1.
De artikelen 72 tot en met 82 van de wet van 25 april 2007 [1] maken het voor iedere natuurlijke persoon die in België een beroepsbezigheid in hoofdberoep uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is, mogelijk om bij een verklaring voor de notaris zijn hoofdverblijfplaats te onttrekken aan de schuldeisers die een vordering hebben uit hoofde van zijn zelfstandige beroepsbezigheid.
De zelfstandige kan aldus in afwijking van de artikelen 3.35 BW, 3.36 BW en 1560 Ger.W. zijn zakelijke rechten, andere dan het gebruiksrecht en het recht van bewoning, op het onroerend goed waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, niet vatbaar voor beslag verklaren. De woning van de zelfstandige geniet dan “beslagimmuniteit”.
Deze immuniteit heeft enkel uitwerking ten aanzien van schuldvorderingen die betrekking hebben op de beroepsbezigheid op voorwaarde dat deze schulden zijn ontstaan na de inschrijving van de afgelegde verklaring van onbeslagbaarheid. Evenmin heeft de beslagimmuniteit uitwerking ten aanzien van de schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid, noch ten aanzien van de schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.
In de memorie van toelichting wordt nader toegelicht voor welke schulden de wetgever de beslagimmuniteit wou invoeren. [2]
“het betreft de schulden die verbonden zijn aan de zelfstandige beroepsactiviteit. Zijn bedoeld: de contractuele schulden ten aanzien van leveranciers, kredietinstellingen, … De sociale en fiscale schulden zijn eveneens bedoeld in zoverre zij uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid: sociale bijdragen die verschuldigd zijn aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen of aan de nationale hulpkas voor sociale verzekeringen der zelfstandigen of aan de RSZ, BTW, onroerende voorheffing op materieel en outillage, … De gemengde fiscale schulden, dit wil zeggen, de schulden die niet uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid, worden niet door de wet bedoeld. Het betreft bijvoorbeeld de personenbelasting, die berekend wordt op de beroepsinkomsten, de roerende inkomsten, de onroerende inkomsten en de diverse inkomsten”
De verklaring van onbeslagbaarheid behoudt haar werking na de faillietverklaring. In beginsel is de curator enkel gebonden door de beslagimmuniteit van de hoofdverblijfplaats voor zover alle schuldeisers in het faillissement door deze verklaring zijn gebonden. Met andere woorden, de curator kan overgaan tot de realisatie van het onroerend goed indien in het passief van het faillissement een schuld is opgenomen die ontstaan is vóór het afleggen van de verklaring, dan wel betrekking heeft op een schuld “van gemengde aard”.
2.
Het arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2026 handelt over wat begrepen kan worden onder “schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.”
De feiten zijn de volgende: de zelfstandige legde in 2009 een verklaring van onbeslagbaarheid af voor de notaris. Dertien jaar later, in 2022, werd zij failliet verklaard. In het kader van dit faillissement diende de FOD Financiën een aangifte van schuldvordering in met betrekking tot onbetaalde personenbelasting voor de aanslagjaren 2018, 2019, 2020 en 2021. De curator greep deze aangifte van schuldvordering aan om over te gaan tot verkoop van de hoofdverblijfplaats, op grond dat de betrokken belastingschuld een “gemengd karakter” vertoonde. De rechter-commissaris volgde dit standpunt en verleende machtiging tot verkoop van de gezinswoning.
De gefailleerde verzette zich tegen deze beslissing en voerde als voornaamste argument aan dat de personenbelasting uitsluitend voortvloeide uit haar beroepsactiviteit en enkel werd berekend op haar beroepsinkomsten, zodat van een gemengd karakter in concreto geen sprake kon zijn. De gefailleerde tekende na 63 dagen “derdenverzet” aan bij de ondernemingsrechtbank, niet bij de rechter-commissaris die de bestreden beschikking gewezen heeft. De rechtbank verklaart het “derdenverzet” ontvankelijk, doch ongegrond.
