemeen

Een wildgroei aan parastatale, privaatrechtelijke, Europese en internationale overheidsinstellingen – vergezeld met de rechtsopvatting dat de constitutioneel bepaalde regels er niet (volledig) op van toepassing zijn – heeft ertoe geleid dat de overheidsmacht veelal niet langer wordt uitgeoefend overeenkomstig de constitutionele normen. Dat wil zeggen dat de bevoegdheden niet langer worden uitgeoefend door de in de Grondwet aangeduide organen, met de in de Grondwet bepaalde samenstelling, die op de in de Grondwet bepaalde wijze zijn verkozen of benoemd, met de in de Grondwet bepaalde bevoegdheden en volgens de in de Grondwet bepaalde procedures. De verantwoordingsmechanismes die in de plaats kwamen – zoals europromotoren, regeringscommissarissen of vrijblijvende besprekingen in het parlement naar aanleiding van Europese toppen – kunnen bezwaarlijk worden beschouwd als een volwaardig substituut voor de uitoefening van de democratische controle zoals onze Grondwet die voorziet.

Het resultaat van dit alles is dat de overheidsmacht op het grondgebied steeds vaker niet meer volgens de in de Grondwet voorziene regels wordt uitgeoefend en daardoor niet aan de daarin zo zorgvuldig uitgewerkte checks-and-balances onderworpen is. Het Amortisatiesyndicaat is dood, maar de techniek erachter is springlevend. De macht wordt daardoor meerdere schakels van de volksvertegenwoordigers verwijderd uitgeoefend en niet langer gecontroleerd door elk concreet voorstel voor de voorgenomen machtsuitoefening aan het parlement voor te leggen, zodat het daar voor het oog van het publiek en de pers – in aanwezigheid van de meerderheid – bekritiseerd kan worden door de oppositie, vooraleer de meerderheid middels een stemming de verantwoordelijkheid voor het bekritiseerde beleid op zich neemt.

Begrotingsbevoegdheid

Voor de begroting zijn de klachten vergelijkbaar. Die bevat – in weerwil van het specialiteitsbeginsel – enorme enveloppes, tot 20 miljard euro dik, die de regering dan aan de meest uiteenlopende doelen kan besteden. Andere uitgaven worden gewoon gedebudgetteerd, via nevenbegrotingen, die niet worden goedgekeurd door het parlement of die na de goedkeuring van het parlement niet eens bindend zijn voor de betrokken dienst. Daarnaast worden de veelvuldige waarschuwingen van de Inspectie van Financiën, de Raad van State en het Rekenhof over het onwettig en ongrondwettig gebruik van bepaalde rekeningen eenvoudigweg genegeerd door de beleidsmakers. Tot slot wordt ook de macht van het Rekenhof systematisch verzwakt, o.a. doordat niet langer een voorafgaand visum van het Rekenhof vereist is om tot een betaling over te gaan en doordat zijn rechtsmacht over de ambtenaren die betalingen voor de overheid verrichten werd uitgehold door het Hof van Cassatie en de wetgever.

De heffingen die werden geheven voor het spijzen van de fondsen die instaan voor de afwikkeling van financiële instellingen of de beschermingsregelingen, krijgen steevast de vorm van een retributie, waardoor niet alle essentiële elementen bij wetskrachtige norm worden vastgelegd en ze bijvoorbeeld door een Circulaire van het Afwikkelingscollege van de Nationale Bank van België worden bepaald, terwijl die heffingen in de regel nochtans niet voldoen aan de voorwaarde om te kwalificeren als een retributie. De wettelijke bepalingen die de vergoeding regelen die betaald moet worden voor de verleende waarborgen, voldoen veelal evenmin aan de vereisten om te kwalificeren als retributie of verhaalbelasting.

Het is evenwel niet allemaal kommer en kwel. Doorheen diezelfde periode zijn er ook enkele innovaties gebeurd die de grip van het parlement op de staatsfinanciën hebben versterkt. Zo is het begrotingsrecht gaan focussen op hetgeen financiële verplichtingen doet ontstaan, met name de verbintenissen, eerder dan enkel op de uitvoering van die verplichtingen, namelijk de betaling. Daarnaast is er recent ook meer aandacht voor het begrotingsevenwicht – waar de Staten-Generaal in de Hollandse periode ooit eveneens naar hunkerden –, wat de vrijheidsgraden in de begrotingsbevoegdheid van toekomstige parlementen helpt te bewaren. Het systeem van de vastleggingskredieten en de begrotingsdoelstellingen is voorlopig evenwel nog erg lacuneus. Zo worden het toekennen van toekomstige sociale rechten en het verlenen van waarborgen grotendeels als extrabudgettair behandeld en zijn de begrotingsdoelstellingen thans feitelijk onafdwingbaar.

