De maatschap in fiscalibus: (on)verdeelde meningen over het afgescheiden vermogen

Een post door Desmyttere en Landuyt over VLABEL-beslissing over registratierechten bij inbreng in een maatschap

De maatschap is sedert haar receptie in België in de jaren ’90 uitgegroeid tot waarschijnlijk het belangrijkste instrument in het kader van de (familiale) vermogensplanning. Een maatschapsstructuur laat namelijk toe de controle over activa te splitsen van de economische rechten op deze activa, en dit op een fiscaal interessante wijze.

Het archetype is de situatie waarbij de ouders (een deel van) hun vermogen inbrengen in een maatschap en hun deelbewijzen – al dan niet in blote eigendom – schenken aan de kinderen. Daarbij betonneren ze zichzelf als zaakvoerder van de maatschap waardoor de kinderen niet kunnen beschikken over het ingebrachte vermogen. Na het overlijden van de ouders en de ontbinding en vereffening van de maatschap vloeit het vermogen dan in volle beschikking naar de kinderen, zonder dat er nog bijkomende erfrechten moeten worden betaald.

De maatschap heeft voor een controlesplitsing enkele voordelen ten aanzien van andere vennootschapsvormen. Vooreerst is er door het sterk suppletieve karakter van de maatschap meer vrijheid om de statuten naar eigen inzicht vorm te geven. Waarschijnlijk belangrijker is het fiscaal transparante karakter van de maatschap als niet-rechtspersoon in de inkomstenbelasting (i.t.t. de vennootschap-rechtspersoon die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen).

Ook na het WVV zal de maatschap als instrument van familiale vermogensplanning niet snel verdreven worden door andere vennootschapsvormen.[1] Dit is des te meer het geval nu de wetgever met de erkenning van het afgescheiden vermogen van de maatschap in het WVV een belangrijke juridische onzekerheid heeft weggenomen.

Waar het bij een zakenrechtelijk afgescheiden vermogen juridisch zeer duidelijk is dat de persoonlijke schuldeisers van de maten de maatschapsgoederen niet rechtstreeks kunnen uitwinnen, is dit minder het geval indien het afgescheiden vermogen niet wordt erkend en het vermogen louter een verbintenisrechtelijke constructie blijft.

Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid in hoofde van de maatschap vormde traditioneel het argument om de maten in een maatschap te kwalificeren als mede-eigenaar van de goederen behorende tot het “maatschapsvermogen”. De klassieke visie was dan ook dat de maatschap geen zakenrechtelijk afgescheiden vermogen had. Langzamerhand werd evenwel aan die premisse – voornamelijk in de rechtsleer – geknabbeld.

Artikel 1:1 WVV lijkt de discussie definitief te beslechten: ‘een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen [ ]’ Iedere vennootschap, ongeacht of zij rechtspersoonlijkheid heeft, beschikt aldus over een eigen, op basis van de wet erkend, vermogen. De oprichting van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de maatschap, voert dan ook een scheiding in tussen het vermogen van de deelgenoten en het vennootschapsvermogen. Voor de twijfelaars worden de principes van het afgescheiden vermogen in de artikelen 4:13 tot 4:15 WVV voor de maatschap nog even in detail bevestigd.

Dit is ook belangrijk in fiscalibus. De vraag of de maatschap nu wel of niet een afgescheiden vermogen heeft is al vele jaren een heikel punt bij de berekening van de registratierechten verschuldigd bij een inbreng van onroerende goederen in een maatschap.[2] Ook na de invoering van het WVV zijn alle onduidelijkheden daarover de wereld nog niet uit. Dit bleek andermaal uit een voorafgaande beslissing van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL), waarvan wij de feiten en conclusie ontleden in een recent nummer van het Notarieel en Fiscaal Maandblad.

