Gradaties in onzorgvuldig gedrag en phishing – Cassatie 29 juni 2026

Een gastblog van Mr Bastiaan Insel (Roosendaal Keyzer Advocaten)

Inleiding

De wetgever verbindt soms verstrekkende rechtsgevolgen aan het bestaan van een meer dan gewone fout. Zo kan een werknemer in beginsel slechts aansprakelijk worden gesteld voor zijn zware schuld. Ook in het verzekeringsrecht en het betalingsrecht verbindt de wetgever bijzondere gevolgen aan begrippen zoals zware fout, grove schuld en grove nalatigheid.

Maar wanneer wordt een gewone fout eigenlijk een zware fout? Die vraag stond centraal in een opmerkelijk cassatiearrest van 29 juni 2026, dat op de nodige (pers)aandacht heeft mogen rekenen.

Arrest

In deze zaak had het hof van beroep te Brussel geoordeeld dat een slachtoffer van phishing grof nalatig had gehandeld, zodat hij op grond van artikel VII.44, §1, laatste lid WER geen aanspraak kon maken op terugbetaling. Het hof oordeelde dat het slachtoffer meerdere voor de hand liggende voorzichtigheidsmaatregelen had miskend.

Het slachtoffer stelde cassatieberoep in. Volgens hem kon uit de vaststelling van verschillende onvoorzichtige gedragingen niet worden afgeleid dat sprake was van grove nalatigheid, nu de appelrechters niet hadden vastgesteld dat een redelijk en normaal zorgvuldig betaler in dezelfde omstandigheden aldus nooit zou hebben gehandeld.

Het Hof volgt het slachtoffer en vernietigt het arrest. Na onder meer te hebben overwogen dat grove nalatigheid “een gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht” vereist, oordeelt het dat de appelrechters op grond van hun vaststellingen niet wettig konden besluiten dat het slachtoffer blijk gegeven had van grove nalatigheid.

In navolging van de eiser in zijn middel omschrijft het Hof grove nalatigheid als een gedraging of nalatigheid die een redelijk en normaal zorgvuldig betaler nooit zou hebben gesteld of begaan. Het Hof lijkt daarmee aan te sluiten bij de bekende omschrijving van De Page, die een zware fout definieerde als « une faute tellement grossière, tellement excessive, qu’elle ne se comprend pas de la part d’une personne raisonnable »[1].

Maar lost die formule het probleem werkelijk op? Want waarin verschilt de zware fout precies van de gewone fout?

Wanneer handelt iemand onzorgvuldig?

Artikel 6.6, §2, eerste alinea van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de algemene zorgvuldigheidsnorm een gedrag vereist dat overeenstemt met dat van een redelijk en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden.

Maar verschillende redelijke en zorgvuldige personen kunnen in dezelfde omstandigheden andere keuzes maken. Dat achteraf blijkt dat iemand een slechte keuze heeft gemaakt, betekent nog niet dat hij onzorgvuldig handelde. Wie over een stoeprand struikelt, heeft niet noodzakelijkerwijze een fout begaan. Het was vanzelfsprekend beter geweest naar zijn voeten te kijken en zo de val te vermijden. De vraag is echter niet of een andere, betere keuze mogelijk was, maar of de gemaakte keuze buiten de marge van zorgvuldig handelen viel.[2]

Dat verschillende, ook minder goede, beslissingen nog binnen de marge van zorgvuldig handelen kunnen vallen, blijkt ook uit meer specifieke regels. Zo bepaalt artikel 2:56 WVV dat bestuurders enkel aansprakelijk zijn voor gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal zorgvuldige bestuurders redelijkerwijze van mening kunnen verschillen. Dit is in wezen een alternatieve, en wellicht betere, omschrijving van de gewone zorgvuldigheidsnorm.[3]

Ook in de rechtspraak over overheidsaansprakelijkheid voor de rechterlijke macht volstaat het niet dat een beslissing later wordt hervormd of vernietigd. Een onjuiste toepassing van de wet vormt nog geen onzorgvuldigheid, hoewel een juiste toepassing van de wet uiteraard ook zorgvuldig was geweest. Enkel wanneer geen normaal zorgvuldig magistraat dezelfde beslissing zou hebben genomen en de beslissing dus buiten de marge van zorgvuldig rechterlijk handelen valt, is sprake van een fout.[4]

Precies daar wringt het arrest van 29 juni 2026. Een gedraging die buiten de marge valt waarbinnen redelijke en voorzichtige personen zich anders kunnen gedragen, is gewoon onzorgvuldig. Maar welke bijkomende normatieve stap maakt van die gewone fout een grove nalatigheid?

Een heilige graal?

Het probleem is niet nieuw. De doctrine en rechtspraak worstelen van oudsher met de ontwikkeling van een operationeel criterium. Als al sprake is van een gewone fout zodra iemand handelt zoals een redelijk en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden niet zou hebben gehandeld, hoe kan een grove of zware fout dan nog worden omschreven als een gedraging die nóg verder van diezelfde maatstaf afwijkt?[5]

Het arrest van 29 juni 2026 illustreert deze moeilijkheid eens te meer. De door het Hof gehanteerde definitie lijkt niet zozeer een criterium voor grove nalatigheid, maar eerder een alternatieve omschrijving van onzorgvuldig handelen zelf. Wie handelt op een wijze waarop een redelijk en zorgvuldig persoon nooit zou hebben gehandeld, handelt buiten de marge van zorgvuldig handelen en is daarom (gewoon) onzorgvuldig. De omschrijving van een gewone onzorgvuldigheid kan niet tezelfdertijd de omschrijving van de overtreffende trap van grove nalatigheid vormen.

Bovendien rijst een tweede vraag. De eiser voerde in zijn cassatiemiddel aan dat de feitenrechter niet had vastgesteld dat een redelijk en normaal zorgvuldig betaler nooit zou hebben gehandeld, zoals de eiser had gehandeld. Als het cassatiearrest zo moet worden begrepen dat dit verzuim inderdaad onwettig was, dreigt de door het Hof geformuleerde maatstaf te verworden tot een louter formele vereiste. In dat geval had het Brusselse hof van beroep precies dezelfde beslissing kunnen wettigen door toe te voegen dat geen enkele redelijke en voorzichtige betaler zich zo gedragen had in dezelfde omstandigheden.

Als het Hof méér heeft bedoeld, blijft onduidelijk welke bijkomende analyse de feitenrechter concreet had moeten verrichten. Het arrest preciseert niet welke omstandigheden een gewone onzorgvuldigheid tot grove nalatigheid verheffen, noch welke vaststellingen een beslissing op dat punt cassatiebestendig maken. Vanuit het perspectief van de feitenrechter biedt het arrest daardoor slechts beperkte houvast. Maar wat heeft een feitenrechter aan een hogere aansprakelijkheidsdrempel als niet kan worden aangegeven wat hij méér moet vaststellen dan voor een gewone fout?

