Ceci n’est pas un dualisme?

Een post door gastblogger Professor J. Delvoie (VUB)

In een bijdrage voor het recentste TPR-nummer, verwonder ik mij over het feit dat het nieuwe duale bestuursmodel in de NV wat de bevoegdheidsverdeling tussen raad van toezicht en directieraad betreft, statutair net zo à la carte kan worden ingevuld als het oude regime “524bis”.

Dat is merkwaardig, omdat het oude regime op dat punt nu net met alle zonden Israëls was overladen door de pleitbezorgers van het dualisme, minister Geens op kop. Het is nog merkwaardiger dat de memorie van toelichting op dit punt de lezer volledig op het verkeerde been zet. Hij insinueert dat in het dualistische model de bevoegdheden van beide organen voortaan enkel bij wet worden vastgelegd (MvT WVV, 14, 236).

De wettekst zelf bepaalt nochtans uitdrukkelijk het tegendeel: “De statuten kunnen de bevoegdheid van de directieraad beperken” (art. 7:110, eerste lid, tweede zin WVV). Duidelijker kan niet. De bevoegdheden van de directieraad nu zijn even à la carte als die van het directiecomité vroeger. Voeg daarbij alle andere vroegere wezenskenmerken van de NV die voortaan à la carte zijn (exclusief winstoogmerk, aantal stemmen per aandeel, collegialiteit van het bestuur, soepel ontslag van het bestuur, ja zelfs beperkte aansprakelijkheid van het bestuur, en ga zo maar door), en je stelt vast dat de NV een waar Chinees eetfestijn werd. Mij niet gelaten, maar ik zou hier drie vaststellingen aan koppelen: Continue reading “Ceci n’est pas un dualisme?”

Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes

Cass. 25 juni 2020, C.18.0144.N/1

Of een bestuurder tijdens en vooral na de beëindiging van haar bestuursmandaat een verplichting heeft om geen met de vennootschap concurrerende activiteit uit te oefenen, is een in de praktijk belangrijke en in de theorie bediscussieerde vraag. Zie onder meer Zo zijn we niet getrouwd. Over de loyauteitsplicht van werknemer en bestuurder van De Dier en Van Bever.

In een arrest van 25 juni 2020 (C.18.0144.N/1) stelt het Hof van Cassatie hier heldere principes. Belangrijke les is dat een post-contractuele schending van een niet-mededingsplicht niet al te makkelijk mag worden aanvaard. Er dient sprake te zijn van een expliciete verbintenis in die zin of van oneerlijke mededinging.

Dit arrest verbreekt Antwerpen, 9 november 2017, TRV/RPS 2018, 425, noot N. Hallemeesch, “Concurrentie aan de vennootschap door ex-bestuurders en hun vaste vertegenwoordiger”.

De beslissing van het Hof luidt: Continue reading “Niet-concurrentieverbintenis door bestuurder: Hof van Cassatie geeft heldere principes”

De nieuwe procedure voor ‘related party transactions’ na de wet tot omzetting van de Tweede Aandeelhoudersrichtlijn

Wet van 29 april 2020

Op 6 mei 2020 verscheen de wet van 29 april 2020 die de Tweede Aandeelhoudersrichtlijn (2017/828) omzet (hierna: de “Omzettingswet”) in het Belgisch Staatsblad (de tekst van de Omzettingswet vindt u hier; een gecoördineerde versie van het WVV vindt u hier). Deze wet “repareert” enkele bepalingen in het WVV en bevat een aantal wijzigingen die de Tweede Aandeelhoudersrichtlijn omzetten, onder andere op het gebied van de betrokkenheid van aandeelhouders, volmachtadviseurs, het remuneratiebeleid en -verslag, en de procedure voor related party transactions in art. 7:97, 7:116 en 7:117 WVV.

Deze blogpost bespreekt enkel de wijzigingen met betrekking tot de procedure voor related party transactions. De focus ligt hierbij voor de eenvoud op de procedure bij een monistisch bestuursmodel in art. 7:97 WVV – de procedure voor het duale bestuursmodel in art. 7:116 en 7:117 WVV werd op analoge wijze gewijzigd door de Omzettingswet. Deze bepalingen bevatten belangenconflictprocedures die als doel hebben om de aandeelhouders te beschermen bij transacties met verbonden partijen in genoteerde vennootschappen waarvoor het bestuursorgaan bevoegd is.