Informatierechten

Ook op het vlak van de ministeriële verantwoordelijkheid werden er stappen gezet door (i) een geleidelijke uitbreiding van de rechten van de individuele parlementsleden, met o.a. de mogelijkheid om schriftelijke vragen te stellen, en (ii) de meest verreikende interpretatie van de bevoegdheden van een onderzoekscommissie. Die voor de oppositie gunstige evolutie werd door de adviespraktijk van de Raad van State gestopt, doordat deze zich verzette tegen de pogingen om het Duitse voorbeeld te volgen en het mogelijk te maken met één derde van de parlementsleden een onderzoekscommissie in te stellen of de onderzoeksbevoegdheden van de individuele parlementsleden uit te breiden.

Afdwinging

De informatierechten van de parlementsleden behoren grotendeels tot het parlementair recht dat in reglementen vervat ligt en waarbij de parlementsvoorzitter waakt over de naleving. Ze zijn onafdwingbaar voor de rechter.

Daarnaast zijn de schendingen van wetskrachtige en constitutionele regels inzake de begroting moeilijk te identificeren omdat bepaalde handelingen – in tegenstelling tot de begrotingswetten – niet worden gepubliceerd (en daardoor wat doen denken aan de geheime besluiten van Willem I), zoals (i) de begrotingsberaadslagingen waarbij de regering zichzelf machtigt om uitgaven te doen, (ii) de beslissingen en omissies van het overlegcomité en (iii) de boekingen in de orde- en thesaurierekeningen, klasse 1- en klasse 4-rekeningen of op de virtuele organieke fondsen. Het Rekenhof beschikt tevens niet over de dwangmiddelen om ambtenaren tot hun wettelijk verplichte medewerkingsplicht aan te zetten. De regels op de openbaarheid van bestuur worden ook niet loyaal nageleefd door de administratie.

Indien een rechtsonderhorige of een parlementslid dan toch kennis krijgt van deze handelingen of omissies, is het niet eens duidelijk welk rechtscollege bevoegd is en dreigt hij geen voldoende persoonlijk belang te hebben om op ontvankelijke wijze een procedure aanhangig te maken. Individuele parlementsleden kunnen immers slechts opkomen ter bescherming van de prerogatieven die eigen zijn aan de individuele uitoefening van hun mandaat en niet tegen de schending van de aan het parlement voorbehouden bevoegdheden door de regering.

Als de rechtscolleges zich dan al uitspreken, verlenen ze ruime discretionaire bevoegdheden in budgettaire aangelegenheden en hanteert het Grondwettelijk Hof zelfs een feitenvrije benadering van het recht.

Dat alles maakt de wetskrachtige en constitutionele regels inzake de begrotingsbevoegdheid en de informatierechten van het parlement in vele gevallen praktisch juridisch onafdwingbaar.

Prakijk bij reddingsoperaties

Bij de redding van banken en overheden werden de in de constitutionele normen voorziene begrotingsbevoegdheden en informatierechten van het parlement veelal omzeild.