Continue reading “De maatschap in fiscalibus: (on)verdeelde meningen over het afgescheiden vermogen”

Art. 703 § 2 Ger.W. : een geval van wettelijke vertegenwoordigingsmacht bij het optreden in rechte van vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid

Sven Sobrie, “Het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid”

Het optreden in recht van maatschappen en feitelijke verenigingen kwam eerder al hier en hier aan bod. Dr. Sven Sobrie (Omega Law) bespreekt het ook in zijn bijdrage in  Leerstukken Ondernemingsrecht dat net verscheen bij Intersentia. Zo bepreekt hij onder meer hoe het nieuwe art. 703 § 2 Ger.W. tegemoet komt aan de uitdaging om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gedaagde vertegenwoordiger van de organisatie te bewijzen:

“Artikel 703, § 2, tweede lid Ger.W. pakt het probleem van de bevoegde vertegenwoordiger aan. Indien de inschrijving in de KBO tevens de identificatiegegevens omvat van een algemeen lasthebber, kan de groepering in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen door tussenkomst van die lasthebber.

In wezen wordt op die manier een onweerlegbaar wettelijk vermoeden gecreëerd dat de algemeen lasthebber die in de KBO wordt vermeld, daadwerkelijk bevoegd is om namens de leden proceshandelingen te stellen en betekeningen te ontvangen. Zijn mandaat kan niet meer ter discussie worden gesteld en hoeft niet meer te worden bewezen. Indien de in de KBO vermelde lasthebber om een of andere reden niet vertegenwoordigingsbevoegd is, kan dat de tegenpartij niet verontrusten. Hoogstens komt dan de aansprakelijkheid van de lasthebber jegens de leden in het gedrang. De analogie met het Prokura-regime dringt zich op.

Het wettelijk onweerlegbaar vermoeden van de algemeen lasthebber geldt evenwel enkel voor de vertegenwoordiging in rechte. Het kan niet worden ingeroepen wanneer de lasthebber materiële rechtshandelingen stelt (bv. de aankoop van goederen voor rekening van de groepering). Toch kan de vermelding van een algemeen lasthebber in de KBO doorwerken naar de materieelrechtelijke sfeer. Wanneer de algemeen lasthebber materiële rechtshandelingen stelt voor rekening van de groepering, en nadien ontstaat er discussie over zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid, dan kan de contractpartij de vermelding in de KBO gebruiken om minstens een schijnmandaat aan te tonen in hoofde van de algemeen lasthebber met wie hij heeft gecontracteerd. Wie (wettelijk) vermoed wordt een procesmandaat te hebben, door een vermelding in de KBO, mag ook (feitelijk) vermoed worden een mandaat te hebben om materiële rechtshandelingen te stellen.

De lasthebber hoeft niet per se lid te zijn van de groepering, al zal dat natuurlijk doorgaans wel het geval zijn. Evenmin is het uitgesloten dat er meerdere lasthebbers worden vermeld in de KBO. In dat geval wordt elk van hen geacht volledig vertegenwoordigingsbevoegd te zijn om in rechte op te treden. Eventuele meerhandtekeningsclausules zijn niet tegenstelbaar aan de tegenpartij.

De algemeen lasthebber dient overigens niet per se als ‘algemeen lasthebber’ in de KBO te zijn vermeld. Wanneer de KBO de gegevens bevat van de ‘zaakvoerder’, ‘bestuurder’, ‘voorzitter’ … van de groepering, dan geldt deze persoon als algemeen lasthebber in de zin van artikel 703, § 2, tweede lid Ger.W.

De vermelding van een algemeen lasthebber in de KBO is geen verplichting. Dat is op zich niet problematisch. M.i. zal de niet-vermelding van een algemeen lasthebber weinig praktische consequenties hebben voor de procesvoering. De oplossing van het identificatieprobleem heeft immers ook het vertegenwoordigingsprobleem grotendeels ontmijnd. Aangezien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid voortaan geïdentificeerd kan worden aan de hand van haar benaming en zetel, en aangezien voortaan ook betekend kan worden aan de zetel, heeft de tegenpartij geen lasthebber meer nodig om zijn proceshandelingen tegen te richten. Hij kan zijn proceshandelingen rechtstreeks, en op eenvoudige wijze, richten tegen (en betekenen aan) de groepering, geïdentificeerd a.d.h.v. groepsnaam en zetel. De praktische beslommeringen die het gebruik van een lasthebber noodzakelijk maakten, zijn m.a.w. weggevallen, zodat meteen ook de identiteit van de bevoegde lasthebber veel minder relevant is geworden.

