Het Grondwettelijk Hof ziet een lacune inzake de vervroegde kwijtschelding en vult die in, maar…

Vincent Verlaeckt over GwH 23 april 2026, nr. 55/2026

1.1. Wie het faillissementsrecht volgt en derhalve ook deze blog leest, weet dat de “kwijtschelding” van restschulden na faillissement al meermaals het voorwerp is geweest van discussie voor het Grondwettelijk Hof.[1]

De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof heeft mede aanleiding gegeven tot de invoering van de zogenoemde “automatische kwijtschelding” in 2023.[2] Sindsdien dient de gefailleerde niet langer zelf om de kwijtschelding te verzoeken. Bij de sluiting van het faillissement worden de restschulden in beginsel automatisch kwijtgescholden, tenzij een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, hiertegen verzet aantekent en de rechtbank dit verzet geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart.

Read more: Het Grondwettelijk Hof ziet een lacune inzake de vervroegde kwijtschelding en vult die in, maar…

1.2. Gelijktijdig met de invoering van dit systeem van automatische kwijtschelding werd voor de gefailleerde de mogelijkheid afgeschaft om reeds vanaf zes maanden na de faillietverklaring een vervroegde beslissing over de kwijtschelding te verkrijgen.[3] De afschaffing van de vervroegde kwijtschelding houdt verband met het feit dat de wetgever het gebrek aan medewerking aan de curator expliciet als wettelijke grond voor weigering van de kwijtschelding heeft opgenomen in de wet. Een “vervroegde” beoordeling van de kwijtschelding werd daardoor niet langer wenselijk geacht, aangezien zich gedurende het faillissementsbewind omstandigheden van niet-medewerking kunnen voordoen die een gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding rechtvaardigen.

1.3. In 2023 werd eveneens de termijn om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, beperkt in de tijd. Dit om te vermijden dat de gefailleerde te lang in onzekerheid blijft over de kwijtschelding. Zo werd in artikel XX.173, §3, 2de lid WER opgenomen dat de mogelijkheid om zich tegen de kwijtschelding te verzetten “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is.”.

2.1. Over de oorspronkelijk bestaande mogelijkheid tot “vervroegde kwijtschelding“ stelde de wetgever bij de afschaffing ervan in 2023 dat “het nutteloos [is] geworden te bepalen dat de gefailleerde in een vroeg stadium de kwijtschelding kan vragen. Hij kan ervan uitgaan dat die kwijtschelding verworven is tenzij de curator of derden hiertegen opkomen”.[4]

De Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge was niet overtuigd van het “nutteloos” karakter van een vervroegde kwijtschelding. Met een verwijzingsvonnis van 7 april 2025 richtte zij zich tot het Grondwettelijk Hof met een reeks vragen die in essentie aanvoeren dat de onmogelijkheid om vervroegd uitspraak te doen over de kwijtschelding mogelijk niet verantwoord is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet mogelijk schendt.

2.2. Het Grondwettelijk Hof volgt tot op zekere hoogte de ondernemingsrechtbank. Als de weigering van de kwijtschelding slechts kan gevorderd worden tot 3 jaar na de vaststelling van het passief, is er volgens het Hof geen reden meer om na het verstrijken van die verzetstermijn, de uitspraak over de kwijtschelding nog langer uit te stellen:

“Zodra de weigering van de kwijtschelding niet meer kan worden gevorderd door de curator, ongeacht het gedrag van de gefailleerde, kan niet worden ingezien waarom die gefailleerde altijd de sluiting van het faillissement zou moeten afwachten, om de gevolgen van de kwijtschelding te kunnen genieten. Dit geldt in het bijzonder in het licht van de vaststelling dat het in die gevallen per definitie gaat om procedures die al geruime tijd aan de gang zijn. Bijgevolg is de in het geding zijnde onmogelijkheid voor de gefailleerde natuurlijke persoon om na de periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, de kwijtschelding te verkrijgen, niet redelijk verantwoord

Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid, voor de gefailleerde natuurlijke persoon, om de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de  weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding”

2.3. Het Grondwettelijk Hof stelt dat het aan de wetgever staat om de “vastgestelde lacune” van artikel XX.173, § 2 WER “weg te werken” maar in afwachting ervan, geeft het Hof zelf een invulling aan de lacune:

Teneinde, in afwachting van dat wetgevend optreden, de rechten van de gefailleerde natuurlijke personen te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding, naar analogie van de procedure zoals bepaald in artikel XX.173, § 2, tweede tot vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vóór de vervanging ervan bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023.

