Welke activa vallen in de faillissementsboedel? Dat hangt in het nieuwe insolventierecht van de gefailleerde af

Over de universaliteit van het faillissement na het nieuwe art. XX.110 WER

De faillissementsboedel bundelt de gezamenlijke rechten tot uitwinning van de schuldeisers, die collectief “gerealiseerd” worden door het vonnis van faillietverklaring. Vandaar dat er meestal gesproken wordt van de goederen “van” de boedel (ook al is er geen eigendomsoverdracht naar de boedel).

Welke zijn nu die goederen van de boedel? Het nieuwe insolventierecht, normalerwijze in werking vanaf 1 mei 2018, wijzigt dit (art. XX.110 § 1 en 3 WER), maar deze regel is minder duidelijk dan het lijkt.

Het faillissement strekt zich naar huidig recht in principe uit tot alle goederen en schulden van de gefailleerde. Er wordt één enkele boedel gemaakt die zo ruim mogelijk moet zijn.

Deze boedel omvat naar huidig recht:

  1. In principe alle actuele goederen, die de gefailleerde heeft op het ogenblik van de faillietverklaring. Hierop bestaan een reeks uitzonderingen zoals onbeslagbare goederen of de vergoeding van persoonsschade op grond van onrechtmatige daad.
  2. Uitzonderlijk bepaalde voormalige goederen van de gefailleerde (die niet meer in zijn vermogen waren op het ogenblik van de faillietverklaring). In principe zitten deze goederen niét in de boedel, maar ze kunnen “terugkeren” naar de boedel door de herstelbevoegdheden van de curator. Denk aan de actio pauliana.
  3. In principe alle toekomstige goederen (die na de faillietverklaring en vóór de sluiting van het faillissement in het vermogen van de gefailleerde komen). Denk aan inkomsten die de gefailleerde krijgt. Ook hierop bestaan uitzonderingen, met name voor nieuwe activiteiten (zie o.a. A. Van Hoe, “Fiscale schuldvergelijking en nieuwe activiteiten van de gefailleerde: dode hoek inhet vermogensrecht?”, TFR 2013, 443 e.v.)

Goederen die na de sluiting van het faillissement aan de gefailleerde toekomen vallen uiteraard evident niet in de boedel.

Sinds de Wet van 11 augustus 2017 tot invoering van Boek XX WER dingt de wetgever hier op af wat de toekomstige goederen betreft.

Art. XX.110 § 1 stelt dat de gefailleerde van rechtswege het beheer verliest over al zijn goederen (lees: goederen die in zijn vermogen zijn op ogenblik van faillietverklaring) evenals over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat.

Begrijp: niet over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement (zie expliciet art. XX.110 § 3 al. 2 WER).

Waar de kwijtschelding de spons veegt over het restpassief, krijgt de gefailleerde hiermee ook een rugzakje activa mee die onder het nog-even-vigerende recht naar de schuldeisers gaan. Dit duwtje-in-de-rug past daarmee in hetzelfde tweede-kansen-beleid als de kwijtschelding (Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 54, nr. 2407/001, p. 83). Het maakt het ook interessanter voor de gefailleerde om nieuwe inkomsten te verwerven vóór het sluiten van de faillissementsprocedure.

* * *

De faillissementsprocedure wint hiermee op aantrekkelijkheid ten aanzien van de collectieve schuldenregeling. De natuurlijke persoon-schuldenaar die een onderneming is, wordt ook op dit punt beter af dan de natuurlijke persoon-schuldenaar die geen zelfstandige beroepsactiviteit heeft.

Het mag niet verrassen dat beroepsgroepen die zich eeuwen verzet hebben tegen het insolventierecht dit nu warm omhelsen.

* * *

De tekst van art. 110 maakt geen onderscheid naargelang de gefailleerde een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is. Ubi lex non distinguit, nec nos distinguere debemus? Toch wel!

De regel inzake toekomstige goederen in art. XX.110 § 1 en § 3 is enkel zinvol voor natuurlijke personen. De uitsluiting van toekomstige goederen staat overigens in art. XX.110 § 3 in één adem met de “goederen en vorderingen die krachtens de wet niet vatbaar zijn voor beslag”; ook dit geldt enkel voor natuurlijke personen.

Een rechtspersoon heeft geen tweede kans nodig: met de sluiting van het faillissement verdwijnt ook de rechtspersoon. Ook kwijtschelding geldt daarom niet voor een rechtspersoon. Het is ook weinig zinvol om bij een gefailleerde rechtspersoon een nieuwe activitet los van het initiatief van de curator te stimuleren.

De redenering voor rechtspersonen gaat m.i. ook op voor de vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (die zoals bekend met Boek XX ook aan het insolventierecht worden onderworpen – zie hier).

Er kan dus gerust een distinguo gelezen worden in de wet, waar de tekst zelf die niet bevat.

Soms heeft ook een wettekst een duwtje-in-de rug nodig.

Joeri Vananroye

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s