Groepsfinanciering: bezint eer ge begint

Een post door gastblogger Louis De Meulemeester (UGent)

In het kader van het FNG-debacle raakte onlangs bekend dat een aantal obligatiehouders van de (gedeeltelijk) teloorgegane groep de oprichters en de moedervennootschap hebben gedagvaard, omdat zij meenden te zijn misleid omtrent de identiteit van de vennootschap waaraan zij krediet hadden verstrekt. In de Standaard van 25 mei stond te lezen dat “[de obligatiehouders] zeggen dat ze op verschillende manieren misleid werden, in de eerste plaats al bij de uitgifte. De naam FNG Groep liet vermoeden dat ze in de topholding investeerden en als onderliggende zekerheid alle bezittingen van FNG hadden. De realiteit was wel even anders. FNG Groep zat helemaal onderaan in de structuur. Het was een achterkleindochter van het beursgenoteerde FNG en omvatte dus maar een stukje van het FNG-imperium.” FNG bezat tal van mode- en schoenenmerken, zoals het inmiddels gefailleerde Brantano.

Zonder in detail op deze zaak in te gaan, is het interessant om naar aanleiding hiervan enkele bijzondere aspecten te duiden die optreden wanneer schuldeisers krediet verlenen aan een vennootschap die deel uitmaakt van een vennootschapsgroep. Aan kredietverlening aan een vennootschapsgroep zijn immers bijzondere valkuilen verbonden in vergelijking met de financiering van een individuele vennootschap.

Continue reading “Groepsfinanciering: bezint eer ge begint”

Aansprakelijkheid van moedervennootschappen in het Europees mededingingsrecht

W. Devroe, L. Michaux en B. Beems, “Het onderdernemingsberip in het mededingingsrecht, het marktprakijkenrecht en het consumentenrecht”

Onlangs verscheen bij Intersentia Leerstukken Ondernemingsrecht (eds. J. Vananroye en D. Van Gerven), een overzicht van enkele belangrijke thema’s uit het ondernemingsrecht na de hervormingen van het WER, het WVV en het nieuw BW.

Decaan-elect Devroe, Michaux en Beems bespreken in hun bijdrage het ondernemingsbegrip in het mededigingingsrecht, het marktpraktijkenrecht en het consumentenrecht. Daarbij komt onder meer de aansprakelijkheid van moedervennootschappen aan bod:

“De invulling van het entiteitsbegrip in functie van de economische realiteit komt tegenwoordig aan bod in bijna elk voor het Gerecht (en in beroep, voor het Hof van Justitie) ingesteld beroep tot nietigverklaring tegen boetebesluiten van de Europese Commissie. Er ontstaat immers zeer regelmatig betwisting omtrent de aansprakelijkheid van moedervennootschappen voor het gedrag van hun dochteronderneming (parent company liability), of nog, over de aansprakelijkheid van overnemende ondernemingen voor het mededingingsrechtelijke gedrag in het verleden van de overgenomen onderneming. Aan de orde is de mate waarin mededingingsinbreuken van dochterondernemingen toegerekend kunnen worden aan moeder- en zelfs zusterondernemingen.[1] De vraag is hoofdzakelijk relevant in het kader van het mededingingsrechtelijke boetebeleid, aangezien bij de berekening van boetes de omzet van de beboete ‘onderneming’ een doorslaggevende rol speelt.[2] Het in aanmerking nemen van de omzet van een hele ondernemingsgroep, dan wel van één dochter alleen, leidt zeker in tijden van exponentieel gestegen boetes tot enorme verschillen. Daarbij komt dat de Commissierichtsnoeren voor de berekening van geldboeten het mogelijk maken om boetes te verhogen voor ondernemingen met een bijzonder hoge omzet.[3]

Continue reading “Aansprakelijkheid van moedervennootschappen in het Europees mededingingsrecht”