De reddingen werden o.a. doorgevoerd

  1. via de afwending van een begrotingsruiter, terwijl die helemaal niet toeliet om voor dat soort doeleinden “voorschotten” te verrichten,
  2. via orde- en thesaurierekeningen die eigenlijk begrotingsneutraal moeten zijn, terwijl deze betaling perfect via een wettelijk voorziene procedure voor dringende of spoedeisende betalingen – of zelfs via een goedkeuring door het parlement – had kunnen gebeuren,
  3. via klasse 4-rekeningen die bedoeld zijn voor derdengelden, terwijl de ontvangsten en uitgaven betrekking hebben op rechten en verplichtingen in hoofde van de staat,
  4. doordat de regering zichzelf begrotingskredieten verstrekt door een bijzondere macht uit te oefenen, terwijl er nochtans voldoende tijd was om de uitgave door het parlement te laten goedkeuren,
  5. door kredieten verstrekt via deze noodmachtigingen te gebruiken vooraleer die uitvoerbaar waren, terwijl de uitvoerbaarheid de dag zelf nog verkregen kon worden door een wetsontwerp in te dienen bij het parlement,
  6. door een bijzondere macht te gebruiken voor een voorstel, terwijl het parlement bij de goedkeuring van de bijzondere macht dat voorstel had verworpen,
  7. door een bijzondere macht te gebruiken voor een regeling voor coöperanten, terwijl die reeds drie jaar eerder was beloofd, waardoor er meer dan voldoende tijd beschikbaar was geweest om die via de parlementaire procedure te verstrekken,
  8. door in een bijzondere macht het voorafgaand toezicht van het Rekenhof uit te schakelen, terwijl zulks niet vereist was voor het nagestreefde doel,
  9. door de Nationale Bank van België de bevoegdheid te verlenen om onbeperkt in de tijd en onbeperkt in volume leningen te verstrekken op risico van de Belgische begroting zonder enige goedkeuring van het parlement of de minister en in het grootste geheim, terwijl het buitenland aantoont dat een goedkeuring door een persoon die politieke verantwoordelijkheid draagt het verlenen van noodliquiditeiten geenszins verhindert,
  10. door niet-volgestort kapitaal toe te zeggen aan het ESM, dat vervolgens reddingsoperaties kan goedkeuren zonder dat het parlement er nog enige vat op heeft,
  11. door het uitgavenplafond ingesteld door het meerjarig financieel kader te omzeilen door leningen als waarborgen te kwalificeren,
  12. door zonder enige wettelijke grondslag per brief waarborgen te verstrekken,
  13. door de essentiële elementen van een waarborg niet (nauwkeurig) bij wet vast te stellen en de bevoegdheid niet jaarlijks via de begroting te vernieuwen, terwijl de waarborgen wel verbintenissen zijn waarvoor beter een vastleggingskrediet zou worden voorzien in de begroting en
  14. door uitgaven buiten de begroting om te maken, bijvoorbeeld via het Toekomstfonds of onder het mom van een thesauriebelegging van een participatiemaatschappij.

Telkens werd het parlement en in het bijzonder de oppositie niet de kans geboden om voorafgaand – op het moment dat de actualiteitswaarde en de interesse van het publiek het grootst was – een concreet voorstel te bediscussiëren. Het parlement werd (net als het Rekenhof) buitenspel gezet en verwerd tot een afstempelmachine van voldongen feiten, een vervelende administratieve nagedachte zowaar.

De eindrekeningen bleven in die jaren ook zo lang liggen bij opeenvolgende ministers van Financiën dat het federaal parlement twee keer werd vernieuwd vooraleer het parlement de kans had om zich erover uit te spreken. Op het moment dat die rekeningen dan eindelijk werden ingediend, hadden ze dan ook geen actualiteitswaarde, ontlokten ze geen parlementair debat en waren de politieke consequenties praktisch gesproken onbestaande.

Suggesties

Hoewel begrip gepast is voor de imperfecties die voortvloeien uit het haastwerk dat soms geleverd moest worden, (i) valt dat begrip niet op te brengen wanneer die gebrekkige handelwijze ondanks waarschuwingen keer op keer herhaald wordt en (ii) strekt deze praktijk in elk geval niet tot voorbeeld als we voornemens maken over hoe we in de toekomst gelijkaardige problemen willen aanpakken.

In het grondwettelijk recht geldt hetzelfde als voor de Rode Koningin in Alice in Wonderland: ze moet zo snel lopen als ze kan om niet achteruit te gaan. De constitutionele orde kan haar eigen achteruitgang maar verhinderen en hetzelfde niveau van bescherming bieden als degene die haar afdwingen – in de regel de rechtscolleges – even snel kunnen hollen als de politieke praktijk die steeds nieuwe methoden zal uitproberen om de weg van de minste weerstand op te zoeken en de constitutionele normen te omzeilen.

Mijns inziens kan enkel een verbod op omzeiling toelaten dat de constitutionele regels even snel evolueren als de praktijken die deze regels proberen te omzeilen. Enkel een waakzame bevolking, bevoegde rechtscolleges en onafhankelijke rechters die in de bestaande constitutionele orde geloven en haar willen behouden, laten toe om dergelijk verbod werkelijk ook af te dwingen.