Het Hof grijpt niet terug naar de vorige “vervroegde kwijtschelding” die reeds mogelijk was zes maanden na de faillietverklaring. Dit is te verantwoorden aangezien – zoals eerder gesteld – de niet-medewerking met de curator tijdens de vereffening een grond tot weigering van de kwijtschelding kan zijn; en die niet-medewerking kan wel eens langer aanslepen dan zes maanden

3.1. Er kan gesteld worden dat het door het Grondwettelijk Hof gehanteerde uitgangspunt logisch is. Er is geen enkele reden waarom een gefailleerde langer dan noodzakelijk in onzekerheid moet leven over de al dan niet kwijtschelding. De gefailleerde hoeft niet noodzakelijk in alle gevallen te wachten tot de sluiting van het faillissement om die “zekerheid” te krijgen. Een snelle sluiting van een faillissement kan soms, om zeer uiteenlopende redenen, niet opportuun zijn, die niet noodzakelijk te maken hebben met het gedrag van de gefailleerde. Onzekerheid over de kwijtschelding kan een rem zijn op het herstel of de ontwikkeling van nieuwe activiteiten. Een “virtuele kwijtschelding” is op het vlak van “zekerheid” niet veel waard als elke belanghebbende alsnog de weigering kan vorderen bij de sluiting van het faillissement.  Het is misschien wel paradoxaal dat een gefailleerde natuurlijke persoon onder het oude systeem – waarin hij de kwijtschelding moest “vragen” – sneller die zekerheid kon hebben, dan onder het nieuwe systeem van “automatische” kwijtschelding. Soms duurt “automatisch” dus iets langer.

3.2. De praktische impact van dit arrest van 23 april 2026 is voorlopig beperkt. De huidige regeling inzake de (automatische) kwijtschelding is van toepassing op faillissementen geopend vanaf 1 september 2023.

De termijn om zich te verzetten tegen de kwijtschelding “vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. De termijn voor schuldeisers om opname te vorderen bedraagt in beginsel één jaar.

Derhalve zou kunnen gesteld worden dat de termijn om verzet tegen de kwijtschelding te doen voor deze faillissementen ten vroegste zal verstrijken op 1 september 2027. Het eerste verzoek tot een vervroegde kwijtschelding 2.0 zou in de voorgestelde oplossing dan ook pas mogelijk zijn vanaf 1 september 2027.

4.1. Maar…

De vraag kan gesteld worden of er misschien een probleem bestaat met de oplossing die het Grondwettelijk Hof voorstelt om de lacune in te vullen.

Het Grondwettelijk Hof stelt dat een gefailleerde natuurlijke persoon de “vervroegde” kwijtschelding mag vragen “na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd”. Met andere woorden, van zodra het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten is vervallen, kan de “vervroegde” kwijtschelding gevraagd worden.

De vraag rijst wiens recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, vervallen moet zijn. Men lijkt ervan uit te gaan dat “de periode waarin de weigering kan worden gevorderd” voor elke belanghebbende dezelfde is. Maar is dat wel zo ? Vervalt voor elke schuldeiser het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding op hetzelfde ogenblik ? 

Het verval van het recht om zich tegen de kwijtschelding te verzetten, is in artikel XX.173, §3, 2de lid gekoppeld aan “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is”. Dit is het startpunt dat in aanmerking moet genomen worden om de 3-jarige termijn te berekenen.

Er wordt misschien wel aan voorbijgegaan dat dit startpunt verschillend kan zijn voor schuldeisers. Voor sommige schuldeisers zou dit startpunt zich wel eens zeer ver in de tijdkunnen situeren. Er bestaat niet zoiets als een ogenblik waarop het recht om opname te vorderen “collectief” verstrijkt voor alle schuldeisers.[5]

4.2. In de parlementaire voorbereiding staat: “ Het ontwerp verplicht dat een vordering tot weigering van de kwijtschelding wordt ingesteld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het passief gekend is (dit is de termijn van één jaar bedoeld in artikel XX.165)”.[6]

In de wet wordt het startpunt omschreven als “het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is” en niet “het ogenblik waarop de termijn van één jaar in artikel XX.165 verstreken is”. Een“recht” dat verstrijkt is niet hetzelfde als een“termijn” die verstrijkt. Het recht is immers niet altijd verbonden aan een termijn. Ook niet bij de aangifte van schuldvordering.

