Aansprakelijkheid van moedervennootschappen in het Europees mededingingsrecht

W. Devroe, L. Michaux en B. Beems, “Het onderdernemingsberip in het mededingingsrecht, het marktprakijkenrecht en het consumentenrecht”

Onlangs verscheen bij Intersentia Leerstukken Ondernemingsrecht (eds. J. Vananroye en D. Van Gerven), een overzicht van enkele belangrijke thema’s uit het ondernemingsrecht na de hervormingen van het WER, het WVV en het nieuw BW.

Decaan-elect Devroe, Michaux en Beems bespreken in hun bijdrage het ondernemingsbegrip in het mededigingingsrecht, het marktpraktijkenrecht en het consumentenrecht. Daarbij komt onder meer de aansprakelijkheid van moedervennootschappen aan bod:

“De invulling van het entiteitsbegrip in functie van de economische realiteit komt tegenwoordig aan bod in bijna elk voor het Gerecht (en in beroep, voor het Hof van Justitie) ingesteld beroep tot nietigverklaring tegen boetebesluiten van de Europese Commissie. Er ontstaat immers zeer regelmatig betwisting omtrent de aansprakelijkheid van moedervennootschappen voor het gedrag van hun dochteronderneming (parent company liability), of nog, over de aansprakelijkheid van overnemende ondernemingen voor het mededingingsrechtelijke gedrag in het verleden van de overgenomen onderneming. Aan de orde is de mate waarin mededingingsinbreuken van dochterondernemingen toegerekend kunnen worden aan moeder- en zelfs zusterondernemingen.[1] De vraag is hoofdzakelijk relevant in het kader van het mededingingsrechtelijke boetebeleid, aangezien bij de berekening van boetes de omzet van de beboete ‘onderneming’ een doorslaggevende rol speelt.[2] Het in aanmerking nemen van de omzet van een hele ondernemingsgroep, dan wel van één dochter alleen, leidt zeker in tijden van exponentieel gestegen boetes tot enorme verschillen. Daarbij komt dat de Commissierichtsnoeren voor de berekening van geldboeten het mogelijk maken om boetes te verhogen voor ondernemingen met een bijzonder hoge omzet.[3]

Continue reading “Aansprakelijkheid van moedervennootschappen in het Europees mededingingsrecht”

Cash pooling: 7 tips om bestuurdersaansprakelijkheid te vermijden

Vooraleer een groepsvennootschap deelneemt aan een cash pool, moet ze nagaan of dit in haar belang is. Indien dit niet zo is, dreigt bestuurdersaansprakelijkheid (I). Ook lopende de cash-pooling-overeenkomst moeten de bestuurders de vinger aan de pols van het vennootschapsbelang houden, zeker indien er solvabiliteitsproblemen ontstaan binnen de groep (II). Om het risico op een schending van het vennootschapsbelang te verkleinen, kan men een aantal richtlijnen in acht nemen bij het vormgeven van de cash pool (III). Continue reading “Cash pooling: 7 tips om bestuurdersaansprakelijkheid te vermijden”

Cashpooling bij nakende insolventie

Opiniebijdrage door Sofie Cools & Joeri Vananroye

Deze post verscheen eerder op 11 oktober 2019 als een opiniebijdrage op De Tijd.

Bestuurders van een Belgische dochtervennootschap van Thomas Cook zouden enkele miljoenen euro hebben doorgestort naar de Britse moedervennootschap kort voor haar faillissement.  Volgens de berichtgeving in de pers was de transfert het gevolg van een systeem van cashpooling.

Cashpooling is een afspraak tussen vennootschappen, doorgaans van eenzelfde groep, dat wanneer één van hen cash op overschot heeft, zij dat ter beschikking stelt aan een andere vennootschap in de cash pool die op dat ogenblik geld nodig heeft. Dat gebeurt via een centrale rekening, meestal op naam van de moedervennootschap.

Cashpooling is niet verboden, en maar goed ook. Cashpooling heeft namelijk grote voordelen. Door mekaar onderling geld te lenen, kunnen groepsvennootschappen vermijden dat ze interesten moeten betalen aan de bank voor sommen die bij een andere vennootschap ongebruikt op de rekening staan. De interest die de ene vennootschap betaalt om te lenen is normaal hoger dan de interest die de andere vennootschap op haar rekening ontvangt; het verschil is winst voor de groep.

Delicaat Continue reading “Cashpooling bij nakende insolventie”

UK Supreme Court enables expansive supply chain liability

A parent company’s liability for damage caused by its subsidiary is grounded in control

On 10 April 2019, in Vedanta v Lungowe, the UK Supreme Court confirmed the England and Wales Court of Appeal’s decision that Vedanta may owe a duty of care to neighbours of the copper mine operated by its Zambian subsidiary. The judgment is important in three respects. First, Vedanta v Lungowe marks the first time the UK Supreme Court found that a duty of care vis-à-vis parties other than the subsidiary’s employees may be owed by the parent company (albeit in its capacity of operator). Second, this duty of care is not novel and, therefore, the lenient test for adjudicatory jurisdiction is applicable. Third, in dicta, the UK Supreme Court clarified the legal basis and scope of supply chain liability.

In this post, the UK Supreme Court’s ruling is discussed, including the assessments of jurisdiction at a preliminary stage and the issue of novelty. It also reviews the implications of the Court’s dicta for the doctrine of supply chain liability. Continue reading “UK Supreme Court enables expansive supply chain liability”