De pauliana bij fusie en splitsing: onzekerheid troef

Artikel in DAOR over het bestaan van de pauliana bij fusie en splitsing

Kan een schuldeiser die geconfronteerd wordt met een fusie of splitsing met een beweerd frauduleus oogmerk zich de iure beroepen op de pauliana om de fusie of splitsing aan hemzelf niet-tegenstelbaar te laten verklaren?

Die vraag wordt in de huidige rechtsleer vaak stiefmoederlijk behandeld. De ratio van de wetgeving als deus ex machina biedt daarop steevast het antwoord. Nergens uit de bewoordingen van de Belgische wetgeving kan men immers afleiden dat de pauliana niet zou mogen bestaan bij fusie en splitsing. De rechtspraak laat het aanvechten van een splitsing m.b.v. de pauliana bovendien zonder problemen toe (zie in dat verband een eerder verschenen blogpost). Het argument dat de specifieke vernietigingsregeling van vennootschapsbesluiten de algemeen werkende pauliana zou uitsluiten – onder het adagium “lex specialis derogat legi generali” –, wordt m.b.v. de ratio van de wetgeving van tafel geveegd. De ratio van de wetgeving als doorslaggevend argument stemt mij echter niet tevreden. Bovendien wordt er in de huidige rechtsleer niet consequent nagedacht over het Europees recht betreffende de pauliaanse vordering bij fusie en splitsing.

In Nederland konden we gedurende lange tijd diezelfde praktijk ontwaren. In de Nederlandse zaak Favini stelde de rechtbank te Zutphen m.b.t. de door de curatoren in de dagvaarding aangehaalde literatuur (over de pauliana bij splitsing) echter het volgende:

“[Er] wordt […] zonder meer van uit gegaan dat een splitsing (te allen tijde) met een beroep op de actio pauliana kan worden vernietigd. De vraag of dit in overeenstemming is met de [Zesde] Richtlijn wordt in de aangehaalde literatuur niet gesteld. Om die reden komt in deze aan de meningen van bedoelde schrijvers onvoldoende, laat staan doorslaggevende betekenis toe.”(Rechtbank Zutphen 29 december 2010, JOR 2011/302, noot C. NAGTEGAAL, para. 7.11)

Na het passeren van de bodemfeiten bij verschillende rechterlijke organen  (maar niét bij het Europees Hof van Justitie voor een prejudiciële vraag), heeft de Hoge Raad in haar spraakmakend arrest uiteindelijk het volgende geoordeeld:

“[…] 4.1.3 De vernietigingsmogelijkheden van art. 42 Fw [de Nederlandse faillissementspauliana, nvdr] zijn aanzienlijk ruimer dan de beperkte vernietigingsmogelijkheden van art.  2:334u BW [specifieke vernietigingsregeling splitsingsbesluiten, nvdr]. Een vernietiging op de voet van art.  42 Fw kan immers buitengerechtelijk plaatsvinden, is niet beperkt tot de in art. 2:334u BW omschreven situaties en is niet gebonden aan de hiervoor in 4.1.2 vermelde termijn van zes maanden. Wanneer zou worden aangenomen dat een splitsing door de curatoren ook op de voet van art.  42 Fw kan worden vernietigd, zou de specifieke norm van art. 2:334u BW dan ook onaanvaardbaar worden doorkruist. De strekking van beide normen (bescherming van schuldeisers tegen rechtshandelingen waardoor schuldeisers worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden) is immers dezelfde, maar de wijze waarop de bescherming plaatsvindt, de voorwaarden die in dit verband worden gesteld, het tijdsbestek waarbinnen de vernietiging mogelijk is en de bescherming van derden in dit verband, is in art. 2:334u BW telkens anders geregeld dan in art. 42 Fw. Omdat door toepassing van art.  42 Fw in gevallen als de onderhavige deze specifieke regels zouden kunnen worden ontgaan, zou aldus afbreuk worden gedaan aan de rechtszekerheid die de regeling voor vernietiging van een splitsing in art. 2:334u BW beoogt te dienen. Daarom moet worden geoordeeld dat de specifieke norm van art.  2:334u BW exclusief toepasselijk is. Opmerking verdient ten slotte dat curatoren die menen dat de boedel als gevolg van een splitsing is benadeeld, onder omstandigheden (mede) een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad kunnen instellen.” (HR 20 december 2013, RvdW 2014, 86)

De Hoge Raad ziet, i.t.t. de rechtbank Zutphen, m.a.w. géén potentieel probleem in het Europees recht wat betreft de mogelijkheid om zich te beroepen op de pauliana bij een splitsing met een beweerd frauduleus oogmerk; Daarentegen ziet ze wél een probleem in het nationale recht. De Hoge Raad lijkt met deze uitspraak immers het principe “Lex specialis derogat legi generali” toe te passen, dat in de Belgisch rechtsleer m.b.v. de ratio van de wetgeving thans steeds wordt verworpen.

Zou het bijgevolg niet spannend zijn om na te gaan in welke mate (i) het Europees recht een probleem vormt voor het bestaan van de (Belgische) pauliana bij fusie en splitsing én (ii) de nationale redenering van de Nederlandse Hoge Raad getransponeerd kan worden naar het Belgisch recht? Ik dacht alvast van wel. Mijn bevindingen daaromtrent kan u lezen in F. DE LEO, “De actio pauliana bij fusie en splitsing: een (on)zeker bestaan?”, DAOR 2017, afl. 3, 19-28.

 

Frederik De Leo
Doctoraatsbursaal
Instituut voor Handels- en Insolventierecht
(KU Leuven, UHasselt)

One thought on “De pauliana bij fusie en splitsing: onzekerheid troef”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s