  • Ten eerste staat in artikel XX.165, derde lid WER een expliciete uitzondering op de éénjarige aangiftetermijn voor bepaalde schuldeisers. Meer bepaald voor schuldeisers wiens schuldvordering vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening geldt de aangiftetermijn van één jaar niet en wordt “het recht om opname te vorderen” niet beïnvloed door de éénjarige aangiftetermijn.[7] Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten berekend worden? Kan de thans (her)ingevoegde vervroegde kwijtschelding dan wel betrekking hebben op hun schuldvordering ? Het recht om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, kan dan schijnbaar al vervallen zijn alvorens hun schuldvordering na vrijwaring überhaupt bestaat…
  • Verder heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 24 september 2015 [8] gesteld dat voor schulden die nog “niet bestaan” op het ogenblik van faillietverklaring, de éénjarige aangiftetermijn van artikel XX.165, derde lid WER niet geldt. Ook al zijn dit schulden in de massa. Op welke wijze moet voor deze schuldeisers het verval om zich te verzetten tegen de kwijtschelding, berekend worden ? Bestaat er voor deze schuldeisers überhaupt wel een aangiftetermijn ? (open vragen)

4.3. Voormelde voorbeelden illustreren dat het niet evident is het “ogenblik” van wanneer de vervroegde kwijtschelding voor alle restschulden mogelijk is, te koppelen aan het “ogenblik” waarop het recht om opname te vorderen naar Belgisch recht, verstrijkt. Bovendien geldt het verval van het recht om zich te verzetten ook voor de curator en het openbaar ministerie. Maar de curator en het openbaar ministerie hebben beiden niets te maken met “het recht om opname te vorderen”…  

Het uitgangspunt van 3 jaar is uiteraard niet verkeerd – het staat immers in de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023- maar de (open) vraag is enkel of het op een juridische en praktische toepasbare wijze werd geïmplementeerd in boek XX WER.  

Artikel 21 van de insolventierichtlijn [9] voorziet naast de mogelijkheid om de termijn van 3 jaar te laten starten bij de opening van het faillissement, inderdaad de mogelijkheid om de driejarige termijn pas te laten ingaan vanaf “de vaststelling van de insolvente boedel”. In overweging nr. 76 wordt uitgelegd dat die boedelvaststelling vele (ook minder formele) vormen kan aannemen.[10] Maar er moet natuurlijk wel rekening gehouden worden met de eigenheid van het nationale recht “tot vaststelling van de insolvente boedel”. Er zijn lidstaten waar het recht tot opname gekoppeld is aan één vaste termijn waarop geen uitzonderingen bestaan. Dat kan niet gesteld worden over het Belgisch recht.

5.1. Ten slotte kan dit arrest misschien een aanleiding zijn om eens te reflecteren over de “kwijtschelding”. Ikzelf neem daarin geen stelling. Het is in de literatuur genoegzaam beschreven dat de huidige kwijtschelding is gebaseerd op de “fresh start”. U kan bijvoorbeeld eens artikel 523(a) van de U.S. Bankruptcy Code lezen om een idee te krijgen wat onder zo’n “fresh start” kan begrepen worden. 

Het zou voor de insolventiegemeenschap interessant zijn, mochten enkele ijverige, en bij voorkeur verstandige, studenten zich verdiepen in de problematiek. Ik doe hierbij een vrijblijvend voorstel van enkele neutrale titels voor bachelor- of masterproeven:

  • Een vergelijking tussen de regimes van kwijtschelding van de EU-lidstaten”
  • “De fresh start: een vergelijking tussen het Amerikaans recht en het Belgisch recht”
  • “De correlatie tussen het vrij verkeer van diensten en het Belgische regime van kwijtschelding na faillissement”
  • “Is de insolventierichtlijn (EU) 2019/1023 correct omgezet in het Belgisch recht wat betreft de kwijtschelding? Een kritische analyse”.
  • “Een vergelijking tussen de parlementaire voorbereiding [11] en de wettekst van artikel XX.173 WER, dit alles tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Cassatie van 28 juni 2024 [12]

Zoals het cliffhangers betamen, zijn de uitkomsten van deze mogelijke onderzoeksvragen voor het volgende seizoen [of academiejaar].