Continue reading “De nieuwe procedure voor ‘related party transactions’ na de wet tot omzetting van de Tweede Aandeelhoudersrichtlijn”

Overgangsonrecht

Over enkele verrassende gevolgen van het (gebrek aan) overgangsregime in het WVV

Onder het W.Venn. kon een statutaire zaakvoerder van een BVBA enkel worden ontslagen met unanimiteit. Een kleine participatie in handen van die zaakvoerder volstond met ander woorden om het eigen ontslag te kunnen vetoën.

Bij het ontkurken van de champagne bij nieuwjaar 2020 stond deze statutaire zaakvoerder aan het hoofd van een BV. Als deze zaakvoerder geen participatie heeft van méér dan 25% van de stemmen zou er echter wel eens weinig reden tot vieren kunnen zijn. Onder het WVV kan een statutaire zaakvoerder immers worden afgezet met een meerderheid van 75%.

Dit is slecht één frappant voorbeeld van hoe de onmiddellijke toepassing van het WVV partijen de bescherming die ze hadden bedongen en cours de route kan ontnemen. Continue reading “Overgangsonrecht”

Over het fiscaal statuut van de vaste vertegenwoordiger

Arrest Cassatie schept duidelijkheid(?)

In een arrest van 23 januari 2020 (F.18.0079.N) oordeelde het Hof van Cassatie dat de ‘vaste vertegenwoordiger’ van een bestuurder-rechtspersoon in een andere vennootschap kwalificeert als een ‘bedrijfsleider’ in de zin van art. 32, eerste lid, 1° WIB 1992.

De feiten die aan het arrest ten grondslag lagen van de volgende. De heer X was aangeduid als vaste vertegenwoordiger van vennootschap A, die was aangesteld als bestuurder-rechtspersoon in vennootschap B. De echtgenote van de heer X had een geldlening verstrekt aan vennootschap B. De vraag rees nu of art. 18, lid 1, 4° WIB 1992 van toepassing was op de interesten die de vennootschap betaalde op deze geldlening.

Continue reading “Over het fiscaal statuut van de vaste vertegenwoordiger”

Vult de geconflicteerde bestuurder het aanwezigheidsquorum?

Een post door gastbloggers Victor Burki en Stefan Mees (Linklaters)

Met de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna “WVV”)[1], werd ook gesleuteld aan de belangenconflictregeling voor de besloten vennootschap en de naamloze vennootschap. Deze regeling, die vroeger terug te vinden was in art. 259 van het Wetboek van vennootschappen (hierna “W.Venn.”)[2] voor de BVBA (met een college van zaakvoerders) en in art. 523 W.Venn. voor de NV, staat vandaag in art. 5:76 WVV voor de BV en in art. 7:96 WVV voor de NV.

De nieuwe bepaling is inhoudelijk niet sterk gewijzigd, behalve dat voortaan in elke vennootschap een onthoudingsplicht wordt opgelegd aan de geconflicteerde bestuurder[3]. Onder het oude W.Venn. gold reeds een onthoudingsplicht voor geconflicteerde bestuurders in genoteerde vennootschappen.[4] In het nieuwe WVV wordt deze onthoudingsplicht uitgebreid tot bestuurders van alle vennootschappen.

De vraag rijst meteen wat het gevolg is van deze regel voor de berekening van de aanwezigheids- en meerderheidsvereisten voor vergaderingen van een (collegiaal) bestuursorgaan. Deze blogpost onderzoekt hoe men het aanwezigheidsquorum en de meerderheid moet berekenen wanneer een of meerdere bestuurders zich dienen te onthouden omwille van een belangenconflict. Dit is bijzonder relevant wanneer de helft of meer van de bestuurders een belangenconflict heeft.

Vullen geconflicteerde bestuurders het aanwezigheidsquorum? Hoe wordt de beslissingsmeerderheid dan berekend? Wat wanneer een meerderheid van de bestuurders geconflicteerd is? Moet er in dat geval doorverwezen worden naar de algemene vergadering? Continue reading “Vult de geconflicteerde bestuurder het aanwezigheidsquorum?”

