Wiskunde voor gevorderden: aandachtspunten voor schade bij post-acquisitiegeschillen

De variaties op feiten die in de praktijk aanleiding geven tot post-acquisitiegeschillen zijn eindeloos. Zo kan worden gedacht aan niet-concurrentieverplichtingen, het opduiken van latente schulden, een verkeerde voorstelling van het vennootschapsvermogen in de referentiebala.ns, etc. Hoewel ze feitelijk verschillen, zijn al deze variaties gebaseerd op eenzelfde basisprincipe.

Een begin van analyse start namelijk vanuit het principe dat het voorwerp van de SPA de aandelen van de doelvennootschap zijn en dus niet de concrete vermogensbestanddelen van de vennootschap: het juridische en economische voorwerp van de overeenkomst is niet hetzelfde. De remedies uit het gemeen kooprecht (zoals vrijwaring voor uitwinning of de bescherming tegen verborgen gebreken) zijn dan ook onvoldoende aangezien deze enkel betrekking hebben op de aandelen zelf en niet de onderliggende vermogensbestanddelen van de vennootschap.

Nochtans zullen eventuele geschillen ná de overname tussen de koper en verkoper in het overgrote merendeel van de gevallen concrete vermogensbestanddelen van de doelvennootschap als voorwerp hebben. Zo zal de koper van de aandelen van de doelvennootschap die bijvoorbeeld plots geconfronteerd wordt met een verkoper die concurrerende activiteiten uitoefent, zich niet kunnen beroepen op de vrijwaring voor uitwinning aangezien de handelszaak een concreet vermogensbestanddeel van de vennootschap is. Uiteraard kent de contractuele praktijk verklaringen en waarborgen om aan deze problematiek tegemoet te komen. In vrijwel elke SPA zullen de partijen (en voornamelijk de koper) via deze clausules de brug proberen te slaan tussen het vennootschapsvermogen en de aandelen. De koper krijgt onder de overeenkomst op die manier een kapstok toegereikt om een schadevergoeding te vorderen wanneer er na de overname een lijk uit de kast valt.

Wat echter regelmatig uit het oog verloren wordt in dit type van overeenkomsten, is dat ook voor die schadevergoeding de nodige contractuele bepalingen dienen te worden opgenomen om remedies op basis van de verklaringen en waarborgen in een later geschil tanden te geven. Ook op het niveau van de schade heeft het verschil tussen het economische en juridische voorwerp van de overnameovereenkomst namelijk gevolgen. Bij gebrek aan aan contractuele bepalingen zien we in grote lijnen een drietal problemen:

Continue reading “Wiskunde voor gevorderden: aandachtspunten voor schade bij post-acquisitiegeschillen”

Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen

In een arrest van 4 december 2020 (C.19.0342.N) oordeelde het Hof van Cassatie over de schadebegroting van de persoonlijke schade in hoofde van de koper bij een post-acquisitie geschil. Het Hof bevestigt hierin dat het verschil tussen de werkelijke financiële situatie van de vennootschap enerzijds en een overschatting van deze financiële situatie in de referentiebalans anderzijds niet zomaar gelijk te stellen valt met de schade van de koper van de doelvennootschap. Continue reading “Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen”

Verjaring bestuursaansprakelijkheid: wettelijke verankering van ‘fraus omnia corrumpit’ niet zo vanzelfsprekend

Art. 2:143, §1, vierde streepje t WVV

1. Art. 2:143, §1, vierde streepje van het WVV bevat volgende, op het eerste zicht vanzelfsprekende, verjaringstermijn:

“Alle rechtsvorderingen tegen leden van het bestuursorgaan, dagelijks bestuurders, commissarissen, vereffenaars, tegen de vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die één van de voornoemde functies bekleden, of tegen alle andere personen die ten aanzien van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen vanaf die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking ervan.”

Vertaald in verjaringsrechtelijke termen komt deze bepaling neer op het volgende: de vorderingen tegen leden van het bestuursorgaan (zowel bestuurders als dagelijkse bestuurders), de commissaris, vereffenaars en vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die deze functies uitoefenen verjaren na vijf jaar. Het principiële startpunt van deze verjaringstermijn is de verrichting die aanleiding geeft tot de vordering. Indien de verrichtingen die aanleiding hebben gegeven tot de vordering echter opzettelijk verborgen zijn gehouden, wordt de verjaringstermijn geschorst tot op het moment dat de verrichting ontdekt wordt. Dit is een wettelijke verankering van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”.

2. Deze bepaling is minder vanzelfsprekend dan die op het eerste zicht lijkt. Continue reading “Verjaring bestuursaansprakelijkheid: wettelijke verankering van ‘fraus omnia corrumpit’ niet zo vanzelfsprekend”