Andermaal dringt de analogie met de rechtspersoon zich hier op. Net zoals rechtspersonen weliswaar in rechte treden door tussenkomst van hun bevoegde organen, maar zonder dat deze organen vermeld moeten worden en zonder dat de tegenpartij per se hun identiteit moet kennen, treden groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid weliswaar in rechte door tussenkomst van een bevoegde lasthebber, maar zonder dat deze lasthebber nog vermeld moet worden en zonder dat de tegenpartij per se zijn identiteit moet kennen. Vanuit procesrechtelijk oogpunt zijn het orgaan en de lasthebber een grotendeels overbodige schakel geworden in de toerekening van proceshandelingen aan de rechtspersoon resp. de (leden van de) groepering.

Daaruit vloeit ook voort dat de groepering zonder rechtspersoonlijkheid die optreedt via een advocaat, net zoals de rechtspersoon, kan genieten van het vermoeden van artikel 440, tweede lid Ger.W. De tegenpartij kan niet vragen om een bewijs dat de beslissing om in rechte op te treden op de juiste manier werd genomen. De advocaat wordt in dit geval vermoed hiertoe een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen van de daartoe bevoegde vertegenwoordiger.[1]

Bij een optreden in rechte van rechtspersonen kan de tegenpartij in elke stand van het geding eisen dat de rechtspersoon haar de identiteit meedeelt van de natuurlijke personen die zijn organen zijn (art. 703, § 1, derde lid Ger.W.). Het achterliggende idee daarbij is dat de tegenpartij dan kan nagaan of het juiste orgaan tot het optreden in rechte heeft besloten, en desgevallend een exceptie dienaangaande kan opwerpen. De wetgever heeft niet in een dergelijke mogelijkheid voorzien ten aanzien van groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid die geen algemeen lasthebber hebben laten opnemen in de KBO. Dat lijkt evenwel slechts een beperkt gemis, nu de mogelijkheid van artikel 703, § 1, derde lid Ger.W. hoe dan ook weinig zoden aan de dijk zet en bijgevolg weinig populair is in de praktijk.[2]

M.i. is de identiteit van de bevoegde lasthebber enkel nog relevant wanneer de groepering zonder rechtspersoonlijkheid beslist om persoonlijk in rechte te verschijnen, dus zonder tussenkomst van een advocaat. In dat geval verschijnen alle leden samen, hetgeen uiteraard weinig praktisch is, ofwel verschijnt een bevoegde lasthebber namens hen.[3] De verschijnende lasthebber zal dan zijn mandaat op eenvoudige wijze kunnen bewijzen door te verwijzen naar de vermelding in de KBO.

Eens te meer kan verwezen worden naar de situatie bij rechtspersonen. Ook zij kunnen in persoon verschijnen, door tussenkomst van het bevoegde orgaan, al is dat ook daar eerder uitzonderlijk.[4]

Voor het overige bevestigt artikel 703, § 2, tweede lid Ger.W. het wettelijk wederkerig mandaat van artikel 36, 1° W.Venn. krachtens hetwelk vennoten elkaar als verweerder in rechte kunnen vertegenwoordigen (supra randnr. 7). Om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet, heeft ook dit wederkerig mandaat om in rechte op te treden veel van zijn relevantie verloren. Een eiser hoeft zich niet meer te richten tot een natuurlijke persoon als vertegenwoordiger van de vennoten; hij kan immers rechtstreeks de vennootschap aanspreken via vermelding van de benaming en de zetel, en hij kan betekenen aan de zetel.”

[1] Vgl. J. VANANROYE, Onverdeelde boedel en rechtspersoon: technieken van vermogensafscheiding, vermogensovergang en vermogensvereffening in het burgerlijk en ondernemingsrecht, Antwerpen, Biblo, 2014, 326-327, nr. 428; K. MORTIER, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NjW 2008, 814, nr. 44.

[2] In hoofdorde omdat de loutere kennisname van de identiteit van de organen van een rechtspersoon op zich niet voldoende is. Men dient (ook) te weten wie daadwerkelijk opdracht heeft gegeven tot de proceshandeling, hetgeen evenwel niet onder de mededelingsplicht van art. 703, § 1 Ger.W. valt. De kennisgeving is dan ook vaak een maat voor niets. Zie P. DAUW, “Het optreden in rechte van de rechtspersoon”, CABG 2006/2, 39; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 33; R. TAS, “De identificatie van een rechtspersoon bij proceshandelingen” (noot onder Cass. 11 juni 1998), R.Cass. 1999, 55-56.