De zaak komt uiteindelijk voor het hof van beroep te Gent waar de kernvraag zich toespitst op de kwalificatie van de belastingschuld: dient een schuld uit hoofde van onbetaalde personenbelasting naar haar aard steeds als een schuld met gemengd karakter te worden beschouwd, dan wel dient de rechter in concreto na te gaan welke belastbare feiten aan de belasting ten grondslag liggen en te beoordelen of deze al dan niet kaderen in de beroepsbezigheid ?
3.
Bij arrest van 27 mei 2024 (2023/AR/1707) stelt het hof van beroep Gent dat personenbelasting uit haar aard steeds een gemengd is en dat niet in concreto moet worden nagegaan of de aanslagen in de personenbelasting uitsluitend werden gevestigd op inkomsten uit een zelfstandige activiteit van de gefailleerde, dan wel ook op de andere categorieën van inkomsten zoals voorzien in artikel 6 WIB92. Er wordt onder meer overwogen:
“dat de personenbelasting krachtens de wet niet enkel op beroepsinkomsten wordt geheven en uit haar aard gemengd is, ongeacht de concrete categorie/categorieën van inkomsten die de belastingplichtige aangeeft en dus de precieze en concrete samenstelling van de belasting.
Bovendien heeft de gezinssituatie een invloed op de personenbelasting, anders dan het geval is bij zuiver beroepsmatige fiscale schulden, zoals btw of onroerende voorheffing op materieel en outillage waarvoor de beslagimmuniteit onbetwistbaar wel geldt.
Zo wordt bij de berekening van de personenbelasting rekening gehouden met het aantal kinderen die de belastingplichtige ten laste heeft, wordt voor gehuwde en wettelijk samenwonende belastingplichtigen een gemeenschappelijke aanslag gevestigd en kan voor hen het eigen beroepsinkomen worden gecorrigeerd door o.m. een huwelijksquotiënt (art. 87, tweede lid WIB 92) of een correctiemaatregel (art. 88 WIB 92).
De personenbelasting houdt derhalve onmiskenbaar verband zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid zoals bepaald in artikel 77 van de wet van 25 april 2007. […] De FOD Financiën is dan voor de aangegeven schuldvordering aan personenbelasting aanslagjaren 2018 tot en met 2021, niet gebonden door de verklaring.”
Het Hof duidt ook waarom een andere interpretatie af te wijzen is:
“De interpretatie van de gefailleerde zou er onder meer toe leiden dat de gezinssituatie mee bepaalt of de verklaring van onbeslagbaarheid uitwerking heeft voor personenbelasting. In geval van een gehuwde/wettelijk samenwonende zelfstandige belastingplichtige wordt een gemeenschappelijke aanslag gevestigd en kan er b.v. een overwijzing van inkomsten gebeuren van de ene echtgenoot naar de andere (art. 88WIB). Hierdoor zou de belasting niet enkel op beroepsinkomsten van de zelfstandige belastingplichtige worden berekend maar mogelijk ook op een deel van zijn echtgeno(o)t(e)/partner. In de visie van de gefailleerde zou de personenbelasting dan wel gemengd zijn (geen bescherming van de gezinswoning) terwijl dit bij een ongehuwd/niet-samenwonende gefailleerde niet het geval zou zijn (wel bescherming). Dergelijke ongelijke behandeling kan niet worden verantwoord.”
4.
De gefailleerde voelt zich gegriefd door het oordeel van de appelrechter en tekent cassatieberoep aan. Door eiseres in cassatie wordt geargumenteerd dat de appelrechter de wet heeft geschonden door te oordelen dat de personenbelasting uit de aard een gemengde fiscale schuld is en door niet in concreto na te gaan of de aanslagen in de personenbelasting uitsluitend werden gevestigd op inkomsten uit een zelfstandige activiteit dan wel ook op andere categorieën van inkomsten zoals voorzien in artikel 6 WIB 92.
Het Hof van Cassatie volgt in zijn arrest van 19 maart 2026 de stelling van de appelrechter en bevestigt dat de verklaring geen uitwerking heeft ten aanzien van fiscale schulden in de personenbelasting die per definitie van gemengde aard zijn:
“1. Krachtens artikel 6 WIB92 wordt het belastbare inkomen van de personenbelasting gevormd door het totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen. Het totale netto-inkomen is de som van de netto-inkomens van de volgende categorieën: 10 inkomen van onroerende goederen; 2° inkomen van roerende goederen en kapitalen; 3° beroepsinkomen; 40 divers inkomen.
