De feitelijke vereniging in rechte na 1 november 2018

Wijzigingen door de Wet Hervorming Ondernemingsrecht aan het optreden in rechte door organisaties zonder rechtspersoonlijkheid

Opmerkelijk —  maar nog grotendeels onopgemerkt — is dat de Wet Hervorming Ondernemingsrecht een tweede § toevoegt aan art. 703 Ger.W.:

“§ 2. Indien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, volstaat de vermelding van haar benaming en zetel die bij haar gegevens in de Kruispuntbank zijn opgenomen om, in gedingen met betrekking tot de gezamenlijke rechten en verplichtingen van de leden van de groepering, te doen blijken van de identiteit van haar gezamenlijke deelgenoten.
   Indien de inschrijving in de Kruispuntbank tevens de identificatiegegevens omvat van een algemeen lasthebber, kan de groepering in dezelfde gedingen in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen door tussenkomst van die lasthebber, onverminderd de toepassing, wat betreft vennootschappen, van artikel 36, 1°, van het Wetboek van vennootschappen, doch uitsluitend om in rechte op te treden als verweerder.”

Daarmee regelt de Belgische wetgeving voor het eerst op algemene wijze het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. We analyseren de draagwijdte hiervan en onderzoeken of dit zo spectaculair is als het lijkt.

Deze regels gelden zowel voor de maatschap als de de feitelijke vereniging.  We focussen hier op de feitelijke vereniging. Om twee redenen: (i) door het hoge aantal leden stelt het optreden in rechte zich als een acuter probleem en (ii) doordat heel wat drukkings- en belangengroepen, boerenbonden, levensbeschouwelijke organisaties en vakverenigingen voor deze vorm kiezen lijdt het debat rond deze vorm aan een periodieke ideologische overhitting. De maatschap komt aan bod waar deze vorm specieke regels kent.

Geen rechtspersoonlijkheid, geen optreden in rechte? Al lang niet meer.

De moderne rechtsleer en cassatierechtspraak ziet de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid doorgaans niet langer als een onbestaande of onbekwame entiteit los van de leden, maar als een verzameling van die leden. Belangrijk is dat er geen enkele wettelijke verplichting bestaat voor een vereniging om de vorm aan te nemen van een vzw of andere vereniging met rechtspersoonlijkheid. De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is geen gebrekkig opgerichte vzw. Daarom spreken we liever niet van “feitelijke vereniging”, omdat dit ten onrechte suggereert dat het hier om een verboden en juridisch ongeregelde figuur zou gaan.

Eigenaardig is dat “feitelijke vereniging” in het nieuwe vennootschaps- en verenigingsrecht de wettelijke naam zou worden. Wordt de vereniging daardoor minder feitelijk of net méér ?

Volgens de klassieke regel kunnen enkel recht­ssubjecten – natuurlijke personen of rechtspersonen – in rechte treden. Ten onrechte wordt soms uit deze regel afgeleid dat het voor groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid onmogelijk is om in rechte te treden of gedaagd te worden.

De afwezigheid van rechtspersoonlijkheid betekent immers enkel dat proceshandelingen namens of tegen de onverdeelde boedel worden toegerekend aan de deelgenoten in die boedel, die wel rechtspersoonlijkheid hebben. De relevante vragen zijn hoe die toerekening gebeurt en hoe dit procesrechtelijk gestalte krijgt. Dit zal vooral van belang zijn indien er sprake is van vertegenwoordiging in rechte en als de gezamenlijke deelgenoten onder de groeperingsnaam worden geïdentificeerd. Aan de orde zijn concrete vragen omtrent toerekening en procedurevormen, niet abstracte vragen omtrent rechtspersoonlijkheid of rechtsbekwaamheid.

Bij het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid stellen zich twee knelpunten: (i) de identificatie van de gezamelijke leden die de materiële procespartij vormen en (ii) de bevoegdheid van de vertegenwoordiger van de leden, de formele procespartij, voor het actief stellen dan wel het passief ontvangen van proceshandelingen. Het nieuwe art. 703 § 2 regelt beide issues in respectievelijk al. 1 en al. 2. Deze post gaat enkel in op de identificatievraag.

Identificatie: wat er is

Dat de vereniging moet worden beschouwd als het aggregaat van haar leden, belet niet dat deze leden aan het rechtsverkeer kunnen deelnemen onder de loutere vermelding van de verenigingsnaam.