[3] H. BOULARBAH, A. BERTHE en B. BIEMAR, “Le contrat de mandat et la procédure civile : questions choisies” in B. KOHL (ed.), Le mandat dans la pratique, Brussel, Larcier, 2014, 106; K. MORTIER, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NjW 2008, 814, nr. 43; P. TAELMAN, “Het optreden van (privaatrechtelijke) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciële rechtscolleges” in W. VAN EECKHOUTTE (ed.), Rechtspersonenrecht: postuniversitaire cyclus Willy Delva, Gent, Mys & Breesch, 1999, 51, nr. 15.

[4] D. VAN GERVEN, Handboek vennootschappen. Algemeen deel, Gent, Larcier, 2016, 653; P. DAUW, “Het optreden in rechte van de rechtspersoon”, CABG 2006/2, 39; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 279-282.

Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip

D. Van Gerven: “Wat wijzigt er voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders?”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreekt stafhouder Dirk Van Gerven wat er wijzigt voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders. Over de maatschap en de feitelijke vereniging in het licht van het formeel ondernemingsbegrip schrijft hij onder meer:

“Uit (c) [van art. I.1,1° WER] volgt dat de maatschap een onderneming is. Zij is een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Kenmerkend is haar afgescheiden vermogen dat gepaard gaat met een eigen bestuur en dus organogram; zij vormt een afzonderlijke organisatie, ook al heeft ze geen rechtspersoonlijkheid.[1] De maatschap kan overigens strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen (art. 5, derde lid Sw.). Wat geldt voor de maatschap geldt ook voor de stille vennootschap en de tijdelijke vennootschap, die in wezen varianten zijn op de maatschap. De tijdelijke vennootschap wordt afgeschaft in het WVV (de maatschap kan daarvoor dienen) en de stille vennootschap zal  door het leven gaan als de stille maatschap, een bijzondere vorm van maatschap.[2]

Wordt uitgesloten: “iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie” (art. I.1, 1°, tweede lid, (a) WER). Continue reading “Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip”

Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen

Omnis definitio in jure civili periculosa est

1.

Een definitie in het recht heeft meestal als functie het toepassingsgebied van een regel af te grenzen. Indien een bepaalde feitenconstellatie onder de definitie valt, wordt er een kwalificatie opgeplakt met bepaalde rechtsgevolgen als consequentie. Roekeloos rijgedrag, wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige daad met als gevolg een schadevergoedingsplicht voor schade veroorzaakt door dat gedrag. Wie als natuurlijke persoon zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, wordt gekwalificeerd als onderneming met een inschrijvingsplicht in het KBO of een boekhoudplicht als gevolg. 

2.

De definities van een vennootschap of vereniging in het WVV hebben deze gebruikelijke functie niét: Continue reading “Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen”

Ongemene reflecties over gemene bepalingen

Boek 2 WVV

Een wetgever die alle vennootschappen, stichtingen en verenigingen in één wetboek wil regelen zou vele “gemene” regels kunnen bedenken: gemeen aan alle vormen, gemeen aan alle rechtspersonen, gemeen aan alle vennootschappen, gemeen aan alle non-profits (verenigingen en stichtingen), gemeen aan alle verenigingen (met en zonder rechtspersoonlijkheid), gemeen aan alle vormen zonder rechtspersoonlijkheid (maatschap en feitelijke vereniging), gemeen aan alle vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (met bv. een gemene liquiditeitstest), gemeen aan alle entiteiten met beperkte aansprakelijkheid (met bv. gemene bepalingen rond startvermogen), gemeen aan alle vennootschapsvormen met/zonder vrije overdraagbaarheid van aandelen, … Het WVV zet vooral in op regels gemeen aan alle rechtspersonen (Boek 2). Deze post gaat in op de voorgeschiedenis hiervan, de praktische inzet en de wenselijkheid van deze keuze.

*     *
*

Continue reading “Ongemene reflecties over gemene bepalingen”

Onbekwaamheid van een maat en de wetgever: het bizarre gewijzigde art. 2003 BW over het einde van de lastgeving

De burgerlijke maatschap opnieuw ingevoerd in art. 2003 BW?

