Can Nudging Consumers Help Promote Corporate Social Responsibility?

Governments around the world are trying to determine how to effectively promote corporate social responsibility (CSR). It has proven to be hard to regulate for CSR, so the focus has been on other policy initiatives. On the supply side, in response to calls from governments, corporations have adopted codes of conduct and related programs to promote CSR. In the eyes of CSR activists, these efforts have produced limited progress.

Attention is also being paid to the demand side of the equation. If consumers prefer socially produced goods, corporations will have incentives to adopt strong CSR programs. Behavioural sciences have suggested less interventionist ways to steer consumer choice towards socially responsible choices, in particular through various forms of nudging and social norms. Continue reading “Can Nudging Consumers Help Promote Corporate Social Responsibility?”

Is kennelijk grove fout nog gedekt door cap op bestuursaansprakelijkheid ?

Kleine bug in de cap

De cap op bestuursaansprakelijkheid in het WVV is goeddeels ontzenuwd, zoals eerder gesignaleerd. Door een amendement te elfder ure geldt de aansprakelijkheidsbeperking immers enkel nog voor toevallige lichte fouten (artikel 2:57, § 3, 1° WVV). Dergelijke kleinere zonden leiden echter in de praktijk hoe dan ook zelden tot bestuursaansprakelijkheid.

Een dergelijke spoedamputatie laat onvermijdelijk enkele kleine littekens na.

Continue reading “Is kennelijk grove fout nog gedekt door cap op bestuursaansprakelijkheid ?”

‘La bonne foi la plus stricte’

Een flexibel vennootschapsrecht vraagt een scherpe fiduciaire verplichting

Zoals bekend had in een eerste periode na de afkondiging van de Code Civil de goede trouw van artikel 1134 BW lang niet de belangrijke functie die het vandaag heeft in het contractenrecht. Eén van de auteurs die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het aanzwengelen van de rol van goede trouw in het Franse – en bij uitbreiding Belgische – recht is René Demogue (1872-1938). De argumentatie hiervoor vond Demogue in het contract van vennootschap (vandaag zouden we zeggen: de maatschap). De goede trouw die bij de maatschap werd aanvaard zag hij als de uitdrukking van een algemene regel voor alle overeenkomsten:

“Les contrats forment une sorte de microcosme; c’est une petite société où chacun doit travailler pour un but commun qui est la somme des buts individuels poursuivis par chacun, absolument comme dans la société civile ou commercial. Alors, à l’opposition entre le droit du créancier et l’intérêt du débiteur, tend à se substituer une certaine union.“

(R. Demogue, Traité des obligations en général, VI, 1931, nr. 3.)

Hoewel niemand het resultaat betwist, lijkt de redenering van Demogue me betwistbaar. Een vennootschap is geen contract zoals een ander. In een gewone overeenkomst hebben partijen tegengestelde belangen die ze egoïstisch mogen nastreven; de eisen van de goede trouw stellen hieraan negatieve grenzen. In een vennootschap is er een gemeenschappelijk belang; de eisen van de goede trouw leggen bij de behartiging van het samenlopend belang meer verregaande positieve plichten op. Als de regels van de maatschap de uitdrukking vormen van een gemeen recht, is het er een voor wat de hedendaags doctrine soms wel organizational contracts noemt.

*    *
*

De eisen van de goede trouw in een vennootschapscontext zijn onder meer veel ruimer dan louter het verbod op rechtsmisbruik. Geens en Wyckaert schrijven: Continue reading “‘La bonne foi la plus stricte’”

Change in control-clausules: nieuw en komend recht

Een onschuldige verpersoonlijking van de overeenkomst, of de tactiek van de verschroeide aarde?

De change in control-clausule is een diertje dat met veel namen door het leven gaat: vaak wordt ze ook aangeduid als change of control, change of ownership of ‘commercieel beding inzake controlewijziging’. In deze bijdrage gebruiken we change in control-beding als benaming, of nog: CIC-beding.