Bij de rechtspersoon volgt dit uit de eigen rechtssubjectiviteit. Bij de onverdeelde boedel is een sprongetje nodig via de procesrechtelijke nietigheidsleer (pas de nullité sans grief): in principe is immers een vermelding van de identiteit van alle leden vereist op straffe van nietigheid; deze nietigheid zal echter enkel worden uitgesproken bij belangenschade. Het doel van de verplichte vermelding van de identiteit van de materiële procespartij is de tegenpartij in staat stellen alle middelen en excepties die eigen zijn aan de materiële procespartij in te roepen (W. VAN GERVEN, Bewindsbevoegdheid, 291, nr. 212). Aan dit doel is voldaan indien een vertegenwoordiger van de groepering optreedt onder de groeperingsnaam zonder de identiteit van de individuele leden te vermelden (Cass. 30 mei 1968, Arr.Cass. 1968, (1197) 1199.).

De rechtspraak van het Hof van Cassatie toont echter aan dat dit sprongetje gemakkelijk wordt genomen (ten minste voor de gewone hoven en rechtbanken), zodat er op dit vlak praktisch nauwelijks een verschil is tussen rechtspersoons- en boedeltechniek (Zie voor de toepassingen in lagere hoven en rechtbanken en voor de afwijkende rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State o.a. M. DENEF en A. BLONDEEL, “Kroniek verenigingen en stichtingen (2007-2008)”, TRV 2010, 225-228 en M. DENEF en S. VERSCHAEVE, “Kroniek verenigingen en stichtingen (2009-2010)”, TRV 2012, 190-192.):

  • Reeds een arrest van het Hof van Cassatie uit 1889 achtte het voldoende dat een dagvaarding uitgaande van de vereffenaars van een maatschap enkel de vennootschapsnaam vermeldt en niet de identiteit van de vennoten (Cass. 13 april 1889, Pas. 1889, I, (179) 181).
  • In een arrest uit 1985, met de Lloyd’s of London als verweerder, heeft het Hof van Cassatie beslist dat een vordering gericht tegen “de feitelijke vereniging samengesteld uit de leden van het Lloyd’s syndicaat nr. …” geacht moet worden te zijn gericht tegen de natuurlijke personen die lid zijn van dit syndicaat (Cass. 18 februari 1985, Arr.Cass. 1984-85, 827 en Pas. 1985, 741). Het middel van onontvankelijkheid wegens gebrek aan rechtspersoonlijkheid werd dan ook terecht verworpen.
  • Ook het bekende Cuivre et Zinc-arrest uit 1988 (beter bekend als principearrest inzake schijnvertegenwoordiging) bevestigt dit (Cass. 20 juni 1988, TRV 1989, 541, noot P. CALLENS en S. STIJNS).  De vordering was ingesteld tegen de gewestelijk secretaris van het FGTB qualitate qua. De eiser in cassatie werpt o.a. op dat de naam van alle vertegenwoordigde leden moest worden vermeld. Het Hof van Cassatie verwerpt dit bezwaar. (Merk op dat de vindplaats in het TRV de enige is die de relevante bepalingen over optreden in rechte publiceert).
  • Dit wordt bevestigd voor het actief optreden in rechte met een cassatiearrest van 15 april 2004, dat een vordering ingesteld door een formele gedingpartij in haar hoedanigheid van “voorzitter van het ABVV-Textiel, Kleding en Diamant, hiertoe gevolmachtigd door de leden van het Nationaal Bestuur”, zonder vermelding van de leden, niet onontvankelijk verklaart wegens een gebrek aan rechtspersoonlijkheid (Cass. 15 april 2004, TRV 2004, 686, noot J. VANANROYE).
  • Ook interessant is het cassatiearrest van 2 mei 2002 (Cass. 2 mei 2002, NJW 2002, 24, noot, RW 2002-03, 501, noot A. VAN OEVELEN en TBBR 2003, 337). Dit arrest is vooral bekend als principearrest inzake de zgn. buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten. De betrokken overeenkomst was in casu een overeenkomst van vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, die ook partij was in het geding. Eiser in cassatie was nl. de “Belgische spaarbankenvereniging, feitelijke vereniging op vervolging en benaarstiging van haar voorzitter F.V.”, met ook de vermelding van alle leden voor het cassatieberoep; opnieuw was hier – terecht – geen probleem van onontvankelijkheid.

Identificatie: wat er  wijzigt 

Wat wijzigt nu het nieuwe art. 703 § 2 Ger.W.? Het bevestigt dat indien een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid is ingeschreven in het KBO de vermelding van de naam en de zetel volstaan om de gezamenlijke leden te identificeren indien de vereniging in rechte treedt voor haar eigen onverdeelde rechten of in rechte wordt gedaagd voor de verenigingsverplichtingen.

Het sprongetje via de afwezigheid van belangenschade moet niet meer worden beoordeeld door de rechter. Het is de wet zelf die nu stelt dat de individuele leden voldoende zijn geïdentificeerd bij de vermelding van de gegevens opgenomen in het KBO. In de praktijk wijzigt dit echter weinig.