Misschien bekruipt u soms het gevoel dat u niet meer kan volgen met de snelle wetgevende evoluties? Als het een troost kan wezen: de wetgever zelf volgt ook niet altijd.

Sinds de Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie verwijst art. 2003 BW – bepaling over het einde van de lastgeving – naar de “burgerlijke maatschap”. Diezelfde burgerlijke maatschap was door diezelfde wetgever acht maanden eerder afgeschaft door de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, in werking getreden op 1 november 2018. En dit is dan nog niet eens het ergste dat er mis is met deze nieuwe bepaling. Continue reading “Onbekwaamheid van een maat en de wetgever: het bizarre gewijzigde art. 2003 BW over het einde van de lastgeving”

Moet een tijdelijke maatschap van aannemers zich inschrijven in het KBO vóór de gunning van een opdracht?

Commissie voor Justitie van woensdag 18 september 2019 – namiddag

Sinds de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Ondernemingsrecht moeten maatschappen zich in principe inschrijven in het KBO. In de Commissie voor Justitie van 18 september j.l. kreeg Vice-Premier Koen Geens de kans om de draagwijdte van deze inschrijvingsplicht te verduidelijken (zie Integraal Verslag):

“04.01  Egbert Lachaert (Open Vld): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag betreft een interpretatiekwestie bij de hervorming van het vennootschapsrecht, waarbij het aantal vennootschapsvormen werd verminderd. Wij weten dat in de bouwsector regelmatig de vennootschapsvorm tijdelijke handelsvennootschap werd aangewend, terwijl nu de vennootschapsvorm tijdelijke maatschap moet worden gebruikt.

Mijnheer de minister, u las wellicht de schriftelijke versie van mijn vraag. Mijn concrete vraag is wanneer precies de activiteiten kunnen aanvangen conform het Wetboek van economisch recht, aangezien men zich dan moet inschrijven in de KBO. Inzake de tijdelijke maatschappen, voorheen tijdelijke handelsvennootschappen, heerst er momenteel inderdaad wat onduidelijkheid omtrent de aanvang van de activiteiten. Is dat zodra men daadwerkelijk activiteiten start inzake uitvoering van bouwwerken of is dat, volgens een tweede interpretatie, bij de aanvang van de voorbereidende werkzaamheden om eventueel in te schrijven voor een dergelijk project?

Als de tweede interpretatie geldt, dan betekent dit dat er heel wat administratieve plichtplegingen moeten gebeuren in de KBO en de boekhouding, terwijl men niet eens zeker is dat de maatschap later effectief een reële activiteit zal ontwikkelen. Vandaar het gevoel van onduidelijk dat op dat vlak heerst in de sector.

Wat is volgens u de aanvang van activiteiten van een tijdelijke maatschap in dit soort scenario’s? Continue reading “Moet een tijdelijke maatschap van aannemers zich inschrijven in het KBO vóór de gunning van een opdracht?”

De maatschap: enkele praktische knelpunten na ruim 2000 jaar

Studienamiddag donderdag 24 oktober 2019, KU Leuven Campus Brussel (Leerstoel Constant Matheeussen)

De maatschap is onze oudste vennootschapsvorm en nog steeds de vennootschap ‘van gemeen recht’. Zij is polyvalent, flexibel, discreet, fiscaalvriendelijk en daarom vooral  sinds de jaren ’90 een zeer ‘gewild’ instrument van successieplanning.

Maar blijft dit wel zo?

Continue reading “De maatschap: enkele praktische knelpunten na ruim 2000 jaar”

Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?

Kort antwoord: nooit voor de activiteit van de maatschap

Eén van de nieuwigheden van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, was dat ook maatschappen inschrijvingsplichtig werden. Maatschappen zijn immers een “organisatie zonder rechtspersoonlijk” in de zin van art. I.1, 1° eerste lid (c)  WER en vallen wegens hun uitkeringsoogmerk niet onder de uitsluiting van (c) van het tweede lid (a).

Zulke organisaties zijn op grond van art. III.49 § 1 WER inschrijvingsplichting indien ze zijn opricht naar Belgisch recht (1°) of in België beschikken over een zetel, een bijkantoor of een vestigingseenheid (2°).