Een denkbeeldige bescherming?

Dat het Belgisch recht er niet in slaagt een hanteerbaar onderscheid tussen de gewone fout en de zware fout te maken, is niet louter een theoretisch probleem. Het ontbreken van een duidelijk criterium dreigt de bijzondere bescherming die de wetgever in bepaalde gevallen heeft willen bieden grotendeels denkbeeldig te maken. Als vooraf niet kan worden aangegeven welke bijkomende elementen een gewone fout tot grove nalatigheid maken, komt het in belangrijke mate aan de feitenrechter toe om achteraf te bepalen wie de gevolgen van een schadegeval moet dragen. De kwalificatie dreigt dan minder het resultaat te zijn van een toetsing aan vooraf identificeerbare criteria dan van een moeilijk controleerbaar normatief waardeoordeel over wie uiteindelijk het verlies moet dragen.

Specifiek voor niet-toegestane betalingstransacties rijst bovendien een Unierechtelijk probleem. Zoals het Hof van Cassatie in het besproken arrest in herinnering brengt, bepaalt overweging 72 van de tweede Betalingsdienstrichtlijn dat grove nalatigheid meer veronderstelt dan loutere nalatigheid en een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid vereist. De concrete invulling van dat onderscheid wordt aan de nationale rechtssystemen overgelaten.

Het Europees recht verlangt dus alleszins dat een verhoogde zorgvuldigheidsdrempel wordt overschreden voordat het slachtoffer van een niet-toegestane betalingstransactie zelf zijn verlies moet dragen. Maar wordt die hogere drempel in België werkelijk gewaarborgd? Als niet kan worden afgebakend wat grove nalatigheid van een gewone nalatigheid onderscheidt, valt daaraan ernstig te twijfelen.

Gebrek aan concrete aanknopingspunten

Dat dezelfde moeilijkheid zich ook elders voordoet, blijkt uit een arrest van het Bundesgerichtshof van 22 juli 2025.[6] Ook daar wordt grove nalatigheid omschreven aan de hand van abstracte formules. Het Hof vereist een objectief ernstige schending van de vereiste zorgvuldigheid en een subjectief niet-verschoonbare fout, waarbij de betrokkene de vereiste zorgvuldigheid in uitzonderlijk hoge mate moet hebben veronachtzaamd en genegeerd wat zich in de gegeven omstandigheden aan iedereen had moeten opdringen.

Opvallend is echter dat het Bundesgerichtshof daarnaast aandacht besteedt aan meer concrete beoordelingsfactoren. Zo betrekt het het begrip Augenblicksversagen in zijn beoordeling. Dat begrip vertrekt van het onderscheid tussen een onmiddellijke en kortstondige misinschatting enerzijds en een beslissing die wordt genomen na enige bedenktijd anderzijds.

Het Hof hechtte in de zaak die tot dit arrest leidde een doorslaggevend belang aan de tijd die het slachtoffer had om de fraude te herkennen. Het overweegt dat het slachtoffer haar TAN-codes verspreid over twee dagen had doorgegeven, zodat zij na het eerste contact voldoende gelegenheid had om argwaan te koesteren. Impliciet volgt hieruit dat in de meer gebruikelijke phishingzaken, waarin het slachtoffer onder hoge tijdsdruk handelt, bijvoorbeeld omdat de fraudeur hem wijsmaakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen om een frauduleuze transactie te voorkomen, veel moeilijker tot grove nalatigheid kan worden besloten, zelfs als achteraf blijkt dat het slachtoffer duidelijk de verkeerde keuze heeft gemaakt.

Een sluitend onderscheidingscriterium levert dat nog altijd niet op. Ook de beschikbare bedenktijd is immers een omstandigheid die al een rol kan spelen bij de voorafgaande vraag óf iemand onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij verklaart dus evenmin waarom een onzorgvuldige gedraging niet gewoon, maar grof nalatig is. Wel maakt zij duidelijk dat een fout die het gevolg is van een onmiddellijke en kortstondige misinschatting slechts uitzonderlijk als grove nalatigheid kan worden aangemerkt. De benadering van het Bundesgerichtshof lost het begripsmatige probleem dus zeker niet op. Wel biedt zij de feitenrechter ten minste een concreet aanknopingspunt bij de beoordeling van de ernst van de onzorgvuldigheid.

Het besproken cassatiearrest reikt zulke aanknopingspunten niet aan, zodat de kwalificatie als grove nalatigheid vooral een moeilijk controleerbaar waardeoordeel van de feitenrechter blijft. Ondanks de uitgesproken cassatie lijkt het arrest van 29 juni 2026 daarin geen wezenlijke verandering te brengen.

Transcendental nonsense

De aanhoudende moeilijkheid om operationele beoordelingsfactoren te identificeren verklaart waarom de discussie over grove nalatigheid al decennialang in dezelfde begripsmatige cirkels blijft draaien. De zoektocht naar een omschrijving van de zware fout of grove nalatigheid begint zo steeds meer weg te hebben van wat Felix Cohen “transcendental nonsense” noemde: een juridisch debat waarin wordt gegoocheld met juridische begrippen en sub-begrippen. Daarbij wordt uit het oog verloren dat positief recht betrekking heeft op een maatschappelijke realiteit.[7]

Misschien is het daarom zinvoller een stap terug te nemen en stil te staan bij de functie en de fundamentele kenmerken van de zware fout. Wat een grove nalatigheid of zware fout ook precies moge zijn, zij moet alleszins heel uitzonderlijk blijven. Het Belgische recht legt de drempel voor het aannemen van een gewone fout immers al erg hoog. Dat achteraf blijkt dat een schadegeval had kunnen worden vermeden met een andere keuze, volstaat niet.

Wanneer de wetgever niet de gewone fout, maar een zware fout of grove nalatigheid vereist, impliceert dit dat zelfs een gedraging die buiten de grenzen van normaal zorgvuldig handelen valt, niet volstaat om het bijzondere rechtsgevolg teweeg te brengen. Een concreet aanknopingspunt kan liggen in het creëren van een zo evident en uitzonderlijk risico dat van normale veiligheidsmaatregelen redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat zij de gevolgen ervan ondervangen. In het betalingsrecht zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan het publiek delen van een pincode. Ook in andere domeinen kan het bewust creëren van een evident en uitzonderlijk risico, zoals spelen met vuur, in die richting wijzen.

