Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!

Een post door gastblogger Sven Sobrie

Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is als zodanig geen rechtssubject. Zij kan – behoudens wettelijke uitzonderingen – geen drager zijn van rechten en verplichtingen. Dat betekent evenwel niet dat een dergelijke groepering niet kan deelnemen aan het rechtsverkeer. Wél is daarvoor wat intellectuele gymnastiek vereist. In groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is het niet de groepering als zodanig, maar zijn het de gezamenlijke leden, die titularis zijn van de rechten en verplichtingen van de groepering. Deelname aan het rechtsverkeer is dus perfect mogelijk, maar dan via het gezamenlijk optreden van de leden. Zo kan een werknemer geldig verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met een feitelijke vereniging, begrepen als het geheel van haar leden.

Een dergelijk ‘collectief optreden’ neemt in de praktijk doorgaans de vorm aan van één lid (de voorzitter, de secretaris, de penningmeester, …) die rechtshandelingen stelt als vertegenwoordiger van de individuele leden. Op die manier hoeft niet elke muzikant zijn krabbel te zetten wanneer de lokale fanfare beslist om een nieuwe trommel te kopen. Een mandaat kan voorzien zijn in de statuten of kan ad hoc worden toegekend, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend. Er kan zelfs sprake zijn van een schijnmandaat, indien aan alle voorwaarden daarvan is voldaan.

Procesrechtelijk gelden dezelfde principes. Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid kan als eiser of verweerder een procedure voeren, al is het dan niet de groepering als zodanig, maar wel de individuele leden, die procespartij zijn. Opnieuw krijgt dat doorgaans praktische uitwerking via een of andere vorm van vertegenwoordiging. De rechtspraak toont zich daarbij – terecht – veeleer soepel: wie in het algemeen belast is met bestuur en vertegenwoordiging van de groepering wordt doorgaans ook bevoegd geacht om namens de leden qualitate qua een geding te voeren. Een uitdrukkelijke procesvolmacht is dus niet vereist.

Wel dient men op te letten bij de formulering van de gedinginleidende akte. Een deel van de rechtspraak toont zich op dat punt immers wél formalistisch. Een geldig vertegenwoordigingsmandaat kan enkel gegeven worden door de individuele leden van groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid, en niet door de groeperingen zelf. Deze laatste bezitten immers geen rechtspersoonlijkheid en kunnen dus als zodanig geen rechtshandelingen (zoals het verlenen van een mandaat) stellen. Op die manier hangt alles af van de gebruikte bewoordingen. Men zal moeten optreden “in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de leden van de groepering zonder rechtspersoonlijkheid X”, in principe gevolgd door een opsomming van de individuele leden.  Indien in weerwil hiervan de groepering is aangeduid als lasthebber (“ten verzoeke van Y in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de groepering zonder rechtspersoonlijkheid X”), riskeert men dat de vordering alsnog onontvankelijk wordt verklaard bij gebrek aan hoedanigheid.  Hetzelfde geldt vanzelfsprekend ook aan de passiefzijde bij het procederen tegen een vertegenwoordiger van – de leden van – een groepering zonder rechtspersoonlijkheid. Elders hebben wij ons al kritisch getoond over dit, volgens ons nodeloos, formalisme.

Wat wanneer men niet alleen de leden achterwege heeft gelaten in de omschrijving van de procespartij, maar ook de identiteit van de vertegenwoordiger (“ten verzoeke van de groepering zonder rechtspersoonlijkheid X”)? Andermaal geldt daar – a fortiori – de sanctie der onontvankelijkeid. Recent nog bevestigde het Hof van Cassatie de onontvankelijkheid van een vordering ingesteld tegen “de Belgische Transportarbeidersbond FV, vakbond”, zonder meer.

De procesvoering namens of tegen een groepering zonder rechtspersoonlijkheid heeft dus veel weg van een Middeleeuwse rite, waarin sacrale bewoordingen een belangrijke rol spelen. Een slordige redactie van de dagvaarding kan kwalijke gevolgen hebben. Dat geldt in het bijzonder wanneer de verjaringstermijn op het punt staat te verstrijken: een vordering die onontvankelijk wordt verklaard, heeft immers geen stuitende werking gehad. De verjaringstermijn wordt geacht te zijn doorgelopen. Ook dit werd recent nog bevestigd door het Hof van Cassatie: voornoemde dagvaarding gericht tegen “de Belgische Transportarbeidersbond FV, vakbond” werd nadien gevolgd door een corrigerende dagvaarding gericht tegen de voorzitter-secretaris als vertegenwoordiger van (de leden van) deze vakbond. Het mocht evenwel niet baten: de verjaring was op dat moment reeds voltrokken. De eerste dagvaarding was weliswaar tijdig uitgebracht, maar zij had geen stuitende werking gelet op de onontvankelijkheid.

Kan dat allemaal niet wat eenvoudiger?”, horen wij u denken. Ook de wetgever heeft zich die vraag gesteld. De Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht – kortweg het nieuwe ondernemingsrecht – heeft aan het voorgaande een mouw gepast. Meer in het bijzonder wordt in art. 703 Ger.W. (dat de identificatie in rechte van rechtspersonen regelt) een tweede paragraaf ingevoegd, dat toelaat dat groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid voortaan in rechte worden gedagvaard, of zelf dagvaarden, onder de loutere vermelding van hun naam en zetel. De vermelding van (de identiteit van) de leden is niet langer vereist. Daarmee ontstaat een identificatievorm die gelijkaardig is aan die van rechtspersonen. Vergis u evenwel niet: in de memorie van toelichting wordt benadrukt dat het nog steeds die gezamenlijke deelgenoten zijn die de materiële procespartij zijn. De groepering verkrijgt dus geenszins rechtspersoonlijkheid; het zijn nog steeds de individuele leden die als partij in het geding zijn. Alleen hoeven zij niet meer te worden vermeld in de dagvaarding. De vermelding van de groepsnaam en de zetel volstaat.

Vereist is wel dat de groepering zonder rechtspersoonlijkheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven. Dat is geen verplichting. Voor groeperingen die zich niet laten inschrijven, blijft alles bij het oude. Daarmee maken zij het potentiële tegenpartijen dus wat lastiger om te dagvaarden, al dienen ook zijzelf dan nog steeds de nodige plichtplegingen te respecteren. Want wie een kuil graaft voor een ander, kan er ook gemakkelijk zelf invallen.

Dr. Sven Sobrie spreekt over de nieuwe regels over het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid op de studienamiddagen Nieuw Ondernemingsrecht te Leuven (vrijdag 19 oktober 2018) en te Brussel (maandag 5 november 2018)

Sven Sobrie

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s