Cassatie over tegenwerpelijkheid van kwijting aan curator: same old Story?

Cass. 18 juni 2021 (C.19.0255.N)

Op 18 juni 2021 velde het Hof van Cassatie een arrest over de tegenwerpelijkheid van een kwijting van bestuurders. Het Hof stelt daarbij dat “de kwijting niet aan de curator kan worden tegengeworpen wanneer hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 528 Wetboek van Vennootschappen instelt”.

Dit artikel betrof de schendingen van het wetboek of van de statuten. Het equivalent van art. 528 W.Venn. is art. 2:56 al. 3 WVV. Voor doeleinden van de behandelde vraag zijn er geen wijziging aan deze bepaling, zodat het besproken arrest ook onder het WVV relevant is.

Het WVV maakt wel beter duidelijk dat deze bepaling niet zozeer een grondslag voor aansprakelijkheid is, als wel de aard van de aansprakelijkheid (hoofdelijk of niet) regelt.

* * *

De aansprakelijkheidsvordering kaderde in een verkoop door de gefailleerde vennootschap, een bekende juridische uitgeverij, van haar handelsfonds aan een vennootschap met dezelfde aandeelhouders en bestuurders. Vermoedelijk vond de curator dat daarbij de voorwaarden van deze verkoop niet in het vennootschapsbelang waren.

Het Hof van Beroep te Gent naam aan dat de curator wel door de kwijting gebonden was. Immers, was de redenering, derden zijn niet gebonden door de kwijting. Maar als de curator vordert, aldus het Hof van Beroep, oefent hij de vordering van de vennootschap uit en is hij gebonden door exceptie die de vennootschap binden, zoals een geldige kwijting.

Dit gaat eraan voorbij dat er ook collectieve schade bestaat die de curator kan vorderen, zonder dat de vennootschap dit buiten faillissement kan vorderen. De boedel heeft aansprakelijkheidsvorderingen die de gefailleerde zelf niet zou hebben: boedelvorderingen (net zoals er boedelschulden zijn). Indien de boedel onrechtmatig wordt benadeeld heeft de boedel zelf hiervoor een boedelvordering. Doorgaans geldt dit voor handelingen die de gezamenlijke verhaalsrechten van de schuldeisers treffen en die ook het voorwerp uitmaken van de pauliaanse vordering. De gefailleerde die aan een paulianeuze handeling meewerkt, heeft zelf uiteraard geen vordering; de boedel echter wel omdat er sprake is van schade aan de boedel (Cass. 24 oktober 2002, RW 2002-03, 902 met concl. G. Dubrulle; Cass. 17 januari 2008 Pas. 2008, 130, TBH 2008, 321; 10 december 2008 Pas. 2008, 2907, concl. D. Vandermeersch; Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 370, noot J. Vananroye).

Een eventuele onrechtmatige sterfhuisconstructie waarbij het handelsfonds aan ongunstige voorwaarden wordt overgedragen aan insiders, is een schoolvoorbeeld van zo’n boedelschade, waar de boedel een vordering heeft waar de gefaillieerde die niet zou hebben.

* * *

Het sinds de eeuwwisseling klassiek onderscheid tussen externe en interne aansprakelijkheid, wordt bij faillissement dan ook best verfijnd. Binnen externe aansprakelijkheid kan een onderscheid worden gemaakt tussen aansprakelijkheid t.a.v. individuele schuldeisers en aansprakelijkheid t.a.v. de gezamenlijke schuldeisers. Dat onderscheid komt vooral aan de orde na faillissement, wanneer de rechten van de gezamenlijke schuldeisers in de faillissementsboedel zijn gebundeld. Het onderscheid is in het insolventierecht gekend als het onderscheid tussen individuele en collectieve schade. Vóór het faillissement kunnen individuele schuldeisers hun ‘deel’ in de collectieve schade individueel vorderen.

Na een faillissement wordt er best een onderscheid gemaakt tussen:

  • interne aansprakelijkheid t.a.v. de vennootschap;
  • externe aansprakelijkheid t.a.v. individuele derden; en
  • externe aansprakelijkheid t.a.v. de gezamenlijke schuldeisers (‘boedelschade’).

De curator zal in de regel zowel de interne aansprakelijkheidsvorderingen kunnen uitoefenen als de externe aansprakelijkheidsvordering voor boedelschade. Het voorwerp van beide vorderingen wordt collectieve schade genoemd.

* * *

Bij aansprakelijkheid t.a.v. de gezamenlijke schuldeisers (‘boedelschade’) oefent de curator geen vordering van de vennootschap uit en is de kwijting door de vennootschap hem dan ook niet tegenwerpelijk. In dat opzicht is het besproken cassatie-arrest evident en verre van nieuw. Al sinds het Unac-arrest (Cass. 12 februari 1981, Pas. 1981, I, 640, concl. R. Declercq, BRH 1981, 154) staat vast dat als de curator niet de schade van de vennootschap vordert, maar die van de gezamenlijke schuldeisers, de kwijting hem niet tegenwerpelijk is.

Er is een andere interpretatie mogelijk van het arrest waarbij de kwijting nooit tegenwerpelijk is aan de curator indien hij vordert op grond van een schending van de wet of de statuten.  Dat lijkt me niet de te verkiezen interpretatie. Waarom immers op dit punt een verschil maken tussen gewone bestuursfouten en fouten die ook een schending vormen van de wet of de statuten? Het “ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers” in het dictum waarmee we deze post begonnen, heeft m.i. dan ook een beperkende betekenis.

Zie hierover Beginselen van Organisatierecht, hoofdstuk 9, in het bijzonder randnrs. 111, 150, 152 en 161.

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s