Die verhoogde drempel mag dus slechts uitzonderlijk worden overschreden. Misschien is dat precies wat het Hof van Cassatie feitenrechters duidelijk tracht te maken met zijn arrest van 29 juni 2026. Zo ja, valt dit enkel toe te juichen. Maar het fundamentele probleem blijft bestaan. Zolang geen positieve criteria worden aangereikt, dreigen de abstracte omschrijvingen van begrippen als grove nalatigheid en zware fout weinig meer te zijn dan transcendental nonsense. Een juridische taal waarmee een rechter achteraf kan verantwoorden waarom hij de gevolgen van een schadeverwekkende handeling bij de ene dan wel de andere partij legt.

De vraag is dus misschien niet langer hoe we grove nalatigheid nóg abstracter kunnen definiëren. De betere vraag is welke concrete omstandigheden moeten rechtvaardigen dat iemand die de grens van zorgvuldig handelen heeft overschreden, ook de veel hogere drempel van grove nalatigheid heeft overschreden. Precies daarop biedt het arrest geen duidelijk antwoord. Het bevestigt dat grove nalatigheid méér is dan gewone nalatigheid, maar zegt uiteindelijk nauwelijks waarin dat méér bestaat.


[1] H. De Page,Traité élémentaire de droit civil belge II, Brussel, Bruylant,1964, nr.591bis, 585; Zie ook recenter Brussel 11 april 2024, TBH 2025, 45. Zie ook P. Berger en M. Goossens, ‘Elektronisch online betalen’, Recht en elektronische handel, Intersentia, 2021, 329 en R. Steennot, “Betaalfraude: a never ending story?’ noot onder Orb. Antwerpen 3 juni 2024, TBH 2025, 99;

[2]   P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge. Tome II. Les obligations. Volume 2, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 834, 1225; L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Maklu, Antwerpen, 1989, nr. 36, 54;

[3] Zie in dezelfde zin T. Vansweevelt en B. Weyts, Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht in Boek 6 BW, TPR 2026, nr. 193, 151; R. Tas, “Het foutbegrip inzake bestuursaansprakelijkheid: enkele korte bedenkingen over het overmatig gebruik van het woord ‘kennelijk’ en de zgn. marginale toetsing”, in Gouvernance et responsabilité. Mélanges à la mémoire de Didier Willermain, Brussel, Larcier 2023, 1135-1138;

[4] Cass. 8 december 1994, Arr.Cass. 1994, 1074. Zie hierover B. Dubuisson, “L’erreur du juge est-elle fatale?”, RDC/TBH 2013, 1128; A. Van Oevelen, “Staatsaansprakelijkheid voor ambtsfouten van handelsrechters”, TBH 2013, 1099;

[5] Zie in gelijkaardige zin T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2025, nr. 454, 344; P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge. Tome II. Les obligations. Volume 2, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 835, 1229; L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Maklu, 1989, nr. 93, 163;

[6] BGH 22 juli 2025, XI ZR 107/24, ECLI:DE:BGH:2025:220725UXIZR107.24.0;

[7] Zie F.S. Cohen, “Transcendental Nonsense and the Functional Approach”, Colum. L. Rev. 1935, 809-849;

From Outrage to Regulation: 300 Years of Corporate Scandals and their Legal Aftermath – Holger Fleischer.

George Sarton (1884-1956) was an alumnus of UGent and one of the founding fathers of history of science as an academic discipline. In 1984, Ghent University established the Sarton Chair in History of Science. Every year, the Sarton Committee selects a chair holder and several medal holders. The Sarton Chair for History of Science 2026-27 was awarded to Prof. dr. Holger Fleischer.

Holger Fleischer is a Director of the Max Planck Institute for Comparative and International Private Law in Hamburg, a position he has held since 2009. He ranks among the most distinguished scholars of corporate law in Europe and internationally. His academic standing is reflected in the two honorary doctorates he has received, from Paris Descartes University and Radboud University Nijmegen, as well as in the prestigious German Leibniz Prize, sometimes referred to as the “German Nobel Prize,” which was awarded to him in 2008. At the Max Planck Institute, he has developed and led ambitious multi-year research programmes addressing fundamental questions in corporate law.

Drawing on Holger Fleischer’s research programme on 300 years of corporate scandals, his inaugural lecture examines how spectacular corporate failures become catalysts for legal and regulatory change around the globe. From early financial crises to modern accounting and banking scandals, it identifies recurring patterns of misconduct, public outrage, investigation, and reform. The lecture asks why some scandals trigger lasting legal change while others fade without major consequences, and what this reveals about the dynamics – and limits – of scandal-driven regulation.

When? Thursday, October 22, at 5 p.m.

Where? Kapittelzaal, Meeting Centre De Abt (Lange Kruisstraat 4, 9000 Gent)

Bonus? The lecture will be followed by a reception.

Register here

Professor Fleischer was nominated for the Sarton Chair by the Faculty of Law and Criminology (collega proximus: prof. dr. Hans De Wulf)

Over business angels, B-bestuurders en bestuurdersaansprakelijkheid

Ook tijdens de vakantieperiode vergast de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent de geïnteresseerde lezer met de regelmaat van de klok op interessante uitspraken. Vorige week werd een vonnis op Juportal geplaatst (ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260805.1) dat verplichte lectuur vormt voor wie een bestuursmandaat opneemt als “vertegenwoordiger” van een aandeelhouder (denk bv. aan venture capital, maar ook wel private equity).

De aan het vonnis onderliggende relevante feiten laten zich kort als volgt samenvatten: eind 2014 wordt een vennootschap opgericht. In 2022 verwerven 6 externe investeerders 25% van de aandelen, welke het statuut van B-aandelen krijgen. Eén van de investeerders – komende uit een netwerk van zgn. “business angels” wordt op dat ogenblik bestuurder. Tegelijk wordt een derde bestuurder benoemd, die geen aandeelhouder is en als onafhankelijk wordt beschouwd. Samen maken de drie bestuurders (A: oprichter; B: vertegenwoordiger B-aandeelhouders; C: onafhankelijk) een collegiaal bestuursorgaan uit.

De zaak zou niet voor de insolventierechter belanden mocht alles goed zijn blijven gaan. In augustus 2024 doet de vennootschap aangifte van staking van betaling. Enige tijd later stelt de curator een vordering bestuurdersaansprakelijkheid in tegen alle bestuurders (A, B en C).

Lezing van het vonnis maakt zeer duidelijk dat de oprichter-bestuurder weinig correct heeft gehandeld jegens de vennootschap én zijn collega-bestuurders. Belangrijke informatie werd stelselmatig achter gehouden of verkeerd voorgesteld. For the sake of the argument kan er vanuit worden gegaan dat A een weinig betrouwbaar sujet was.

Het vonnis bevat twee relevante lessen voor toekomstige bestuurders B.

