De procesbevoegdheid van een ‘charitable trust’ voor een Belgische rechter

Procesrechtelijke muizenissen rond trusts

Gepubliceerde Belgische rechtspraak betreffende trusts is eerder zeldzaam. Bij het bestuderen van de Belgische rechtspraak ter zake duiken soms toch interessante gevallen op waar Belgische rechters met deze buitenlandse rechtsfiguur worden geconfronteerd.

In een procesrechtelijke context kan in het bijzonder worden gewezen op het vonnis van de rechtbank te Brussel van 24 februari 2006 en het daaropvolgende arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 september 2009 (beiden beschikbaar op www.fisconet.be). Deze rechtspraak, waaraan in de Belgische rechtsleer al bij al weinig aandacht is besteed, is niettemin voldoende interessant om even onder de loep te nemen.

Het geschil

Het geval betrof een Belgische erflater die bij wijze van testament (de trustees van) een Engelse charitable trust had aangeduid als algemeen legataris. Aangezien het de nalatenschap van een Belgische rijksinwoner betrof, rekende de Belgische fiscale administratie vermoedelijk het tarief aan zoals dit gold tussen vreemden. De trustees meenden echter dat het op dat ogenblik geldende tarief van 8,80% diende te worden toegepast, aangezien het een legaat zou betreffen ten voordele van een vereniging zonder winstoogmerk (oud art. 59, 2° W.Succ.). De toepassing van laatstgenoemd tarief zou resulteren in een aanzienlijk lagere belastingdruk.

De rechtbank te Brussel was echter van oordeel dat de eis van de trustees onontvankelijk moest worden verklaard. De eisers hadden de zaak immers ingeleid onder de naam “The Special Trustees for G., institution de droit anglais à but non-lucratif”, zonder de identiteit van de individuele trustees te vermelden. Uit het feit dat de charitable trust naar Engels (proces)recht de noodzakelijke hoedanigheid bezat om op zelfstandige wijze een geding in te leiden, leidden zij af de trust deze hoedanigheid ook naar Belgisch recht diende te genieten. Aangezien een charitable trust naar Engels recht niet beschikt over rechtspersoonlijkheid, werd de vordering onontvankelijk verklaard. De trustees konden zich volgens de rechtbank dan ook niet beroepen op artikel 703 Ger.W.: bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid volstond het volgens de rechtbank niet om slechts de naam, het rechtskarakter en de maatschappelijke zetel op te geven. Volgens de rechtbank diende daarentegen toepassing te worden gemaakt van artikel 702 Ger.W. , zodat de naam, voornaam en woonplaats van de natuurlijke personen-eisers diende te worden opgegeven. De omstandigheid dat de trust over een zelfstandige procesbevoegdheid naar Engels recht beschikte, deed daar volgens de rechtbank niet aan af, daar het toepasselijke procesrecht steeds de lex fori, i.e. het Belgische recht, is.

In graad van beroep kwam het hof van beroep te Brussel echter tot een geheel andere conclusie. Volgens het hof leunde een charitable trust naar Engels recht zeer dicht aan bij een Belgische stichting of vzw. Naar Engels recht beschikte de charitable trust volgens het hof immers over een zekere ‘legal identity’, nu zij was aangemeld bij de Engelse Charity Commission. Het hof beschouwde de trust kennelijk veeleer als een (soort) buitenlandse rechtspersoon, zodat de vordering volgens het hof niet onontvankelijk diende te worden verklaard. Het hof verklaarde de vordering de (trustees van de) charitable trust overigens ook gegrond.

De charitable trust als ‘entiteit zonder rechtspersoonlijkheid’ in het procesrecht

De bevoegdheid van ‘entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid’ om in rechte op te treden is een oud procesrechtelijk zeer (zie: S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia, 2016, 151 e.v.), dat in het voorhanden zijnde geval opnieuw de kop op steekt. Hoewel wij in een eerdere blogpost de stelling als zou een Engelse trust een ‘entiteit’ zijn, hebben verworpen, dient deze stelling in casu te worden genuanceerd. Een charitable trust is immers een zeer bijzondere trustvorm. Zo moeten charitable trusts worden aangemeld bij de Engelse overheid, staan zij onder toezicht van de Charity Commission en beschikken zij (i.t.t. nagenoeg alle private trusts) niet over beneficiaries. Zelfs naar Engels (trust)recht leiden zij een veel meer zelfstandig juridisch bestaan dan voor de meeste andere trustvormen het geval is. Opmerkelijk is dan ook dat de bekende rechtshistoricus MAITLAND reeds lange tijd geleden schreef over de conceptueel-juridische eigenheid van de charitable trust: “Practically, the private man who creates a charitable trust does something that is very like the creation of an artificial person, and does it without asking leave of the State.” (H.A.L. Fisher (ed.), Frederick William Maitland. A Biographical Sketch , Cambridge, Cambridge University Press, 1910, 134).

