Zowel dwingend als aanvullend recht in het WVV van toepassing op ‘oude’ vennootschappen, verenigingen en stichtingen

Art. 39 Invoeringswet WVV

Gisteren, 1 januari 2020, werd het WVV van toepassing op bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen.

Soms wordt wel eens gehoord dat enkel de dwingende bepalingen op 1 jan. van toepassing zouden worden. Dat is een verkeerde lezing van (het eigenaardig geformuleerde) art 39 § 2 van de invoeringswet:

“Vanaf 1 januari 2020 […] zijn de dwingende bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van toepassing. Statutaire bepalingen die in strijd zijn met deze dwingende bepalingen worden vanaf die dag voor niet geschreven gehouden. De aanvullende bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden slechts van toepassing in zoverre zij niet door statutaire clausules worden uitgesloten.”

Dit moet zo begrepen worden dat gans het WVV vanaf 1 januari 2020 van toepassing werd op bestaande organisaties. De formulering maakt een onderscheid tussen bepalingen van dwingend en aanvullend recht, zonder echter aan dit onderscheid een andere regel van overgangsrecht te verbinden. De laatste zin zegt immers enkel dat het aanvullend recht van toepassing werd zolang er in de statuten niet werd afgeweken. De geciteerde bepaling had ermee kunnen volstaan te zeggen dat vanaf 1 januari 2020 de bepalingen van het WVV van toepassing zijn. Al de rest is niets meer dan uitleggen wat dwingend en wat aanvullend recht betekent.

Deze regeling wijkt overigens af van de gemeenrechtelijke regels inzake overgangsrecht waar wel andere regels bestaan voor dwingend en aanvullend recht. De gewone regel is immers dat nieuw aanvullend recht niét van toepassing wordt op bestaande rechtsverhoudingen. Enkel dwingend recht wordt in het gemeen overgangsrecht onmiddellijk van toepassing op bestaande rechtsverhoudingen. Als partijen niet uitdrukkelijk afwijken van het aanvullend recht, kan dit immers worden gezien als een positieve keuze vóór die regel. Het overgangsrecht van het WVV eerbiedigt deze keuze niet. 

Wellicht gebeurde dit laatste om pragmatische redenen. Vennootschappen zijn langdurende rechtsverhoudingen en bij een eerbiedigende werking zouden vennootschapsjuristen nog lang de aanvullende regels van het W.Venn. hebben moeten toepassen.

Het voorgaande betekent ook dat het W.Venn. helemaal werd opgeheven, tenzij waar art. 39 e.v. daar expliciet van afwijken. (Het lastigste voorbeeld van zo’n afwijking is de “coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die niet aan de definitie van coöperatieve vennootschap in artikel 6:1 beantwoordt”. Dit is lastig omdat art. 6:1 WVV niet meteen de meest heldere bepaling uit het WVV is. Dit betekent dat er bij een concrete CVBA onzekerheid kan bestaan over welke regel van toepassing is.)

Oude regels van dwingend recht uit het W.Venn. die niet werden hernomen – denk bv. aan de regels inzake eenhoofdigheid bij NV of BVBA – zijn dan ook niet langer relevant (tenzij uiteraard voor de beoordeling van feiten voorafgaand aan 1 januari 2020).

Vele statuten hebben wel de gewoonte – om pedagogische redenen – om het bestaande dwingende recht ter hernemen. In dit geval blijft dat dwingend recht gelden, zij het als statutaire en niet langer als wettelijke regel.

Samengevat zijn er de volgende hypotheses:

  • oude statuten hernemen een regel van aanvullend recht uit het W.Venn. die werd gewijzigd of afgeschaft: oud regel blijft van toepassing (tenzij die in strijd zou zijn met regel van dwingend recht uit WVV);
  • oude statuten zwegen over een regel van aanvullend recht uit het W.Venn. die werd gewijzigd : de nieuwe regel van het WVV werd van toepassing, ook is die enkel van aanvullend recht;
  • oude statuten hernemen een regel van dwingend recht die werd gewijzigd of afgeschaft: de oude regel blijft van toepassing, tenzij in de mate de nieuwe regels van het WVV strenger zijn;
  • oude statuten zwegen over een regel van dwingend recht uit het W.Venn. die werd gewijzigd of afgeschaft: de oude regel is niet langer van toepassing en wordt vervangen door de  regel (dwingend dan wel aanvullend) uit het WVV.

De toepassing van nieuw recht op oude statuten zal ongetwijfeld aanleiding geven tot rechtsonzekerheid en ongewenste effecten. Een snelle aanpassing van de statuten aan het WVV verdient voorkeur, ook al is dat pas verplicht in 2024. Wel mag die aanpassing van de statuten niet louter gezien worden als een neutrale oefening inzake corporate housekeeping. Soms zal het neerkomen op een heronderhandeling van de afspraken tussen de aandeelhouders.

Joeri Vananroye

Intertemporeel recht

Zie over het toepassingsgebied in de tijd van nieuwe regels het recent verschenen boek van Thijs Vancoppernolle over Intertemporeel Recht. De auteur promoveerde hierover als doctor aan de KU Leuven en is advocaat aan de Brusselse Balie (Quinz).

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s