Initieel bedrog is geen permanente verdediging

Bestuurder B bevond zich in een weinig benijdenswaardige situatie. Samen met andere bestuurders heeft hij geïnvesteerd in een vennootschap, waarvan nadien blijkt dat de oprichter-bestuurder voor geen haar te vertrouwen is. De rechtbank erkent deze situatie, maar maakt tegelijk kristalhelder dat deze pijnlijke vaststelling geen permanente verdediging biedt tegen een latere bestuurdersaansprakelijkheid. Eens de realiteit inzinkt, dienen de bestuurders te handelen op basis van de informatie waarover zij op dat ogenblik beschikken (overweging 5.10.7.: “Aanvankelijk konden tweede en derde verweerder wijzen naar eerste verweerder die kennelijk correcte informatie achterhield, doch dit is eindig.”).

Bestuurders die desondanks verderzetten, mede gelet op hun positie als aandeelhouder, riskeren aansprakelijk te worden gesteld, ook al werden zij initieel misleid (overweging  5.3: “Begin 2024 maakten nieuwe tegenvallende resultaten en de reeds bestaande schuldenlast evenwel duidelijk dat de insolventie van de vennootschap onafwendbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank had het uitzichtloos karakter op dat ogenblik voor iedere zorgvuldig handelende bestuurder gekend moeten zijn. Enkel de derde verweerder, als enige bestuurder zonder aandeelhoudersbelang, heeft deze realiteit tijdig onderkend en zijn bestuursmandaat neergelegd op 23 januari 2024, nadat hij op 16 januari 2024 de onverbloemde financiële rapportage ontving. Tweede verweerster heeft de onderneming wel verder gezet omdat zij als investeerder tegen beter weten in, te lang de hoop heeft gekoesterd om haar investering niet te verliezen en heeft kennelijk niet meer rationeel gehandeld.”).  

B-bestuurder maakt geen B-verantwoordelijkheid    

Bestuurder B maakt deel uit van een collegiaal bestuursorgaan, waarin bestuurder A buiten de lijntjes kleurt. Biedt het “statuut” als B-bestuurder, ter vertegenwoordiging van B-aandeelhouders, enige bescherming aan B? De centrale overweging (overweging 5.10.6) van de rechtbank ter zake verdient volledig geciteerd te worden.

“In conclusie stelt tweede verweerster onder meer nog dat zij “uiteindelijk een rol opnam als investeerder-bestuurder (enig B-bestuurder)”. Tweede verweerster lijkt zich onvoldoende rekenschap te hebben gegeven dat zij deel uitmaakte van een collegiaal bestuur en dat zij net zoals de “founder” (oprichter) een eigen verantwoordelijkheid had als bestuurder. Ongeacht of men A-bestuurder of B-bestuurder was. Het uitgangspunt dat eerste verweerder als “founder” of oprichter een andere bestuurstaak of verantwoordelijkheid zou hebben gehad dan tweede en derde verweerder, kan niet worden gevolgd. Binnen een collegiaal bestuursorgaan rust niet alleen op iedere bestuurder een eigen verantwoordelijkheid voor het bestuur van de vennootschap. De collegialiteit verplicht de individuele bestuurder toezicht te houden op de medebestuurders. Tweede verweerder bouwt een argumentatie op alsof eerste verweerder een gedelegeerd bestuurder zou zijn, wat geenszins het geval was. Het bestuur van [SPEL] werd toevertrouwd aan een collegiaal bestuursorgaan. Er werd geen gedelegeerd bestuurder aangesteld of dagelijks bestuur geïnstalleerd. Conform de statuten had een zogenoemde “B-bestuurder” dezelfde bevoegdheden en verantwoordelijkheden als de overige bestuurders. Uit de stukken blijkt dat tweede verweerster zich overwegend als afgevaardigde van de investeerders heeft gedragen, eerder dan als bestuurder. Als een zogenoemde ‘business angel’ na haar inbreng toetreedt tot een collegiaal bestuur, dan is zij volwaardig bestuurder met alle daarbij horende verantwoordelijkheden. Van een bestuurder mag worden verwacht dat zij zich actief informeert over de toestand van de vennootschap. Zij kan zich niet beperken tot het passief afwachten van de informatie die door een medebestuurder of ‘founder’ wordt verstrekt. Zeker niet wanneer eerdere anomalieën werden vastgesteld en wanneer duidelijk is dat de mede-bestuurder onbetrouwbaar blijkt. De curator stelt dan ook volkomen terecht dat het bestuur “te licht over de precaire situatie [ging]”.

Besluit

Bestuurders kunnen om diverse redenen aan boord komen van een vennootschap. Wanneer zij deel uitmaken van een collegiaal bestuursorgaan is er geen plaats voor A, B, C, … bestuurders, althans niet wanneer het aankomt op het bepalen van de aansprakelijkheid ervan betreft. Bestuurder is bestuurder. Wanneer een overige bestuurder het spel niet correct speelt, kan dit niet als permanent excuus dienen (uit het uiteindelijke “resultaat” van het vonnis kan wel worden afgeleid dat de rechter enige “sympathie” had voor het lot van bestuurder B, m.n. bij de begroting van de concrete schadevergoeding – desalnniettemin blijven voorgaande principes hoogst relevant). Op dat ogenblik dienen onmiddellijk de maatregelen worden getroffen die zich opdringen, redenerend vanuit het vennootschapsbelang. In die zin is de ene bestuurder de andere wel (speling op L. Cornelis, “De ene bestuurder is de andere niet, ook niet in vennootschappen”, Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, 239- 258, die afsluit met volgende woorden: “Net zoals het sturen op openbare weg is het besturen van een vennootschap een risicovolle activiteit.”)

Souvenirs d’un avocat – Mémoires de Jean Van Ryn

Jean Van Ryn behoort zonder twijfel tot de meest vooraanstaande Belgische juristen van de twintigste eeuw. Voor vele juristen, en zeker zij die tot latere generaties behoren, is de mens achter de jurist evenwel steeds een enigma gebleven. Een zeldzame blik achter de schermen wordt nu geboden door de recente publicatie van het boekje Souvenirs d’un avocat – Mémoires de Jean Van Ryn. Zoals professor Xavier Dieux schrijft in zijn magistrale voorwoord (zie hieronder), maakt dit boekje het mogelijk d’approcher de plus près la personne — de man te leren kennen voorbij het oeuvre. Voor vennootschapsjuristen doen alvast de gedachten over Barcelona Traction watertanden.