In het verleden heeft de Belgische rechtspraak geregeld geopteerd voor een eerder formalistische benadering, waarbij werd vereist dat, naast de formele procespartij, inderdaad iedere individuele ‘deelgenoot’ diende te worden geïdentificeerd en opgesomd (zie: S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia, 2016, 151 en de verwijzingen aldaar; J. VANANROYE, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, Antwerpen, Biblo, 2014, 307 e.v.). Het is in dit verband kenmerkend dat de rechtbank te Brussel verwijst naar het bekende arrest van het Hof van Cassatie van 11 januari 1979 (Cass. 11 januari 1979, Pas. 1979, I, 521). In dit arrest stelde het Hof van Cassatie (terecht) dat een Engelse groepering zonder rechtspersoonlijkheid wordt onderworpen aan de vereisten die het Belgische procesrecht als lex fori stelt betreffende de noodzakelijke vermeldingen in de gedinginleidende akte. Het loutere gegeven dat het om een ‘entiteit’ zonder rechtspersoonlijkheid gaat, impliceert dan vervolgens dat de charitable trust in België niet als zelfstandige procespartij zou kunnen optreden. Het zouden daarentegen de trustees zijn, die volgens de rechtbank over “un certain droit de propriété” met betrekking tot de trustgoederen beschikken, die (gezamenlijk) over de noodzakelijke procesbevoegdheid beschikken. Naar Engels recht worden de gezamenlijke trustees immers beschouwd als joint tenants van de onder trustverband gebrachte goederen.

Er bestaat echter ook rechtspraak die in de andere richting wijst. Zo oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 18 februari 1985 (Cass. 18 februari 1985, Pas. 1985, I, 741), dat dezelfde Engelse vereniging zonder rechtspersoonlijkheid betrof als in het genoemde arrest van 1979, dat een vordering gericht tegen ‘de feitelijke vereniging samengesteld uit leden van’ de genaamde vereniging, geacht moet worden te zijn gericht tegen de natuurlijke personen die lid zijn van de vereniging in kwestie. Deze visie wordt bevestigd in andere rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie: J. VANANROYE, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, Antwerpen, Biblo, 2014, 307 e.v.). Ook in de rechtsleer wordt in verband gepleit voor soepelheid (zie: K. GEENS, M. WYCKAERT, De Vennootschap – Algemeen Deel in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 749).

Hoewel het hof van beroep te Brussel niet expliciet naar laatstgenoemde rechtspraak verwees, stelde het hof zich toch soepeler op dan de rechtbank te Brussel eerder had gedaan. Het hof besteedde daarbij in het bijzonder aandacht aan het gegeven dat de charitable trust naar Engels recht, maar kennelijk ook door de Belgische fiscus als een zelfstandig belastingsubject wordt(/werd) beschouwd, correct onder eigen naam werd geïdentificeerd is aangemeld bij de Engelse Charity Commission. Hoewel het hof aan deze kwestie verder eerder weinig aandacht besteedde, werd de vordering toch ontvankelijk verklaard. Het komt inderdaad onzinnig voor om de bevoegdheid van een (quasi-) op zichzelf staande rechtsverhouding om in het geding te treden, niet te erkennen op basis van het gegeven dat deze het etiket van rechtspersoon ontbeert. Toegegeven, wanneer de kwestie formeel-juridisch op zijn zuiverst wordt beschouwd, moet worden vastgesteld dat een charitable trust naar Belgische juridische normen niet beschikt over rechtspersoonlijkheid. Het hof had om deze redenen ook aansluiting kunnen zoeken met de in vorige paragraaf aangehaalde rechtspraak, en een verwijzing naar de charitable trust kunnen beschouwen als een verwijzing naar de gezamenlijke trustees. In casu lijkt het er echter op (zie het hoger opgenomen citaat) dat geen enkele individuele trustee qualitate qua als vertegenwoordiger optrad.

In ieder geval onderstreept deze rechtspraak dat trusts, ook in een procesrechtelijke context, voor de nodige muizenissen zorgen.

Niels Appermont

Author: Niels Appermont

Aspirant FWO - Vlaanderen / Hasselt University. Tax Law Research Unit.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s