Let op : de trigger voor de inschrijvingsplicht is niet de kwalificatie als maatschap, laat staan de door de vennoten zelf gekozen benaming van hun samenwerking. Het volstaat dus uiteraard niet om het samenwerkingsverband een andere kwalificatie te geven om aan inschrijvingsplicht te ontsnappen. Zelfs al zou een rechter die alternatieve kwalificatie volgen, dan sluit dit niet uit dat er sprake kan zijn van een “organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.”

Er bestaat wat onduidelijkheid over de draagwijdte van de inschrijvingsplicht. Geldt de inschrijvingsplicht vanof oprichting, naar analogie voor wat geldt bij rechtspersonen? Of: geldt de inschrijvingsplicht enkel voorafgaand aan het aanvatten van activiteiten, naar analogie voor wat geldt bij natuurlijke personen? Dit kwam eerder hier aan bod, maar is niet het onderwerp van deze post. Deze post behandelt de vraag: gegeven dat een maatschap inschrijvingsplichtig is, zijn ook de maten zelf inschrijvingsplichtig? Continue reading “Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?”

Wanneer kan een maatschap een enkelvoudige boekhouding voeren?

Ontwerp-CBN-advies over boekhoudplichtige ondernemingen die een vereenvoudigde boekhouding kunnen voeren

De Wet van 15 april 2018 heeft voor maatschappen een boekhoudplicht ingevoerd. Art. III.82 6 bepaalt immers:

“De volgende ondernemingen zijn boekhoudplichtig :
1° iedere onderneming in de zin van artikel I.1. eerste lid, a), die in België zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
2° iedere onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1. eerste lid, b) en c);
3° iedere onderneming met in België gevestigde bijkantoren of centra van werkzaamheden;
[…]”

Een maatschap kan kan geviseerd worden door 2° (indien opgericht naar Belgische recht;- zelfs al zouden er geen activiteiten in België zijn) en/of 3° (indien werkelijk actief in België;- zelfs al zou de maatschap zijn opgericht naar buitenlands recht).

Art. III.85 WER geeft een maatschap de optie om een enkelvoudige boekhouding te voeren indien de omzet (exclusief BTW) EUR 500.000 niet overschrijdt. Diezelfde optie bestond reeds voor boekhoudplichtige natuurlijke personen en VOF’s en Comm.V’s.

In de praktijk bestond er wat onduidelijkheid hoe “omzet” moet worden begrepen, in het bijzondere bij maatschappen die worden gebruikt bij estate planning en die vaak louter aandelen of andere effecten aanhouden. Hun financiële inkomsten vallen niet onder hoe “omzet” normaal begrepen wordt, nl.  inkomsten van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening (zie art. 3:90, I.A. KB WVV). Continue reading “Wanneer kan een maatschap een enkelvoudige boekhouding voeren?”

KBO: opheffing van processanctie bij verkeerde of onvolledige inschrijving

Wet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht wat de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen betreft

In het Staatsblad van 2019-05-17 verscheen de Wet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht wat de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen betreft. Deze wet heft art. III.26 § 2 WER op.

Hier mee komt de wetgever tegemoet aan een inconsistentie sinds de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht die we eerder hier signaleerden: de processanctie voor niet-inschrijving in het KBO was regulariseerbaar terwijl dit niet gold voor de sanctie voor een onvolledige of verkeerde inschrijving. Deze inconsistentie wordt nu opgelost door het schrappen van die laatste sanctie.

Continue reading “KBO: opheffing van processanctie bij verkeerde of onvolledige inschrijving”

Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER

In het Belgisch Staatsblad van 29 oktober j.l. verscheen het Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek van Economisch recht.  De strekking van dit KB wordt toegelicht in het Verslag aan de KoningContinue reading “Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER”

‘Qui a compagnon, a maître’: ook in een maatschap gebruikt voor estate planning

Gent 5 september 2018: maat kan vragen dat een voorlopig bewindvoerder wordt aangesteld die bevoegdheden statutair zaakvoerder overneemt

De laatste decennia is er een fiscaal-juridische industrie ontstaan waarbij het gebruik van de maatschap als vehikel voor familiale vermogensplanning wordt aangeprezen. Eén van de verkoopsargumenten daarbij is dat maatschap toelaat om de eigendomstitel over te dragen (bv. van aandelen in een vennootschap) en toch nog controle te behouden als zaakvoerder van de maatschap.