2. Krachtens artikel 73, eerste lid, van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen kan een zelfstandige zijn zakelijke rechten, andere dan het recht van bewoning, op het onroerend goed waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, niet vatbaar voor beslag verklaren.
Krachtens artikel 77, eerste lid, van voormelde wet van 25 april 2007 heeft deze verklaring slechts uitwerking ten aanzien van schuldeisers van wie de schuldvorderingen na de in artikel 76 bedoelde overschrijving ontstaan, naar aanleiding van de zelfstandige beroepsbezigheid van degene die de verklaring heeft gedaan.
Het tweede lid bepaalt dat de verklaring geen uitwerking heeft ten aanzien van de schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid, noch ten aanzien van de schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid.
3. Uit deze wetsbepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de verklaring geen uitwerking heeft ten aanzien van fiscale schulden in de personenbelasting die per definitie van gemengde aard zijn. Het feit dat de personenbelasting in concreto gevestigd wordt louter op de beroepsinkomsten van de zelfstandige, dan wel ook op zijn roerende, onroerende en/of diverse inkomsten, is daarbij van geen belang.
Het middel dat ervan uitgaat dat telkens in concreto moet worden onderzocht op welke inkomsten de personenbelasting betrekking heeft om te bepalen of de fiscale schuld in de personenbelasting van gemengde aard is, faalt naar recht.”
5.
Op basis van de wet is dit een correct en logisch arrest. Personenbelasting houdt uit haar aard nu eenmaal “verband met het privéleven”. De uiteindelijk verschuldigde belasting wordt ook in zekere mate bepaald door de persoonlijke en familiale situatie.
Vanuit het doelmatigheidsvraagstuk van wetgeving, zou het wel interessant zijn te beschikken over statistische gegevens waaruit blijkt in hoeveel faillissementen de verklaring van onbeslagbaarheid daadwerkelijk heeft kunnen “overleven” gelet op de samenstelling van het ingediend passief. De vraag of een schuld is ontstaan vóór dan wel na het afleggen van de verklaring zal doorgaans relatief eenduidig kunnen worden beantwoord (tenzij er bv. wordt voorgehouden dat er sprake is van selectieve betalingen in een paulianeus verhaal met als enige doel het behouden van de beslagimmuniteit). Complexer is evenwel de kwalificatie van “schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid”. In dat verband zijn talrijke voorbeelden denkbaar waarover uiteenlopende standpunten kunnen worden ingenomen. In elk geval herinnert het cassatiearrest van 19 maart 2026 elkeen ook aan het mogelijke belang van de personenbelasting van het lopende inkomstenjaar waarin het faillissement wordt uitgesproken.
6.
Het cassatieberoep had ook op een ander punt bijzonder interessant kunnen zijn, met name wat betreft het duistere leerstuk van de rechtsmiddelen tegen beschikkingen van een rechter-commissaris. Tussen de partijen ontstond in dat kader evenwel op geen enkel moment discussie, zodat ook het Hof van Cassatie zich daarover niet heeft moeten uitspreken. Het is misschien een interessant onderwerp voor een volgende bijdrage.
Vincent Verlaeckt
Rechter Ondernemingsrechtbank Gent
Deze bijdrage bevat enkel een bespreking van voormeld arrest en enkele open vragen en nuanceringen voor discussie-doeleinden. Deze bijdrage houdt geen weergave in van het persoonlijk standpunt of visie van de auteur. Uit de tekst kan niets afgeleid worden met het oog op beoordeling van aangehaalde problematieken door de auteur of het rechtscollege waartoe hij behoort. Er worden enkel “mogelijke” aan te nemen (of te verwerpen) visies en standpunten verwoord.
[1] De wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (BS 8 mei 2007)
[2] MvT, Parl. St. Kamer, 2873/001, 60.

Schrijf hier in.