Geldt het vermoeden van hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 2:56 al. 2 WVV enkel bij interne aansprakelijkheid?

Aansprakelijkheid voor gewone fouten in collegiale bestuursorganen

Volgens de gemene regels van aansprakelijkheidsrecht zou een lid van een collegiaal bestuursorgaan individueel aansprakelijk zijn, tenzij een samenlopende of een gemeenschappelijk fout. Dan geldt respectievelijk de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit brengt een derde in bewijsnood: hij kan wel aantonen dat het college een fout heeft begaan, maar het is veel moeilijker dat aan individuele leden van dit college te imputeren. Vergelijk met drie personen die in een afgesloten kamer worden opgesloten. Als bij het openen van de deur ééntje vermoord wordt teruggevonden, zullen de twee anderen vrijuit gaan indien geen individuele schuldige kan worden aangeduid.

Art. 2:56 al. 2 WVV komt hier te hulp: “Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.” Dit is belangrijke verduidelijking vergeleken met vroeger. Al. 4 van dit artikel bevat een disculpatiemogelijkheid.

De hoofdelijkheid is hier méér dan een zekerheidsmechanisme. Het zorgt ervoor dat de derde niet in bewijsnood komt, doordat hij bij een collegiaal orgaan individuele verantwoordelijkheid zou moeten aantonen, zonder dat er noodzakelijk een spoor is van het individueel (stem)gedrag.

De formuering van deze bepaling is algemeen. Het maakt geen onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid (t.a.v. de vennootschap) en de externe, buitencontractuele, aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Twee dingen doen echter twijfelen of dit ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ ook geldt voor de externe aansprakelijkheid t.a.v. derden.

Ten eerste is er de formulering van art.  2:56 al. 3 WVV: “Zelfs indien het bestuursorgaan geen college vormt, zijn diens leden zowel jegens de rechtspersoon als jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de rechtspersoon.

In deze alinea, wordt voor overtredingen van het WVV of de statuten, expliciet gesteld dat het ook geldt jegens derden. Betekent dit a contrario dat dit niet het geval is voor de vorige alinea?

Ten tweede, is er de Memorie van Toelichting die deze a contrario lezing lijkt te bevestigen. (Parl. St. 2017-18, doc 54 3119/001, p. 59). Bij de bespreking van het derde lid (hoofdelijkheid bij overtreding van WVV wordt immers gesteld: “Deze aansprakelijkheid geldt, in tegenstelling tot de aansprakelijkheid voor gewone bestuursfouten, niet enkel ten aanzien van de rechtspersoon, maar ook ten aanzien van derden.” Dit suggereert dat de hoofdelijkheid van art. 2:56 al. 2 niét zou gelden t.a.v. derden.

Het komt me voor dat de Memorie hier twee dingen verwart.

Enerzijds is er de vraag of bestuurders t.a.v. aansprakelijk zijn voor een gewone bestuursfout. Dat is niet het geval, tenzij die bestuursfout ook een onrechtmatige daad vormt.

Anderzijds is er de vraag of, als bestuurders als college een beslissing nemen (of verzuimen om een beslissing te nemen) die een onrechtmatige daad vormt, derden de bestuurders hoofdelijk kunnen aanspreken. Hier antwoorden we positief op, omdat net hier de regel van hoofdelijkheid beantwoordt aan een reële bewijsnood.

De verwarrende formulering van de Memorie kan enkel begrepen worden van de formulering van bestuursaansprakelijk in art. 527- 528 W.Venn. Art. 527 sprak enkel over “tekortkomingen in het bestuur” en betrof de interne aansprakelijkheid. Art. 528 W.Venn. over overtredingen van het W.Venn. of statuten en betrof explicitiet de interne en externe aansprakelijkheid. Het W.Venn. had hiermee een belangrijke leemte doordat volledig gezwegen werd over externe aanssprakelijkheid voor gewone onrechtmatige daden. Lange tijd was er zelfs discussie of bestuurders t.a.v. hier überhaupt voor aansprakelijk konden zijn. De laatste decennia was dit echter niet langer een twistpunt.

Het WVV remedieert dit hiaat door in de tweede zin van art. 2:56 al. 1 expliciet te verwijzen naar de gemeenrechtelijke buitencontractuele aansprakelijkheid:

“De in artikel 2:51 bedoelde personen en alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad zijn jegens de rechtspersoon aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit geldt ook jegens derden voor zover de begane fout een buitencontractuele fout is. Deze personen zijn evenwel slechts aansprakelijk voor beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaats”

Bij de bespreking van het twee lid, lijkt dit uit het oog te zijn verloren. We durven dan ook niet te veel gewicht hechten aan de Memorie en ook bij buitencontractuele aansprakelijkheid uit te gaan van hoofdelijkheid bij collegiale organen. De duidelijke tekst van de wet heeft hier voorrang een verwarrende passage in de memorie. Waar het derde lid een a contrario zou suggereren, maakt het eerste lid duidelijk dat het ganse artikel gaat over zowel interne als externe aansprakelijkheid.

(Wij vermoeden — maar hier zitten we in het domein van de speculatieve schriftgeleerdheid —  dat de memorie werd geschreven voor een eerdere versie die aansloot bij art. 527-528 W.Venn., dat later de externe aansprakelijkheid aan het ontwerp werd toegevoegdd, zonder dat dit volledig in de memorie werd gereflecteerd).

Merk op dat onder het W.Venn. bij vennootschappen met collegiale bestuursorganen het onderscheid tussen “gewone” fouten en overtredingen van het wetboek of de statuten minder belangrijk wordt dan onder het W.Venn. Voor alle fouten geldt nu het vermoeden van hoofdelijkheid met een identieke disculpatiemogelijkheid (die wel meer soepel is dan onder het W.Venn.).

Voor de BV, CV, NV en VZW is wel nog bepaald dat overtredingen van het WVV of de statuten enkel gedekt worden door de kwijting indien deze fouten “ bepaaldelijk zijn aangegeven in de oproeping” Zie 5:98, 6:83, 7:149 en 9:20. (Bij de NV: “wanneer de bestuurders of de leden van de raad van toezicht deze schendingen uitdrukkelijk hebben opgenomen in de agenda van de algemene vergadering”). In een NV met duaal bestuur is vereist dat de directieraad deze schendingen uitdrukkelijk heeft meegedeeld aan de raad van toezicht (art. 7:109 § 3).

Joeri Vananroye

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s