Op dat vlak lijkt het Grondwettelijk Hof van Duitsland in het algemeen tot voorbeeld te strekken. Daar werd het parlement door het Hof verplicht om zich voorafgaandelijk uit te spreken over de redding van overheden, ongeacht of die redding gebeurde door bilaterale leningen, privaatrechtelijke vehikels of internationaalrechtelijke organisaties; en werd de regering aan een zeer verregaande (actieve) informatieplicht onderworpen ten aanzien van het parlement, waar ook de individuele parlementsleden uitgebreide informatierechten hebben omdat ze in principe in alle geheimen van de uitvoerende macht moet kunnen delen om die uitvoerende macht werkelijk te kunnen controleren. Om dit praktisch uitvoerbaar te maken, kunnen er onder bepaalde voorwaarden beslissings-, informatie- en controlerechten van het parlement worden toebedeeld aan een (sub)commissie binnen het parlement. Het Duits Grondwettelijk Hof voorziet in een volle toetsing van de juridische voorwaarden van de schuldenrem en een strikte motiveringsplicht voor de niet-juridische voorwaarden. Het Hof handhaaft die constitutionele regels doordat het via verschillende procedures kan worden geadieerd en ruime bevoegdheden heeft om ongrondwettige overheidshandelingen een halt toe te roepen, ongeacht hun vorm, zelfs als het omissies betreft.

Het Duits Grondwettelijk Hof blijkt vastbesloten om de rechten van het parlement en het democratisch zelfbestuur assertief te verdedigen tegen de geleidelijke uitholling. De vraag is of dat in België ook niet wat meer dient te gebeuren.

Een rechterlijke controle hoeft niet gevreesd te worden. In zowat alle grote reddingsoperaties kwam het gerecht reeds tussen zonder dat dit het onmogelijk maakte om reddingsoperaties uit te voeren. Het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Hof van Justitie hebben zij aan zij de waarborgen vernietigd die waren verstrekt aan de Arco-coöperanten in het kader van de redding van Dexia. De rechterlijke macht legde voorlopige maatregelen op in de Fortis-zaak. Het Grondwettelijk Hof vernietigde ook de bijdrage die kredietinstellingen in het kader van de depositobeschermingsregeling moesten betalen.

Ook meer openheid over de reddingsoperaties naar het parlement toe moet mogelijk zijn. We hebben nu immers reeds waarborgen voor de parlementsleden die zich bezighouden met veel gevoeligere informatie, zoals die voor de aankoop van militair materiaal en de controle op de veiligheidsdiensten. Wat goed genoeg is voor de bescherming van onze territoriale integriteit en politieke orde, zal ook wel volstaan voor de redding van banken en overheden.

Deze post is gebaseerd op het gelijknamig doctoraal proefschrift dat op vrijdag 23 oktober 2026 aan de KU Leuven werd verdedigd. Zie hier voor de video van de verdediging.

Dr. Jitte Akkermans
Instituut voor Insolventierecht (KU Leuven)
vrijwillig wetenschappelijk medewerker

Continue reading “Begrotings- en informatierechten van het parlement bij de redding van banken en overheden”

Studienamiddag: Het nieuwe Europese antiwitwaspakket: perspectieven op een eengemaakt kader

Studienamiddag UHasselt – 25 Juni 2026 – Oude Gevangenis

Het bestaande wettelijke antiwitwaskader staat aan de vooravond van een ingrijpende hervorming, die bovendien op Europeesrechtelijke leest is geschoeid. Tijdens deze studienamiddag krijgt u een helder en praktijkgericht overzicht van de actuele ontwikkelingen, met bijzondere aandacht voor het Europese AML Single Rulebook, dat in 2027 een nieuw eengemaakt regelgevend kader zal vormen.

Een must voor juridische professionals en andere actoren die met de toepassing van antiwitwasregels in aanraking komen en die hun kennis willen verdiepen, actualiseren en vooruit willen kijken naar de impact van deze nieuwe regelgeving op hun dagelijkse praktijk.


Programma

TimingOnderwerpen
12.00-12.45Ontvangst met broodjeslunch
12.45-13.00Verwelkoming en inleiding door de voorzitter(s)Niels Appermont en Thomas Incalza
13.00-13.30Witte rook in Brussel en in Frankfurt. Nieuwe mogelijkheden en partners voor CFI en AMLA in de strijd tegen witwassen
Dhr. Kris Meskens, secretaris-generaal CTIF-CFI
13.30-14.00AMLR: Enkele topics uitgelicht
Dhr. Frans Thierens, AMLCO KBC Bank & KBC Verzekeringen
14.00-14.30Fiscale fraude en witwassen: recente ontwikkelingen
Prof. dr. Caroline Vanderkerken, hoofddocent UHasselt en kamervoorzitter Hof van Beroep Brussel
14.30-15.00De rol van de advocaat in de strijd tegen witwassen
Prof. dr. Thomas Incalza, docent UHasselt en advocaat Quinz
15.00-15.15Vragen
15.15-15.45Koffie en Limburgse vlaai – pauze
15.45-16.15Politionele en gerechtelijke samenwerking op internationaal gebied in de strijd tegen witwassen
Dhr. Francis Desterbeck, em. eerste advocaat-generaal Hof van Beroep Gent
16.15-16.45De impact van de nieuwe witwasregels voor het notariaat
Dhr. Pieter De Beus, Legal Advisor AML, Nationale Kamer van Notarissen
16.45-17.15De strijd tegen witwassen en het professionele voetbal
Prof. dr. Niels Appermont, hoofddocent UHasselt en lid Disciplinaire Raad KBVB
17.15-17.30Vragen