Deze bijdrage bevat enkel een bespreking van voormeld arrest en enkele open vragen en nuanceringen voor discussie-doeleinden. Deze bijdrage houdt geen weergave in van het persoonlijk standpunt of visie van de auteur. Uit de tekst kan niets afgeleid worden met het oog op beoordeling van aangehaalde problematieken door de auteur of het rechtscollege waartoe hij behoort. Er worden enkel “mogelijke” aan te nemen of te verwerpen visies en standpunten verwoord. De onderzoeksvragen zijn neutraal en enkel ter ondersteuning van debat.

Vincent Verlaeckt
Rechter Ondernemingsrechtbank Gent


[1] Zie onder meer arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 en arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021

[2] De wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van

20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit

[3] Initieel voorzien in artikel XX.173 § 2 WER.

[4] Parl. St., Kamer, 2021-2022, 55-2454/001, p. 6-8

[5] Het enige wat wel zou kunnen gesteld worden is dat op basis van artikel XX.165,2de lid WER niemand nog een opname kan vorderen zodra de curator de oproepingen heeft verzonden voor de vergadering bedoeld in artikel XX.170 WER.  Dat is dus op het einde van het faillissementsbewind. Vermoedelijk was dit niet hetgeen de wetgever voor ogen had.  

[6]  Parl. St. Kamer, 2022-23, 55-3231/00, 89.

[7] Artikel XX.165,3de lid WER: “Het recht opname te vorderen verjaart na verloop van één jaar te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, behalve voor de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening

[8] GwH 24 september 2015, 124/2015.

[9] Artikel 21: “De lidstaten zorgen ervoor dat de periode waarna insolvente ondernemers in staat zijn volledige kwijtschelding van schuld te verkrijgen, niet langer is dan drie jaar, te rekenen vanaf uiterlijk de datum van:

a) bij een procedure met een terugbetalingsplan, de beslissing waarbij een rechterlijke of een administratieve instantie het plan of de aanvang van de uitvoering ervan bevestigt; of

b) bij alle andere procedures, de beslissing van een rechterlijke of een administratieve instantie om de procedure te openen, of het vaststellen van de insolvente boedel van de ondernemer.”

[10] Nr. 76: “In procedures die geen terugbetalingsplan inhouden, dient de kwijtscheldingsperiode in te gaan uiterlijk vanaf de datum waarop door een rechterlijke of een administratieve instantie een beslissing tot opening van de procedure wordt genomen, of vanaf de datum van vaststelling van de insolvente boedel. De lidstaten zouden voor het berekenen van de duur van de kwijtscheldingsperiode in de zin van deze richtlijn kunnen bepalen dat het begrip “openen van de procedure” geen betrekking heeft op voorlopige maatregelen zoals conservatoire maatregelen of  het aanwijzen van een voorlopige insolventiedeskundige, tenzij die maatregelen de mogelijkheid bieden tot tegeldemaking van de activa, met inbegrip van de verkoop en de verdeling van activa aan de schuldeisers. De vaststelling van de insolvente boedel dient niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een formele beslissing of bevestiging door een rechterlijke of een administratieve instantie indien die beslissing niet krachtens het national recht vereist is, en kan bestaan in het indienen van de inventaris van activa en passive”

[11] Parl.St. Kamer, 2022-23 , 55 – 3231/001, p.89:  “Misbruiken vanwege de gefailleerde moeten wel vermeden worden en daarom wordt ook de mogelijkheid bewaard dat de curator of andere belanghebbenden zich tegen de kwijtschelding kunnen verzetten

[12] Cass. 28 juni 2024 (C.23.0288.F): De organisatie door de schuldenaar van zijn eigen faillissement en zijn verzoek tot kwijtschelding van de schulden vormen een rechtsmisbruik, waarbij het opgeleverde voordeel niet in verhouding staat tot de schade veroorzaakt aan derden. Zelfs wanneer de uitoefening van het recht van de gefailleerde om de kwijtschelding te vorderen abusief wordt verklaard, kan de kwijtschelding slechts worden geweigerd indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. (Art. XX.173, § 2 en 3, WER). Door niet te onderzoeken of de eiser kennelijke grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen aan het faillissement, rechtvaardigt het arrest niet wettelijk zijn beslissing dat het gedrag van de gefailleerde “moet worden gesanctioneerd door de weigering van het voorrecht van de gevorderde maatregel“.

Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert

Vincent Verlaeckt (Ondernemingsrechtbank Gent) over Cass. 1 december 2025, C.24.0339.N/1

1.

