Cassatie over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen

In een belangrijk arrest van 17 december 2019 (P.19.0845.N/7) heeft het Hof van Cassatie toelichting gegeven bij de materiële en morele toerekenbaarheid van misdrijven aan rechtspersonen. Artikel 5, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. De invulling van deze voorwaarden in de onstoffelijke context van rechtspersonen staat garant voor aangename discussies en uitgebreide conclusies.

Wat het materieel bestanddeel betreft, werd het bestreden arrest op volgende gronden aangevallen:

Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de aan de eiseres II.1 ten laste gelegde misdrijven van valsheid en belastingfraude materieel aan haar zijn toe te rekenen omdat die misdrijven een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van haar doel of de waarneming van haar belangen of, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor haar rekening zijn gepleegd; aan die voorwaarden is echter slechts voldaan indien de misdrijven voordeel of minstens geen nadeel aan de rechtspersoon opleveren, dan wel daarop gericht zijn; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat het door J P N opgezette fraudesysteem,  bestaande uit dubbele of zwarte facturatie, erop gericht was inkomsten of omzetten van de eiseres II.1 uit de boekhouding te houden en ze aldus aan haar te onttrekken, minstens die onttrekking te verantwoorden of te verbergen in haar boekhouding; het feit dat een deel van de zwarte omzet werd gebruikt om de zwarte lonen te betalen, doet daaraan geen afbreuk.

Cassatie volgt niet. Eerst het principe:

Opdat zou zijn voldaan aan de in het onderdeel vermelde voorwaarden van artikel 5 Strafwetboek is niet vereist dat de misdrijven, gepleegd door de natuurlijke persoon die handelt voor rekening van de rechtspersoon, enkel bedoeld zijn om de rechtspersoon te bevoordelen of minstens niet te benadelen, dan wel de rechtspersoon effectief enkel bevoordelen of minstens niet benadelen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Vervolgens de toepassing:

[het arrest oordeelt dat] de boekhoudkundig uit de omzet van de eiseres II.1 gehouden inkomsten ook een bedrijfsmatige finaliteit hadden die bijdroeg aan haar werking. Op grond van die redenen oordeelt het arrest vervolgens dat J P N niet handelde tegen de belangen van de eiseres II.1 in, maar in haar belang. Aldus is de beslissing dat de bedoelde misdrijven materieel aan de eiseres II.1 zijn toe te rekenen naar recht verantwoord.

Tweede stap, de morele toerekening. Hier werd de aanval als volgt ingezet:

Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de aan de eiseres II.1 ten laste gelegde misdrijven moreel aan haar zijn toe te rekenen, terwijl het enkel vaststelt dat die misdrijven zijn gepleegd door één leidend orgaan van de eiseres II.1 dat bovendien geen formeel mandaat had, het geen verder onderzoek doet naar de autonome verantwoordelijkheid of het opzet van de eiseres II.1 en het dat opzet enkel afleidt uit het strafbaar verwijtbare gedrag van de feitelijke  bestuurder.

Opnieuw vernietigt Cassatie niet. Eerst het principe:

Een misdrijf is moreel toe te rekenen aan een rechtspersoon, onder meer wanneer het volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de gezagsstructuur
van die rechtspersoon. Daarmee wordt ook een feitelijke gezagsstructuur bedoeld.
Niet vereist is dat het gezag noodzakelijk uitgaat van een natuurlijke persoon die een formeel mandaat heeft om leiding te geven aan de rechtspersoon.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Vervolgens de toepassing:

– de eiseres II.1 hield zelf bewust inkomsten uit haar boekhouding om deze vervolgens te gebruiken voor de zwarte lonen, zijnde om haar activiteiten buiten
boekhouding te financieren;
– de eiseres II.1 nam valse facturen op in haar boekhouding en gebruikte ze voor
het opstellen van haar jaarrekeningen, alsmede ten aanzien van de fiscale  administratie, banken en medecontractanten;
– de eiseres II.1 verkreeg een ongeoorloofd economisch voordeel ten opzichte van haar concurrenten;
– de eiseres II.1 en J P N beoogden op ongeoorloofde wijze minder vennootschapsbelastingen te betalen en deze dus ten dele te omzeilen, wat een bijzonder, fiscaal bedrieglijk opzet inhoudt;
– het systeem van zwarte lonen was structureel opgezet in het kader van de
eiseres II.1;
– het bedrieglijk opzet van de eiseres II.1 voor de te haren laste gelegde misdrijven
is bewezen;

Met die redenen leidt het arrest het moreel bestanddeel van de eiseres II.1 voor de te haren laste bewezen verklaarde misdrijven niet louter af uit het gedrag van haar werkelijke bestuurder J P N, maar onderzoekt het ook haar eigen moreel bestanddeel en oordeelt het dat dit bewezen is. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht.

Besluit: ook een rechtspersoon die zichzelf (ogenschijnlijk) verarmt door tussenkomst van een feitelijke bestuurder, kan tegen de strafrechtelijke lamp lopen.

 

 

 

 

 

Author: Arie Van Hoe

Lawyer (NautaDutilh), voluntary scientific collaborator (University of Antwerp)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s