Deze bepaling geldt vooreerst voor maatschappen. Maatschappen worden immers door de Wet Hervorming Ondernemingsrecht principieel inschrijvingsplichtig in het KBO (nieuw art. III.49 § 1, 1° en 2° WER).

Feitelijke verenigingen zijn niet inschrijvingsplichtig in het KBO; organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk hebben zijn immers uitgesloten van het formele ondernemingsbegrip (nieuw art. I.1.1° al. 2 (b)). Toch is deze bepaling ook voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid van buitengewoon belang. De inschrijvingsplicht op grond van art. III.49 is immers niet de enige manier om in het KBO de belanden. Het KBO bevat ook de gegevens van heel wat andere entiteiten, die geen onderneming zijn. Lees het huidige en nieuwe III.16 WER. De belangrijkste daarvan zijn entiteiten die BTW-plichtig zijn of die als werkgever een RSZ-nummer hebben. Via deze weg hebben de belangrijkste verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid een KBO-nummer en is hun naam en zetel in het KBO geregistreerd. Check uw favoriete vak- of boerenbond maar via de zoekfunctie.

Ook voor organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die niet in het KBO zijn geregistreerd kan deze bepaling een betekenis hebben. De wettelijke bepaling is luidens de memorie van toelichting een bevestiging en toepassing van voornoemde rechtspraak. Voor organisaties die niet in het KBO zijn ingeschreven mag er dus niet vanuit het nieuwe artikel a contrario worden geredeneerd. De nieuwe regel bevestigt integendeel het algemene principe dat een verenigingsnaam waaronder aan het rechtsverkeer wordt deelgenomen voldoende zou moeten zijn.

Organisaties zonder rechtspersoonlijkheid hebben een… rechtspersonennummer

Fun fact: bij de registratie van een feitelijke vereniging in het KBO staat bij type onderneming: “rechtspersoon”; en bij de rechtsvorm: “vennootschap of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid”. De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid heeft dus een rechtspersonennummer.

Dat komt doordat de bestaande KBO-regeling een zoo is met maar twee beesten: natuurlijke personen en rechtspersonen. De organisaties zonder rechtspersoonlijkheid worden dan maar in de kooi van de rechtspersonen gesmeten. Dat is niet buitengewoon elegant, maar gegeven de bestaande dichotomie wel de beste oplossing.

Het nieuwe ondernemingsrecht geeft de organisatie een plaats op het podium. Het nieuwe formele ondernemingsbegrip kent een drieledige opdeling: (a) natuurlijke personen, (b) rechtspersonen en (c) organisaties zonder rechtspersoonlijkheid.

Caveat: indien de verenigingsnaam wordt gebruikt moet er nog altijd een formele procespartij worden geïdentificeerd

Indien er geen formele gedingpartij wordt vermeld en de leden niet individueel worden geïdentificeerd, dan is de vordering op grond van de rechtspraak van het Hof van Cassatie  onontvankelijk wegens een gebrek aan rechtspersoonlijkheid. Zie voor een toepassing hiervan het recente cassatie-arrest van 3 april 2017: een eerste vordering werd verkeerdelijk gericht tegen de feitelijke vereniging de Belgische Transportarbeidersbond; een tweede vordering werd correcter gericht tegen de voorzitter-secretaris als vertegenwoordiger van de leden van deze bond. De tweede vordering werd echter na de verjaring ingesteld; de eerste vordering was daarbij geen grond tot stuiting.

Het is niet nodig een formele gedingpartij te vermelden indien alle leden individueel worden geïdentificeerd.

Hier ligt het belangrijkste verschil met rechtspersonen: omdat de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid zelf wegens afwezigheid van een publiciteitssysteem geen voldoende aanknopingspunt is voor belangrijke rechtsverhoudingen, is een identificatie vereist van minstens de vertegenwoordiger (formele gedingpartij) of van de individuele leden (materiële gedingpartij).

En is het gewijzigde art. 703 Ger.W. nu spectaculair? 

Ja, tenzij u de rechtspraak van de laatste vijftig jaar zou hebben gevolgd, wat verrassend weinig auteurs en opiniemakers over dit thema deden.

In dat opzicht is het meest spectaculaire van het nieuwe art. 703 § 2 Ger.W. het opvoedkundige aspect. Ook de meest luie professor kan niet langer er mee volstaan te doceren dat uit de afwezigheid van de rechtspersoonlijkheid de onmogelijkheid volgt om in rechte te treden of te worden gedaagd.

Deze blogpost is gebaseerd op het voorlaatste hoofdstuk in Onverdeelde boedel en rechtspersoon. Zie voor het recente standaardwerk over vertegenwoordiging bij proceshandelingen Procederen qualitate qua van Dr. Sven Sobrie. 

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s