In een arrest van 1 december 2025 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de problematiek van de aanvang van de termijnen tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis inzake kwijtschelding van restschulden na faillietverklaring van natuurlijke personen.

Meer bepaald over de vraag of de kennisgeving bij gerechtsbrief een beroepstermijn doet aanvangen.

Continue reading “Over de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een vonnis dat de kwijtschelding weigert”

Kanttekeningen bij de kwijtschelding

Een post door mr. Guus Van de Voorde (Eubelius)

Van lijfsdwang tot kwijtschelding

Een korte bloemlezing uit de geschiedenis van het insolventierecht toont hoezeer de kwijtschelding een recent gegeven is. Het is nog geen 30 jaar geleden dat de eerste vorm van schuldbevrijding haar intrede maakte in de Belgische rechtsorde met het verschoonbaarheidsregime in de Faillissementswet van ‘98. Daarvoor kon de insolvente schuldenaar levenslang achtervolgd worden door zijn schuldeisers. Het is zelfs nog maar een 150-tal jaar geleden dat hij gespaard wordt van de lijfsdwang.[1] Voorheen was het gebruikelijk dat insolvente schuldenaren strafrechtelijk vervolgd en opgesloten werden.

Nog verder terug in de tijd, in het oude Athene, werkten insolvente schuldenaren in schuldslavernij voor hun schuldeisers tot hun schulden volledig waren afbetaald. Het meest tot de verbeelding spreekt echter de situatie in de oude Romeinse Republiek, waar de derde tafel van de Twaaltafelenwet de insolvente schuldenaar het lot toebedeelde om in stukjes gehakt te worden door zijn schuldeisers in verhouding tot hun aandeel in zijn schulden.[2]

Het contrast met het heden kan dan ook niet groter zijn. Sinds de hervorming van het insolventierecht in 2018 worden alle restschulden van de gefailleerde kwijtgescholden bij de sluiting van het faillissement. Met de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in 2023 gebeurt dat zelfs automatisch, zonder dat de gefailleerde daartoe ook maar enige inspanning moet leveren.[3] In recordtijd is de kwijtschelding dan ook uitgegroeid van de uitzondering en een gunst, tot de regel en een recht.

De fresh start-fetisj

Continue reading “Kanttekeningen bij de kwijtschelding”

Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers

Orb Gent, 13 november 2025

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde?

Het nieuwe art. XX.173 § 3 al. 3 stelt sinds 1 september 2023 (n.a.v. implementatie Hestructureringsrichtlijn): “De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.” Dit lijkt er vanuit te gaan dat een gedeeltelijke weigering altijd geldt voor alle schuldeisers en bestaat uit een breukdeel dat voor alle schuldeisers wordt toegepast (en geen absoluut bedrag dat dan verder de rangorde volgt).

Daarmee leek de wetgever komaf te maken met de mogelijkheid dat de rechtbank ook specifieke schuldvorderingen kan uitsluiten van kwijtschelding i.p.v. één globale gedeeltelijke weigering die alle schuldeisers ten goede komt (zie voorheen D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, 310, nr. 583 en hier).

We hebben deze inperking van de mogelijkheden van de insolventierechtbank op deze blog betreurd. Als de gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding een vorm van “bestuursaansprakelijkheid” is voor de natuurlijke persoon, dan is de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding een manier om de sanctie af te stemmen op de schade die door de onrechtmatigheid werd veroorzaakt.

Continue reading “Prejudiciële vraag bij Grondwettelijk Hof over de onmogelijkheid van weigering van kwijtschelding beperkt tot bepaalde schuldeisers”

Algemene verkorting Duitse kwijtscheldingstermijn naar 3 jaar: positief geëvalueerd voor consumenten

Een post door gastblogger Gauthier Vandenbossche (UGent)

De Duitse wet van 22 december 2020 tot verkorting van de kwijtscheldingstermijn, die op 1 oktober 2020 in werking is getreden, heeft de reguliere duur van de procedure tot kwijtschelding van restschulden voor alle natuurlijke personen verkort van zes naar drie jaar. Er werd voorzien dat de Bundesregierung  midden 2024 een verslag moest uitbrengen aan de Bundestag over de vraag hoe dit het verzoek-, betalings- en economische gedrag van consumenten heeft beïnvloed. In dit verslag wordt besloten dat er geen bewijs is dat de verkorting een impact heeft op het gedrag van consumenten. Dat is een interessante vaststelling voor de Belgische insolventiewetgever.