Er worden onder het CIC-beding heel wat kenmerken gebracht. In deze bijdrage beperken we ons tot een algemene omschrijving: een CIC-beding is een clausule in een overeenkomst, waarbij minstens één partij een vennootschap is, die aan een partij het recht geeft de overeenkomst te beëindigen in geval van controlewijziging binnen de contracterende vennootschap. CIC-bedingen, en dan voornamelijk hun ontbindende impact, kunnen erg uiteenlopende gevolgen hebben. Zo komen ze onder meer voor in joint-ventures, licentieovereenkomsten, kredietovereenkomsten en verkoopsconcessies, maar ook Golden Parachutes en Employee Retention Agreements zijn mogelijke gevolgen van CIC-bedingen. Continue reading “Change in control-clausules: nieuw en komend recht”

Het geslacht der engelen: over de toepassing van art. 518bis W.Venn. op het Directiecomité en/of de Regentenraad van de NBB

Een post door gastblogger Tina Coen (aspirant FWO, VUB)

  1. Het verkeerde geslacht van de heer Steven Vanackere

Het beroert ondertussen al meer dan een week de maatschappelijke en politieke gemoederen, maar heeft sinds het interview van prof. I. De Poorter op Radio 1 een juridisch staartje gekregen:

Miskent de benoeming van oud-Minister van Financiën Steven Vanackere als lid van het Directiecomité de verplichte aanwezigheid van beide geslachten in de raad van bestuur van effectengenoteerde naamloze vennootschappen (artikel 518bis W.Venn.)?

Voorliggend probleem overstijgt evenwel deze ene benoeming. Op dit ogenblik telt het Directiecomité van de NBB 7 leden, wat na de aanstaande pensionering van de gouverneur tot 6 wordt herleid. artikel 518bis W.Venn. eist echter dat minstens één derde (af te ronden naar het dichtstbijzijnde absolute cijfer) van dit bestuursorgaan uit vrouwen moet bestaan.

Vindt artikel 518bis W.Venn. effectief toepassing op de Nationale Bank van België (“NBB”), dan moet het Directiecomité niet één maar twee vrouwelijke leden moet tellen en was met de vervrouwelijking van (het mandaat dat afgelopen donderdag aan) de heer Vanackere (werd toegekend) het probleem slechts gedeeltelijk opgelost.

Voorts heeft de media enkel aandacht voor het Directiecomité, terwijl de samenstelling van de Regentenraad evengoed aan artikel 518bis W.Venn. moet worden getoetst. Onder zijn 18 leden (de gouverneur, 7 directeurs en 10 regenten), is slechts één vrouw. Vindt artikel 518bis W.Venn. toepassing, dan zijn ook nog eens vijf regenten van het “verkeerde” geslacht.

Tijd om even de juridische puntjes op de i te zetten, maar dat blijkt niet zo eenvoudig. Continue reading “Het geslacht der engelen: over de toepassing van art. 518bis W.Venn. op het Directiecomité en/of de Regentenraad van de NBB”

In wiens belang moet het bestuur van een vennootschap/boedel handelen?

Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) in het Tijdschrift voor Privaatrecht

In de meest recente aflevering van het Tijdschrift voor Privaatrecht gaat Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) in op de aloude vraag in wiens belang het bestuur van een vennootschap moet handelen. Interessant is dat dit onderwerp in één adem behandeld wordt met het “boedelbelang”, momenteel nog een onderbelicht concept in de Belgische doctrine.

Na de vaststelling dat de huidige juridische doctrine in binnen- en buitenland niet in staat is om een éénduidig antwoord te geven op de centrale onderzoeksvraag, wordt ten rade gegaan bij verschillende rechtseconomische theorieën over vennootschappen én insolventieprocedures. Achtereenvolgens passeren de revue: de transactiekostentheorie, de contracttheorie, de eigendomstheorie, de agent-principaaltheorie, de law & finance literatuur, de teamproductietheorie, de creditors’ bargain theorie, de ruime contracttheorie, de complexe wanorde theorie, de teamproductietheorie en de expliciete waarden theorie.

Tijdens een kritische bespreking van voornoemde theorieën worden telkens de aanwezige bouwstenen geïdentificeerd die nodig zouden zijn om een uniforme theorie  over het vennootschaps- en boedelbelang vorm te geven. Vervolgens neemt de auteur de normatieve stelling in dat het bestuur van een vennootschap/boedel in het belang van de residuele economische eigenaars (residual owners) moet handelen. Dit rechtseconomisch begrip wordt in de bijdrage verder geconcretiseerd aan de hand van een glijdende schaal: Continue reading “In wiens belang moet het bestuur van een vennootschap/boedel handelen?”

Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder.  Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”