De schaduw van het W.Venn.

Een post door gastblogger Dr. Thijs Vancoppernolle

De zomer staat voor de deur. Misschien overweegt u grote kuis te houden in uw boekenkast en heeft u uw geannoteerde exemplaren van het oude W.Venn in gedachten al tot het oud papier veroordeeld. Het nieuwe WVV is immers al meer dan een jaar in werking; wat zouden die oude vodden u dus nog kunnen opleveren?

Minute papillon, u vergeet het overgangsrecht. Continue reading “De schaduw van het W.Venn.”

Overgangsonrecht

Over enkele verrassende gevolgen van het (gebrek aan) overgangsregime in het WVV

Onder het W.Venn. kon een statutaire zaakvoerder van een BVBA enkel worden ontslagen met unanimiteit. Een kleine participatie in handen van die zaakvoerder volstond met ander woorden om het eigen ontslag te kunnen vetoën.

Bij het ontkurken van de champagne bij nieuwjaar 2020 stond deze statutaire zaakvoerder aan het hoofd van een BV. Als deze zaakvoerder geen participatie heeft van méér dan 25% van de stemmen zou er echter wel eens weinig reden tot vieren kunnen zijn. Onder het WVV kan een statutaire zaakvoerder immers worden afgezet met een meerderheid van 75%.

Dit is slecht één frappant voorbeeld van hoe de onmiddellijke toepassing van het WVV partijen de bescherming die ze hadden bedongen en cours de route kan ontnemen. Continue reading “Overgangsonrecht”

Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen

Art. 39 Invoeringswet WVV

Gisteren, 1 januari 2020, werd het WVV van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen.

Soms wordt wel eens gehoord dat enkel de dwingende bepalingen op 1 jan. van toepassing zouden worden. Dat is een verkeerde lezing van (het eigenaardig geformuleerde) art 39 § 2 van de invoeringswet: Continue reading “Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen”

Kan het WVV worden toegepast vóór het van toepassing is?

Volgens antwoord op parlementaire vraag: ‘ja’

‘Oude’ vennootschappen kunnen vóór 1 januari 2020 vrijwillig kiezen voor de toepassing van het WVV. Voor de werking in de tijd van deze opt-in koos art. 39 van de Invoeringswet van 23 maart 2019 voor een regime dat afwijkt van het gemeen recht inzake vennootschapsbesluiten. In het gemeen recht is de publicatie van het besluit enkel relevant voor de tegenwerpelijkheid aan derden, zonder dat publicatie een voorwaarde is voor het verbindend karakter van dit besluit. De Invoeringswet maakt de toepassing van het WVV conform het besluit tot opt-in afhankelijk van de publicatie. Zie hierover elders hier en hier.

In een antwoord op een schriftelijke vraag van mevr. Leen Dierick (CD&V) geeft de minister van justitie een creatieve interpretatie die de regel terug doet aansluiten bij het gemeen recht, waar publicatie enkel een derdenbeschermende functie heeft.

Vraag:

“Het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen trad op 1 mei 2019 in werking. Voor een op 1 mei 2019 bestaande vennootschap of vereniging is het Wetboek voor het eerst van toepassing op 1 januari 2020. Bestaande vennootschappen en verenigingen kunnen echter beslissen om de bepalingen van het Wetboek toe te passen voor 1 januari 2020 (de opt-in). Deze beslissing vereist een statutenwijziging. Kan men na een opt-in waartoe een buitengewone algemene vergadering zou beslissen, overeenkomstig de door het Wetboek van vennootschappen voor statutenwijzigingen voorgeschreven vereisten, op andere punten statutenwijzigingen doorvoeren overeenkomstig de bepalingen van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen onder de opschortende voorwaarde van de publicatie van de beslissing tot opt-in?”

Antwoord: Continue reading “Kan het WVV worden toegepast vóór het van toepassing is?”