In deze blogpost sta ik stil bij de wet van 22 december 2020. Eerst geef ik toelichting bij de Duitse schuldkwijtscheldingsprocedure en de laatste wijziging ervan. Bijzondere aandacht is er voor het gelijktrekken van de kwijtscheldingstermijn voor ondernemers en consumenten. Hiervan is midden 2024 een evaluatie gemaakt, die zal worden toegelicht. Nadien worden nog kort de hoofdlijnen van de insolventieprocedure voor consumenten weergegeven. Besluiten doe ik met enkele korte overwegingen die de Belgische insolventiewetgever kan meenemen uit dit alles.

Continue reading “Algemene verkorting Duitse kwijtscheldingstermijn naar 3 jaar: positief geëvalueerd voor consumenten”

Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie

Cass. 28 juni 2024

Louter op grond van rechtsmisbruik kan de kwijtschelding van een gefailleerde niet worden geweigerd. Zo bevestigt een cassatiearrest van 28 juni 2024.

De Franstalige eerste kamer casseert een arrest van het Brusselse hof van beroep omdat het op grond van rechtsmisbruik weigerde een financiële consultant kwijtschelding te verlenen. De feiten illustreren nochtans de noodzaak van uitzonderingen op het “recht” op kwijtschelding. De man had al verschillende faillissementen achter de rug, waaronder een aantal als aandeelhouder en/of bestuurder van vennootschappen waarvoor hij zich borg had gesteld. Dat leverde hem in de periode 2015 tot 2019 een aanzienlijke schuldenlast op. Op 1 oktober 2019 wordt hij, ietwat cynisch, zelfstandig financiële consultant als natuurlijke persoon-ondernemer. Op Valentijnsdag 2020 doet hij aangifte van faillissement en dient hij een verzoek tot kwijtschelding in (het oude recht is immers van toepassing). Het passief is aanzienlijk en bestaat, zo luidt het verslag van de curator, voornamelijk uit de persoonlijke schulden die dateren van vóór de opstart van zijn nieuwe activiteit.

Continue reading “Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie”

De gedeeltelijke kwijtschelding in het vernieuwde faillissementsrecht

Collectieve en individuele schade: relevant bij kwijtschelding?

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 3.35 BW; oud art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van.

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. 

Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Zie over de vernieuwde procedure F. De Leo, TRV-RPS 2023, p. 446-447.

Het vernieuwe faillissementsrecht voegt daar sinds 1 september 2023 aan toe als weigeringsgrond: indien de gefailleerde wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op vragen van de rechter-commissaris van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (art. XX.173 § 3 WER). Dat is nuttig. Dit verhindert dat in de voorwaarde van “bijgedragen tot het faillissement” a contrario wordt gelezen dat de (laakbare) houding van de gefailleerde tijdens de faillissementsafwikkeling de toekenning van de kwijtschelding niet zou kunnen verhinderen (zie daarover onder het oude recht hier).

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde? Het advies aan rechtbanken was dan ook om de gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding nauwerkeurig te omschrijven (D. Pasteger, “De l’excusabilité à l’effacement”, TBH 2018, 271, nr. 19). Hier brengt het nieuwe recht een nieuwigheid waarvan we niet overtuigd zijn dat het een verbetering is.

Continue reading “De gedeeltelijke kwijtschelding in het vernieuwde faillissementsrecht”

Minister van Justitie over bestuurder als onderneming

Zijn bestuurders van vennootschappen of verenigingen altijd of soms ondernemingen? Het Hof van Cassatie heeft zich reeds herhaaldelijk (zie hier en hier) over de vraag uitgesproken. Ook het Grondwettelijk Hof (zie hier) is reeds in het debat betrokken. Verdere ontwikkelingen in de rechtspraak vallen niet uit te sluiten.

In antwoord op een parlementaire vraag van volksvertegenwoordiger Melissa Depraetere, heeft nu ook de minister van Justitie enige bespiegelingen aan voormelde vraag gewijd (vraag nr. 1812, op het spoor gekomen via het onvermoeibare werk van dhr. Eric Beaucourt).

Wat de opportuniteitsvraag betreft (“is het wenselijk dat bestuurders ondernemingen zijn?”) lezen we het volgende in het antwoord van de minister van Justitie.