Het huis van het Belgische recht kent vele kamers, en minstens een handvol ervan zijn vakkundig en blijvend ingericht door Jean Van Ryn. Zijn stempel is nog steeds zichtbaar in het vennootschapsrecht, het ondernemingsrecht en de rechtsleer in bredere zin. Voor wie beseft dat recht naast techniek ook een cultureel gegeven is, dat zich van generatie op generatie verderzet en verrijkt, is de lezing van dit boekje van harte aanbevolen. Het is een zeldzame gelegenheid om een groot jurist ook als mens te ontmoeten.

Recht in ontwikkeling – studiedagen Instituut Financieel Recht (UGent)

Zonder ongelukken zitten er belangrijke wijzigingen aan het WVV aan te komen. België moet een reeks Europese Richtlijnen omzetten, waaronder een Richtlijn Meervoudig Stemrecht (MVS), de Tweede Digitaliseringsrichtlijn en de Women on Board-Richtlijn, om de CSDDD zoals gewijzigd door Omnibus niet te vergeten, en minister van Justititie Verlinden heeft in haar beleidsverklaring  Justititie 2025-26 (Parl. St. Kamer Doc 56, 0767/017, p. 22) een evaluatie van het WVV op de agenda gezet. Minister Verlinden heeft aan het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht gevraagd te helpen bij het schrijven van een voorontwerp van wet ter omzetting van de MVS-richtlijn (zie reeds hier). Stijn Deschepper van de FOD Justitie houdt de pen, maar een gans BCV-team (waaronder ondergetekende) biedt input, en alle werkstromen worden gecoördineerd door Marieke Wyckaert, BCV-voorzitter.

Het Instituut Financieel Recht organiseert op 19 mei een studienamiddag waarop een aantal auteurs van het wetsontwerp de toekomstige wijzigingen aan het WVV toelichten, binnen het kader van de bestaande regelingen rond soortrechten, meervoudig stemrecht en intern reglement, waarvan de problemen eerst nog eens geschetst zullen worden.

De Richtlijn Meervoudig Stemrecht (MVS) (Richtlijn (EU) 2024/2810 van 23 oktober 2024) verplicht Lidstaten om meervoudig stemrecht in te voeren voor vennootschappen die op een MTF (Multilateral Trading Facility, beursplatformen die geen gereglementeerde markt zijn en soms bedoeld zijn voor “groeibedrijven”, zoals Euronext Growth ) willen noteren,. De MVS-Richtlijn is onderdeel van de Listing Act, die ernaar streefde de Europese kapitaalmarkten te verdiepen. De gedachte daarbij was dat oprichters van start-ups vlugger naar de beurs zouden trekken indien zij via MVS de controle kunnen behouden. Maar terecht heeft men in België geoordeeld dat er geen reden is om meervoudig stemrecht alleen voor op een MTF genoteerde vennootschappen mogelijk te maken.  In België is sinds 2019 (invoering WVV) meervoudig stemrecht mogelijk bij niet-genoteerde vennootschappen, en dubbel loyauteitsstemrecht bij genoteerde vennootschappen. Men wil de MVS-Richtlijn nu zo omzetten dat meervoudig stemrecht ook mogelijk wordt bij genoteerde vennootschappen, met een maximummultiplicator van 20 stemmen per aandeel (naast het loyauteitsstemrecht dat uiteraard niet wordt afgeschaft als mogeljkheid).

Maar omdat aandelen met meervoudig stemrecht een aparte soort van aandelen (in de technische betekenis van art. 7:60 WVV) zijn, moeten de soortwijzigingsregels uit het WVV (art. 7:155) aangepast worden om de invoering van meervoudig stemrecht beursvennootschappen mogelijk te maken, zeker nu dit niet alleen pre-IPO maar ook “midstream”, na de beursgang, mogelijk moet zijn. De wetgever heeft in 2019 geprobeerd de soortwijzigingsregels te verduidelijken en vereenvoudigen, maar heeft toen helaas ook nieuwe interpretatieproblemen gecreëerd. In de praktijk  klaagt men dat de nieuwe regels te vaak moeten toegepast worden en dan te vaak een blokkeringsmogelijkheid geven aan een minderheid van aandeelhouders. De omzetting van de MVS-Richtlijn zal daarom ook gebruikt worden om de soortwijzigingsregels grondig bij te spijkeren, zodat bv. ook verduidelijkt wordt hoe men meervoudig stemrecht kan invoeren zonder nieuwe aandelen  uit te geven, maar ander stemrecht te geven aan sommige maar niet alle van de bestaande aandelen (“soortsplitsing”).

België is niet alleen verplicht de MVS-Richtlijn om te zetten (tegen eind 2026), maar moet ook dringend werk maken van de aanpassing van het WVV aan arresten van het Grondwettelijk Hof over het intern reglement en over de verjaringstermijnen voor een aantal vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen. Zo moet men ook buiten de coöperatieve vennootschap de mogelijkheid krijgen om in een intern reglement aangelegenheden te regelen die verband houden met de rechten van aandeelhouders (bv. winstverdelingsafspraken in vennootschappen van vrije beroepers), maar uiteraard moet dit met de nodige waarborgen voor aandeelhouders omkaderd  worden. Het is de bedoeling dit in hetzelfde voorontwerp van wet te regelen.

Al deze cruciale wijzigingen aan het WVV (meervoudig stemrecht; soortwijzigingen; intern reglement) komen aan bod op een studienamiddag van het Instituut Financieel Recht van de UGent op 19 mei 2026 .  Op dezelfde namiddag wordt ook die andere belangrijke Richtlijn, de CSDDD na Omnibus, besproken.

Het Instituut Financieel Recht zou zijn naam uiteraard geen eer aan doen indien het niet ook studienamiddagen over bank-en financieel recht zou organiseren: de aftrap wordt gegeven op 31 maart met een dag over consumentenbescherming in het financieel recht. Op 21 april volgt een namiddag over cryptofinance en op 2 juni komen een aantal transversale thema’s uit het financieel recht aan bod, zoals de opgang van private credit en ontwikkelingen in de effectiseringsmarkt of nog het toezicht op en de afwikkeling van financiële instellingen.

Hans De Wulf, Instituut Financieel Recht, UGent

Meer informatie over het programma van de cyclus en de inschrijvingsmogelijkheden vindt u op https://gandaiusacademy.ugent.be/2026/ifr-dagen

Aandeelhoudersleningen in grensoverschrijdend verband. De lidstaat is meester van de boedel (Hof van Justitie 19 maart 2026)

Stel: een Belgische aandeelhouder verstrekt een lening (onderworpen aan Belgisch recht) aan een Duitse vennootschap. In de maanden voorafgaand aan de opening van een Duitse insolventieprocedure m.b.t. de Duitse vennootschap worden een aantal betalingen gedaan ter aflossing van de lening. Het risico van de Belgische aandeelhouder neemt hierdoor af.