Praktische informatie

Datum & tijd: Donderdag 25 juni, 12.00-17.30

Locatie: Universiteit Hasselt, Martelarenlaan 42 te 3500 Hasselt

Deelnameprijs

  • Standaard: €295
  • Voor magistraten, gerechtelijke stagiairs en refendarissen aangepast tarief
  • personeelsleden UHasselt: gratis

Je kan gebruik maken van KMO-portefeuille (DV.O101614).

Erkenningen in aanvraag

  • Nationale Kamer van Notarissen
  • Financial Markets and Services Authority (FSMA)
  • Instituut voor Bedrijfsrevisoren (IBR)
  • Institute for Tax Advisors and Accountants (ITAA)
  • Orde van Vlaamse Balies (OVB)
  • Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO)

Niels Appermont

A cost-free reparation loan that costs billions and reconstructs nothing

A critical look by Veerle Colaert and Paul Dermine at the wrangling over the Russian assets held at Euroclear

While Trump’s original peace plan appears to be off the table, his proposal to create an investment fund with Russian assets at Euroclear continues to reverberate. Many European leaders are now calling even more forcefully for these assets to be transferred to Ukraine without delay, before the Trump administration mobilises them with its own agenda – and for its own benefit.

The urge to act quickly is understandable, but it is at least as important to keep a cool head. The United States clearly cannot seize the Russian assets held at Euroclear without the EU’s consent. And the reasons for the EU to leave those assets untouched remain as compelling as ever.

Continue reading “A cost-free reparation loan that costs billions and reconstructs nothing”

The SFDR II Proposal: An Overview

A post by Dr. Arnaud Van Caenegem

The European Commission published its proposal for amending the Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) on 20 November 2025, accompanied by a Q&A. The proposal also explicitly amends the PRIIPS Regulation and is understood to implicitly “moot” certain provisions of the Taxonomy Regulation that reference the SFDR.

The SFDR has been discussed in a previous post as a disclosure regulation, adopted with the objective to harmonize the provision of sustainability-related information in individual and collective investment activities by financial market participants, financial advisers and financial products. The Commission proposal introduces a second objective: the creation of a harmonized categorization of sustainability-related products.

This post covers the three key proposed changes: a substantial reduction of the obligations for financial market participants, a limitation of the scope to “collective investment”, and a shift from a disclosure to a categorization framework.

Continue reading “The SFDR II Proposal: An Overview”

Duurzaamheid beoordelen kan binnenkort niet langer zonder vergunning

Een post door gastbloggers Chloë De Somviele & Lisa Nelis

Toegang tot kwalitatieve duurzaamheidsdata is al langer een pijnpunt wanneer beleggers rekening willen houden met de ecologische, sociale en governance (ESG) factoren van bedrijven.[1] Correcte informatie over ESG-factoren neemt aan belang toe in de financiële sector om de risico’s en investeringsopportuniteiten ten gevolge van de energietransitie, klimaattransitie en sociale uitdagingen accuraat in rekening te brengen. Bedrijven die ondernemingen op basis van ESG-factoren beoordelen en rangschikken, ook wel ESG-ratingagentschappen genoemd, zijn daarin essentieel maar ook problematisch, aangezien bijvoorbeeld onduidelijk is welke ESG-criteria zij hanteren, welke ESG-criteria zwaarder doorwegen, en hoe ESG-informatie wordt verzameld.  

