Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. 

Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennisgegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Dezelfde vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de publicatie van het vonnis van kwijtschelding (art. XX.173, §3 WER).

Voor de invulling van de “kennelijk grove fout” kan wellicht gekeken worden naar de rechtspraak rond bestuursaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout (art. XX.225 WER en de voorgangers daarvan in het W.Venn.).

In de voorwaarde van “bijgedragen tot het faillissement” zou a contrario kunnen worden gelezen dat de (laakbare) houding van de gefailleerde tijdens de faillissementsafwikkeling de toekenning van de kwijtschelding niet zou kunnen verhinderen (W. Derijcke, in La réforme du droit de l’insolvabilité et ses conséquences (sur les avocats), (213) 221; S. Brijs, S. Jacmain en K. De Smet, In Foro 2017/4, (11) 16). Hetzelfde wordt aangenomen bij de gelijkaardige formulering bij de faillissementsaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout (M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen, Intersentia, 2009, 181, nr. 216).

Deze interpretatie toepassen op kwijtschelding zou betekenen dat de gefailleerde die na het faillissementsvonnis de boedelgoederen letterlijk of figuurlijk in brand steekt, hiervoor op geen enkele wijze patrimoniaal zou opdraaien en dat de benadeelde schuldeisers geen rechtsherstel kunnen krijgen.

Dat is een onwenselijke interpretatie.

De voorwaarde kan ook zo worden gelezen dat er reeds aan is voldaan indien de kennelijk grove fout de omvang van het netto-passief heeft vergroot. De beperkende interpretatie uit het vennootschapsrecht is hier niet dienstig: indien de faillissementsaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout niet gebruikt kan worden, zijn er nog altijd alternatieve aansprakelijkheidsgronden (bv. actio mandati). Voor de gefailleerde onderneming-natuurlijk persoon is de weigering van kwijtschelding wegens kennelijk grove fout de enige pijl in de koker van de curator of schuldeisers.

Uitsmijter: als de standaard voor potentieel onbeperkte aansprakelijkheid van een onderneming-natuurlijke persoon voor het bestuur van zijn vermogen ‘kennelijk grove fout’ is, is het dan verantwoord dat in het voorgestelde vennootschapsrecht ook ‘kennelijk grove fouten’ zouden vallen onder de cap op bestuursaansprakelijkheid?

De faillissementsaansprakelijkheid in het WER worden besproken door Marieke Wyckaert op de studienamiddagen Nieuw Ondernemingsrecht (Leuven en Brussel) en kwijtschelding door Joeri Vananroye en Roel Verheyden in deThemis-cyclus Insolventie- en Beslagrecht (Leuven, Brussel, Hasselt en Kortrijk).

Joeri Vananroye

 

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

One thought on “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s