In de Duitse insolventieprocedure wil de Belgische aandeelhouder voor het saldo van de lening een schuldvordering indienen. De Duitse curator zegt: “niet zo snel, uw schuldvordering – Belgische aandeelhouder – wordt niet toegelaten en bovendien zou ik graag alles terugkrijgen wat u recent hebt ontvangen. De rechtsbasis, zo vraagt u: § 39 en § 135 Insolvenzordnung.”  

Ziedaar de (naar een Belgische context aangepaste) feiten die ten grondslag liggen aan het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2026. Dit arrest is uitgesproken met toepassing van de oude Insolventieverordening maar het resultaat blijft identiek gelden onder de nieuwe Insolventieverordening

Naar Duits recht (lex fori concursus) zijn de vorderingen van de (in ons voorbeeld Belgische) aandeelhouder “vorderingen van lagere rang” waarbij “de ter zake bevoegde rechter schuldeisers die lager in rang staan niet heeft verzocht hun vorderingen in te dienen, hetgeen een voorwaarde is voor hun deelname aan de insolventieprocedure” (nr. 18 arrest). De eerder verrichte aflossingen moeten aan de boedel worden terugbetaald (nr. 19 arrest).

De Belgische aandeelhouder, lichtjes verontwaardigd, antwoordt: “niet zo snel, ik ken die regeling waar u zo enthousiast naar verwijst helemaal niet, en het toepasselijke Belgische recht kent deze regeling evenmin. Gelieve niet moeilijk te doen.”

Wat domineert? De lex fori concursus of de lex causae? Dit vereist een analyse van het samenspel tussen art. 13 (17) InsolVo enerzijds en art. 4 (7), lid 2, onder m) InsolVo anderzijds.

Art. 4 (thans 7), lid 2, onder m):

Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

(m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen.

Art. 13 (thans 17)

Artikel 4, lid 2, onder m), is niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst dat:

(a) deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en

(b) het recht van die lidstaat in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.

Het mechanisme is duidelijk. Artikel 13 (17) voorziet in de mogelijkheid bepaalde (rechts)handelingen te immuniseren voor het toepasselijke insolventierecht, door ze aan het recht van een andere lidstaat te onderwerpen (zie de commentaar van Gillis Lindemans op het arrest Vinyls). Een ideale ontsnapping voor de Belgische aandeelhouder, zo lijkt.

Toch niet, zo blijkt. Het Hof kadert de te beantwoorden rechtsvraag als volgt:

“In dat rechtskader moet de eerste vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.

Vervolgens geeft het Hof een restrictieve invulling aan art. 13 (17):

“Hieruit volgt dat, aangezien artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 een uitzondering vormt op artikel 4, lid 2, onder m), van die verordening, de werkingssfeer ervan beperkt is tot het in die bepaling genoemde geval, namelijk wanneer de vraag naar het toepasselijke recht betrekking heeft op de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen, en niet wanneer het gaat om de regels die zien op welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar of welke rangindeling zij hebben.”

Het Hof geeft hiermee aan dat de uitzonderingsbepaling van art. 13 (17) geen betrekking heeft op de rangorde en de volgorde van verdeling van vorderingen, en besluit als volgt:

“Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich niet op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.”

Uit dit arrest kan worden afgeleid dat elke lidstaat meester is van de boedel, en kan bepalen welke schuldeisers (en in welke volgorde) worden toegelaten tot de boedel, waarbij deze keuze zich ook opdringt aan rechtsverhoudingen onderworpen aan een ander recht. Lidstaten hebben hiermee een belangrijk instrument in handen om de ontsnappingsroute van art. 13 (17) te neutraliseren.

Het Hof heeft zich beperkt tot dit antwoord, zonder de bijkomende vragen te beantwoorden. Zo blijft m.i. de vraag open of het recht dat van toepassing is op een lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap aan de vennootschap is verstrekt, wordt beheerst door het vennootschapsrecht of het insolventierecht, en de impact daarvan op de vestigingsvrijheid (zie daarover, A. Van Hoe en M. Vanmeenen, “Shareholders’ loans at the crossroads between corporate and insolvency law : impact of the freedom of establishment on national insolvency law”, International Insolvency Law Review 2011, 468-479).

Klimaatrechtspraak: Ondernemingsrechtbank Henegouwen (afdeling Doornik) – 18 maart 2026

Gisteren heeft de Ondernemingsrechtbank Henegouwen een tussenvonnis geveld in de zgn. Farmer case. Het vonnis kan hieronder worden geconsulteerd. Voor een beknopte toelichting wordt verwezen naar deze post van Mr Guillaume Croisant.

Flitsbericht: Europese Commissie lanceert EU Inc.

Vandaag stelt de Europese Commissie het zgn. 28ste regime voor, dat voorziet in de introductie van een pan-Europese rechtsfiguur, aangeduid als “EU Inc.” De achtergrond van deze innovatie is genoegzaam gekend. Opeenvolgende rapporten van Europese prominenten hebben blootgelegd dat de beloftes van de interne markt slechts gedeeltelijk gerealiseerd zijn. Een nieuwe, Europese, rechtsfiguur, die vlot opgericht kan worden, en zonder frictie doorheen de Europese Unie kan bewegen, wordt geacht een deel van de oplossing te zijn. Het voorstel van de Europese Commissie is omvangrijk, en zal dra en veelvuldig het voorwerp uitmaken van nadere analyse. Watch this space.

Enkele aandachtspunten kunnen nu reeds worden vermeld:

  • Digitalisering en standaardisering zijn de ordewoorden; transactiekosten moeten lager, hetgeen onmiddellijk de vraag doet rijzen of dit dan ook niet kan/moet voor de nationale rechtsfiguren;
  • EU Inc. moeten worden aangevuld met nationaal vennootschapsrecht. Zal dit de globale doelstelling ondergraven?
  • EU Inc. voorziet in een duidelijk fiscaal regime voor aandelenoptieplan: geen belasting upfront maar bij realisatie van de onderliggende aandelen. Een oud zeer in België. Hoe houdbaar zal het zijn om deze regeling niet ook te voorzien voor nationale rechtsvormen?

Wie het voorstel van de Europese Commissie leest (en zeker kritische juristen), ziet onmiddellijk vele hindernissen. Of EU Inc. de golden bullet wordt ter ontsluiting van de interne markt zal dan ook in belangrijke mate afhangen van het voluntarisme waarmee dit instrument in de praktijk wordt toegepast en door de nationale wetgevers wordt behandeld.    

Masterclass insolventierecht

Binnenkort staat een nieuwe lezingenreeks gepland over actuele onderwerpen in het insolventierecht. Volgende onderwerpen passeren de revue.