De Europese Unie regelt reeds bepaalde delen van de beleggingsketen die uitvoerig op deze blog werden besproken, zoals wanneer een economische activiteit ecologisch duurzaam is, over welke duurzaamheidsinformatie bedrijven moeten rapporteren, hoe informatie over duurzaamheid in precontractuele en periodieke documenten van financiële producten moeten worden opgenomen, en hoe in de distributie van financiële instrumenten gevraagd moet worden naar duurzaamheidsvoorkeuren. Uitgevers van ESG-ratings bleven voorlopig buiten schot. Woensdag 24 april keurde het Europees Parlement een compromistekst van februari 2024 goed. Daarmee ligt nu de verordening van toepassing op ESG-ratings ter stemming voor bij de Europese Raad. Hieronder bespreken we de tekst van het akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad zoals die door het Parlement werd goedgekeurd.[2]

Continue reading “Duurzaamheid beoordelen kan binnenkort niet langer zonder vergunning”

Sustainable finance en de retailbelegger (2/3)

In het eerste deel van deze reeks werd vermeld dat sinds 2 augustus[1] financiële ondernemingen die beleggingsadvies of vermogensbeheer aanbieden in hun MiFID-geschiktheidstest moet vragen naar de duurzaamheidsvoorkeuren van een cliënt. Dit komt in praktijk bovenop de reeds lange vragenlijst over uw financiële situatie, beleggingsdoelstellingen, en kennis en ervaring op beleggingsgebied die u als retailbelegger typisch krijgt voorgelegd op een beleggingsgesprek bij uw financieel adviseur. Hopelijk krijgt u een natje en droogje aangeboden tijdens het invullen.

De bedoeling is dat financiële instellingen op basis van die informatie enkel nog beleggingsproducten adviseren die in overeenstemming zijn met de visie van de cliënt op milieu en maatschappij. De achterliggende idee van de Europese wetgever is dat hierdoor de vraag naar duurzame producten zal toenemen, waardoor duurzame projecten goedkopere financiering zullen krijgen en dus sneller kunnen worden uitgevoerd.

Concreet moeten minimum – in de praktijk zullen het er veel meer zijn – drie vragen worden gesteld over duurzaamheid op basis van de MiFID-regelgeving:

Continue reading “Sustainable finance en de retailbelegger (2/3)”

Asset Managers, Systemic Risk and the Need for Tailored SIFI Regulation

A post by guest blogger Joeri De Smet (Jan Ronse Institute, KU Leuven)

The age of asset management may be upon us. The industry has grown rapidly over the last decade and the market power of its major players has been analysed from different points of view, including corporate governance and competition policy. In a recent paper, I analyse the nexus between asset management and financial stability. Specifically, I ask the question whether asset managers can be systemically important and, if so, how EU and US regulators should respond.

Both jurisdictions already regulate systemically important financial institutions: the US implemented such regulation as part of the Dodd-Frank Act in 2010; the EU included it in the 2013 Capital Requirements Directive. Systemically important financial institutions or “SIFIs” are institutions that can cause or amplify systemic risk. Systemic risk, in turn, is “a risk of disruption to financial services that is caused by an impairment of all or parts of the financial system and has the potential to have serious negative consequences for the real economy” (as defined by the IMF, FSB and BIS in 2009). But current SIFI regulation does not account for a scenario in which asset managers and/or investment funds become systemically important. The designation procedure and regulation in the EU is tailored to banks, while the US system does leave room for designation of asset managers but makes it impossible in practice – particularly after reforms under the Trump administration. In addition, there is no scholarly consensus on the question whether SIFI regulation for asset managers would be useful.

Continue reading “Asset Managers, Systemic Risk and the Need for Tailored SIFI Regulation”

A blank cheque for SPACs? 

The regulator, SPAC and investor point of view – 29 October 2021

“Q1 of this year will go down as the 2000 internet bubble for SPACs. There was a unique confluence of factors that drove that insane risk-seeking behaviour, particularly at a retail investor level.” – FT, 27.09.2021

The next EU Financial Law clinic (Jan Ronse Institute, KU Leuven) will deal with one of the most intriguing phenomenons of this year: “special purpose acquisition companies”, or SPACs for short.

SPACs, short for “special purpose acquisition companies”, are companies without commercial operations or material assets. Once incorporated, they aim to raise money through an IPO to then buy another already existing company. Which company will be acquired is typically unknown at the time of the IPO. Investors therefore indeed give a “blank cheque” to the SPAC.

SPACs were probably one of the hottest product in the US investment industry in early 2021. In Europe, the picture is more diverse. While there have been over 32 SPACs in the Netherlands this year to date, Belgium is still waiting for its first SPAC.