“De toepassing van het begrip onderneming op bestuurders van vennootschappen en verenigingen heeft een ongewenst effect. Bestuurders kunnen aldus dankzij de kwijtschelding bevrijd worden van alle schulden, ook van private aard. Het stelsel van het faillissement lijkt meer aantrekkelijk in bepaalde gevallen dan een collectieve schuldenregeling. Dit maakt een oneigenlijk gebruik uit van het faillissement.

Anderzijds is het ook zo dat personen waarvan het beroep bestaat in het leiden van een vennootschap of vereniging naar de maatstaven van het Wetboek van economisch recht een onderneming kunnen zijn. Het louter feit een mandaat uit te oefenen in een rechtspersoon volstaat niet om te kunnen gewagen van een “beroep”. De leden van de organen per se beschouwen als ondernemingen is moeilijk te verzoenen met het beginsel dat een orgaan zich niet persoonlijk verbindt voor de verbintenissen van de
rechtspersoon.

België zou vrij alleen staan in de Europese Unie indien het Belgisch recht zou bepalen dat de bestuurder louter vanwege die hoedanigheid failliet kan worden verklaard.

De wetgever had kunnen tussenkomen in dit debat n.a.v. de recente omzetting van de Herstructureringsrichtlijn, maar heeft dit bewust niet gedaan. Zo blijft vooralsnog de rechtspraak aan zet.

De (on)zin van commerciële vs. particuliere schuldkwijtschelding

Over de aanmoediging van ondernemerschap als leitmotiv voor tweedekansbeleid – een post door gastblogger Gauthier Vandenbossche (UGent)

Niet alle EU-lidstaten behandelen ondernemers en consumenten op dezelfde manier wanneer het op tweedekansbeleid en schuldkwijtschelding aankomt. Zo maakt het Belgische insolventierecht, net zoals het Franse insolventierecht, een onderscheid tussen natuurlijke personen op basis van hun beroeps- of economische activiteit. Maar moet er op dat vlak wel een onderscheid gemaakt worden tussen natuurlijke personen? En kan een dergelijk onderscheid verantwoord worden op basis van de doelstelling van tweedekansbeleid en schuldkwijtschelding?

“Er kunnen vraagtekens worden gezet bij het verschil tussen de ‘risico-nemende’ ondernemer, voor wie een soepel tweedekansbeleid zou bestaan, en andere natuurlijke personen.”

Gauthier Vandenbossche

Continue reading “De (on)zin van commerciële vs. particuliere schuldkwijtschelding”

Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021
van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

Continue reading “Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?”

Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie

Cass. 18 september 2020 (C.18.0353.N)

In een arrest van vandaag 18 september 2020 (C.18.0353.N) vernietigt het Hof van Cassatie het Reglement betreffende de advocaat en insolventie van de Orde van Vlaamse Balies. Het Hof acht de ambtshalve weglating  als gevolg van het loutere faillissement kennelijk onredelijk.

De motivering van het arrest spreekt voor zich: Continue reading “Ook advocaten verdienen een ‘fresh start’: Hof van Cassatie vernietigt OVB reglement betreffende de advocaat en insolventie”

Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement

Onderscheid tussen collectieve en individuele schade ook relevant bij kwijtschelding na faillissement

Kwijtschelding impliceert dat de gefailleerde natuurlijke persoon ten aanzien van de schuldeisers in beginsel wordt bevrijd van alle restschulden die bestaan bij de sluiting van het faillissement.  De kwijtschelding geldt niet voor (i) onderhoudsschulden van de gefailleerde en (ii) schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft (art. XX.173, §1 al. 2 WER).

Dit artikel vermeldt, anders dan bij de regels inzake vermindering of kwijtschelding bij een collectief akkoord (art. XX.73 WER) strafrechtelijke boetes niet. Art. 464/1 Sv bepaalt echter dat de kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure enkel kan worden toegestaan met toepassing van het koninklijk genaderecht.

Boedelschulden worden door de wetgever evenmin vermeld. Het Hof van Cassatie oordeelde onder het stelsel van de Faillissementswet dat de verschoonbaarheid niet van toepassing is op de boedelschulden (Cass. 5 oktober 2007, RW 2010-11, 381). Deze uitzondering geldt ook onder het stelsel van de kwijtschelding.

Na verzet door een belanghebbende kan kwijtschelding worden geweigerd, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk. Dit laatste is nieuw. De mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende geeft de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Continue reading “Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement”

Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder.  Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”