  • Grensoverschrijdend insolventierecht (Arie Van Hoe en Nicolas Borreman, Cresco);
  • Aansprakelijkheidsrisico’s bij faillissement (Gillis Lindemans en Stijn De Dier, Quinz);
  • De positie van een schuldeiser in insolventiecontext (Dominique De Marez, Eubelius);
  • Distressed M&A in de praktijk (Frederik De Leo en Bart De Bock, NautaDutilh en A&O Shearman).

Nadere info over het voorwerp van de diverse voordrachten en praktische modaliteiten zijn hier te vinden.

Reorganisatieprocedures en het verleden: onontgonnen terrein

De onvolprezen Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijkend
en Internationaal Insolventierecht (NVRII) heeft recent de (open access) preadviezen 2025 gepubliceerd, onder de voor Belgische juristen intrigerende titel “Wegpoets WHOA or Scheme of Erasures?”. Rode draad doorheen deze adviezen is de vraag of/hoe (ook) reorganisatieprocedures achteruit moeten/kunnen kijken.

“Reorganization procedures are sometimes a better way to deal with insolvent companies than to liquidate the company. Reorganization procedures aim to capture the going concern value for creditors by ‘right-sizing the capital structure’ or providing creditors with a necessary and often overdue ‘hair-cut’. These metaphors do not take away that creditors are commonly forced to accept less than full payment on their claims. Not only the outcome of a reorganization procedure is markedly different from a liquidation procedure, but also the way of dealing with the past is quite different. In case of liquidation procedures, an appointed Insolvency Practitioner will review transactions conducted prior to insolvency through the lens of transaction avoidance and review behaviour of directors and shareholders through the lens of liability. Reorganization procedures are so much geared towards saving the business and the company and are thereby so much forward-looking that there appears to be little room for looking back. One could even question whether a less noble goal of starting reorganization procedures might in some cases be to prevent looking back.”

Aan deze rode draad worden drie interessante rapporten gewijd. Voor de Belgische lezer is dit zeer interessant want de vraag of reorganisatieprocedures voldoende achteruit kijken, is niet of nauwelijks geproblematiseerd onder Belgisch recht. Anders gesteld: daar waar het faillissementsrecht zowel naar het verleden (en voor een belangrijk deel) als naar de toekomst kijkt, richt het reorganisatierecht zich bijna uitsluitend op de toekomst (en de “verdeling” van deze veronderstelde toekomst). Lezing van de rapporten doet minstens de vraag rijzen of de historische dimensie prominenter aan bod moet komen in het Belgische reorganisatierecht.

De wijze jeugd aan het woord. Over de toekomst van het vennootschaps- en financieel recht

Cashpoolovereenkomsten zijn efficiënte tools voor het liquiditeitsbeheer binnen vennootschapsgroepen, dat staat vast. Maar wist u ook dat ze bijzondere risico’s met zich meebrengen, niet in het minst wanneer ze in stand worden gehouden wanneer de groep of een deel ervan in financiële moeilijkheden verzeild geraakt. De persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders loert in dergelijke gevallen om de hoek. Waar ligt evenwel de grens tussen efficiënt liquiditeitsbeheer en misbruik van een groepsstructuur?

Dat het WVV belangrijke versoepelingen met zich bracht, onder meer op het vlak van de variaties die aan de rechten van aandeelhouders kunnen worden aangebracht, staat niet ter discussie. Eén van de drijfveren voor zoveel soepelheid was om investeringen aan te trekken of minstens in België te houden en investeerders niet noodzakelijk juridische omwegen te moeten zien maken langs buitenlandse vehikels. De private equity sector, met Luxemburg als traditioneel gastland, was hierbij een duidelijke target. Is ons WVV evenwel flexibel genoeg om deze sector te accommoderen? En zo ja, zijn de belangen van schuldeisers en minderheidsaandeelhouders dan wel nog voldoende beschermd?

Wat Central Securities Depositors (CSD’s) doen, was voor de plannen van de Europese Commissie met de in België aangehouden Russische tegoeden voor velen onbekend. Hun rol is nochtans vanuit vele opzichten cruciaal, zowel vanuit het perspectief van het vennootschaps- als het financieel recht. In belangrijke mate onontgonnen terrein in België was lange tijd de vraag naar de impact van incidenten in de “chain of intermediaries” (i.e. de ketting van aan de CSD tot de eigenlijke effectenhouder) op de rechten van aandeelhouders. Ondertussen dringt de vraag zich op of de DLT-technologie op dat vlak niet voor een aanzienlijke vereenvoudiging zou kunnen zorgen.

De aansprakelijkheid van de kredietverlener; een evergreen in het Belgisch privaat bankrecht. Zorgt de spectaculaire omwenteling in het regelgevend kader voor kredietinstellingen van de voorbije jaren, en in het bijzondere de prominente plaats die ESG-overwegingen in die regelgeving heeft ingenomen, voor een wijziging in de traditionele theorie over de aansprakelijkheid van de kredietverlener? Kunnen banken straks aansprakelijk worden gesteld wanneer blijkt dat zij, al dan niet in strijd met eigen publieke aankondigingen, krediet verlenen voor activiteiten die internationale milieunormen of de mensenrechten schenden? Wat is de mogelijke impact op de kredietverlening?

Bovenstaande vier thema’s stonden centraal in het doctoraatsonderzoek van vier recent gedoctoreerden van het Instituut Financieel Recht (IFR) van de UGent. Omdat het IFR trots is op haar alumni en we de enorme kennis en inzichten die ze de voorbije jaren hebben verzameld graag met het ruime publiek willen delen, organiseren we op 4/12 aanstaande een seminarie waarin de vier doctores het woord nemen. Ze nemen ons mee doorheen hun belangrijkste bevindingen, linken deze aan de juridische actualiteit en hebben bijzondere aandacht voor de praktische implicaties van hun onderzoek. De uiteenzettingen zijn ook online beschikbaar als een on demand webinar.