Wat niet altijd voldoende in het licht wordt gesteld is dat de controle van een zaakvoerder, hoe ruim en discretionair die ook wordt geschreven, anders dan die van een eigenaar een fiduciaire bevoegdheid is, die niet louter in het eigen belang kan worden uitgeoefend. Elke vorm van mede-eigendom, in juridische of economische zin, leidt tot een doelgebonden bevoegdheid: Qui a compagnon, a maître.  Andere maten hebben daarbij een juridisch arsenaal aan middelen om het fiduciair karakter van de bevoegdheid van de zaakvoerder te doen naleven. Bestuursaansprakelijkheid is er daar één van.

Een ander middel – de atoombom in het arsenaal – is de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder. Een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 september 2018 (2016/RK/34 2017/RK/28) bevestigt de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder in een familiale maatschap die een controlepakket in een operationele vennootschap beheert. De voorlopig bewindvoerder werd aangesteld op vraag van de kinderen-maten om het bestuur en beheer van de maatschap waar te nemen in de plaats van de pater familias die levenslang als statutair zaakvoerder was benoemd.  Continue reading “‘Qui a compagnon, a maître’: ook in een maatschap gebruikt voor estate planning”

Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!

Een post door gastblogger Sven Sobrie

Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is als zodanig geen rechtssubject. Zij kan – behoudens wettelijke uitzonderingen – geen drager zijn van rechten en verplichtingen. Dat betekent evenwel niet dat een dergelijke groepering niet kan deelnemen aan het rechtsverkeer. Wél is daarvoor wat intellectuele gymnastiek vereist. In groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is het niet de groepering als zodanig, maar zijn het de gezamenlijke leden, die titularis zijn van de rechten en verplichtingen van de groepering. Deelname aan het rechtsverkeer is dus perfect mogelijk, maar dan via het gezamenlijk optreden van de leden. Zo kan een werknemer geldig verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met een feitelijke vereniging, begrepen als het geheel van haar leden.

Een dergelijk ‘collectief optreden’ neemt in de praktijk doorgaans de vorm aan van één lid (de voorzitter, de secretaris, de penningmeester, …) die rechtshandelingen stelt als vertegenwoordiger van de individuele leden. Op die manier hoeft niet elke muzikant zijn krabbel te zetten wanneer de lokale fanfare beslist om een nieuwe trommel te kopen. Een mandaat kan voorzien zijn in de statuten of kan ad hoc worden toegekend, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend. Er kan zelfs sprake zijn van een schijnmandaat, indien aan alle voorwaarden daarvan is voldaan.

Procesrechtelijk gelden dezelfde principes. Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid kan als eiser of verweerder een procedure voeren, al is het dan niet de groepering als zodanig, maar wel de individuele leden, die procespartij zijn. Opnieuw krijgt dat doorgaans praktische uitwerking via een of andere vorm van vertegenwoordiging. De rechtspraak toont zich daarbij – terecht – veeleer soepel: wie in het algemeen belast is met bestuur en vertegenwoordiging van de groepering wordt doorgaans ook bevoegd geacht om namens de leden qualitate qua een geding te voeren. Een uitdrukkelijke procesvolmacht is dus niet vereist.

Wel dient men op te letten bij de formulering van de gedinginleidende akte. Continue reading “Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!”

Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?

Met een gastrol voor ‘gold-plating’

Een wetgevend project kenmerkt zich evenzeer door wat het niet wijzigt, als door wat het wel wijzigt. Dat op vlak van bestuursaansprakelijkheid de bestaande minderheidsvordering, ondanks evidente gebreken, niet werd opgelapt in het ontwerp-WVV zegt even veel over de maatschappelijke keuzes van het ontwerp als de invoering van een ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid.

Vorige posts behandelden enkele opvallende nieuwigheden voor maatschap, VOF en CommV. Het ontwerp behoudt ook veel; vele bepalingen zijn nog altijd een on- of nauwelijks gewijzigde kopie van de bepalingen uit art. 1832 e.v. van de Code civil  van 1804 (maatschap) of de Vennootschapswet van 1873 (VOF en CommV).

Deze post behandelt kort enkele regels die opvallen door dat ze bleven of ongeregeld werden gelaten. En soms is dit ook relevant voor de meer courante vennootschapsvormen. Continue reading “Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?”