In this financial law clinic, our four distinguished speakers will explore the topic of SPACs from a regulatory, practical and investor protection perspective. They will first discuss the process of creating a SPAC and the subsequent de-SPAC procedure, with attention for the practical and regulatory challenges involved, based on practical experience with cases in the Netherlands and Luxembourg. They will then focus on the (potential) regulatory framework (prospectus, MiFID product governance, market abuse, and AIF legislation) and compare the SPAC-process with traditional IPOs. In addition, the speakers will address the question why certain Member States seem to attract many more SPACs than others, and analyze the diverse supervisory responses to the phenomenon (by ESMA and several national regulators). Finally, the speakers will discuss potential causes for the recent difficulties experienced by SPACs and the future potential of the phenomenon.

Our four speakers are experts in this area. Gregory Frigo is a senior policy officer at the European Securities and Markets Authority (ESMA) and has been working on the recent ESMA guidance on SPACs. Annemie Rombouts will present the FSMA’s recently published minimum standards for SPACs. Martijn Schoonewille, attorney at law at the Loyens&Loeff Amsterdam office, has advised several SPACs in both the Netherlands and Luxemburg.  Vanessa Marquette, attorney at law at the Loyens&Loeff Brussels office, has analyzed the regulatory constraints for SPACs in Belgium and conducted a comparative overview of the treatment of SPACs in Belgium, Luxembourg and in the Netherlands.

Continue reading “A blank cheque for SPACs? “

The new prudential framework for investment firms – More fit for purpose?

A post by guest bloggers Ivan Peeters, Charles-Henri Bernard and Leopoldo Luyten de Alvear

1. Investment firms play a key role in modern financial markets and in advising professional and retail clients. In particular they assist in matching investors and funds to be invested with investment opportunities and funding needs. The current market situation combines a structural low interest rate environment on the one hand and an expected surge of projects that need funding or equity. Such surge will not in the least be driven by ESG (environmental sustainability targets in particular) and by the efforts to re-open the economies in Western Europe.

2. In December 2019, the EU Parliament approved the new prudential framework for investment firms in the Investment Firm Directive (“IFD”) [1] and Investment Firm Regulation (“IFR”)[2] to be implemented in the European Union (“EU”) by 26 June 2021. This represents a significant reform in the EU regulatory framework and will have a material impact on most investment firms. In the Belgian regulatory landscape, investment firms are either stockbroking firms (sociétés de bourse / beursvennootschappen) or portfolio management companies(société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement / vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies). Continue reading “The new prudential framework for investment firms – More fit for purpose?”

Crypto-assets: regulators and regulations trying to catch up with innovation without stifling it?

A post by guest bloggers Ivan Peeters, Philip Van Steenwinkel and Frederik Stappers

1. Over the past few years crypto-assets have garnered significant attention from the media, financial analysts, governments, regulatory institutions and investors. However, this year interest in crypto-assets has skyrocketed. With big investments of corporates, investment funds and millions already being raised by Initial Coin Offerings, it shows that crypto-assets are maturing and here to stay. In this post we provide some considerations in relation to the legal and regulatory characterisation and regulatory treatment of token offerings and the most common crypto-assets. Continue reading “Crypto-assets: regulators and regulations trying to catch up with innovation without stifling it?”

Looking ahead for likely changes to the EU legislation on Alternative Investment Fund Management

A post by guest bloggers Ivan Peeters and Charles-Henri Bernard

1. Investment funds play a key role in modern financial markets to give investors access to investments with the benefit of different layers of structural and regulatory protections. A large and efficient market for investment funds also serves to help sponsors of projects to get access to the large amounts of value that today’s investors seek to invest. This will in particular also apply for the exponentially growing need to invest in sustainable, forward looking projects.

2.  Against this background, the European legislation has created a financial regulation framework for (a) the authorisation and supervision of alternative investment fund managers (AIFMs), (b) the oversight of AIFMs’ activities and services, in their home country as well as in other EU jurisdictions, and (c) the marketing of alternative investment funds (AIFs) (i.e. the distribution of securities issued by AIFs). AIFs are investment funds that are not regulated at EU level by the long established UCITS Directive[1], meaning they are not regulated at “product level” (structure, securities …). Only their management is regulated. AIFs include hedge funds, private equity funds, real estate funds, investment trusts, infrastructure funds and a wide range of other types of investment funds.

3. The key piece of legislation is the Directive 2011/61/EU of the European Parliament and of the Council of 8 June 2011 on Alternative Investment Fund Managers (the AIFMD). It entered into application on 22 July 2013. Continue reading “Looking ahead for likely changes to the EU legislation on Alternative Investment Fund Management”

Algorithm-Driven Information Gatekeepers: Legal and Regulatory Aspects

A presentation by Professor Aline Darbellay (Centre for Banking and Finance Law at the University of Geneva)

Prof. Aline Darbellay (Centre for Banking and Finance Law at the University of Geneva) discusses “Algorithm-Driven Information Gatekeepers: Legal and Regulatory Aspects” in a presentation of 15′.

She argues that information gatekeepers manage the flow of information from issuers to investors. The focus of securities regulation was traditionally laid on mandatory disclosure requirements. In modern financial markets, information production is no longer the core issue. Concern has increasingly been raised about the role of information intermediaries as screeners of relevant information. Continue reading “Algorithm-Driven Information Gatekeepers: Legal and Regulatory Aspects”

Public interest and data governance of financial market infrastructures

A presentation by Dr Joseph Lee (University of Exeter)

Dr Joseph Lee, Co-Director of Centre for Corporate and Commercial Law and  Senior lecturer in law,  University of Exeter , discusses in a slidecast the  role of financial market infrastructures (“FMI”), such as stock exchanges, in generating public goods in the age of digitalisation of data.

He identifies what public goods FMIs can produce, discusses what public interests can be achieved through these public goods and analyses the legal and regulatory implications for FMI’s data management, data policies, and data governance. Continue reading “Public interest and data governance of financial market infrastructures”

Sustainable Finance

A presentation by Arnaud Van Caenegem, PhD Researcher (KU Leuven)

Two years have passed since the European Commission published its Action Plan: Financing Sustainable Growth to mainstream sustainability into the financial system. A presentation (16′) by Mr. Arnaud Van Caenegem, PhD Researcher (KU Leuven) covers the coming about of the action plan, its objectives and the progress made, with a particular focus on the Taxonomy Regulation and the Regulation on Sustainability-related Disclosures. It also highlights the major implications of the European Green Deal for the financial sector and elaborates on the next steps in its transformation. Continue reading “Sustainable Finance”

Towards harmonisation of bank insolvency laws

The harmonisation of insolvency rules for European banks was recently put on the table by Germany’s finance minister Olaf Scholz, together with other measures (such as a European deposit insurance scheme) destined to advance the banking union (see his position paper on the goals of the banking union).  According to Minister Scholz:

The lack of harmonisation in this area complicates the resolution of banks with cross-border operations. This becomes particularly problematic when banks and creditors are better placed in proceedings under national insolvency legislation than they would be with a resolution in accordance with the Bank Recovery and Resolution Directive. When this happens, national insolvency legislation undercuts the provisions that are tailored to fit the specific set of interests at play when a bank is wound down.

What is more, the SRB also needs to take into account 19 different national insolvency regimes when performing a resolution due to the no-creditor-worse-off principle, which stipulates that no creditor may incur greater losses as a result of a resolution than they would have in national insolvency proceedings. This is complex, increases legal and compensation risks and results in groups of creditors receiving different treatment despite being fundamentally the same.

For this reason, we need a single European set of laws on bank insolvency.

Coincidentally (or not), a study on the differences between bank insolvency laws and on their potential harmonisation was recently published (the report and the executive summary can be found here). The abstract from the executive summary reads as follows:

 The resolution framework set out under Directive 2014/59/EU (‘BRRD’) provides EU Member States with comprehensive and harmonised arrangements to deal with failing banks at a national level, and is complemented in the euro area by the Single Resolution Mechanism Regulation (SRMR) that sets out a euro-area-wide resolution framework. But under EU law, unlike in the United States, resolution does not function as a standalone substitute for national insolvency proceedings. This study identifies the national insolvency procedures applicable to banks and analyses key differences between them, notably concerning the circumstances according to which the application of reorganisation or winding-up procedures is triggered, the ranking of liabilities, and the available tools to manage bank crises. By highlighting the differences that can be found in the legislative regimes applicable at national level and determining how these national insolvency regimes differ from the resolution regime as set out in the BRRD and SRMR, the study assesses the potential disadvantages that result from the lack of harmonisation of these bank insolvency regimes. Taking these disadvantages into account, policy options are outlined to address these divergences. The feasibility, benefits, obstacles and impact of these options are discussed. In terms of future revision of the current framework, more clarity and predictability of the applicable regime should be sought, particularly for medium-sized banks, with a holistic approach to reform that also takes into account related policies such as those on state aid control and deposit insurance.