Trust and freedom of establishment: some preliminary observations on the CJEU’s ruling in the Panayi Trust case

Trusts can be considered to be ‘entities’ which can come under the scope of the freedom of establishment

On September 14th 2017, the CJEU ruled on the Panayi Trust case (Case C-646/15), to which we have already referred in an earlier blog post. The CJEU’s ruling in the Panayi Trust case will provide ample opportunity for debate and reflection in the near future, especially with Brexit coming into view.

However, in this blog post we will restrict ourselves to a brief presentation of the case and some first observations regarding the question whether trusts can indeed come under the scope of the freedom of establishment. Continue reading “Trust and freedom of establishment: some preliminary observations on the CJEU’s ruling in the Panayi Trust case”

De IPR-kwalificatie van pauliana-achtige aansprakelijkheid: welk label voor Peeters/Gatzen (“collectieve schade”)?

De Nederlandse Hoge Raad stelde op 8 september het Europese Hof van Justitie enkele interessante prejudiciële vragen over de Peeters/Gatzen-vordering (ECLI:NL:HR:2017:2269). Voor hen die er het raden naar hebben wie die Peeters of Gatzen dan wel zijn, eerst een korte toelichting. De andere lezers kunnen gelijk naar de navolgende alinea’s scrollen.

1.

In eerdere posts wezen we al op de actio pauliana als techniek van schuldeisersbescherming. Ze laat schuldeisers, en na faillissement de boedel, toe om handelingen niet-tegenwerpelijk te laten verklaren, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden. We noemen hier omwille van de bondigheid enkel de voornaamste twee: Continue reading “De IPR-kwalificatie van pauliana-achtige aansprakelijkheid: welk label voor Peeters/Gatzen (“collectieve schade”)?”

Tom Vos (KU Leuven) op Oxford Business Law Blog over prijs bij verplicht openbaar bod

Op Oxford Business Law Blog verscheen een bespreking door Tom Vos van het arrest van 20 juli 2017 inzake Marco Tronchetti Promovera SpA e.a. v. Consob, waarin het Hof van Justitie voor de eerste keer oordeelde over de interpretatie van artikel 5(4) van de Overnamerichtlijn, dat in de mogelijkheid voorziet voor nationale financiële toezichthouders om de prijs van een verplicht openbaar bod aan te passen. In deze zaak had de Italiaanse financiële toezichthouder, de Consob, besloten om de prijs van het verplicht openbaar bod te verhogen omdat er sprake was van samenspanning tussen de bieder en één van de verkopende aandeelhouders.

De vraag die werd voorgelegd aan het Hof was of het concept van “samenspanning” niet te onduidelijk was om een prijsaanpassing te rechtvaardigen. Het Hof van Justitie laat het finale oordeel aan de Italiaanse rechter, maar lijkt toch te suggereren dat er geen probleem is met het Italiaanse recht. De uitspraak is ook erg interessant voor Belgische juristen, aangezien België een gelijkaardige bepaling als Italië heeft met betrekking tot de prijsaanpassing bij verplicht bod.

U kon de analyse (in het Engels) van deze uitspraak door Vos reeds lezen in een eerdere post op deze blog.

 

Sociale dumping, brievenbusvennootschappen en IPR

“A hunters game: how policy can change to spot and sink letterbox-type practices”  (ETUC, 2016)

De stijd tegen ‘sociale dumping‘ staat prominent op de agenda van de Europese Commissie, de Belgische en de Vlaamse regering.

Een interessante studie uit eind 2016 A hunters game: how policy can change to spot and sink letterbox-type practices in opdracht van ETUC (European Trade Union Confederation) met de steun van de Europese Commissie zoomt in op de belangrijke rol van brievenbusvennootschappen bij het omzeilen van socialrechtelijke verplichtingen. Brievenbusvennootschappen zijn vennootschappen die worden beheerst door het vennootschapsrecht van een land waarmee ze geen of nauwelijks een reële economische band hebben.

Interessant in het deelrapport van Prof. Dr. Mijke Houwerzijl, hoogleraar Arbeidsrecht aan de Universiteit van Tilburg, is dat ze de band legt tussen brievenbusvennootschappen en misbruik in het sociaal recht (p. 22-23): Continue reading “Sociale dumping, brievenbusvennootschappen en IPR”

New ECJ ruling on price adjustments in mandatory bids in case of collusion

Marco Tronchetti Provera SpA e.a. v. Consob on article 5(4) of the Takeover Directive

In a decision of 20 July 2017 in the case Marco Tronchetti Provera SpA e.a. v. Consob, the European Court of Justice ruled for the first time on the interpretation of article 5(4) of the Takeover Directive, which covers the possibility for the national supervisory authority to adjust the price of a mandatory bid. In this case, the Italian supervisory authority, the Consob, had decided to increase the price because it believed that there was collusion between the bidder and one of the sellers. This price adjustment was allowed by Italian takeover law, but the bidder believed that the Italian law violated the Takeover Directive, arguing that the criteria for a price adjustment were insufficiently clear. Continue reading “New ECJ ruling on price adjustments in mandatory bids in case of collusion”

Frederik De Leo op de Oxford Business Law Blog over de pre-pack

The pre-pack: what else? (Estro/Smallstep)

Op Oxford Business Law Blog verscheen vandaag een analyse door Frederik De Leo (KU Leuven) van het arrest “Estro/Smallstep” van het Europees Hof van Justitie.  Daarbij merkt de auteur op dat het voorlopig intrekken van de bepaling inzake het stil faillissement  in het Belgisch wetsontwerp tot hervorming van het insolventierecht door minister Geens een slimme zet was. Volgens de auteur zou de desbetreffende bepaling (het toenmalig ontwerp-artikel XX.33 WER) de toets aan het Europees recht per het arrest “Estro/Smallstep” niet gehaald hebben.

U kon in een eerder gepubliceerde post door Frederik De Leo op deze blog reeds een uitgebreidere analyse lezen.

Gillis Lindemans over rechtskeuze bij pauliana op Oxford Business Law Blog

Vrije keuze pauliana? Vinyls herbezocht.

In een eerdere post op deze blog besprak Gillis Lindemans (KU Leuven, aspirant FWO) de zaak-Vinyls Italia (C-54/16). Daarin oordeelde het Hof van Justitie dat een faillissementspauliana (of soortgelijke nietigheids- of niet-tegenwerpelijkheidsactie) slechts kan slagen als het recht van toepassing op de aangevochten rechtshandeling dat toelaat. Dat zelfs wanneer partijen een recht hebben gekozen dat geen enkele feitelijke band vertoont met de rechtshandeling in kwestie. De enige beperking is fraude (maar daarvoor is de drempel erg hoog). In een post vandaag op de Oxford Business Law Blog waarschuwt hij andermaal voor de mogelijke gevolgen van deze beslissing. Schuldenaars kunnen, in de schemerzone voor insolventie, een anders aanvechtbare handeling veiligstellen door een toepasselijk recht te kiezen dat geen specifieke aanvechtingsgrond tegen die handeling kent.