Doc-serie Vennootschaps- en financieel recht
Donderdag 4 december 2025 – 16.30 – 19.30 uur – Gent
Eveneens beschikbaar als online webinar
Deelnemers aan het seminarie of het webinar ontvangen 15% korting op de aankoop van de commerciële uitgave van de proefschriften van de sprekers.
Info en inschrijvingen https://gandaiusacademy.ugent.be/programma/rechtsdomeinen/2025-2026doc-ven-fin

Vennootschapsrechtelijke aandachtspunten bij groepsfinanciering
Dr. Louis De Meulemeester, advocaat bij Clifford Chance LLP

Agency conflicten in private equity-investeringen
Dr. Liselotte Van Coillie, advocaat in het fund structuring team van Argo Law

Ketens van tussenpersonen en Distributed Ledger Technologie (DLT) in de kapitaalmarkten
Dr. Louise Van Marcke, advocaat bij DLA Piper’s Financial Services & Insurance team en Praktijkassistent UGent

Bankaansprakelijkheid voor milieuschade en mensenrechtenschendingen
Dr. Niels Rogge, Praktijkassistent UGent

Wet houdende titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van boek 9 “Zekerheden” van het Burgerlijk Wetboek

Vandaag werd de wet houdende titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van boek 9 “Zekerheden” van het Burgerlijk Wetboek gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

“Alle eer en lof voor deze hervorming zijn voor wijlen Professor Eric Dirix, die het eerste ontwerp van deze wet schreef. We hadden er veel voor over gehad om dit met hem te mogen meemaken. Niet omwille van de persoon, maar omwille van de inhoud, die bij Eric Dirix altijd centraal moest staan. Van die inhoud durven we in bescheidenheid hopen dat die zo goed mogelijk is” (Vincent Sagaert).

Wie zich wil voorbereiden op de inwerkingtreding van deze wet, kan gebaat zijn met deze studiedag.

Het vennootschapsrecht als motor voor maatschappelijke verandering?

ESG mag dan al dood verklaard zijn, het debat over duurzaamheid blijft springlevend. Het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht organiseert dit najaar vier (fysieke) ronde tafels met als centraal onderwerp “Het vennootschapsrecht als motor voor maatschappelijke verandering?”:

  • “De fundamenten van het vennootschapsrecht herbekeken” – woensdag 24 september 2025;
  • “Zorgplichten gisteren, vandaag en post CSDDD” – vrijdag 17 oktober 2025;
  • “Aandeelhoudersactivisme en duurzaamheid” – donderdag 20 november 2025;
  • “Waar staan we met de duurzaamheidsrapportering voorgeschreven door de CSRD” – dinsdag 16 december 2025.

Het aantal plaatsen is beperkt, maar er is mogelijkheid tot digitale deelname.

Kostprijs:

  • Leden van het BCV nemen gratis deel;
  • Niet leden betalen 50,- EUR per ronde tafel. Wie inschrijft op de vier ronde tafels, betaalt 150,- EUR.

Voor alle details over de onderscheiden sessies (inclusief de line-up van sprekers) en praktische informatie wordt verwezen naar onderstaande folder.

​​​De gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord – grote ondernemingen

Vandaag mocht ik een presentatie geven over de belangrijkste regels inzake de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord, stelsel grote ondernemingen. De presentatie beoogt enig inzicht te bieden in de fundamentele bouwstenen van een dergelijke collectief akkoord. De slides kunnen hieronder worden geconsulteerd.

Sire, er is geen samenloop meer (Cassatie 28 april 2025)

In haar magistrale proefschrift beschrijft M. Grégoire de (gevolgen van de) samenloop als volgt (p. 28, nr. 41):

Au moment de sa réalisation, chaque créance s’empare de la part abstraite du patrimoine qui peut lui être attribuée en fonction de l’importance des autres droits en concours. La procédure consécutive ne fait que concrétiser ce partage intellectuel. L’équilibre entre les droits en concours est donc fixé, par exemple, au moment du jugement déclaratif de faillite, de l’homologation du concordat par abandon d’actif, ou encore de l’assemblée générale qui décide de la mise en liquidation de la société.

In minder elegante (eigen) bewoordingen gesteld: de samenloop legt de onderlinge rangschikking der schuldeisers vast en bepaalt wat de schuldeisers – in functie van deze rangschikking – zullen ontvangen in het kader van de relevante procedure (vgl. Dirix/de Corte, Zekerheidsrechten, p. 37, nr. 41: “Vanaf dat ogenblik [samenloop] worden de aanspraken van de schuldeisers in hun onderlinge verhouding onherroepelijk vastgelegd (het fixatiebeginsel“).

Laten we dit principe toepassen op volgende casus: op 30 juni 1983 verleent een bank een krediet aan een vennootschap. Enkele weken later (meer bepaald op 13 juli 1983) wordt de hypotheek netjes ingeschreven. Op 12 september 2011 wordt de schuldenaar failliet verklaard. De afwikkeling van het faillissement – zo gaat dat nu eenmaal – vergt enige tijd. Op 13 juli 2013 vervalt de hypothecaire inschrijving, bij gebrek aan hernieuwing. In 2016 wordt het onroerend goed verkocht. Bij de verdeling van de opbrengst ervan wordt geen rekening gehouden met de hypotheek zoals ingeschreven op 13 juli 1983. Quid?

Wanneer we teruggrijpen naar de inleidende citaten is het antwoord helder: op 12 september 2011, dag van het openvallen van het faillissement, was er wel degelijk een aan de boedel tegenstelbare hypotheek, en aangezien de race tussen de schuldeisers wordt beslecht op die dag, hebben latere gebeurtenissen geen invloed op de rangschikking tussen de schuldeisers. Veel juristen zouden deze casus in die zin oplossen en studenten zouden voor dit antwoord goede punten krijgen (maar deze casus zou zeker niet de moeilijkste vraag op het examen zijn).

Komen we evenwel tot het cassatiearrest van 28 april 2025. Met dit arrest, en in zeer duidelijke bewoordingen, besluit het Hof van Cassatie tot een totaal andere uitkomst. De kernoverwegingen van het Hof luiden als volgt:

Il suit de la combinaison de ces dispositions que, si le jugement déclaratif de faillite entraîne le dessaisissement du débiteur et fait naître un concours entre les créanciers, seuls les droits des créanciers chirographaires et privilégiés généraux sont cristallisés au jour de la faillite.

Il s’ensuit que, lorsque le délai de validité de l’inscription hypothécaire prise par un créancier expire après le jugement déclaratif de la faillite du débiteur, ce créancier est tenu de procéder au renouvellement de son inscription pour conserver son droit de préférence jusqu’à ce qu’il soit reporté sur le prix du bien hypothéqué.

De zekerheid van de samenloop blijkt plots niet zo zeker te zijn voor de hypothecaire schuldeiser (en bij uitbreiding andere titularissen van bijzondere zekerheden). Vanuit doctrinair oogpunt laat dit arrest zich maar moeilijk inpassen in de theorie van het insolventierecht, zoals deze de voorbije decennia gaandeweg vorm heeft gekregen (zie, E. Dirix, Van alle markten. Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, p. 415, nr. 4 (met verwijzing naar Thomas Jackson): “Wat de zakelijke zekerheidsrechten betreft, is de opening van de procedure het moment waarop hun faillissementsbestendigheid moet worden vastgesteld en hun rangorde bepaald.“).

Sire, er is geen samenloop meer.

Edit – met toevoeging van het arrest, zoals gepubliceerd na de initiële post.