Het intern reglement in het WVV: ingrijpende wijzigingen, maar niet voor de CV

Een post door gastbloggers Evariest Callens en Louis De Meulemeester (UGent)

Vennootschappen draaien in essentie om samenwerking. De spelregels van deze samenwerking tussen de verschillende aandeelhouders worden in principe in de statuten vastgelegd en kunnen slechts met bijzondere meerderheid worden gewijzigd. Toch zijn het niet enkel de statuten waarin afspraken worden gemaakt omtrent de rechten van aandeelhouders en de werking van de vennootschap. In de praktijk wordt voor dezelfde doeleinden bijvoorbeeld frequent gebruik gemaakt van een intern reglement (soms ook wel ‘huishoudelijk reglement’ of ‘reglement van inwendige orde’ genoemd). Met de introductie van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) heeft de wetgever het gebruik van het intern reglement aan een aantal beperkende voorwaarden onderworpen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in boek 2 WVV en gelden dus in principe voor alle rechtspersonen geregeld in het WVV. Voor wat betreft de coöperatieve vennootschap voorziet het WVV evenwel in een, voor de praktijk niet onbelangrijke, afwijkende regeling. Continue reading “Het intern reglement in het WVV: ingrijpende wijzigingen, maar niet voor de CV”

Diversiteit in de Nederlandse en Belgische bestuurskamers

Symposium te Amsterdam op 6 februari 2020

Sinds 28 juli 2011 zijn in België quota ingevoerd teneinde te garanderen dat vrouwen zitting hebben in de raad van bestuur van de genoteerde vennootschappen. Beursgenoteerde ondernemingen moeten het aantal bestuursleden van het andere geslacht verplicht uitbreiden tot minstens 1/3. Art. 7:86 van het WVV luidt:

“In genoteerde vennootschappen en de organisaties van openbaar belang bedoeld in artikel 1:12, 2°, is ten minste één derde van de leden van de raad van bestuur van een ander geslacht dan de overige leden, waarbij het vereiste minimum aantal wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal. Is de bestuurder een rechtspersoon, dan wordt zijn geslacht bepaald door dat van zijn vaste vertegenwoordiger.
Voldoet de samenstelling van de raad van bestuur om welke reden dan ook niet of niet langer aan de vereisten gesteld in het eerste lid, dan stelt de eerstvolgende algemene vergadering een raad van bestuur samen die wel aan deze vereisten voldoet, zonder dat dit afbreuk doet aan de regelmatigheid van de samenstelling van de raad van bestuur tot op dat ogenblik. Elke andere benoeming is nietig.
Ingeval de raad van bestuur na de algemene vergadering bedoeld in het tweede lid niet is samengesteld overeenkomstig het eerste en het tweede lid, dan wordt elk financieel of ander voordeel dat aan de bestuurders toekomt op grond van hun mandaat vanaf dat ogenblik geschorst, tot op het ogenblik waarop terug ten minste één derde van de leden van de raad van bestuur van een ander geslacht is dan de overige leden.
De raad van bestuur van vennootschappen waarvan de aandelen voor het eerst worden genoteerd, moet zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid met ingang van de eerste dag van het zesde jaar volgend op de notering.”

België heeft daarmee een hardere regeling dan Nederland. Daar bevat art. 2:166/276 BW een streefcijferbepaling, met een minimumnorm van 30%, maar deze bepaling ontbeert een sanctie. Een groot bedrijf – groot in de zin van art. 2:397 lid 1 BW – dat het minimum van 30% mannen of vrouwen in bestuur of raad van commissarissen niet haalde, moest uitleggen wat er aan schortte. ‘Moest’ en ‘schortte’, want de wettelijke regeling in art. 2:166/276 BW is een zgn. horizonbepaling (sunset clause). Vanaf 1 januari 2020 bestaat zij niet meer. De gedachte in Den Haag was dat aan het eind van 2019 ieder groot bedrijf de norm zou halen. Dat is niet het geval.

