Bij het‘collectief beslag’ ten gevolge van een faillissementsvonnis identificeerde professor Dirix twee op het eerste gezicht tegenstrijdige gevolgen (“Faillissement en lopende overeenkomsten”, RW 2003-04, 203, nr. 8). Enerzijds moeten de gezamenlijke schuldeisers (de faillissementsboedel vertegenwoordigd door de curator) het vermogen van de gefailleerde in beginsel nemen zoals ze het aantreffen, met de rechten en verplichtingen die eraan kleven. De schuldeisers kunnen in beginsel niet beter worden door het faillissement. In dit opzicht vertegenwoordigt de curator de gefailleerde: hij stapt principieel in de schoenen van de gefailleerde zelf en oefent zijn rechten uit. Anderzijds hebben de gezamenlijke schuldeisers (vertegenwoordigd door de curator) ook rechten die de gefailleerde zelf vóór faillissement niet zou kunnen inroepen.
Mijn uiteenzetting op Themis Insolventierecht te Brussel op 21 mei en te Leuven (en via livestream) op 28 mei 2026 wil in een leerstuk dat op twee benen lijkt te hinken, de systematiek schetsen. Een mooi voorbeeld van de problemen daarbij stelt zich bij veinzing door de gefailleerde.
De Jura Falconis Prijs voor de beste bachelorscriptie werd toegekend aan