Boedelschuld, een lastig label (huur als teaser)

Nieuwe praktische wegwijzer over boedelschulden verschenen bij Kluwer

Boedelschulden behoren tot het DNA van het insolventierecht. Als “schulden van de boedel” verwijzen ze naar de juridische ruwbouw van de insolventieprocedure. Die ruwbouw, de boedel, is een afgescheiden en onder bewind gesteld vermogen met een vereffenings- of saneringsdoel (typevoorbeeld: de faillissementsboedel). Boedelschulden zijn niets anders dan schulden waarvan de boedel zelf de schuldenaar is. De boedel moet ze betalen vóór de “schulden in de boedel” – simpel gesteld, de te vereffenen of saneren schulden van de insolvente schuldenaar.

Dat klinkt gemakkelijker dan het is. In een recente bijdrage, verschenen in de reeksen Faillissement & Reorganisatie en AdvocatenPraktijk van Kluwer, verheldert Gillis Lindemans het concept boedelschulden aan de hand van concrete toepassingen. Daarvan hieronder alvast eentje, als teaser: schulden uit huurovereenkomsten.

Volgens vaste cassatierechtspraak zijn boedelschulden de schulden die:

  • betrekking hebben op de periode na de samenloop (temporeel criterium);
  • door handelingen die de bewindvoerder als beheerder van de boedel stelt, of had moeten stellen, maar niet stelt (functioneel criterium).

Het voorbeeld van schulden uit huurovereenkomsten illustreert dat die definitie soms meer vragen oproept dan ze antwoorden biedt. We gaan hier niet in op alle mogelijke scenario’s, maar wijzen slechts op enkele knelpunten – anders zou dit geen teaser zijn, nietwaar?

1.

Als de boedel een bestaande huurovereenkomst wil voortzetten, is de oefening nog vrij eenvoudig. In principe maakt het faillissement geen einde aan lopende overeenkomsten. Ook huurovereenkomsten eindigen niet door het enkele feit van het faillissement. Het uitdrukkelijk ontbindend beding wordt voor niet-geschreven gehouden (artikel 1762bis BW). Hoewel de huurprijs een extra kost voor de boedel is, kan het de curator inderdaad nuttig zijn om de huurovereenkomst voort te zetten.

In die gevallen geldt de algemene regel: de huurprijs is een boedelschuld voor zover die betrekking heeft op periode waarin de bewindvoerder na samenloop het goed gebruikt (maar ongeacht wanneer die opeisbaar worden). In voorkomend geval moet de huurprijs naar verhouding opgesplitst worden: deels boedelschuld en deels schuld in de boedel. Ook indien de curator het gehuurde goed gebruikt of bezet houdt na verbreking of anderszins eindigen van de huurovereenkomst is de bezettingsvergoeding een boedelschuld.

2.

De curator heeft echter ook de mogelijkheid onverwijld te beslissen de overeenkomst niet langer uit te voeren (zie artikel 46, § 1 Faill.W.). Dat geval is iets complexer.

Stel dat de boedel als huurder de huur weigert te voort te zetten, en dus de huur niet langer wil betalen. Dat is een wanprestatie die de verhuurder het recht geeft de overeenkomst te ontbinden. De vergoeding die de boedel verschuldigd is, is een schuld in de boedel (zie artikel 46, § 1, tweede lid). Vaak heeft de huurder echter ook het contractuele recht de overeenkomst op te zeggen. De curator zou ook daarvoor kunnen opteren. Maar is de vergoeding tijdens de opzegperiode een boedelschuld? Maakt het daarbij een verschil of de huurder het recht heeft het goed tijdens de opzegging verder te gebruiken?

Wat als de curator als huurder beslist de huur voort te zetten, en vervolgens de overeenkomst toch wil stopzetten? Ook hier kan hij de overeenkomst opzeggen, indien die mogelijkheid is voorzien, volgens de contractueel bepaalde regels. Bijgevolg rijzen hier vergelijkbare vragen. Is de huur tijdens de opzegperiode een schuld van de boedel? Wat indien de curator opzegt en contractueel een forfaitaire vergoeding verschuldigd is, of een verbrekingsvergoeding moet betalen wegens niet-uitvoering?

3.

Stel nu dat de gefailleerde de verhuurder is. Ook dan kan het interessant zijn de huur te beëindigen: dat laat de curator toe het goed niet-verhuurd te verkopen. De verhuurder heeft soms het recht om de huur op te zeggen. Buiten een dergelijke contractuele bepaling kan de curator in principe ook op grond van artikel 46 Faill.W. beslissen de huurovereenkomst niet langer uit te voeren.

In tegenstelling tot wanneer hij als huurder weigert huur te betalen, doet de weigering van de curator om de overeenkomst als verhuurder verder uit te oefenen, echter meestal geen acuut probleem voor de tegenpartij ontstaan. De huurder heeft immers al het genot van het gehuurde goed, de verhuurder hoeft niets actief te doen om dat genot in stand te houden. De curator kan wel weigeren de onderhouds- en vrijwaringsverplichtingen van de gefailleerde na te komen, maar de huurder kan dat eventueel zelf oplossen en de schuld indienen in het faillissementspassief. Het genotrecht zelf kan de curator de huurder echter niet ontnemen. Toch oordeelt het Hof van Cassatie, zoals aangehaald, dat de curator uitzonderlijk het recht heeft de huur te verbreken indien dat noodzakelijk is voor het beheer van de boedel (zie Cass. 10 april 2008, DAOR 2008, 242, noot J. DERYCKERE; Cass. 24 juni 2004, Arr.Cass. 2004, 1201).

Wat is dan het statuut van de opzeggings- of verbrekingsvergoeding? Maakt het een verschil of de curator gedurende de bedenktijd de overeenkomst heeft opgezegd, dan wel op een later moment? Is het verschil relevant tussen een contractueel toegelaten opzegging en een verbreking?

4.

Een loutere verwijzing naar de defintie van boedelschulden levert vaak geen pasklaar antwoord op de bovenstaande vragen. Wie tussen al die bomen het bos wil blijven zien, heeft aan de bijdrage van Gillis Lindemans een precies en handzaam kompas.

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s