Op 3 december 2019 nam de  Nederlands Tweede Kamer daarom een motie aan. In de motie wordt de regering verzocht om de maatregelen uit het SER-advies 19/12 ‘Diversiteit in de top’ van september 2019 integraal over te nemen. De SER noemt een aantal maatregelen die genomen moet worden om het aandeel vrouwen in de top van het bedrijfsleven te vergroten. De meest bekende is het verplichte quotum: de raad van commissarissen van een beursgenoteerde vennootschap zou voor (minimaal) 30% uit vrouwen moeten bestaan.

Het einde van de streefcijferbepaling is ook de aanleiding voor de verschijning van een boek. Het boek wordt gepresenteerd tijdens een symposium van het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht (Radboud Universiteit) op donderdag 6 februari 2020 ten kantore van Loyens & Loeff  te Amsterdam. De redactie is in handen van Claartje Bulten, Mijke Sinninghe Damsté, Charlotte Perquin-Deelen en Koen Bakker.

Deelname aan het seminar is kosteloos. Continue reading “Diversiteit in de Nederlandse en Belgische bestuurskamers”

Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden. Continue reading “Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?”

De rol van aandeelhouders bij (nakende) insolvabiliteit

Opiniebijdrage Vananroye en Allemeersch (Quinz) in De Tijd

In de opiniesectie van De Tijd verscheen een bijdrage over de opportuniteit van de Belgische governance regels bij (nakende) insolvabiliteit. De bijdrage is van de hand van mr. Vananroye en mr. Allemeersch (Quinz) die als advocaten Nyrstar bijstaan. Zoals bekend is het debat rond dit thema in de actualiteit gekomen door de herstructurering van Nyrstar. Een citaat:

“[De] bevoorrechte positie [van aandeelhouders] is terecht: de winst komt bij hen terecht en als het slecht gaat, staan ze als laatste in de rij, áchter de schuldeisers. Zij hebben dan ook de beste prikkels om ervoor te zorgen dat er winst wordt gemaakt en te vermijden dat de vennootschap insolvabel wordt. Zij hebben het meeste skin in the game.

Dat verandert echter helemaal bij insolventie van de vennootschap. Continue reading “De rol van aandeelhouders bij (nakende) insolvabiliteit”

Agency Theory in the 21st Century

Conference at Maastricht University, October 25th. 2019

The Institute for Corporate Governance and Innovation Policies (ICGI) and Institute for Transnational Legal Research (METRO) at Maastricht University will host next Friday an interdisciplinary conference on ‘AGENCY THEORY IN THE 21st CENTURY’ at the Faculty of Law in Maastricht with Damla Bos (Maastricht University), David Cabrelli and Ewa Kruszewska (The University of Edinburgh), Joeri Vananroye (KU Leuven), Jean-Philippe Robé (SciencesPo Law School), Constantijn van Aartsen (Maastricht University) an Mieke Olaerts (Maastricht University).

Agency theory – the economic analysis of relationships between agents and principals – is influential and has spread well beyond its economic roots into a variety of disciplines, including law, political science, sociology, corporate governance and finance. It is used by scholars to design efficient institutions, structure individual incentives, prevent corporate corruption and compare institutional arrangements. Reliance on agency theory in these areas has, unfortunately, not prevented corporate scandals and suboptimal rates of trust in business and other institutions. The overarching aim of this conference is to address these issues in an interdisciplinary and international setting.

Programme

10.00-10.30 Registration & coffee
10.30-10.50 Introduction – Damla Bos, LLM – Maastricht University
10.50-11.40 Prof. David Cabrelli and Dr. Ewa Kruszewska – The University of Edinburgh
“The Limits of Agency Theory”
11.40-12.30 Prof. Joeri Vananroye – KU Leuven
“The Blind Spots of Agency Theory in Corporate Finance Law”
12.30-13.20 Lunch Break in room B0.006
13.20-14.10 Dr. Jean-Philippe Robé – SciencesPo Law School“Being Done with Milton Friedman”
14.10-15.00 Constantijn van Aartsen, LLM – Maastricht University“Agency Theory in the 21st Century: Legitimate, Reductionist and Overapplied”
15.00-15.30 Coffee break
15.30-17.00 Roundtable discussion
17.00-17.30 Closing – Prof. Mieke Olaerts – Maastricht University

 

Worden niet-urgente vragen om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dringend?

Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek onder het WVV

Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek van art. 168 W.Venn. is geschreven als een procedure ten gronde.

Het vennootschapsrechtelijk onderzoek in het WVV verwijst daarentegen expliciet naar de procedure in kort geding. Zie bv. voor de BV art. 5:106.

“Op verzoek van één of meer aandeelhouders die aandelen bezitten die ten minste 10 % vertegenwoordigen van het aantal uitgegeven aandelen kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, in kort geding één of meer deskundigen aanstellen []”.

 Deze wijziging beslecht drie twistpunten maar roept er één nieuw op. Continue reading “Worden niet-urgente vragen om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dringend?”

Call for proposals: Corporate & Organizational Decision-Making

By: Business & Liability Research Network (Leiden University)

The Business & Liability Research Network (BLRN) – a partnership between the Company Law department and the Business Studies department of the Leiden Law School – is launching its call for proposals for a new book project on the topic of Corporate & Organizational Decision-Making.

The Business & Liability Research Network

BLRN focuses on innovative and multidisciplinary research in the areas of (i) Good Corporate Governance, (ii) Distress & Insolvency and (iii) Future Business Structures. It was launched in 2018 with an opening conference on “Business Resilience”, which proved to be the prelude to a successful first year.

The network offers the possibility to bring together different research areas (legal and business research) as well as practice and the academic world, leading to innovative perspectives on current issues.

BLRN Book Project

The topic of decision-making in corporations and organizations is receiving increased attention due to the impact of technological developments, discussions on corporate governance and practical examples of (inadequate) decision-making processes. In this project, BLRN aims to highlight corporate & organizational decision-making from a multidisciplinary perspective. From both a legal and business perspective, research will be conducted within the sphere of the three research areas of BLRN: (i) Good Corporate Governance, (ii) Distress & Insolvency and (iii) Future Business Structures. This includes, for example, the relationship between corporate governance and entrepreneurship, the way in which various actors should act during insolvency and the impact of technological developments on a company. Continue reading “Call for proposals: Corporate & Organizational Decision-Making”

Can Nudging Consumers Help Promote Corporate Social Responsibility?

Governments around the world are trying to determine how to effectively promote corporate social responsibility (CSR). It has proven to be hard to regulate for CSR, so the focus has been on other policy initiatives. On the supply side, in response to calls from governments, corporations have adopted codes of conduct and related programs to promote CSR. In the eyes of CSR activists, these efforts have produced limited progress.

Attention is also being paid to the demand side of the equation. If consumers prefer socially produced goods, corporations will have incentives to adopt strong CSR programs. Behavioural sciences have suggested less interventionist ways to steer consumer choice towards socially responsible choices, in particular through various forms of nudging and social norms. Continue reading “Can Nudging Consumers Help Promote Corporate Social Responsibility?”

Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen

Een post door gastblogger Tina Coen (aspirant FWO, VUB)

1. Met de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen werd ook het annulatiecontentieux van de ondernemingsrechtbanken hertekend. Tot voor kort beperkte art. 178 W.Venn. de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om besluiten van vennootschapsorganen nietig te verklaren, zich tot besluiten van de algemene vergadering. Voortaan bepaalt art. 2:44 W.V.V. in zijn eerste lid dat “[d]e ondernemingsrechtbank […] de nietigheid van een besluit uit[spreekt] op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen.”

In zuiver vennootschapsrechtelijke context brengt deze herformulering weinig zoden aan de dijk, nu de vennootschapswetgever in essentie niet meer heeft gedaan dan de jurisprudentiële praktijk om ook besluiten van de raad van bestuur per analogiam nietig te verklaren, te bevestigen. Hoogstens wordt de kring van vorderingsgerechtigden voortaan anders omschreven. Het annulatieberoep staat niet langer open voor elke belanghebbende maar enkel voor de vennootschap en personen die belang hebben bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen. Hoe die wijziging in de rechtspraak zal worden ontvangen, valt af te wachten, maar is voor deze blogpost minder van belang. Continue reading “Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen”