A bad construction job. The contractual nature of the actio pauliana under Brussels Ia

Readers of this blog will be familiar with the European Court of Justice’s Feniks v Azteca ruling [1] – on which we reported earlier. There, the Court held that the actio pauliana – a form of fraudulent conveyance action – was a ‘matter relating to a contract’ for the purpose of Art 7(1) Brussels Ia (Regulation 1215/2012).[2] The upshot of this ruling was that the third party who allegedly frustrated the claimant’s contractual interest could be sued in the court of the place of performance of the defrauded contract (cfr Art 7(1)(b) Brussels Ia).

In Norbert Reitbauer aors v Enrico Casamassima (Case C-722/17 ECLI:EU:C:2019:285), AG Tanchev carefully reconsidered and further analysed the contractual nature of the actio pauliana.

Continue reading “A bad construction job. The contractual nature of the actio pauliana under Brussels Ia”

Can directors be employees?

Can directors be employees? An array of answers are possible. A director may accept to perform the duties resulting from company law and the statutes of association by entering into eg a management contract, an agency agreement, or an employment contract. The diversity of plausible answers also impacts on EU private international law, as the applicability of the protective rules on jurisdiction in matters relating to employment contracts, contained in Art 18 et seq of the Brussels I Regulation Recast, depends on whether a relationship can be characterised as a ‘matter relating to an individual contract of employment’. At stake are among other things (1) the option of the director to sue the company in the courts of the place where he is domiciled, and (2) whether the company is restricted to pursue its actions against the director in the courts of the director’s domicile.

In his Opinion in C-603/17 EU:C:2019:65 Bosworth ea v Arcadia Petroleum ea, AG Saugmandsgaard Øe clarified the position of directors of a company in respect of the rules of jurisdiction applicable to employment contracts.

Continue reading “Can directors be employees?”

Locating pure economic loss: jurisdiction over prospectus liability under Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast

A post by guest blogger Michiel Poesen

In C‑304/17 Helga Löber v Barclays Bank plc, the CJEU had the opportunity to revisit its case law regarding jurisdiction over prospectus liability. The relevant ground for jurisdiction is Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast (previously Article 5(3) of the 2001 Brussels I Regulation): A person domiciled in a Member State may be sued in another Member State in matters relating to tort, delict or quasi-delict, in the courts for the place where the harmful event occurred or may occur. The ECJ confirmed that in the context of prospectus liability, the place where the harmful event occurred can be exceptionally located in the claimant’s domicile. Continue reading “Locating pure economic loss: jurisdiction over prospectus liability under Article 7(2) of the Brussels I Regulation Recast”

Waarom staat oprichtersaansprakelijkheid niet in Boek XX WER?

Omdat ‘wrongful trading’ (art. XX.227) beter is.

Met art. XX.227 WER is er voor het eerst een expliciete wetsbepaling rond ‘wrongful trading’.  De invoering van deze aansprakelijkheidsgrond in het WER hangt samen met de verhuis van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. De Wet van 11 augustus 2017 heft art. 265, 409 en 530 W.Venn op en vervangt het door art. XX.225-226 WER (dat geen identieke kopie is van de voorgangers in het W.Venn.).

Dat deze aansprakelijkheden onderdak kregen in het insolventierecht is ingegeven door IPR-overwegingen. De insolventiewetgever reageert hiermee op de vrije keuze van het toepasselijk vennootschapsrecht dat de Europese rechtspraak promoot en anticipeert op de aangekondigde invoering daarvan in een nieuwe Belgisch wetboek van vennootschappen en verenigingen. Vrije keuze in het vennootschapsrecht kan  gepaard gaan met adequate schuldeisersbescherming, mits die bescherming zit in een regel met een objectieve aanknopingsfactor, zoals het insolventierecht.[1] Het toepasselijke insolventierecht is dat van de plaats waar de insolvente schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen (centre of main interests, COMI) heeft.[2]  Dit is een aanknopingspunt dat niet louter afhangt van de wilsautonomie van de schuldenaar.Door dat deze bestuursaansprakelijkheden nu in het insolventierecht zitten, volstaat een loutere keuze voor buitenlands vennootschapsrecht niet om er automatisch aan te ontsnappen.[3]  Ook in het Verenigd Koninkrijk bevinden regels inzake faillissementsaansprakelijkheid zich traditioneel in het insolventierecht. Duitsland heeft regels rond bestuurs­aansprakelijkheid, waaronder de  Insolvenzverschleppungshaftung  voor voortzetting van een reddeloze onderneming, verscheept naar het insolventierecht.[4] Het arrest-Kornhaas leert dat dit verzoenbaar is met de Europese regels inzake vrijheid van vestiging.[5]

Het kan dan misschien verrassen dat oprichtersaansprakelijkheid niet mee is verhuisd van het W.Venn. naar Boek XX. Immers, ook oprichtersaansprakelijkheid heeft tot doel vennootschapsschuldeisers te beschermen. Waarom wordt ook oprichtersaansprakelijkheid dan niet door een verhuis naar het insolventierecht vastgeknoopt aan de ‘COMI’ als objectieve aanknopingsfactor?

Deze vraag is relevant omdat zoals bekend het aangekondigde nieuwe vennootschapsrecht zwaar zal inzetten op de oprichtingsaansprakelijkheid wegens een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen. Continue reading “Waarom staat oprichtersaansprakelijkheid niet in Boek XX WER?”

De IPR-kwalificatie van pauliana-achtige aansprakelijkheid: welk label voor Peeters/Gatzen (“collectieve schade”)?

De Nederlandse Hoge Raad stelde op 8 september het Europese Hof van Justitie enkele interessante prejudiciële vragen over de Peeters/Gatzen-vordering (ECLI:NL:HR:2017:2269). Voor hen die er het raden naar hebben wie die Peeters of Gatzen dan wel zijn, eerst een korte toelichting. De andere lezers kunnen gelijk naar de navolgende alinea’s scrollen.

1.

In eerdere posts wezen we al op de actio pauliana als techniek van schuldeisersbescherming. Ze laat schuldeisers, en na faillissement de boedel, toe om handelingen niet-tegenwerpelijk te laten verklaren, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden. We noemen hier omwille van de bondigheid enkel de voornaamste twee: Continue reading “De IPR-kwalificatie van pauliana-achtige aansprakelijkheid: welk label voor Peeters/Gatzen (“collectieve schade”)?”

Gillis Lindemans over rechtskeuze bij pauliana op Oxford Business Law Blog

Vrije keuze pauliana? Vinyls herbezocht.

In een eerdere post op deze blog besprak Gillis Lindemans (KU Leuven, aspirant FWO) de zaak-Vinyls Italia (C-54/16). Daarin oordeelde het Hof van Justitie dat een faillissementspauliana (of soortgelijke nietigheids- of niet-tegenwerpelijkheidsactie) slechts kan slagen als het recht van toepassing op de aangevochten rechtshandeling dat toelaat. Dat zelfs wanneer partijen een recht hebben gekozen dat geen enkele feitelijke band vertoont met de rechtshandeling in kwestie. De enige beperking is fraude (maar daarvoor is de drempel erg hoog). In een post vandaag op de Oxford Business Law Blog waarschuwt hij andermaal voor de mogelijke gevolgen van deze beslissing. Schuldenaars kunnen, in de schemerzone voor insolventie, een anders aanvechtbare handeling veiligstellen door een toepasselijk recht te kiezen dat geen specifieke aanvechtingsgrond tegen die handeling kent.

In “Vinyls”, ECJ Allows Debtor to Contract Around Insolvency Avoidance Rules: A Shield Turns Into a Weapon

ECJ endorses broad interpretation of Article 13 Insolvency Regulation

A debtor on the verge of insolvency may be tempted to favour related or influential parties (such as company insiders or important financiers) before his divestment in favour of a liquidator. That is why insolvency law typically allows the liquidator to avoid transactions which the debtor has concluded in the twilight zone prior to insolvency and which are detrimental to the creditors. In a recent preliminary ruling (Vinyls Italia, C-54/16), the ECJ offers the debtor an interesting escape route: he can simply contract around an avoidance provision by submitting an otherwise voidable transaction to a law under which the transaction is not avoidable.

Continue reading “In “Vinyls”, ECJ Allows Debtor to Contract Around Insolvency Avoidance Rules: A Shield Turns Into a Weapon”