Welke afspraken van de schuldenaar moeten zijn schuldeisers ondergaan? Het bijzondere geval van schuldvorderingen, aandelen en andere onlichamelijke goederen

Themis Insolventierecht

De basisregel inzake de tegenwerpelijkheid van contracten vanuit het standpunt van schuldeisers is deze: louter verbintenisrechtelijke afspraken (die geen overdracht, afstand of vestiging van zakelijke rechten inhouden) hebben geen zakelijke werking en uitwinnende schuldeisers moeten ze niet ondergaan. Dit moet echter worden genuanceerd voor schuldvorderingen en andere onlichamelijke goederen (zoals aandelen).

Daar kan een overeenkomst of andere obligatoire bron (zoals de statuten) immers de goederenrechtelijke inhoud van het betrokken goed bepalen. Dit is dan tegenwerpelijk aan derden die dit goed enkel kunnen uitwinnen zoals ze het aantreffen in het vermogen van hun debiteur. Zie M.E. Storme, “Van trust gespeend?”, TPR 1998, 724 e.v.; C. Lebon, Het goederenrechtelijk statuut van schuldvorderingen, 682, nr. 712; E. Dirix, Het insolventierecht permanent in de steigers (Acta Falconis), Intersentia, 2019, 38 (met aandacht voor de discussie die er is rond bedingen die de overdraagbaarheid van een schuldvordering betreffen).

Een onlichamelijk goed bestaat als goed enkel door de obligatoire bron van dat goed. Zij heeft dan ook geen inhoud die los van de afspraken in die obligatoire bron staat.

Zo zal een wettelijke of statutaire overdrachtsbeperking op aandelen tegenwerpelijk zijn aan de persoonlijke schuldeisers van de aandeelhouder, op dezelfde manier als die schuldeiser getroffen wordt door de statutaire afspraken over bv. winstverdeling of stemrechten. Een contractuele overdrachtsbeperking op aandelen (bv. in een aandeelhoudersovereenkomst) is dan weer wel een louter externe obligatoire afspraak die de interne goederenrechtelijke inhoud van het aandeel (zoals bepaald door de wet en de statuten) niet wijzigt.

Hierin verschilt een onlichamelijk goed van een lichamelijke zaak waarover partijen een afspraak maken. Dit lichamelijk goed ‘bestaat’ goederenrechtelijk los van de afspraak van de partijen. Afspraken tussen partijen omtrent deze zaak (bv. een overdrachtsbeperking) veranderen de inhoud van het eigendomsrecht omtrent deze zaak niet (tenzij uiteraard het eigendomsrecht door de afspraak wordt opgesplitst in één van de beperkte zakelijke rechten).

Een andere manier om hiernaar te kijken zijn de onderzoekslasten die het recht oplegt aan derden. De keerzijde van elke juridische regel die middels publiciteit leidt tot tegenwerpelijkheid is immers een onderzoekslast in hoofde van derden. Een derde die een zakelijk recht wil vestigen op een schuldvordering of een aandeel, weet dat het voorwerp van dit recht geen juridische ‘standaardbundel’ is (zoals dat wel het geval is bij een lichamelijk zaak): de juridische inhoud van de schuldvordering of het aandeel is enkel wat bepaald is in de overeenkomst of statuten die de schuldvordering of aandelen doen ontstaan als goed. De derde moet aldus een onderzoek doen (tenzij hij een wilde sprong in het duister wil maken). Er is ook een nuttige informatiebron hiervoor: de obligatoire bron van dit onlichamelijk goed zoals het contract (aangevuld door informatie van  debiteur van een gecedeerde schuldvordering om de actualiteit te checken) of de statuten. Als we er vanuit gaan dat de verkrijger van rechten op een lichamelijk goed toch een onderzoek doet van de onderliggende obligatoire bron, is het een kleine stap om de inhoud daarvan tegenwerpelijk te maken.

Zie meer hierover op Themis Insolventierecht, op 21 mei te Brussel en op 28 mei te Leuven (en via livestream), telkens om 14u.

Joeri Vananroye

Unknown's avatar

Author: Joeri Vananroye

Professor of insolvency law and economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a comment